Monitor 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030': voortgangsrapportage 2025
Met subsidie van het ministerie van VWS
Mulier Instituut
Caroline van Lindert
Maaike Heerschop
Renée Hoogendijk
Chris Sparreboom
Robin Rauws
Nina Derix
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut.
© Mulier Instituut
Utrecht, 28 november 2025
Disclaimer
U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding; auteur(s), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave. Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto's in deze publicatie. Neem foto's daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.
Over ons
Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor beleid en samenleving. Voor overheden, maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen, sportorganisaties en bedrijven onderzoeken we allerlei thema's op het gebied van sport en sportief bewegen: van de sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.
Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.
Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid, gericht op de bevordering van sport, sportief bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen we op verschillende manieren:
We verzamelen data en monitoren de Nederlandse sportsector en beleidsprogramma's.
We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies.
We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze naar de beleidspraktijk.
We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies.
We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van 'kritische vriend' van de sportsector.
We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.
Inhoudsopgave Monitor 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030'
Samenvatting Voortgangsrapportage 2025
Inleiding
Dit is de derde voortgangsrapportage over de Strategie 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030'. Het Mulier Instituut monitort de voortgang op de Strategie en de bijbehorende pijlers: Jeugd- en Volwassenensport, Talentvolle sporters, Innovatie, Classificatie, Randvoorwaarden, Netwerk en Internationaal.
Probleemstelling
Deze jaarlijkse voortgangsrapportage geeft inzicht in de mate waarin en wijze waarop de ambitie en geformuleerde (sub)doelstellingen voor de Strategie 2030 worden omgezet in concrete maatregelen. Ook stellen we vast in hoeverre betrokkenen hierop resultaat zien of ervaren in de periode tot en met 2030.
Conclusies
Proces
In 2025 zijn de uitvoeringsplannen voltooid. In deze plannen zijn de ambities per pijler vertaald naar concrete doelstellingen en acties.
Het proces en de snelheid waarmee de uitvoeringsplannen zijn ontwikkeld, verschillen per pijler. Het opstellen van het uitvoeringsplan voor de pijler Jeugd- en Volwassenensport was complexer dan voor de overige pijlers. Dit plan was het laatst klaar. Dit komt onder andere door grote uitdagingen (sportdeelname verhogen) en de veelheid aan uitvoeringspartners.
Ambities breedtesport
Een hogere sportdeelname van mensen met een beperking of een kleinere kloof in sportdeelname tussen mensen met en zonder beperking is een langetermijnindicator van de Strategie. De wekelijkse sportdeelname van jeugd en volwassenen met een beperking (alle groepen) is nog altijd fors lager dan die van de algemene bevolking. Dit geldt ook voor het lidmaatschap van sportverenigingen.
Wel is de wekelijkse sportdeelname voor Nederlanders vanaf 12 jaar met één of meer lichamelijke beperkingen sinds 2014 geleidelijk toegenomen (24,8% in 2014; 29% in 2024). Omdat ook de deelname onder de algemene bevolking is toegenomen, is de kloof in sportdeelname tussen beide groepen nauwelijks kleiner geworden.
Ambities topsport
Er zijn nog geen langetermijnindicatoren voor het monitoren van de topsport voor mensen met een beperking die aansluiten bij de ambities van de Strategie. Deze moeten in het kader van de monitoring Topsport in Nederland (TiN) nog nader worden afgestemd.
Op basis van de indicatoren die we momenteel in de TiN meenemen, kunnen we concluderen dat topsporters met een handicap wisselend tevreden zijn met het topsportklimaat. Ze hebben vooral zorgen over hun financiële situatie. De waardering voor andere thema’s (zoals accommodaties of coaches) is positief. Daarin verschillen ze niet veel van topsporters zonder handicap. Wel is er nog ruimte voor verbetering.
Pijlers
De meeste pijlers nog aan de start van de uitvoeringsfase. Dit betekent dat veel acties nog moeten worden opgestart, vooral bij de pijler Jeugd- en Volwassenensport en de pijler Internationaal. Weinig acties zijn al voltooid.
Enkele resultaten op acties die opvallen zijn:
Bij Jeugd- en Volwassenensport zijn enkele inventarisaties afgerond die aan de basis liggen voor verdere uitvoering van het plan: multisport-, talent- en kennismakingsdagen, regionale clubs en opleidingsproducten voor sporters met een handicap.
Bij Talentvolle sporters zijn er acht talentcoaches aangesteld en zijn er nu twee Paralympische Talentdagen per jaar.
Bij Classificatie worden de bestaande classificatieprocessen tegen het licht gehouden en herzien en is een pilot gestart om het centraliseren van het classificatieproces te testen.
Bij Innovatie zijn de Support Agenda's van boccia, goalball, rolstoelrugby en rolstoelstennis al ontwikkeld. Paralympic Science Support-NL organiseerde kennisdelingsbijeenkomsten en bracht twee edities van nieuwsbrieven uit.
Bij Randvoorwaarden is hard gewerkt aan de opstart van de pilot 'Uniek Sporten Centraal Loket' en aan de voorbereidingen voor de integratie van het sportvervoer in Valys.
Bij Internationaal is een strategie ontwikkeld op het thema Sport en Kansengelijkheid, met specifieke focus op samenwerking met de Verenigde Staten in aanloop naar de komende Olympische en Paralympische Spelen en het WK voetbal.
Bij Netwerk hebben uitvoeringspartners meegewerkt aan een online vragenlijst over hun rollen, werkzaamheden en samenwerkingsrelaties voor sporten voor mensen met een handicap. De resultaten zijn besproken op een netwerkbijeenkomst op november 2025.
Reflecties op bevindingen
De tijd dringt. Doorwerking van beleidsmaatregelen op het niveau van einddoelgroepen vergt doorgaans tijd. De vraag is of de uitvoeringspartners binnen 5 jaar (periode tot 2030) al betekenisvolle veranderingen in het dagelijks (sport)leven van mensen met een beperking en betrokkenen kunnen realiseren. De Strategie is een complex samenspel van verschillende doelen, acties en een groot aantal uitvoeringspartners. Het risico bestaat dat het proces van afstemming veel tijd in beslag neemt en de uitvoering van acties daardoor vertraging oploopt.
Meer afstemming beleidskaders. Tussen de verschillende beleidskaders (VN-verdrag Handicap, Sportakkoord II, Strategisch kader topsport, Strategie 2030) kan nog meer afstemming plaatsvinden, zodat ze elkaar versterken.
Vooral inzicht in proces. We geven in deze rapportage nog vooral inzicht in de proces-indicatoren en de huidige stand van zaken van de uitvoering van de acties in de uitvoeringsplannen. Het monitoren van resultaat en impact was nog niet aan de orde, omdat de uitvoeringsplannen nog niet gereed waren.
Proces van co-creatie. Het proces rond de totstandkoming van de Strategie is een voorbeeld van samenwerkend besturen (zie ook Sportakkoord II). De uitvoeringsplannen zijn grotendeels in co-creatie met uitvoeringspartners ontwikkeld. Maar de ervaringskennis van mensen met een beperking is nog onvoldoende benut in het proces.
Samenhang breedte- en topsport. Bij de pijler Jeugd- en Volwassenensport zien we een realiteit met veel belanghebbenden en complexe vraagstukken die niet makkelijk zijn op te lossen (sportdeelname verhogen). Bij de topsport-georiënteerde pijlers (Talentvolle sporters, Innovatie en Classificatie) lijkt de problematiek minder complex (afgebakende doelen en minder partners). Voor het realiseren van de ambities van de Strategie (vanzelfsprekend sporten) is het van belang om alle pijlers in samenhang uit te voeren.
Vooruitblik monitor
Monitoring. De uitvoering op de pijlers volgen we vanaf 2026 op meerdere indicatoren: van proces tot resultaat en impact. We stemmen dit af met de kartrekkers en uitvoeringspartners.
Indicatoren topsport. Met het ministerie van VWS stemmen we in het kader van de monitor Topsport in Nederland af welke indicatoren geschikt zijn om de ambities voor topsport binnen de Strategie te volgen.
Ervaringskennis. Vanaf 2026 voorzien we vanuit de monitoring een actievere rol van de klankbordgroep van mensen met ervaringskennis bij het 'toetsen' van acties in het kader van de pijlers.
Hoofdstuk 1 Inleiding
Dit is de derde voortgangsrapportage over de strategie 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030'. In dit hoofdstuk vertellen we wat het doel is van de voortgangsrapportages en hoe we dit rapport hebben opgebouwd.
1.1 De Strategie 2030
Over de strategie
Op 14 oktober 2024 hebben ruim vijftig organisaties de strategie 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030' ondertekend. In het vervolg van dit rapport noemen we deze de 'Strategie 2030'.
De strategie is ontwikkeld door een regiegroep bestaande uit het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), NOC*NSF, Vereniging Sport & Gemeenten (VSG), Platform Ondernemende Sport (POS) en Maatschappelijke Organisaties in de Sport (MOS).
De ondertekenaars hebben in 2024 meegedacht bij de uitwerking van de Strategie 2030 in zogenaamde pledges. We noemen de ondertekenaars in het vervolg van dit rapport de 'uitvoeringspartners'. In de pledges legden zij samen ambities op specifieke pijlers met elkaar vast. De ondertekening op 14 oktober 2024 is daarmee een gezamenlijke belofte voor structurele verandering en een gedeelde aanpak.
Het afgelopen jaar, 2025, stond in het teken van de uitwerking van de pledges in concrete uitvoeringsplannen, met doelen en acties.
De pijlers
De pijlers vormen het fundament onder de uitvoeringsfase van de Strategie. Elke pijler heeft een eigen focus, maar samen dragen ze bij aan de gedeelde ambitie: sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend maken in 2030 (Sportakkoord, z.d.-a).
De regiegroep en uitvoeringspartners willen doelen bereiken op zeven pijlers:
Jeugd- en Volwassenensport: gericht op het verhogen van instroom en herinstroom en het voorkomen van uitstroom, met de klantreis als leidend principe;
Talentvol: gericht op het versterken van het pad van talent naar top voor sporters met een handicap;
Classificatie: gericht op het stroomlijnen en professionaliseren van het nationale classificatieproces;
Innovatie: gericht op het stimuleren, bundelen en structureel verankeren van innovaties in de sportsector;
Randvoorwaarden: gericht op het wegnemen van drempels zoals vervoer, financiën, en sporthulpmiddelen, zodat sportdeelname voor iedereen haalbaar wordt.
Netwerk: geen klassieke pijler, maar een verbindend kompas dat samenwerking en samenhang tussen de andere pijlers bevordert;
Internationaal: gericht op het versterken van de internationale positie van Nederland op het gebied van inclusieve sport. Door internationale samenwerking en kennisuitwisseling versterken we ook het binnenlandse beleid.
Door de Strategie 2030 te ondertekenen, hebben de uitvoeringspartners met elkaar afgesproken meer en beter samen te werken om de positie en inclusie van mensen met een beperking in de top- en breedtesport te verbeteren. Zo willen ze bijvoorbeeld voorkomen dat ze dingen dubbel of niet doen. Ze willen samen nieuwe activiteiten opzetten om het verschil te maken.
De regiegroep en de uitvoeringspartners verwachten dat een betere samenwerking bijdraagt aan het bereiken van het doel dat in 2030 sporten voor mensen met een beperking vanzelfsprekend is.
Aansluiting bij Sportakkoord II en Strategisch kader topsport
De Strategie 2030 sluit nauw aan bij de doelstellingen van Sportakkoord II voor het thema Inclusie en Diversiteit (Ministerie van VWS et al., 2022, 2024) en het Strategisch kader topsport 2023, waarin paralympische topsport als aparte pijler is opgenomen (Ministerie van VWS, NOC*NSF & VSG, 2023).
Vanuit het Sportakkoord II willen de partners het streven naar kansengelijkheid in en door sport bereiken via deze opgaven:
de financiële toegankelijkheid van sport en bewegen vergroten;
een effectieve begeleiding en toeleiding naar sport en bewegen;
de sociale toegankelijkheid van sport en bewegen vergroten;
de praktische toegankelijkheid van sport en bewegen vergroten (via sporthulpmiddelen, vervoer en fysieke toegankelijkheid van accommodaties).
De voortgang van de opgaven specifiek voor dit thema monitort het Mulier Instituut via de Monitor Sportakkoord II (Rappange et al., 2025).
Via het Strategisch kader topsport 2032 willen partners werken aan de volgende ambities:
een breder palet aan waardevolle topsportprestaties realiseren;
beter maatschappelijk verantwoord organiseren van topsport;
beter benutten van het platform van de topsport;
vergroten van de zichtbaarheid en het bereik van de topsport.
Het Mulier Instituut volgt via de TiN (Topsport in Nederland) jaarlijks de ontwikkelingen op de belangrijkste indicatoren binnen de Nederlandse topsport ((Balk et al., 2025, zie verder paragraaf 3.3).
Uitwerking werkagenda VN-Verdrag Handicap
De Strategie 2030 is ook een uitwerking van de Werkagenda van het VN-Verdrag Handicap (Verdrag Inzake de Rechten van Personen met een Handicap) voor het domein Sport en Bewegen (Ministerie van VWS, 2025). Het ministerie van VWS is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze werkagenda. De werkagenda hoort bij de Nationale strategie voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap. Doel daarvan is een inclusieve samenleving in 2040 (Ministerie van VWS, 2024).
In de werkagenda, die op 11 juli 2025 aan de Tweede Kamer is aanboden (Pouw-Verweij, 11 juli 2025), staan voor het levensdomein sport en bewegen maatregelen die er in 2040 voor moeten zorgen dat:
sport en bewegen (naast cultuur, media en recreatie) toegankelijk zijn voor alle mensen, zowel om het zelf te doen en maken als om het te ervaren;
mensen met een beperking zichtbaar vertegenwoordigd zijn in sport (naast media en cultuur).
In de werkagenda wordt de verbinding gelegd met Sportakkoord II en de Strategie 2030. Ook over de monitoring van de maatregelen voor het domein sport en bewegen zijn afspraken gemaakt. Deze nemen we grotendeels mee in de monitoring van de Strategie 2030. Daarom staan we in tabel 1.1 kort stil bij de tien genoemde maatregelen en de relatie met de Strategie 2030.
De maatregelen in de werkagenda hebben vooral te maken met de pijlers Jeugd & Volwassenen en Randvoorwaarden. Ze hebben geen directe relatie met de overige pijlers uit de Strategie 2030 (Talentontwikkeling, Innovatie, Classificatie en Internationaal).
Maatregelen werkagenda VN Verdrag Handicap | Pijlers Strategie 2030 |
|---|---|
Maatregel 1: Ministerie van VWS regisseert de strategie 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030'. | Pijler Netwerk |
Maatregel 2: Het inclusieve sport- en beweegaanbod wordt verbeterd. Ministerie van VWS werkt samen met partners van het Sportakkoord II aan een inclusiever sport- en beweegaanbod. | Pijlers Jeugd & Volwassenen |
Maatregel 3: De toeleiding van sporters met een beperking wordt versterkt. | Pijlers Jeugd & Volwassenen |
Maatregel 4: Sportvervoer wordt geïntegreerd in het landelijke Valys-vervoer. | Pijler Randvoorwaarden |
Maatregel 5: Er komt inzicht in financiële ondersteuning van sporters met een beperking. | Pijler Randvoorwaarden |
Maatregel 6: Er wordt onderzocht hoe de toegankelijkheid van sportaccommodaties beter inzichtelijk kan worden gemaakt. | Pijler Randvoorwaarden |
Maatregel 7: Ministerie van VWS wil in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin gerealiseerd hebben | Pijlers Jeugd & Volwassenen |
Maatregel 8: Ministerie van VWS verkent hoe inclusiviteit een plek krijgt in de ontwikkeling van groen/ blauwe schoolpleinen | N.v.t.1 |
Maatregel 9: De partners van het Sportakkoord vergroten de communicatieve toegankelijkheid | Pijler Randvoorwaarden |
Maatregel 10: Ministerie van VWS financiert het Nationaal Plan Zwemveiligheid met aandacht voor kinderen met een beperking | Pijlers Jeugd & Volwassenen |
Stand van zaken Strategie 2030
De Strategie heeft drie basisprincipes (Sportakkoord, z.d.-a):
Samenwerking als fundament: organisaties bouwen voort op bestaande initiatieven en versterken elkaar;
De mens centraal: de leefwereld, behoefte en ervaring van mensen met een handicap vormen het uitgangspunt;
Van belofte naar uitvoering: ambities worden concreet gemaakt in acties, rollen, tijdspaden en monitoring. De uitvoeringspartners voeren uit, het ministerie van VWS vervult een coördinerende en verbindende functie. Gedeeld eigenaarschap staat centraal.
De ontwikkeling en uitvoering van de Strategie 2030 bestaat uit drie fasen (figuur 1.1):
In de strategiefase zijn de doelstellingen van de Strategie en voor de zeven pijlers vastgesteld. Er is antwoord gegeven op de Wat-vraag: 'Wat willen we bereiken?'. Per pijler is een notitie (pledge) geschreven. Deze zijn gepresenteerd op 14 oktober 2024, tijdens de landelijke Uniek Sporten Dag,. Op deze dag hebben 57 organisaties één of meerdere pledges ondertekend.
In de implementatiefase hebben de regiegroep en uitvoeringspartners de Hoe-vraag beantwoord: 'Hoe gaan we dit bereiken?'. Per pijler hebben ze een uitvoeringsplan geschreven waarin staat welke concrete activiteiten ze ondernemen om de gewenste resultaten te bereiken. Op het moment van schrijven van deze voortgangsrapportage over 2025 zijn alle uitvoeringsplannen klaar. Op een landelijke netwerkbijeenkomst (3 november 2025) met alle uitvoeringspartners is het complete uitvoeringsplan van de Strategie gepresenteerd (Sportakkoord, z.d.-a).2 In de implementatiefase is de aansturing van de Strategie ingericht op drie niveaus:
bestuurlijk (op directieniveau over voortgang en politieke verankering);
strategisch (coördinatie via vaste voortgangsmomenten, afstemming tussen trekkers, bewaking van planning); en
operationeel (ondersteuning van trekkers bij uitvoeringsvraagstukken, afstemming over monitoring en faciliteren kennisdeling).
In de uitvoeringsfase starten de regiegroep en uitvoeringspartners met de daadwerkelijke uitvoering van de plannen. Dit is ook de fase waarin de we monitoring op indicatoren voorbereiden en starten. Onderzoekers van het Mulier Instituut hebben samen met de kartrekkers van de pijlers een overzicht gemaakt van de indicatoren op basis waarvan de monitoring plaatsvindt. Meer hierover is te lezen in hoofdstuk 2. De uitvoeringsfase is voor een aantal pijlers al gestart. Voor andere pijlers start de uitvoering in het najaar van 2025 of begin 2026.

Uitgebreide beschrijving
Stap 1 Strategie bestaat uit:
Start 13 december 2024: Strategiebijeenkomst Den Haag (Plenaire landelijke presentatie Strategie; subsessies over voorlopige invulling 8 pijlers).
18 en 19 juni 2024: Tweedaagse Papendorp Utrecht (Werksessies met uitvoeringspartners. Verdere concretisering ambitie en doelen 8 pijlers).
4 oktober 2024: Uniek Sporten Dag i.s.m. Sportakkoord II Zeist (Ondertekenmoment met beoogd uitvoeringspartners pledges 8 pijlers).
Stap 2 Implementatie bestaat uit:
Oktober 2024-februari 2025: Werksessies met uitvoeringspartners. (Concretisering doelen en acties voor uitvoeringsplannen 8 pijlers).
Maart 2025-september 2025: Opstellen en definitief maken uitvoeringsplannen voor 8 pijlers. (Uitvoeringsplannen definitief: mei 2025, Classificatie, Innovatie, Talentvol en Internationaal; juni 2025, Randvoorwaarden en Netwerk; september 2025, Jeugd en Volwassenen.)
4 september 2025: Uniek Sporten Dag Ermelo, plenaire terugkoppeling voortgang Stratregie door het ministerie van VWS.
Stap 3 Uitvoering bestaat uit:
Mei 2025 en verder: Start uitvoering acties volgens uitvoeringsplannen pijlers en bespreken indicatoren voor monitoring. (De pijlers gingen niet allemaal tegelijk van start met de uitvoering. De uitvoering van de pijlers Jeugd en Volwassenen startte bijvoorbeeld in het najaar van 2025.)
Januari 2026 en verder: Monitoring voortgang volgens vastgestelde indicatoren.
1.2 Jaarlijkse voortgangsrapportages
Het Mulier Instituut volgt tot en met 2030 de voortgang op de uitvoering van de Strategie 2030 en schrijft hierover jaarlijks een voortgangsrapportage.
2023: stand van zaken tien punten Nota Gehandicaptensport
In 2023 hebben we een eerste voortgangsrapportage opgesteld (Van Lindert et al., 2023). De Strategie 2030 was toen nog in ontwikkeling (fase 1). De voortgangsrapportage was daarom gericht op de Nota Gehandicaptensport. Deze was op initiatief van D66, GroenLinks en de SP (2021) opgesteld om aandacht te vragen voor tien belemmeringen die mensen met een beperking op hun weg naar deelname aan sport en bewegen tegenkomen.
In de voortgangsrapportage 2023 beschreven we de stand van zaken voor gekozen oplossingen voor deze tien belemmeringen. Een van de aanbevelingen was om samen met alle partijen te zoeken naar de samenhang tussen de verschillende beleidsmaatregelen voor gehandicaptensport. En te zorgen voor een duidelijke rol- en taakverdeling in het landschap en bij de uitvoering van de oplossingen.
2024: introductie pledges Strategie 2030
In de voortgangsrapportage over 2024 (Van Lindert et al., 2024) beschreven we uitvoerig hoe de Strategie 2030 tot stand is gekomen en wat hieraan voorafging. De ontwikkeling van de Strategie 2030 bevond zich in fase 1 (strategievorming). Per pijler beschreven we hoe de pledges tot stand kwamen. Ook bespraken we de stand van zaken binnen het thema van de pledge op dat moment en de ontwikkelingen op de langetermijnindicatoren voor sportdeelname en topsport voor mensen met een handicap.
In de Strategie 2030 zijn de tien punten uit de Nota Gehandicaptensport grotendeels meegenomen, maar niet allemaal. In de voortgangsrapportage over 2024 bespraken we ook de stand van zaken op die punten.
In de voortgangsrapportage schreven we dat op sommige onderdelen al merkbare veranderingen te zien waren, zoals op het thema sporthulpmiddelen. Maar ook dat we enkel nog zicht hadden op het ontwikkelproces van de Strategie. Eind 2024 was er nog geen heldere set aan indicatoren waarmee we de voortgang op de doelen van de strategie konden meten.
2025: introductie indicatoren Strategie 2030
In 2025 bevindt de Strategie 2030 zich nog grotendeels in de implementatiefase. De uitvoeringsplannen zijn inmiddels opgesteld en het is duidelijk welke resultaten de voorgenomen acties moeten opleveren.
In de voortgangsrapportage over 2025 introduceren we daarom de indicatoren waarop de monitoring zich vanaf nu richt. Vanaf 2026 beschrijven we daarop de voortgang. Daarnaast bespreken we per pijler kort de stand van zaken op de geplande acties in de uitvoeringsplannen. En geven we een update van de ontwikkelingen op de langetermijnindicatoren voor sportdeelname en topsport voor mensen met een handicap.
Doelstelling voortgangsrapportages
Doel van de jaarlijkse voortgangsrapportages is inzicht geven in de mate waarin en wijze waarop de ambitie en geformuleerde (sub)doelstellingen voor de Strategie 2030 worden omgezet in concrete maatregelen (acties en handelingen van organisaties en individuen). En de mate waarin betrokkenen3 hierop resultaat zien of ervaren in de periode tot en met 2030.
Uiteindelijk doel is met de inzichten de voortgang richting de ambitie tot 2030 in de tijd te volgen, zodat beleid en maatregelen op basis van de resultaten eventueel kunnen worden bijgesteld.
Vraagstelling voortgangsrapportages
Met de volgende vragen geven we inzicht in de doelstelling:
Hoe en in welke mate wordt vooruitgang geboekt op de strategie 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030'?
Welke maatregelen om de Strategie 2030 te realiseren zijn beoogd en in welke mate en op welke wijze worden deze omgezet in concrete acties en handelingen?
Welke uitvoeringspartners en intermediaire actoren zijn betrokken bij deze acties en handelingen?
Hoe verloopt de uitvoering van deze acties en handelingen?
Wat zijn de resultaten van en veranderingen door de acties en handelingen van betrokkenen?
Wat merken mensen met een beperking of handicap in de dagelijkse praktijk van de maatregelen, de uitgevoerde acties en handelingen en de voortgang op de Strategie 2030 in het algemeen?
1.3 Leeswijzer en definities
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 bespreken we kort de methode van de monitor die ten grondslag ligt aan de voortgangsrapportages.
In hoofdstuk 3 nemen we de lezer mee in de langetermijnontwikkeling op de sportdeelname van en topsport door mensen met een handicap. Ook geven we een beknopt overzicht van recente bevindingen over de impact van de Strategie 2030 op mensen met een beperking.
In hoofdstuk 4-11 geven we per pijler een overzicht van de stand van zaken op de geplande acties in het uitvoeringsplan. En introduceren we de indicatoren die vanaf 2026 de basis vormen van de monitoring.
In hoofdstuk 12 formuleren we de belangrijkste conclusies en blikken we vooruit op de volgende monitors.
Handicap of beperking?
We respecteren dat over het gebruik van taal en woorden verschillende gedachten en gevoelens zijn. Ondanks dat in de titel van de Strategie 2030 de term handicap is gekozen, gebruiken wij in deze rapportage afwisselend de termen handicap en beperking. Daarmee sluiten we aan bij de diversiteit aan ervaringen, zoals beschreven in de tweede voortgangsrapportage (Van Lindert et al., 2024).
Definitie beperking of handicap
De Strategie 2030 richt zich op inwoners van Nederland met een motorische, visuele, auditieve en/of verstandelijke handicap (Sportakkoord, z.d.-b).
De Verenigde Naties (VN) hanteren in het VN-verdrag Handicap (artikel 1, Verenigde Naties, 2006) een brede definitie van handicap, verwijzend naar langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen. Deze benadering is gebaseerd op het ICF-model4 voor beperkingen (World Health Organization, 2002).
De ICF bekijkt het menselijk functioneren vanuit drie perspectieven:
medisch perspectief: de stoornissen, aandoeningen, ziektes of het letsel van een persoon vanuit een medische optiek;
handelingsperspectief: wat kan een persoon? Het gaat hierbij om het uitvoeren van activiteiten en de (mogelijke) beperkingen die een persoon ervaart als gevolg van de gezondheidsproblemen. Bijvoorbeeld niet kunnen lopen door een dwarslaesie;
sociaal perspectief: het individu als deelnemer aan het maatschappelijk leven. Hierbij gaat het om de participatieproblemen die een persoon kan ervaren als gevolg van zijn of haar beperking. Bijvoorbeeld niet kunnen sporten door ontoegankelijke voorzieningen.
Het VN-verdrag Handicap benadrukt dat participatieproblemen van mensen met een handicap ontstaan door de wisselwerking tussen persoonlijke beperkingen en externe belemmeringen.
Er zijn grote verschillen tussen (mensen met) beperkingen. Dé persoon met een beperking bestaat niet. Maar er is ook veel overlap tussen verschillende typen beperkingen en langdurige aandoeningen. Een langdurige aandoening, zoals reuma of een spierziekte, kan bijvoorbeeld leiden tot een lichamelijke beperking. En mensen hebben soms meer dan één beperking, zoals iemand met een verstandelijke én een motorische beperking, of iemand met een verstandelijke beperking en autisme.
In de eerste en tweede voortgangsrapportage van de monitor is hierover meer informatie te vinden (Van Lindert et al., 2023, 2024).
Hoofdstuk 2: Methode monitor
Caroline van Lindert
Om de voortgang op de Strategie 2030 te volgen voeren we een meerjarige monitor uit. We vertellen in dit hoofdstuk hoe we dat doen.
In de voortgangsrapportage van 2024 (Van Lindert et al., 2024) beschreven we uitgebreid de methoden van de monitor. We herhalen hier een aantal begrippen die we steeds gebruiken.
2.1 Waarneembare veranderingen
Bij het beschrijven van de voortgang op de pijlers en de Strategie 2030 zijn we op zoek naar veranderingen die we kunnen zien of meten in het gedrag, de relaties of de activiteiten van mensen, groepen of organisaties waar de Strategie zich op richt (zie Hoogendam & Kusters, 2023).
De gedachte is dat deze veranderingen bijdragen aan het bereiken van de stip op de horizon: de ambitie van de Strategie dat sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend is in 2030.
Om deze veranderingen op het spoor te komen kijken we bij de uitvoeringspartners, intermediaire actoren en einddoelgroepen welke ‘dingen zij anders (zijn gaan) doen’. In het kader hieronder leggen we uit wie we met deze termen bedoelen.
Actoren in de Strategie 2030
Bij de monitoring van de Strategie 2030 spreken we over verschillende soorten organisaties en mensen:
Regiegroep: de landelijke organisaties die zijn begonnen met het opstellen van de Strategie: het Ministerie van VWS, VSG, NOC*NSF, POS en MOS.
(Kar)trekker: de vertegenwoordigers van organisaties die een pijler coördineren. Iedere pijler heeft een of meer kartrekkers.
Uitvoeringspartners: de organisaties die hebben meegeholpen bij het uitwerken van de Strategie 2030 in doelen en plannen. Zij hebben de Strategie ondertekend op 14 oktober 2024 en gaan meewerken aan de uitvoering van de plannen.
Intermediaire actoren: organisaties en professionals die direct profijt hebben van de uitvoering van de Strategie 2030. Zij vormen vaak een 'brug' tussen landelijke partijen en de einddoelgroepen. Een uitvoeringsorganisatie kan soms ook de rol van intermediaire actor innemen. De gedachte is dat deze organisaties 'dingen anders gaan doen' om de ambitie van de Strategie 2030 te halen.
Einddoelgroepen: dit zijn mensen met een beperking of handicap, en mensen uit hun sociale omgeving. Het doel is dat zij verschil gaan merken door de plannen van de Strategie 2030. Ook zijzelf kunnen veranderen in kennis, houding of gedrag.
Zie voor meer uitleg de tweede voortgangsrapportage (Van Lindert et al., 2024).
2.2 Indicatoren
Algemeen
In deze rapportage vertellen we op basis van welke indicatoren we voortaan de voortgang op de pijlers en de Strategie 2030 willen volgen. Deze hebben we in samenspraak met de kartrekkers en enkele uitvoeringsorganisaties van de pijlers opgesteld. Ze sluiten aan bij de doelen en acties in de uitvoeringsplannen per pijler.
Het is mogelijk dat de indicatoren wijzigen in de loop van de uitvoering van de Strategie en de monitor, bij voortschrijdend inzicht. Dit benadrukt het lerende karakter van de monitor. Vanaf hoofdstuk 4 bespreken we de stand van zaken bij de uitvoering van de acties en introduceren we de belangrijkste indicatoren.
Voor de monitoring van de Strategie 2030 gaan we uit van indicatoren op drie niveaus (zie figuur 2.1).

Uitgebreide beschrijving
Het geheel loopt van input via activiteiten, output en outcome naar impact. Input valt in de controlesfeer (het proces). Activiteiten ook, maar ook al deels in de directe invloedssfeer (resultaat). Daarin valt ook output, en voor een deel outcome. Outcome valt, net als impact, vooral in de indirecte invloedssfeer (impact).
Op deze indicatoren willen we veranderingen zien. De vraag hierbij is: 'Wat zien we tussentijds en wat zien we in 2030?'
Indicator
Een indicator is een manier om een bepaalde toestand te meten. Dit kan in cijfers of in ervaringen. Een indicator is vaak gekoppeld aan een doelstelling. Een indicator heeft bij voorkeur een signalerende functie en is gevoelig voor veranderingen.
Soorten indicatoren
Bij de procesindicatoren gaat het om hoe de uitvoeringsorganisaties te werk gaan bij de uitvoering van de acties en het realiseren van de doelstellingen per pijler. De vragen hierbij zijn: 'Welke activiteiten voeren ze uit, hoe verloopt dit, wat lukt er wel of niet en hoe komt dat?' (zie ook figuur 2.2).
Bij de resultaatindicatoren gaat het om wat de resultaten zijn van de acties en handelingen van de uitvoeringsorganisaties. De vragen hierbij zijn: 'Wat zijn de direct waargenomen veranderingen in bijvoorbeeld de kennis, houding, het gedrag, de relaties en activiteiten van de intermediaire actoren waarop de activiteiten van Strategie zijn gericht? Waar, bij wie of wat, wanneer en hoe vaak traden deze veranderingen op?'
Bij de impactindicatoren gaat het om de waarom-vraag. Waarom of om welke reden worden de acties en plannen uitgevoerd? Het gaat hier om de vraag in hoeverre de acties en resultaten uiteindelijk hebben bijgedragen aan de uiteindelijke stip op de horizon van de pijler of de hele Strategie 2030. Wat merken mensen met een handicap en hun omgeving van de uitvoering op de acties? Wat is er in hun (sport)leven merkbaar veranderd? De impact van een programma is vaak pas op langere termijn zichtbaar en zegt iets over de mate of manier waarop een programma voor veranderingen zorgt bij einddoelgroepen of thema's.

Uitgebreide beschrijving
Bovenaan staat de ambitie, waar alles onder valt. Deze splitst uit in Breedtesport en Topsport. Dat niveau is het 'Waarom'. Daaronder volgt het niveau 'Wat'. Hier splitst Breedtesport in Jeugd en Volwassenen, en Topsport in Talentvolle sporter, Innovatie en Classificatie. Onder elk van die categorieën hangen doelen, en daar weer onder activiteiten. Dat laatste is het niveau 'Hoe'. De pijlers Randvoorwaarden, Internationaal en Netwerk staan los van dit schema.
Introductie proces- en resultaatindicatoren per pijler
Vanaf hoofdstuk 4 introduceren we per pijler de belangrijkste indicatoren. Dit zijn vooral procesindicatoren (stand van zaken bij de uitvoering van de acties) en resultaatindicatoren (de meetbare, zichtbare veranderingen op het niveau van intermediaire actoren).
Impact- en langetermijnindicatoren voor Strategie
De impactindicatoren – die op het niveau van de einddoelgroepen – zijn moeilijker meetbaar per pijler. Dit moeten we mensen met een beperking en hun sociale omgeving zelf vragen. Soms kan dit per pijler, bij een specifieke vraag voor een specifieke groep. En soms is overkoepelend onderzoek nodig waarbij we in het algemeen ervaringen van mensen met een beperking ophalen.
Naast de vraag wat mensen met een beperking merken van de strategie, kunnen we ook naar langetermijnindicatoren kijken die iets zeggen over veranderingen in trendcijfers die we volgen. Denk aan de wekelijkse sportdeelname van mensen met een beperking.
In hoofdstuk 3 bespreken we deze langetermijnindicatoren in relatie tot de Strategie (paragraaf 3.2 en 3.3). We staan ook stil bij de vraag hoe mensen met een beperking of handicap 'kunnen' merken dat de Strategie voor verbeteringen zorgt (paragraaf 3.4).
2.3 Gebruikte bronnen
Voor deze voortgangsrapportages hebben we een aantal bronnen en dataverzamelingsmethoden gebruikt.
Oogstsessies
Met de methode Ripple Effects Mapping (Chazdon et al., 2017) brengen we de belangrijkste acties, handelingen, samenwerkingen (proces) en resultaten per pijler in kaart. Jaarlijks voeren we hiervoor gesprekken met de kartrekkers en relevante uitvoeringsorganisaties.
Voor deze voortgangsrapportage hebben we per pijler een eerste gesprek gevoerd om de stand van zaken op de geplande acties uit het uitvoeringsplan op te halen. Dat deden we in de periode augustus-september 2025. De bijeenkomsten waren online of op locatie.
Voor het ophalen van de input gebruikten we een online Miro-bord. Dit geeft een 'startfoto' van de pijler, die we er bij volgende gesprekken bij kunnen pakken en kunnen aanvullen. Zo ontstaat gedurende de looptijd van de Strategie een tijdlijn, waarin we steeds bijhouden welke acties zijn uitgevoerd, welke resultaten dat opleverde en voor welke impact dit mogelijk zorgt.
Vragenlijst uitvoeringspartners
In februari 2025 hebben we de uitvoeringspartners gevraagd een online vragenlijst in te vullen voor de pijler Netwerk (zie hoofdstuk 9). Het doel was inzicht te krijgen in het netwerk van organisaties die zich inzetten om sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend te maken.
De vragen gingen over welke rollen, taken en verantwoordelijkheden organisaties hebben en hoe ze hun werk financieren. Van de 57 organisaties hebben er 48 de vragenlijst volledig ingevuld. In hoofdstuk 9 gaan we hier verder op in.
Vanaf 2026 bevragen we uitvoeringspartners jaarlijks over de belangrijkste ontwikkelingen op de acties per pijler.
Registratie- en bestaande onderzoeken
Waar relevant hebben we voor de stand van zaken per pijler beschikbare data van uitvoeringspartners en instanties gebruikt. In hoofdstuk 3 maken we gebruik van data van bestaand (bevolkings)onderzoek om de langetermijnindicatoren voor sportdeelname en topsport in beeld te brengen.
Peilingen intermediaire actoren
Om de waarneembare veranderingen bij intermediaire actoren in beeld te brengen zetten we waar mogelijk periodiek vragenlijsten uit. In de winter van 2024/2025 hebben we bijvoorbeeld een vragenlijst uitgezet onder de Nederlandse sportverenigingen. 372 bestuurders vulden de vragenlijst over de aandacht van sportverenigingen voor mensen met een beperking in. De resultaten hebben we in een apart factsheet gepubliceerd (zie Gómez Berns et al., 2025).
Panelonderzoek
Om merkbare veranderingen bij mensen met en zonder beperking in beeld te brengen, maken we zoveel mogelijk gebruik van panel- en vragenlijstonderzoek om ervaringen op te halen. In het vierde kwartaal van 2024 hebben we bijvoorbeeld in samenwerking met het Nivel leden van twee panels bevraagd:
mensen met een motorische beperking via het Nationaal Panel Chronisch zieken en Gehandicapten;
mensen met een lichte tot matige verstandelijke beperking via het Panel Samen Leven. De vertegenwoordigers van mensen met een verstandelijke beperking vulden deze vragenlijst in.
De resultaten van deze onderzoeken hebben we gepubliceerd in twee aparte publicaties (Gómez Berns & Van Lindert, 2025; Hoogendijk et al., 2025). In hoofdstuk 3 besteden we kort aandacht aan deze onderzoeken.
Kwalitatief onderzoek
Voor deze monitor hebben we geen interviewstudie gedaan. We publiceerden wel een factsheet over de resultaten van een peiling en interviews over de vraag wat mensen verstaan onder vanzelfsprekend sporten (Sparreboom et al., 2025). De resultaten beschreven we al beknopt in de voortgangsrapportage 2024.
2.4 Samenwerking betrokkenen
Betrokkenen van de Strategie
Voor de voortgangsrapportage werken we samen met de regiegroep, kartrekkers en uitvoeringspartners van de Strategie 2030. We voeren gesprekken, halen bij hen data op en vragen ze te reflecteren op de resultaten. Zo is ook de monitor een proces van co-creatie.
Klankbordgroep mensen met ervaringskennis
Daarnaast werken we samen met een klankbordgroep van mensen met ervaringskennis over leven, sporten en bewegen met een beperking. Deze klankbordgroep hebben we dit jaar niet in kunnen zetten, aangezien de uitvoeringsplannen van de pijlers pas in het tweede deel van 2025 definitief werden.
De intentie is om de klankbordgroep in het komende monitorjaar weer volwaardig in te zetten. Bijvoorbeeld – volgens een idee van het ministerie van VWS – voor het testen van bepaalde maatregelen.
Hoofdstuk 3: Langetermijn- en impactindicatoren
Caroline van Lindert, Renée Hoogendijk & Maaike Heerschop
In dit hoofdstuk vertellen we hoe het ervoor staat met de wekelijkse sportdeelname van en de topsport voor mensen met een beperking. Dit doen we via een aantal langetermijnindicatoren. Ook bespreken we wat mensen met een handicap 'kunnen' merken van de Strategie. We starten met hoeveel mensen in Nederland een beperking hebben.
3.1 Mensen met een beperking
Termen en definities
In de eerste (2023) en tweede (2024) voortgangsrapportage stonden we wat langer stil bij de vraag op wie de Strategie 2030 is gericht, wat een handicap of beperking is of betekent voor mensen en hoeveel mensen in Nederland een handicap of beperking hebben (Van Lindert et al., 2023, 2024).
We schreven dat de termen 'handicap' of 'beperking' voor mensen verschillende betekenissen hebben. En dat we daarom in deze rapportage ze ook afwisselend gebruiken (zie ook paragraaf 1.3).
De Strategie richt zich vooral op inwoners van Nederland met een motorische, visuele, auditieve en verstandelijke handicap (Sportakkoord, z.d.-b). Goed om te realiseren is dat de uitvoeringsorganisaties in de praktijk ook te maken kunnen hebben met mensen langdurige aandoeningen (zoals reuma of een spierziekte) die kunnen leiden tot fysieke beperkingen. Soms hebben mensen een combinatie van beperkingen (zie ook paragraaf 1.3).
Aantal mensen met een beperking
Hoeveel mensen in Nederland precies een beperking of aandoening hebben is niet bekend. Wel zijn er schattingen op basis van cijfers uit bevolkingsonderzoek of zorgregistraties. In de voortgangsrapportage van 2024 (Van Lindert et al., 2024) schreven we dat:
naar schatting ongeveer 1 miljoen Nederlanders een verstandelijke beperking hebben5;
ongeveer 2 miljoen Nederlanders (van 12 jaar en ouder) één of meer matige tot ernstige lichamelijke beperkingen (bewegen, horen en/of zien) hebben;
het hierbij voornamelijk gaat om beperkingen in het bewegen (ongeveer 1,3 miljoen mensen) en dat ruim een half miljoen mensen een visuele beperking (zien) hebben en ruim een half miljoen mensen een auditieve beperking (horen);
ongeveer 5,5 miljoen mensen (vanaf 0 jaar) één of meer langdurige aandoeningen hebben.
Ook vertelden we dat het niet precies bekend is hoeveel kinderen in Nederland een beperking hebben en dat de schattingen per type beperking sterk uiteenlopen (Van Lindert, et al., 2024). We weten wel dat (zie ook Van Lindert, Gómez Berns, et al. 2025):
er in het speciaal (voortgezet) onderwijs (so en vso samen)6 zo'n 74.000 leerlingen met een beperking of aandoening zijn;
er in het speciaal basisonderwijs (sbo)7 zo'n 33.000 leerlingen met een beperking of aandoening zijn;
het niet precies bekend is hoeveel leerlingen in het regulier onderwijs een beperking of aandoening hebben.
Stel dat we uitgaan van een fictieve prevalentie van 10 procent leerlingen met een beperking in het regulier onderwijs (basis- en voortgezet onderwijs samen), dan gaat het om ruim 200.000 leerlingen met een beperking in het regulier onderwijs (zie een voorbeeldberekening in Van Lindert, Gómez Berns, et al. 2025).
Samen met de leerlingen in het speciaal (voortgezet) onderwijs en speciaal basisonderwijs zouden dan in totaal zo'n 300.000 kinderen en jongeren in de schoolgaande leeftijd in Nederland een beperking of aandoening hebben (over- of onderschatting niet uitgesloten).
In de voortgangsrapportage van 2024 (Van Lindert et al., 2024) constateerden we verder dat:
beperkingen en langdurige aandoeningen nauw samenhangen met leeftijd;
mensen met een beperking vaker ouderen zijn en minder vaak jongvolwassenen;
niet alle mensen met een langdurige aandoening ook een lichamelijke beperking hebben, maar wel het merendeel van de mensen met een lichamelijke beperking ook een langdurige aandoening heeft;
door bevolkingsgroei en een geleidelijke toename van de gemiddelde leeftijd het aantal mensen met lichamelijke beperkingen en langdurige aandoeningen in de toekomst waarschijnlijk verder toeneemt.
3.2 Ambitie breedtesport voor mensen met een handicap
De kernambitie van de Strategie is dat in '2030 sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend is: op elk niveau, in elke levensfase en in elke gemeente in Nederland.' In het uitvoeringsplan is te lezen dat de ondertekenaars 'streven naar een samenleving waarin ieder mens, ongeacht handicap, gelijke kansen heeft om te sporten, mee te doen en zich te ontwikkelen.' Ondertekenaars delen de overtuiging dat 'sport is geen luxe of extraatje, maar een essentieel onderdeel van gezondheid, zingeving en meedoen' (Sportakkoord, z.d.-a).
Maar de vraag is of sport voor iedereen dé oplossing is. Een manier om de voortgang op de kernambitie te volgen is bijvoorbeeld te kijken of iedereen die zou willen sporten, ook kán sporten. Daarvoor kunnen we de ontwikkeling in de sportdeelname van mensen met een beperking in de tijd volgen. Partijen streven een groei in de sportdeelname na en een afname van het verschil in deelname tussen mensen met een beperking en de algemene bevolking (Sportakkoord, z.d.-b).
Om deze ambitie in de tijd te volgen rapporteren we ieder jaar over de ontwikkelingen op een aantal langetermijnindicatoren. Deze zijn in de sportsector algemeen geaccepteerd en worden gepubliceerd via de website sportenbewegenincijfers.nl van het RIVM.
Langetermijnindicator breedtesport voor mensen met een handicap
Mate waarin mensen met een beperking minstens wekelijks deelnemen aan sport en voldoen aan de beweegrichtlijnen.
Mate waarin mensen met een beperking lid zijn van een sportvereniging of een abonnement hebben.
Meest beoefende sporten onder wekelijkse sporters met een beperking.
We kijken daarbij naar:
kinderen en jongeren met een beperking (4-17 jaar);
Nederlanders vanaf 12 jaar met één of meer lichamelijke beperkingen of langdurige aandoeningen (en waar mogelijk specifiek vanaf 18 jaar);
mensen met een verstandelijke beperking (geen leeftijdsafbakening).
Waar mogelijk doen we dat in vergelijking met leeftijdsgenoten zonder beperking of de algemene bevolking.
Kinderen en jongeren met een beperking
Over de deelname aan sportieve activiteiten door kinderen en jongeren hebben we ten opzichte van de vorige rapportage geen nieuwe cijfers. We schreven toen dat kinderen en jongeren met een beperking minder vaak wekelijks sporten dan leeftijdsgenoten zonder beperking en ook minder vaak lid zijn van een sportvereniging.
De cijfers zijn afkomstig van een onderzoek dat het Mulier Instituut in samenwerking met het RIVM uitvoerde onder 680 ouders van kinderen met en 643 ouders van kinderen zonder beperking (zie Gómez Berns et al., 2025). Het onderzoek maakte deel uit van een studie van het Mulier Instituut en het RIVM naar de ontwikkeling van een duurzaam monitorinstrument voor de vrijetijdsdeelname van kinderen en jongeren met een beperking (zie Van Lindert et al., 2025).
Volwassenen met een lichamelijke beperking en/of langdurige aandoening
Voor cijfers over sport- en beweegdeelname en het clublidmaatschap van Nederlanders (12 jaar en ouder en waar mogelijk 18 jaar en ouder) met één of meer lichamelijke beperkingen of langdurige aandoeningen gebruiken we cijfers van de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor van het CBS en het RIVM. Cijfers zijn te vinden op de website www.sportenbewegenincijfers.nl.
Beweegrichtlijnen
In 2024 voldoet 44,8 procent van de Nederlanders van 12 jaar en ouder aan de beweegrichtlijnen (was 43,6% in 2023). Het percentage Nederlanders dat voldoet aan de beweegrichtlijnen, is daarmee licht toegenomen. Dat geldt voor alle groepen (RIVM, z.d.-a).
Bij Nederlanders van 12 jaar en ouder met één of meer lichamelijke beperkingen is dat percentage met 24 procent een stuk lager (22,7% in 2023). Nederlanders met een motorische beperking voldoen het minst vaak aan de beweegrichtlijnen (17,1%; 15,1% in 2023). Nederlanders met één of meer langdurige aandoeningen (37% in 2024; 36,1% in 2023) voldoen vaker aan de beweegrichtlijnen dan mensen met een beperking en mensen in de algemene bevolking.
Wanneer we kijken naar alleen volwassenen met een beperking vanaf 18 jaar, zien we hetzelfde percentage (24,1% in 2024; 22,3% in 2023) dat aan de beweegrichtlijnen voldoet. Dit komt doordat de groep 12-18-jarigen getalsmatig een kleine groep vormt in de dataset van de CBS-Gezondheidsenquête.
Wekelijkse sportdeelname
Cijfers over de wekelijkse sportdeelname van mensen met een beperking of aandoening kunnen we op twee manieren presenteren:
naar type beperking (motorisch, visueel, auditief) in vergelijking met de algemene bevolking; figuur 3.1);
naar de overlap lichamelijke beperking en/of langdurige aandoeningen, in vergelijking met mensen zonder beperking of aandoening (tabel 3.1).
Naar type beperking
In 2024 neemt 55,9 procent van de algemene Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar wekelijks aan sport deel. Sinds 2014 is de sportdeelname licht toegenomen (zie figuur 3.1). Het gaat hier om alle Nederlanders, dus inclusief mensen met een beperking.
Kijken we specifiek naar Nederlanders vanaf 12 jaar met één of meer lichamelijke beperkingen, dan doen zij in 2024 fors minder aan wekelijkse sport in vergelijking met de algemene bevolking: 29 procent (29,2% in 2023). Nederlanders met een motorische beperking sporten het minst: 26,5 procent (21,1% in 2023) (RIVM, z.d.-b).

Uitgebreide beschrijving
De cijfers zijn:
Algemene bevolking (n=7.859-8.320): stabiele lijn van 51,4% in 2014 naar 55,9% in 2024.
Lichamelijke beperking (1 of meer) (n=1.010-1.025): met wat schommelingen van 24,8 naar 29,0.
Motorisch (n=785-719): met wat schommelingen van 24,1 naar 26,5.
Auditief (n=243-297): met wat schommelingen van 24,8 naar 29,8.
Visueel (n=234-269): met wat schommelingen van 31,5 naar 28,0.
Langdurige aandoening (1 of meer) (n=2.659-2.915): stabiele lijn van 40,5 naar 44,0.
Door de tijd heen zien we een schommelend patroon in de wekelijkse sportdeelname van mensen met één of meer lichamelijke beperkingen. Verschillen tussen meetjaren zijn niet altijd significant door schommelingen in aantallen respondenten.
Beter is naar de langere termijn trend te kijken. Dan zien we bijvoorbeeld dat voor Nederlanders vanaf 12 jaar met één of meer lichamelijke beperkingen de sportdeelname geleidelijk is toegenomen (24,8% in 2014; 29% in 2024). Een lichte toename geldt voor alle groepen, uitgezonderd mensen met een visuele beperking (RIVM, z.d.-b).
Voor 18-plussers met een beperking zijn de percentages nagenoeg gelijk met die van 12-plussers. In 2024 doet 28,4 procent van de 18-plussers met één of meer lichamelijke beperkingen wekelijks aan sport (29% voor 12-plussers, RIVM, z.d.-b).
Naar overlap lichamelijke beperkingen en/of langdurige aandoening
In paragraaf 3.1 vertelden we dat er een overlap is tussen mensen met een lichamelijke beperking en mensen met een langdurige aandoening. Het is daarom ook goed om te kijken hoe de wekelijkse sportdeelname zich ontwikkelt bij Nederlanders vanaf 12 jaar die zowel een lichamelijke beperking als een langdurige aandoening hebben.
Vergeleken met de andere groepen (alleen een lichamelijke beperking, alleen een langdurige aandoening, geen van beide) zien we dat hun deelname het laagst is: 27,4 procent in 2024 (tabel 3.1). Van de mensen die alleen een lichamelijke beperking hebben sportte in 2024 32,6 procent wekelijks.
| Geen waarde | 2022 | 2023 | 2024 |
|---|---|---|---|
Langdurige aandoening én lichamelijke beperking (n=797-741) | 19,7 | 25,4 | 27,4 |
Alleen lichamelijke beperking (n=263-282) | 32,9 | 38,1 | 32,6 |
Alleen langdurige aandoening (n=2.154-2.173) | 50,2 | 51,9 | 49,9 |
Géén beperking/aandoening (n=5.359-5.111) | 58,8 | 61,6 | 63,9 |
Toelichting tabel: verschillen tussen individuele meetjaren zijn niet significant (RIVM, z.d.-b).
Bij het gebruik van deze cijfers is het goed om te weten dat de omvang van de respondentgroepen verschilt. Zo gaat het bij de respondentgroep ‘mensen met alleen een lichamelijke beperking’ om een beperkt aantal respondenten: ongeveer 3 procent van alle respondenten (n=282 in 2024). Bijna 9 procent van alle respondenten heeft zowel een beperking als een langdurige aandoening (n=741 in 2024), 26 procent heeft alleen een langdurige aandoening (n=2.173 in 2024).
In de Najaarsbrief Sport en Bewegen 2024 en de brief over het Toekomstig sportbeleid van het ministerie van VWS (Karremans, 2024; 2025) wordt bij het formuleren van de ambitie op de wekelijkse sportdeelname (‘van 38 procent in 2023 naar 50 procent in 2028’) verwezen naar de groep mensen met alleen een lichamelijke beperking.
Intersecties
Analyses van de CBS-Gezondheidsenquête door het Mulier Instituut laten zien dat er een sterke intersectie is tussen leeftijd, sociaaleconomische status en beperking. Ouderen (65-plussers) met een lage sociaaleconomische status en een beperking hebben bijvoorbeeld de laagste wekelijkse sportdeelname (16% vs. 53% in de algemene bevolking van 18 jaar en ouder, periode 2022-2024; Van den Dool, 2025; zie ook Van den Dool et al., 2022, 2023; Van den Dool, 2023).
Clublidmaatschap
Mensen met één of meer lichamelijke beperkingen (12 jaar en ouder; 7,4%) zijn een stuk minder vaak lid van een sportvereniging dan de algemene bevolking (20,5%) (tabel 3.2). Mensen met een motorische beperking zijn het minst vaak lid van een sportvereniging (6,7%; RIVM, z.d.-c). De cijfers voor alleen volwassenen (18-plus) zijn nagenoeg hetzelfde.
Kijken we naar de overlap tussen beperkingen en langdurige aandoeningen, dan valt op dat mensen (12 jaar en ouder) met een langdurige aandoening én een lichamelijke aandoening (6,6%) minder vaak lid zijn dan mensen met alleen een lichamelijke beperking (9,5%) of alleen een langdurige aandoening (15,3%).
Kijken we naar het hebben van een abonnement op een fitnesscentrum, zwembad of andere sportaanbieder, dan zien we een vergelijkbaar beeld tabel 3.2). Mensen van 12 jaar en ouder met een motorische beperking hebben het minst vaak een abonnement (9,9%). Ze hebben wel vaker een abonnement om te sporten dan een verenigingslidmaatschap. Dat geldt overigens voor alle groepen (RIVM, z.d.-c).
Ook hier geldt dat mensen (12-plus) met een langdurige aandoening én een lichamelijke beperking (10,2%) minder vaak een abonnement op een sportschool hebben dan de mensen met alleen een langdurige aandoening (23,7% in 2024) of alleen een lichamelijke beperking (17,3%; tabel 3.2).
| Geen waarde | Lid van sportvereniging | Abonnement op fitnesscentrum, zwembad of andere sportaanbieder | Geen van beide |
|---|---|---|---|
Naar type beperking | Geen waarde | Geen waarde | Geen waarde |
Algemene bevolking (n=8.479) | 20,5 | 25,8 | 58,3 |
Eén of meer lichamelijke beperkingen (n=1.044) | 7,4 | 12,2 | 82,0 |
-Motorische beperking (n=727) | 6,7 | 9,9 | 84,7 |
-Auditieve beperking (n=306) | 8,8 | 12,5 | 81,3 |
-Visuele beperking (n=277) | 8,6 | 11,7 | 81,3 |
Eén of meer langdurige aandoeningen (n=2.955) | 13,0 | 20,2 | 69,5 |
Naar overlap beperking en/of aandoening | Geen waarde | Geen waarde | Geen waarde |
Langdurige aandoening én lichamelijke beperking (n=746) | 6,6 | 10,2 | 85,1 |
Alleen langdurige aandoening (n=2.208) | 15,3 | 23,7 | 64,0 |
Alleen lichamelijke beperking (n=295) | 9,5 | 17,3 | 74,4 |
Géén beperking/aandoening (n=5.216) | 25,3 | 29,4 | 51,2 |
Sportieve activiteiten
De sportieve activiteiten die mensen met een beperking of langdurige aandoening (vanaf 12 jaar) het meest beoefenen, zijn fitness/conditietraining, zwemmen en sportief wandelen. Ze beoefenen deze activiteiten vaker dan mensen zonder beperking of aandoening (tabel 3.3).
| Geen waarde | Aandoening én beperking (n=305) | Alleen aandoening (n=1.910) | Alleen beperking (n=177) | Geen van beide (n=5.914) |
|---|---|---|---|---|
Fitness/conditietraining | 28,5 | 25,1 | 25,4 | 22,4 |
Zwemmen algemeen | 9,5 | 5,8 | 6,2 | 4,8 |
Sportief wandelen | 7,9 | 6,8 | 5,6 | 4,4 |
Tennis | 5,6 | 5,5 | 6,2 | 3,9 |
Yoga algemeen | 5,6 | 4,2 | 4,5 | 3,1 |
Gymnastiek | 4,6 | 1,6 | 2,3 | 1,4 |
Hardlopen | 2,6 | 7,7 | 7,9 | 11,3 |
Judo | 3,9 | 0,5 | 1,1 | 0,2 |
Fietsen algemeen | 2,6 | 4,9 | 2,8 | 4,2 |
(Veld)voetbal | 1,0 | 2,6 | 4,0 | 6,6 |
Mensen met een verstandelijke beperking
Voor mensen met een verstandelijke beperking gebruiken we twee bronnen:
onderzoek dat het Mulier Instituut in 2024 uitvoerde in het kader van het programma Play Unified van Special Olympics Nederland. Het betrof vragenlijstonderzoek onder 1.005 leden van een online bevolkingspanel met een familielid met een (zeer) lichte tot matige verstandelijke beperking. Het betrof familieleden die naar de inschatting van panellid een lichte verstandelijke beperking (IQ van 70-85 en 50-70) of matige verstandelijke beperking (IQ van 35-50) hadden, vanaf 4 jaar (Gómez Berns, Hoogendijk & Van Lindert, 2025);
onderzoek dat het Mulier Instituut in het najaar van 2024 in het kader van de Strategie heeft uitgezet onder 163 vertegenwoordigers van mensen met een lichte (IQ 50-70) tot matige (IQ 35-50) verstandelijke beperking vanaf 15 jaar, via het Panel Samen Leven van het Nivel (Hoogendijk et al., 2025).
Play Unified
Het Play Unified-onderzoek monitorde in 2018, 2020 en 2025 de sportdeelname en ontmoetingen van mensen met een verstandelijke beperking via vragenlijsten onder vertegenwoordigers en sportverenigingen, aangevuld met een focusgroep met verenigingen (Gómez Berns, Hoogendijk & Van Lindert, 2025).
In de eindmeting uit 2025 sportte ongeveer één op de drie personen wekelijks (33%), vergelijkbaar met 2018 en 2020. Ter vergelijking sportte 55,9 procent van de Nederlandse bevolking (12 jaar en ouder) in 2024 wekelijks (RIVM, z.d.-b).
Hoewel de meetwijze in het Play Unified-onderzoek afwijkt van die van het RIVM, duidt dit op een (fors) lagere wekelijkse sportdeelname onder mensen met een verstandelijke beperking.
30 procent van de respondenten met een zeer lichte verstandelijke beperking (geschat IQ 70-85) sport wekelijks of vaker. Bij mensen met een lichte verstandelijke beperking (geschat IQ 50-70) is dat 31 procent en bij mensen met een matige verstandelijke beperking (geschat IQ 35-50) 41 procent. De hogere sportdeelname bij mensen met een matige verstandelijke beperking is waarschijnlijk te verklaren doordat zij vaker dan mensen met een (zeer) lichte verstandelijke beperking aangeven dat ze sporten via de instelling waar ze begeleiding van krijgen, via het (dag)activiteitencentrum en in medisch therapeutisch verband (Gómez Berns, Hoogendijk & Van Lindert, 2025).
Het lidmaatschap van een sportvereniging van alle naasten (ook de naasten die niet sporten en niet wandelen of fietsen als ontspanning) bleef laag (14%; stabiel t.o.v. eerdere metingen). Van de naasten die sportieve activiteiten beoefenen, is 21 procent lid. Naasten met een (zeer) lichte verstandelijke beperking zijn vaker lid van een sportvereniging dan naasten met een matige verstandelijke beperking (Gómez Berns, Hoogendijk & Van Lindert, 2025).
Populaire sportieve activiteiten waren zwemmen, fitness, voetbal en paardrijden.
Panel Samen Leven
In 2024-2025 zette het Mulier Instituut in samenwerking met het Nivel een peiling uit onder vertegenwoordigers van mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking, via het Panel Samen Leven (PSL) (Hoogendijk et al., 2025).8
De resultaten laten zien dat mensen met een lichte (geschat IQ 50-70) of matige (geschat IQ 35-50) verstandelijke beperking volgens hun vertegenwoordigers in de afgelopen twaalf maanden vaak aan één of meer sportieve activiteiten deden: 64 procent was wekelijks actief (sport en/of bewegen samen). Populaire activiteiten waren wandelen, zwemmen, fitness, fietsen en paardensport.
Ongeveer 28 procent sportte niet (exclusief wandelen/fietsen). Veel deelname vond plaats bij woon-/zorginstellingen of in informele settingen. Van de naasten die één of meer sportieve activiteiten hebben gedaan, is bijna een derde lid van een sportvereniging (32%). En 14 procent is abonnee van een ondernemende sportaanbieder (bijv. een fitnessclub).
Verschillen tussen de peilingen
Er is een groot verschil in de deelname aan sportieve activiteiten tussen beide onderzoeken. Dit kan komen door diverse oorzaken. De steekproeven verschillen van omvang (1.005 vs. 163 respondenten) en er zijn andere vragen gebruikt om sportdeelname te meten. Daarnaast betrekt het ene onderzoek ook mensen met een zeer licht verstandelijke beperking (IQ 70-85) en het andere niet. Hierdoor zijn de resultaten van de verschillende onderzoeken niet een-op-een te vergelijken.
3.3 Ambitie topsport voor mensen met een handicap
Voor het opstellen van de langetermijnindicatoren voor het volgen van ontwikkelingen in de topsport voor mensen met een handicap bespreken we eerst de totstandkoming van de ambitie.
Totstandkoming ambitie
De Nederlandse Sportraad (2022) schreef in een advies dat de positie van de paralympische topsport net zo volwassen en krachtig moet worden als die van de olympische sport. De kern van het advies was het streven naar een gelijkwaardige positie van de paralympische topsport ten opzichte van de olympische topsport, met als stip op de horizon een inclusieve samenleving.
Het advies was dat de overheid met betrokkenen de regierol pakt bij het ontwikkelen van een gezamenlijke visie en dat specifieke maatregelen nodig zijn (zie ook de tweede voortgangsrapportage Van Lindert et al., 2024). De regierol komt tot uiting in de ontwikkeling van de Strategie 2030, waarin ook maatregelen voor de topsport zijn opgenomen. De visie moest ook voortbouwen op het beleid dat is ingezet vanuit het Nationaal Sportakkoord I en II en het Strategisch kader topsport 2032 (Ministerie van VWS, NOC*NSF & VSG, 2023), waarin paralympische topsport als aparte pijler is opgenomen.
Inmiddels hebben NOC*NSF, VSG en het ministerie van VWS (2025) hun gezamenlijke 'Plan van aanpak. Doorontwikkeling paralympische topsport' gereed. In het plan van aanpak staat voor de bovengenoemde trajecten (advies Nederlandse Sportraad, Sportakkoord, Strategische kader topsport 2032, Strategie 2030) een overkoepelende ambitie voor de topsport voor mensen met een handicap:
'We streven er naar dat topsport voor mensen met een handicap9 in 2030 vanzelfsprekend is zodat die nog meer kan bijdragen aan de waarde die topsport voor de maatschappij heeft. De inspirerende kracht van paralympische topsport wordt niet alleen voor mensen met een handicap, maar voor iedereen vanzelfsprekend. Vanzelfsprekendheid zit niet alleen in inspireren. We zullen door strategische keuzes de paralympische sport voor gebruiker en toeschouwer interessanter maken. Dat doen we door sterke deelnemersvelden en uitlegbare prestaties. We vergroten het bereik en zichtbaarheid van paralympische topsportprestaties zodat die door meer mensen worden gezien en gewaardeerd.'
NOC*NSF, VSG & Ministerie van VWS (2025)
Met deze ambitie willen partners een aantal kernpunten realiseren: waardevolle topsportprestaties creëren, de paralympische topsport maatschappelijk verantwoord organiseren en randvoorwaarden creëren voor het optimaal beoefenen van paralympische topsport.
Monitor Topsport in Nederland
In het plan van aanpak voor de doorontwikkeling van de paralympische sport wordt op verschillende plekken een relatie gelegd met de verschillende pijlers uit de Strategie 2030. Dit geldt ook voor de monitoring. Dit gaat deels via deze voortgangsrapportage en deels via de monitor Topsport in Nederland (TiN). Het Mulier Instituut voert deze monitor jaarlijks uit.
De TiN volgt jaarlijks de ontwikkelingen op de belangrijkste indicatoren binnen de Nederlandse topsport. In de TiN-rapportage van 2025 (Balk et al., 2025) wordt gerapporteerd over de data die is opgehaald onder talenten, topsporters, coaches en bonden. Enkele thema’s die daarin centraal staan, zijn het welzijn van (talentvolle) sporters, de duale carrière, een veilig sportklimaat en de inzet van topsport voor maatschappelijke doeleinden. In deze monitor zijn ook paralympische topsporters en talenten opgenomen.
Langetermijnindicatoren
In deze paragraaf bespreken we de indicatoren voor paralympische sport die momenteel al in de TiN zitten. Deze bieden nog geen volledig beeld van de mogelijke langetermijnontwikkelingen in het kader van de Strategie 2030 voor topsport voor mensen met een handicap. En ze zijn (nog) niet specifiek gekoppeld aan de pijlers Talentvolle sporters, Innovatie en Classificatie.
Het ministerie van VWS en Mulier Instituut stemmen in een latere fase samen af of er indicatoren aan de TiN moeten worden toegevoegd waarmee we ook de stip op de horizon voor de Strategie 2030 kunnen volgen. Als dat zo is, rapporteren we hierover in een volgende voortgangsrapportage.
Hier beschrijven we voorlopig de indicatoren die zijn gebaseerd op het strategisch kader topsport en het plan over de doorontwikkeling van de paralympische topsport (zie kader).
Indicatoren volgens de TiN voor paralympische topsport
Mate waarin Nederlanders vinden dat topsport in ons land de inclusie van mensen met een beperking bevordert.
Het cijfer dat topsporters met een handicap geven aan hun topsportomgeving.
Het cijfer dat topsporters met een beperking geven aan hun fysieke en mentale gezondheid (vergeleken met het cijfer dat topsporters zonder beperking geven).
Aandeel topsporters met een beperking dat positief is over hun financiële situatie (vergeleken met het aandeel topsporters zonder beperking).
Het cijfer dat topsporters met een beperking geven aan hun trainings- en wedstrijdaccommodatie (vergeleken met het cijfer dat topsporters zonder beperking geven).
De kwaliteit van trainers en coaches volgens topsporters met een beperking (vergeleken met de mening van topsporters zonder een beperking).
Bron: Balk et al., 2025.
Topsport en de inclusie van mensen met een beperking
44 procent van de bevolking vindt dat topsport de inclusie van mensen met een beperking bevordert. 28 procent van de bevolking is hier neutraal over en 17 procent vindt dat topsport de inclusie van mensen niet bevordert. Deze indicator meet de mening van Nederlanders, niet in hoeverre inclusie van mensen met een beperking in de praktijk wordt bevorderd.
Waardering topsportomgeving
Topsporters met een beperking zijn positief over hun topsportomgeving. Zij geven deze omgeving een 7,4 (n=65). Topsporters zonder beperking geven hun topsportomgeving een 7,5 (n=349).
Fysieke en mentale gezondheid
We vroegen topsporters met een beperking hun fysieke en mentale gezondheid een cijfer te geven. We zien weinig verschil tussen de cijfers van topsporters met, en topsporters zonder beperking.
Topsporters met een beperking geven hun lichamelijke gezondheid gemiddeld een 7,3 (n=65), net iets lager dan topsporters zonder beperking (7,5, n=349). Topsporters met en zonder beperking geven hun mentale gezondheid bijna hetzelfde cijfer (met beperking: 7,2; zonder beperking: 7,3).
Financiële situatie
Topsporters met een beperking zijn iets minder positief over de stelling 'mijn maandelijkse inkomen is voldoende voor mijn levensonderhoud en de beoefening van mijn sport' (figuur 3.2). 27 procent van de topsporters met een beperking is het hier (helemaal) mee eens, tegenover 40 procent van de topsporters zonder beperking.

Uitgebreide beschrijving
Reacties topsporters met beperking:
18% helemaal mee oneens
28% mee oneens
25% neutraal
20% mee eens
7% helemaal mee eens
3% weet ik niet/niet van toepassing.
Reacties topsporters zonder beperking:
13% helemaal mee oneens
30% mee oneens
17% neutraal
22% mee eens
18% helemaal mee eens
1% weet ik niet/niet van toepassing.
Waardering trainingsaccommodatie(s)
We zien geen verschil tussen topsporters met en zonder beperking in de waardering van de trainingsaccommodatie(s) (figuur 3.3). Over het algemeen beoordelen topsporters met een beperking hun trainingsaccommodaties positief. Geen enkele topsporter met een beperking beoordeelt de trainingsaccommodatie als slecht of onvoldoende.

Uitgebreide beschrijving
Reacties topsporters met beperking:
27% voldoende
45% goed
23% zeer goed
5% weet ik niet/niet van toepassing.
Reacties topsporters zonder beperking:
1% slecht
8% onvoldoende
19% voldoende
44% goed
23% zeer goed
5% weet ik niet/niet van toepassing.
Kwaliteit trainers en coaches
Meer dan de helft van de topsporters met een beperking is positief over de kwaliteit van de begeleiding van de trainer/coach van de sportbond of TeamNL. De verschillen tussen topsporters met en zonder beperking zijn te klein (en de groep topsporters met een beperking is ook te klein) om deze groepen met elkaar te vergelijken (figuur 3.4).

Uitgebreide beschrijving
Reacties topsporters met beperking:
12% slecht
8% onvoldoende
18% voldoende
35% goed
22% zeer goed
5% weet ik niet/niet van toepassing.
Reacties topsporters zonder beperking:
3% slecht
11% onvoldoende
19% voldoende
29% goed
18% zeer goed
21% weet ik niet/niet van toepassing.
Topsporters met en zonder beperking zijn ongeveer even positief over de kwaliteit van de begeleiding van de trainer/coach van de sportvereniging (figuur 3.5).

Uitgebreide beschrijving
Reacties topsporters met beperking:
5% onvoldoende
12% voldoende
32% goed
13% zeer goed
38% weet ik niet/niet van toepassing.
Reacties topsporters zonder beperking:
1% slecht
3% onvoldoende
17% voldoende
37% goed
21% zeer goed
20% weet ik niet/niet van toepassing.
Over de kwaliteit van de begeleiding van de persoonlijke trainer/coach zijn topsporters met een beperking overwegend positief (figuur 3.6). 40 procent beoordeelt deze als zeer goed, tegenover 25 procent van de topsporters zonder beperking. Dit resultaat moeten we voorzichtig interpreteren, omdat de groep topsporters met een beperking die 'weet ik niet/niet van toepassing' invulde een stuk groter is dan bij de topsporters zonder beperking.

Uitgebreide beschrijving
Reacties topsporters met beperking:
2% slecht
5% voldoende
28% goed
40% zeer goed
25% weet ik niet/niet van toepassing.
Reacties topsporters zonder beperking:
3% onvoldoende
11% voldoende
28% goed
25% zeer goed
34% weet ik niet/niet van toepassing.
Samenvattend
Over het algemeen zien we weinig verschillen in bovenstaande onderwerpen tussen topsporters met en zonder beperking.
3.4 Impact: wat merken mensen?
Bij het volgen van de voortgang op het realiseren van de doelen en acties van de Strategie 2030 willen we ook zicht krijgen op de impact die voortkomt uit de Strategie 2030. Met impact doelen we op welke betekenisvolle veranderingen mensen met een beperking (kunnen) merken in hun (sport)leven of hun (sport)omgeving:
Hebben zij bijvoorbeeld meer kennis gekregen over de mogelijkheden van sport en bewegen?
Is hun eigen houding over sport en bewegen of die van de mensen in hun omgeving veranderd?
Zien we dat mensen met een beperking minder belemmeringen ervaren bij het (gaan) sporten of bewegen.
En zien we daardoor bijvoorbeeld een verandering in het gedrag van mensen met een beperking of de personen in hun omgeving wat sport betreft?
Impact gaat over meer dan metingen over of iemand bijvoorbeeld (vaker) sport. Het gaat ook over hoe dit voelt en wat het oplevert. Dit kan bijvoorbeeld meer autonomie of meer plezier zijn. Het kan ook gaan over de vraag in hoeverre via sport en bewegen de maatschappelijke inclusie van mensen met een beperking verbetert.
Voorbeeld impactpeilingen mensen met een motorische of verstandelijke beperking
In 2025 publiceerden we twee rapporten over de sport- en beweegdeelname van mensen met een verstandelijke beperking (Hoogendijk et al., 2025) en mensen met een motorische beperking (Gómez Berns & Van Lindert, 2025). Deze laten onder andere zien welke betekenis sport en bewegen hebben in het dagelijks leven van mensen met een beperking. Over de impact van de Strategie 2030 geven de resultaten nog geen inzicht.
Uit beide onderzoeken blijkt dat sport niet alleen bijdraagt aan gezondheid en conditie, maar vooral aan (meer) plezier, sociale contacten en zelfvertrouwen. Dit gaat bijvoorbeeld over zelf kunnen kiezen, meedoen en erbij horen.
Uit beide onderzoeken blijkt dat mensen met een beperking die aan sportieve activiteiten doen, daar veel plezier aan beleven. Vooral als ze in verenigingsverband actief zijn:
Mensen met een verstandelijke beperking geven hun plezier gemiddeld een 8,0. Degenen die lid zijn van een sportvereniging, geven een 8,9.
Mensen met een motorische beperking geven hun plezier gemiddeld een 7,9. Degenen die lid zijn van een sportvereniging, geven een 8,5.
De ervaren belemmeringen bij sportieve activiteiten lopen uiteen. Maar meestal hebben ze te maken met iemands persoonlijke situatie. De meest genoemde redenen om geen sportieve activiteiten te doen, zijn de beperking, hun gezondheid of niet genoeg energie.
Voor mensen met een verstandelijke beperking is ook vaak een reden dat ze sportieve activiteiten niet leuk vinden. Of dat ze vinden dat ze er niet goed in zijn. Mensen met een motorische beperking noemen deze belemmeringen bijna nooit. We verwachten dat er meer mensen gaan sporten of minder uitstromen als deze belemmeringen minder worden.
Zo illustreren de twee rapporten dat de beoogde impact van de Strategie 2030 niet primair zit in hogere deelnamecijfers, maar in wat mensen zelf ervaren.
Zoals beschreven in paragraaf 2.2 geven (impact)indicatoren een meetbaar signaal af. Daarom richten we ons in de monitoring op het combineren van kwantitatieve en kwalitatieve gegevens en voorbeelden uit de praktijk. Daarbij proberen we duiding te geven aan de context door ook aandacht te besteden aan toegankelijkheid, begeleiding en vervoer. In het tekstkader sommen we enkele voorbeelden op van mogelijke impactindicatoren. In hoeverre we deze in de monitor (kunnen) meenemen stemmen we nader af met de kartrekkers van de pijlers.
Voorbeelden impactindicatoren (nog niet in monitor)
Algemeen: cijfer dat sporters met een beperking geven aan hun sportplezier.
Algemeen: mate waarin mensen met een beperking bepaalde belemmeringen ervaren bij het (gaan) sporten en bewegen.
Jeugd en Volwassenen: aandeel sporters met een beperking dat aangeeft dat sport en bewegen bijdraagt aan sociaal welbevinden.
Talentvolle sporters: aandeel talentvolle sporters, coaches en verenigingen dat tevreden is over de nationale para-sportcompetities.
Classificatie: aandeel sporters, classifiers en sportbonden dat tevreden is over het verloop en de waarde van het nationale classificatieproces.
Innovatie: mate waarin of wijze waarop sporters met een beperking en professionals profijt hebben van innovaties in de sport.
Randvoorwaarden: aandeel sporters voor wie kosten niet langer een belemmering vormen om te sporten.
Randvoorwaarden: aandeel sporters met een beperking dat aangeeft de trainings- of wedstrijdaccommodatie zelfstandig te kunnen gebruiken (bijv. toegang, kleedruimte, sanitair, kantine).
Internationaal: mate waarin mensen met een beperking en hun omgeving ervaren dat topsport voor mensen met een beperking bijdraagt aan de maatschappelijke inclusie van mensen met een beperking.
Netwerk: mate waarin het voor mensen met een beperking en professionals helder is waar ze terechtkunnen bij vragen over sport en bewegen.
Hoofdstuk 4 Jeugd- en Volwassenensport
Renée Hoogendijk & Nina Derix
In dit hoofdstuk beschrijven we de inzet op de pijlers Jeugd- en Volwassenensport. We beschrijven aan welke acties de betrokken partijen in het afgelopen jaar hebben gewerkt, welke indicatoren bij het uitvoeringsplan passen en hoe uitvoeringspartijen op dit moment samenwerken.
We introduceren de indicatoren waarop we in overleg met de kartrekkers vanaf 2026 monitoren. Ook bespreken we beknopt de stand van zaken op basis van een oogstssessie met de kartrekkers in de zomer van 2025.
4.1 Doelstellingen uitvoeringsplan
Voor 14 oktober 2024 golden Jeugdsport en Volwassenensport als afzonderlijke pijlers. Daarna zijn deze pijlers samengevoegd in één uitvoeringsplan, vanwege de inhoudelijke overlap en het gedeelde doel: het verhogen van sportdeelname onder mensen met een handicap.
Aan het einde van de zomer van 2025 publiceerde het ministerie van VWS het uitvoeringsplan Jeugd- en Volwassenensport (hierna: Jeugd en Volwassenen). Dit plan bevat de (sub)doelen per pijler, de acties om die doelen te realiseren en een globale planning richting 2030. De subdoelen wijken enigszins af van de in oktober 2024 ondertekende pledges, om beter aan te sluiten bij de samengevoegde opzet en de geconstateerde overlap in thema’s.
Het hoofddoel en de drie subdoelen van de pijlers staan in het kader hieronder. De klantreis (zie paragraaf 4.3) vormt de ruggengraat van dit uitvoeringsplan, waarbij acties worden gekoppeld aan barrières en behoeften die mensen ervaren tijdens hun weg naar sportdeelname.
De klantreis is een model dat inzicht geeft in hoe mensen zich ontwikkelen in hun sport- en beweeggedrag, en waar in dit proces gedrag verandert of juist vastloopt. Het model helpt te begrijpen hoe sportdeelname duurzaam versterkt kan worden. Het kader hieronder geeft een voorbeeld van de fasen van de klantreis voor Jeugd en Volwassenen.
Voorbeeldfasen klantreis
Doelgroepen: lichamelijk (motorisch, visueel en/of auditief), verstandelijk, chronisch (i.c.m. lichamelijk) en/of psychosociaal (alle doelgroepen).
Domeinen: thuis, openbare ruimte, sociaal domein, onderwijs (regulier en speciaal), werk, zorg (eerste en tweede lijn), vrije tijd.
Start: persoon met een handicap die wil sporten/ bewegen.

Het ministerie van VWS en de uitvoeringspartners vinden de benadering van de klantreis passen bij Jeugd en Volwassenen, omdat de acties direct inspelen op hun persoonlijke ervaringen, behoeften en levensfasen.
Doelen pijler jeugd en volwassenen
Hoofddoel: Het verhogen van instroom en herinstroom, en het voorkomen van uitstroom van mensen met een handicap in de sport.
Subdoelen:
Versterken van toeleiding en ondersteuning en het betrekken van ouders en verzorgers; ontwikkelen en verankeren van de klantreis.
Passend sportaanbod laten aansluiten bij de behoeften van jeugd en volwassenen met een handicap.
Vergroten van de kwaliteit van trainer-coaches, instructeurs en kader- of personeelsleden, waarbij relevante kennis over handicap, gedrag en beweegvaardigheid centraal staan; opleiding en kennis.
Om deze doelen te realiseren wordt er gewerkt vanuit de klantreis.
Verhouding pijler Jeugd en volwassenen tot werkagenda VN-verdrag
In de werkagenda voor de uitvoering van het VN-verdrag handicap in Nederland staat als eerste maatregel om de toegang tot sport te verbeteren dat het ministerie van VWS de Strategie regisseert.
In de werkagenda staan ook maatregelen die inhoudelijk overlappen met deze eerste maatregel, en dus met de Strategie. We zien geen specifieke maatregelen die uitsluitend op volwassenen zijn gericht. We maken dus onderscheid tussen maatregelen die enkel op jeugdsport gericht zijn en maatregelen die voor beide pijlers (Jeugd en Volwassenen) gelden.
Jeugd en Volwassenen:
Maatregel 2: Inclusiever sport- en beweegaanbod. Heeft een tweeledig spoor: apart voor jeugdsporters (aansluiten bij wensen/behoeften, zichtbaarheid via o.a. Uniek Sporten) en voor volwassenen (versterken verenigingen en ondernemende sportaanbieders).
Maatregel 3: De toeleiding van sporters met een beperking wordt versterkt. Extra ondersteuning voor intermediairs (buurtsportcoaches, trainers, beweegcoaches) om mensen met een beperking te begeleiden naar passend aanbod.
Jeugdsport:
Maatregel 7: Minimaal één inclusieve speeltuin per gemeente in 2030.
Maatregel 10: Nationaal Plan Zwemveiligheid met aandacht voor kinderen met een beperking.
Omdat maatregelen 2 en 3 grotendeels overlappen met de acties uit de pijler Jeugd en Volwassenen, monitoren we ze niet apart, maar als onderdeel van de pijler Jeugd en Volwassenen. Maatregelen 7 en 10 maken geen onderdeel uit van de pijlers, maar nemen we wel mee in deze monitor.
Bron: Ministerie van VWS, 2025.
4.2 Indicatoren en monitoring
Tot en met 2030 monitoren we de voortgang aan de hand van een aantal indicatoren. Daarmee starten we vanaf 2026. Grotendeels gaat het om een vertaling van de acties uit het uitvoeringsplan naar indicatoren. Enkele andere indicatoren zijn gebaseerd op cijfers uit ons rapport over 2024.
De indicatoren in het kader hieronder zijn concept-indicatoren, opgesteld door het Mulier Instituut op basis van de verschillende subdoelen. Eind 2025 bespreekt het ministerie van VWS de indicatoren en toetst het deze bij de kartrekkers van de pijler. Dit zijn voornamelijk resultaatindicatoren (zie paragraaf 2.2). Impactindicatoren bespreken we overkoepelend voor de hele Strategie in paragraaf 3.4. De procesindicatoren bespreken we in paragraaf 4.3.
Concept-indicatoren Jeugd- en Volwassenensport
Versterken van toeleiding en ondersteuning en het betrekken van ouders en verzorger - klantreis
Mate van betrokkenheid van ervaringsdeskundigen bij de ontwikkeling van de klantreis.
Aantal interventies gericht op de intermediairs.
Aantal doorverwijzingen van mensen met een handicap vanuit intermediairs naar sportaanbod.
Aantal interventies dat ouders/verzorgers van kinderen met een handicap actief betrekt bij de toeleiding naar sportaanbod.
Passend sportaanbod dat aansluit bij jeugd en volwassenen met een handicap
Mate waarin multisportdagen, talentdagen en regionale kennismakingsdagen zijn georganiseerd en aantal deelnemers hieraan (op basis van een masterplan).
Aantal nieuwe gebruikers van Uniek sporten.
Aantal nieuwe aanbieders (divers aanbod) Uniek Sporten.
Aantal regionale clubs voor kinderen met een handicap die in samenwerking met relevante verenigingen én ondernemende sportaanbieders zijn ontwikkeld en aantal eerste instromers per jaar.
Aantal branches van sportaanbieders dat werkt met het opgestelde (aangepaste) plan van aanpak om zowel jeugd als volwassenen met een handicap beter te betrekken bij de sportondernemers.
Aantal sportbonden en leden van het POS dat sportaanbod heeft geoptimaliseerd zodat het beter aansluit bij de wensen, behoeften en barrières van mensen met een handicap en percentage sporters dat meer dan zes of twaalf maanden actief blijft.
Percentage verenigingen en ondernemende sportaanbieders met aanbod voor mensen met een handicap.
Opleiding en kennis
Aantal trainers/coaches dat is opgeleid/bijgeschoold over het begeleiden van sporters met een handicap/beperking.
Aantal verenigingen met opgeleid kader voor het begeleiden van sporters met een handicap/beperking.
Omdat het uitvoeringsplan en de bijbehorende concept-indicatoren recent zijn opgesteld, kunnen we in dit rapport nog geen voortgang op deze indicatoren presenteren. In de volgende paragraaf beschrijven we aan welke acties de betrokken partijen het afgelopen jaar hebben gewerkt. Deze inventarisatie vormt de komende jaren de basis voor de verdere monitoring van de voortgang binnen de pijler Jeugd en Volwassenen.
4.3 Stand van zaken
Begin september 2025 spraken we met enkele uitvoeringspartners van de pijler Jeugd en Volwassenen. Na oktober 2024 heeft het ministerie van VWS tijdelijk de rol van kartrekker voor de pijlers Jeugd en Volwassenen op zich genomen. Het ministerie heeft eind september 2025 vier vertegenwoordigers van het ministerie van VWS, NOC*NSF, POS en MOS benaderd voor het kartrekkerschap.
De uitvoeringspartners die aanwezig waren bij het gesprek in september 2025, waren POS, Fonds Gehandicaptensport als onderdeel en vertegenwoordiger van de MOS, Gehandicaptensport Nederland, Esther Vergeer Foundation, Johan Cruyff Foundation en Kenniscentrum Sport en Bewegen. Later zijn de uitkomsten van dit gesprek nog besproken met NOC*NSF. Ook hebben de nieuwe kartrekkers meegelezen.
We lichten in deze paragraaf de voortgang per thema binnen de pijler toe. Het overzichtskader hieronder toont alle acties met hun actuele stand van zaken.
Voortgang op de acties van Jeugd- en Volwassenensport (begin september 2025)
✕ = nog niet gestart
🗑 = in voorbereiding
📄 = in uitvoering
✓ = voltooid
1. Ontwikkel en veranker de klantreis
📄 Ontwikkelen van een klantreis voor jeugd en volwassenen (Q1 2026).
🗑 Koppelen van intermediairs aan de klantreis (Q2 2026).
🗑 Valideren van de klantreis met ervaringsdeskundigen en pledge-ondertekenaars (Q1 2026).
🗑 Koppelen van acties aan levensfasen in de klantreis (Q2 en Q3 2026).
📄 Vertalen van het Jeugdplan (NOC*NSF/VWS) voor jeugd met een handicap (Q1 2026).
2. Passend aanbod dat aansluit bij jeugd en volwassenen met een handicap
🗑 Organiseren van multisportdagen, talentdagen en regionale kennismakingsdagen (op basis van een op te stellen masterplan) (Q1 2026).
✕ Ontwikkelen van regionale clubs voor kinderen met een handicap (bijv. Only Friends), in samenwerking met relevante verenigingen én ondernemende sportaanbieders zoals Monkey Moves (Q1 2026).
🗑 Samenwerking met scholen en zorginstellingen voor sportaanbod.
✕ Ontwikkelen en optimaliseren van sportaanbod bij bonden en verenigingen voor inclusieve competities, met focus op drie tot vijf geselecteerde sporten als voortrekker (Q1 2026).
✕ POS ontwikkelt een plan van aanpak om zowel jeugd als volwassenen met een handicap meer naar de ondernemers te krijgen. Dit doen ze in samenwerking met de branches die hebben ondertekend (Q1 2026).
✕ Het optimaliseren van het sportaanbod van sportbonden en leden van de POS, zodat het beter aansluit bij de wensen, behoeften en barrières van mensen met een handicap (Q4 2026).
3. Opleiding en kennis
📄 Overzicht creëren van opleidingen voor begeleiding gehandicapten sport (Q4 2025)
📄 Integreren van opleidingsaanbod in actielijst voor kwalitatief sportaanbod (Q4 2025).
✕ Vaststellen wie regie heeft op het overzicht en zorgt voor periodieke actualisatie (minimaal één keer per half jaar) (Q4 2025).
🗑 De uitvoerders kiezen gezamenlijk een platform waar het actuele overzicht geactualiseerd wordt (Q1 2026).
Vervolg
✕ Vervolg uitvoeringsplan maken (Q4 2026).
Subdoelen versus acties
De acties in het kader hierboven kunnen op verschillende manieren onder de subdoelen vallen. Wij kiezen er bij het beschrijven van deze stand van zaken voor om doelstelling 1 en 2 samen te beschrijven en doelstelling 3 los. We verdelen de acties vervolgens onder in de thema’s uit het uitvoeringsplan.
Stand van zaken (september 2025)
Ten tijde van het gesprek was het uitvoeringsplan recent vastgesteld en was de rolverdeling nog niet bepaald. Tijdens het gesprek bleek dat de invulling van de kartrekkersrol nog onderwerp van overleg met het ministerie van VWS was. Door deze onduidelijkheid gaven betrokken partijen aan onzeker te zijn over hun taken en verantwoordelijkheden, waardoor verschillende acties uit het plan nog niet of slechts beperkt waren opgestart. Deze constatering vormt een belangrijk aandachtspunt dat we in de conclusies opnieuw zullen wegen.
Doelstelling 1: Versterken van toeleiding en ondersteuning en het betrekken van ouders en verzorgers
Doelstelling 2: Passend aanbod dat aansluit bij jeugd en volwassenen met een handicap
● Ontwikkel en veranker de klantreis
Het doel van deze overkoepelende actie is de levensfasen inzichtelijk maken waarin jeugd en volwassenen in aanraking kunnen komen met sport. En welke ondersteuning daarbij nodig is voor de doelgroep, de ouders en verzorgers en de sportaanbieders en welke rol intermediairs kunnen spelen. Tijdens het gesprek hebben we de voortgang op de verschillende acties besproken. Fonds Gehandicaptensport heeft de leiding bij het opstellen en valideren van de klantreis.
○ Klantreis ontwikkelen voor jeugd en volwassenen
Hiervoor werkt Fonds gehandicaptensport samen met een externe partij, om de verschillende levensfasen en leeftijden te verwerken in de klantreis. Het overzicht van de verschillende beperkingen en de levensfasen deelt Fonds Gehandicaptensport in het najaar van 2025 met de andere betrokkenen.
Op het moment van dataverzameling (september 2025) was het koppelen van intermediairs, het valideren van de klantreis en het verbinden van acties aan levensfasen nog niet gestart. Deze werkzaamheden zijn in oktober begonnen en zijn bij publicatie van dit rapport nog in uitvoering.
○ Jeugdplan vertalen voor jeugd met een handicap
NOC*NSF heeft het Jeugdplan gedeeld met de werkgroep. Dit gaat NOC*NSF samen met Fonds Gehandicaptensport integreren in de klantreis. Ook het concept Beweegwijsheid nemen zij mee in de klantreis. Dit concept beschrijft onze relatie met bewegen en sport gedurende ons leven. Het omvat de motivatie, het (zelf)vertrouwen, de (fysieke vaardigheden, de kennis over en het begrip van het belang van bewegen en sport en het nemen van de verantwoordelijkheid voor een leven lang bewegen (Whitehead, 2001, 2010). Meer informatie over dit concept en de toepassingen in Nederland staat in het visiedocument beweegwijsheid (Singh et al., 2025).
Het doel is om de klantreis te koppelen aan de verdere acties van deze pijlers. De klantreis is ten tijde van het gesprek nog niet af. Dat is een van de redenen waarom andere acties nog niet zijn opgepakt.
● Passend aanbod dat aansluit bij jeugd en volwassenen met een handicap
Ondanks de genoemde onduidelijkheden over het proces, dachten partijen al mee over de invulling van een aantal acties. Tijdens het gesprek kwam een aantal zaken voorbij.
○ Multisport-, talent en kennismakingsdagen
Ondanks de procesonduidelijkheden was de inventarisatie van bestaande multisport-, talent- en kennismakingsdagen grotendeels afgerond en moest deze alleen nog definitief worden gemaakt. Partijen spraken af de inventarisatie te gebruiken als basis voor verdere planning en afstemming, waarna ze een masterplan opstellen.
○ Regionale clubs (Jeugd 0-18 jaar)
Gehandicaptensport Nederland (GSN) voerde een interne inventarisatie uit en bereidde, in overleg met andere relevante partijen, een verbreding voor om tot een vollediger landelijk beeld te komen. GSN nam hierbij het voortouw. Daarnaast gaf de Johan Cruyff Foundation aan een rol te willen vervullen, mede vanuit hun bredere inzet voor het speciaal onderwijs.
○ Samenwerking met scholen en zorginstellingen
De lead en de focus binnen deze actielijn waren ten tijde van het gesprek nog niet vastgesteld. Betrokkenen ervaren het thema als breed. Ze stelden daarom voor de samenwerking op te knippen in deelsporen (scholen vs. zorginstellingen), zodat ze verantwoordelijkheden en vervolgstappen concreter konden formuleren.
Partijen wilden hiermee aan de slag, maar gaven aan dat door de onduidelijke rolverdeling nog weinig uitvoering had plaatsgevonden. De Johan Cruyff Foundation meldde dat zij, vanuit hun aandacht voor het speciaal onderwijs, eerste pilots hadden uitgezet en in 2026 naar verwachting 100-120 scholen zouden faciliteren.
○ Aanbodontwikkeling en optimalisatie (NOC*NSF, POS)
Voor de acties rond het ontwikkelen en optimaliseren van sportaanbod – met focus op drie tot vijf voorttrekkerssporten en de optimalisatie bij bonden en POS-leden – werd voorgesteld deze te bundelen tot één samenhangende actielijn. Hierbij moeten data leidend zijn voor prioritering en sturing. Welke databronnen precies gebruikt zouden worden, stond op dat moment nog niet vast.
○ Data en monitoring
Partijen benadrukten de behoefte aan gezamenlijke afspraken over databronnen, definities en verantwoordelijkheden. Vanuit monitoringsperspectief werden RIVM-gegevens10 als leidend gezien, waar passend aan te vullen met data van de Sportdeelname Index (SDI)11 en registratiedata van betrokken organisaties.
Daarnaast werd gepleit voor de structurele inbedding van kwalitatieve gegevens en evaluatieonderzoek in interventies, zodat effecten en verbeterpunten systematisch zichtbaar worden.
Doelstelling 3: Vergroten van de kwaliteit van trainer-coaches, instructeurs, kader- of personeelsleden, waarbij relevante kennis over handicap, gedrag en beweegvaardigheid centraal staan
● Opleiding en kennis
De stand van zaken van de acties die vallen onder opleiding en kennis, beschrijven we op basis van aangeleverde informatie van Gehandicaptensport Nederland.
○ Overzicht creëren van opleiding voor begeleiding gehandicaptensport
In opdracht van NOC*NSF heeft Gehandicaptensport Nederland in 2025 het adviesrapport 'Opleidingsproducten Sporters met een Handicap' opgesteld. Dit bevat onder andere een visie op het gewenste opleidingsaanbod en de bijdrage aan de Strategie 2030.
Het adviesrapport geeft een analyse van de huidige stand van het opleidingslandschap en aanbevelingen voor samenwerking, positionering en strategie. Ook omvat het een implementatieplan. Op het moment dat we deze voortgangsrapportage publiceren, is het adviesrapport nog niet openbaar. Daarom beschrijven we inhoudelijk nog geen volledig en onderbouwd overzicht van de opleidingsproducten.
○ Opleidingsaanbod integreren in actielijst voor kwalitatief sportaanbod
Er is op dit moment geen informatie beschikbaar over de mate waarin het opleidingsaanbod uit het adviesrapport is geïntegreerd in de actielijst voor een kwalitatief sportaanbod.
○ Vaststellen wie regie heeft op het overzicht en zorgt voor periodieke actualisatie
Het adviesrapport beveelt aan een Werkgroep Opleidingen Gehandicaptensport op te richten en één kartrekker aan te wijzen die de coördinatie van het platform en de periodieke actualisatie van het overzicht borgt. Gehandicaptensport Nederland werkt aan een projectplan waarin deze regierol is belegd. De uitvoering is volgens hen afhankelijk van financiering en besluitvorming. Er is nog geen formele aanwijzing van een regisseur met bijbehorende taken.
○ Uitvoerders kiezen samen een platform waar overzicht geactualiseerd wordt
Het adviesrapport adviseert geen nieuwe website te ontwikkelen, maar een centrale widget met filtermogelijkheden te bouwen die op bestaande platforms kan worden ingebed. Voor realisatie zijn eerst een projectstart en middelen nodig. Gehandicaptensport Nederland werkt aan een projectplan voor ontwikkeling en inbedding van de widget. De voortgang is afhankelijk van beschikbare financiering en afspraken met betrokken uitvoerders.
Relatie maatregelen Werkagenda VN-verdrag en Strategie
Vorig jaar rapporteerden wij dat de thema's 'Speeltuinen voor kinderen met een beperking', 'Zwemlessen voor kinderen met een beperking' en 'Bewegingsonderwijs voor kinderen met een beperking' niet specifiek zijn opgenomen in één van de pijlers van de Strategie 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030'.
We hebben er vorig jaar voor gekozen om wel over deze onderwerpen te rapporteren. Dit jaar rapporteren we over speeltuinen en zwemles niet uitgebreid en geven we slechts een korte update over de stand van zaken. Het thema bewegingsonderwijs laten we dit jaar buiten beschouwing.
In de werkagenda voor de uitvoering van het VN-verdrag handicap staat:
wat betreft speeltuinen voor kinderen met een beperking: dat er in 2030 minimaal één inclusieve speeltuin per gemeente moet zijn (maatregel 7);
wat betreft zwemlessen voor kinderen met een beperking: dat in het Nationaal Plan Zwemveiligheid aandacht besteed moet worden aan kinderen met een beperking (maatregel 10).
● Inclusieve speeltuinen
In 2024 rapporteerden we 'Speeltuinen voor kinderen met een beperking' onder de pijler Randvoorwaarden. Dit jaar rapporteren we de stand van zaken onder Jeugdsport.
Sinds half 2025 konden gemeenten rechtstreeks aanvragen doen bij het SamenSpeelFonds (SSF). Het SamenSpeelNetwerk (SSN) gaf daarbij persoonlijk advies over inclusief speelbeleid en bood webinars (bijv. over spelen met een visuele beperking en fondsenwerving). Het aantal SamenSpeelPlekken nam toe: in 187 gemeenten was er al één.12
Om in alle gemeenten minstens één plek te hebben, zijn nog 155 locaties nodig. SSN en SSF waren met veel gemeenten in gesprek. Het netwerk groeide: 121 beloftemakers sloten zich aan en ongeveer 1.000 organisaties volgden de kennisdeling.
In de Werkagenda VN-verdrag Handicap 2025–2030 (Ministerie van VWS, 2025) staat het doel: in 2030 in elke gemeente minstens één inclusieve speeltuin, met een tussendoel van 70 procent eind 2026. De uitvoering liep via SSN (kennis) en SSF (het financieren van SamenSpeelPlekken). In de Tweede Kamer was extra aandacht voor een speeltuin in elke nieuwe woonkern.13
Dit versnelde lokale plannen, maar de doorlooptijd van beloften, aanvragen en LIA’s (Lokale Inclusie Agenda’s)14 duurt vaak lang door verschillende factoren. Zoals bewustwording van probleem en noodzaak, brede afstemming en participatie. Gemeenten die eenmaal begonnen, realiseerden vaak meerdere plekken en werkten ook aan de samenspeelcultuur (niet alleen de plek, ook het gebruik).
Kortom: het netwerk verbreedde en het aantal plekken groeide, maar het tempo verschilde per gemeente. Meer ondersteuning, snellere procedures en structurele inbedding van inclusie in gemeentelijk speelbeleid en uitvoering worden als belangrijk gezien voor de komende periode.
● Zwemlessen voor kinderen met een beperking
Vorig jaar rapporteerden we ‘Zwemlessen voor kinderen met een beperking’ onder de pijler Jeugdsport. In de voortgangsrapportage uit 2024 (Van Lindert et al., 2024) maakten we binnen het thema Zwemvaardigheid onderscheid tussen vier deelonderwerpen: acties ter verbetering van zwemvaardigheid, schoolzwemmen, zwemcertificaten, en vergoedingen en passend aanbod.
De kern blijft dat kinderen met een beperking gemiddeld minder vaak zwemmen en langer doen over het halen van een zwemdiploma dan kinderen zonder beperking. In beleid en uitvoering zijn weinig veranderingen: de Nationale Raad Zwemveiligheid (NRZ) beschouwt deze groep nog niet als specifieke doelgroep, al belooft het nieuwe Nationale Plan Zwemveiligheid (2025-2028) meer aandacht, zoals ook is opgenomen in de werkagenda van het VN-verdrag Handicap.
Pilots met naschoolse zwemlessen tonen dat samenwerking met speciaal onderwijs en beter gebruik van eigen zwembaden kansen biedt. Schoolzwemmen kan een belangrijk alternatief zijn voor particuliere lessen, maar het aanbod neemt af, vooral in het speciaal basisonderwijs. Voor kinderen die (nog) geen regulier A-, B- of C-diploma kunnen halen bestaan speciale Nationale Zwemcertificaten, die erkenning geven voor geleerde vaardigheden en als opstap kunnen dienen naar een diploma.
Tegelijkertijd ervaren ouders en aanbieders grote drempels bij het vinden van passend zwemlesaanbod; hoge kosten, lange wachtlijsten, gebrek aan deskundige begeleiding en overprikkeling in zwembaden (Van der Meijde, Van Suijlekom & Stuij, 2021). Het Jeugdfonds Sport & Cultuur ontvangt wel steeds meer aanvragen voor zwemles, maar het is onbekend hoeveel daarvan kinderen met een beperking betreffen.
Conclusie stand van zaken voortgang
De kern is dat voorbereidend werk ten tijde van het opstellen van het uitvoeringsplan enige voortgang liet zien. Dit gaat onder andere over enkele inventarisaties. Maar we zien vooral dat uitvoering gebaat is bij eenduidige sturing door het ministerie van VWS en een heldere rol- en taakverdeling, inclusief het aanwijzen van kartrekkers.
Deze momentopname zien wij daarom als een startmoment; vervolgafspraken en ontwikkelingen in acties kunnen daarop in de komende jaren aansluiten. In de groep bestond een brede behoefte aan meer sturing en duidelijkheid over verantwoordelijkheden en besluitvorming. Het voorstel was om dit samen richting het ministerie van VWS te signaleren.
Hoofdstuk 5 Talentvolle sporters
Maaike Heerschop
In dit hoofdstuk lichten we de inzet op de pijler talentvolle sporters toe. We beschrijven aan welke acties de betrokken partijen in het afgelopen jaar hebben gewerkt, en hoe de partijen daar op terugblikken.
5.1 Doelstellingen uitvoeringsplan
In het voorjaar van 2025 publiceerde de kartrekker van de pijler talentvolle sporters het uitvoeringsplan. Hierin staan de doelen die bij de pijler horen, acties om die doelen te behalen, en een planning die duidelijk maakt wanneer de acties uitgevoerd moeten zijn om in 2030 de doelen van de pijler te behalen.
De drie doelen van de pijler staan in het kader hieronder. We lichten ze vervolgens verder toe.
Doelen pijler Talentvolle sporters
Meer fulltime talentcoaches aanstellen.
Nationale para-sportcompetities (door)ontwikkelen.
Gerichte talentinstroom- en ontwikkelingsactiviteiten (door)ontwikkelen.
5.2 Indicatoren en monitoring
Tot en met 2030 monitoren we de stand van zaken binnen deze pijler aan de hand van een aantal indicatoren. We starten met deze monitoring in het voorjaar van 2026. De resultaatindicatoren waarop we monitoren staan beschreven in het kader hieronder.
Indicatoren pijler Talentvolle sporters
Meer fulltime talentcoaches aanstellen
Aantal fte paralympische talentcoaches aangesteld door sportbonden.
Aantal nieuwe para-sporters in het opleidingsprogramma ondersteund door de paralympisch talentcoach.
Aantal door paralympische talentcoaches bijgewoonde of afgenomen handicap-specifieke bijscholingsproducten.
Nationale para-sportcompetities (door)ontwikkelen
Aantal nationale para-sportcompetities.
Deelnamecijfers (aantal deelnemers en aantal verenigingen) van de verschillende nationale para-sportcompetities, uitgesplitst naar handicap.
Tevredenheid over de nationale para-sportcompetities volgens talentvolle sporters, coaches en verenigingen.
Kwaliteit van de nationale para-sportcompetities in termen van competitiedichtheid, frequentie van wedstrijden, accommodaties, regiospreiding en aantal toeschouwers.
Gerichte talentinstroom- en ontwikkelingsactiviteiten (door)ontwikkelen
Aantal multisportdagen, het aantal deelnemers op de multisportdagen en het aantal doorstromers van de multisportdagen die zich pre-registreren voor Paralympische Talentdagen.
Tevredenheid over de multisportdagen volgens deelnemers en stafleden.
Aantal talentstages en het aantal deelnemers aan de talentstages.
Tevredenheid over de talentstages volgens deelnemers.
5.3 Stand van zaken
In september 2025 haalden we op welke acties er op de pijler talentvolle sporters zijn en wat de stand van zaken op elke actie is. De kartrekker van de pijler talentvolle sporters werkt bij NOC*NSF. Het ministerie van VWS financiert deze functie. De acties staan in het kader hieronder.
Voortgang op de acties van Talentvolle sporters
✕ = nog niet gestart
☒ = in voorbereiding
🗒 = in uitvoering
✔ = voltooid
Meer fulltime talentcoaches aanstellen
☒ 1. Aanstelling en ondersteuning fulltime talentcoaches.
Nationale para-sportcompetities (door)ontwikkelen
☒ 2. Uitvoering onderzoek over de inventarisatie van welke acties de meeste prioriteit hebben om deze doelstelling te behalen door NOC*NSF en de VU Amsterdam.
Gerichte talentinstroom en -ontwikkelingsactiviteiten (door)ontwikkelen
🗒 3. Doorstroming vanuit lokale sportdeelname (clubs en ondernemers) naar nationale talentherkenningsmogelijkheden als de TeamNL Paralympische Talentdagen.
🗒 4. Internationale wedstrijdmogelijkheden voor jeugdsporten worden geïnventariseerd, waaronder de verkenning of de European Para Youth Games (EPYG) 2025 voor de toekomst een evenement is om als vanzelfsprekend op in te gaan zetten (2029).
Actie 1: Fulltime talentcoaches
Dit jaar zijn op alle programma's paralympische talentcoaches aangesteld. Daarmee zijn er momenteel acht talentcoaches. Zij zijn de afgelopen tijd ingewerkt in hun rol en hebben kunnen ondervinden waar ze nog ondersteuning in nodig hebben. In 2026 zet NOC*NSF in op actie 1, omdat er dan een breder beeld is van wat talentcoaches nodig hebben. Duidelijkere hulpvragen zullen de ondersteuning verbeteren.
Momenteel zijn er al opleidingsprogramma's vanuit de TeamNL-academie (NOC*NSF) die coaches kunnen volgen. Binnenkort wordt een training georganiseerd die speciaal voor paralympische coaches is. Het doel is om ervoor te zorgen dat meer coaches met een paralympische portefeuille deze opleidingsmogelijkheden krijgen.
Nationale para-sportcompetities (door)ontwikkelen
De Vrije Universiteit Amsterdam en NOC*NSF hebben voor deze actie bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een aanvraag gedaan die niet gehonoreerd is. Momenteel wordt gekeken naar andere mogelijkheden voor subsidie om het onderzoek uit te laten voeren. Daarnaast werkt NOC*NSF intern door aan de pilot die voorafgaand aan deze subsidie was gestart.
Gerichte talentinstroom en -ontwikkelingsactiviteiten (door)ontwikkelen
Paralympische Talentdagen
Het aantal Paralympische Talentdagen is uitgebreid naar twee per jaar. Doordat er nu twee talentdagen per jaar zijn, worden meer sporters aangesproken. Daarnaast is de katrekker van de pijler classificatie meer betrokken bij de talentdagen.
waardoor er gerichter op beperkingen kan worden gecategoriseerd; sporters die zich aanmelden worden goed gecheckt. Daarbij wordt gekeken of de handicap in aanmerking komt voor een paralympische sport, het sportverleden en welke sporten ze graag zouden willen uitproberen.
Wanneer ze in aanmerking komen voor een paralympische sport, worden ze definitief uitgenodigd en krijgen ze gelijk te horen voor welke (één tot vier) sporten zij in aanmerking komen via talentprofielen die zijn aangeleverd door de sportbonden.
Wanneer sporters niet in aanmerking komen voor paralympische sporten, worden zij door de kartrekker doorverwezen naar andere multisportdagen. Talentvolle paralympische sporters kunnen ook worden doorverwezen naar organisaties en fondsen die sporters met een beperking ondersteunen, zoals Uniek Sporten, de Esther Vergeer Foundation of Sportief met Spierziekte. Deze instanties bieden begeleiding, financiële steun en ontwikkelkansen om sporters verder te laten groeien.
European Para Youth Games (EPYG)
De kartrekker is naar de EPYG geweest in de zomer van 2025 in Istanbul. Daar is verkend of de EPYG een evenement is waar vanuit TeamNL structureel een groep talentvolle paralympische sporters naartoe zal gaan. Er is geconcludeerd dat de EPYG een evenement is waar TeamNL onderdeel van wil zijn, omdat het een belangrijk evenement is voor talentvolle jeugd.
Er zijn namelijk weinig internationale mogelijkheden om je als talentvolle paralympische sporters te meten aan leeftijdsgenoten. Daarnaast is dit een mooie gelegenheid om voor het eerst met internationale classificatie in aanraking te komen. Hierover schrijft de kartrekker van de pijler een rapport. Ook voert deze gesprekken met sportbonden.
Hoofdstuk 6 Classificatie
Maaike Heerschop
In dit hoofdstuk lichten we de inzet op de pijler classificatie toe. We beschrijven aan welke acties de betrokken partijen in het afgelopen jaar hebben gewerkt, en hoe de partijen daar op terugblikken.
6.1 Doelstellingen uitvoeringsplan
In het voorjaar van 2025 publiceerde de kartrekker van de pijler classificatie het uitvoeringsplan. Hierin staan de doelen die bij de pijler horen, acties om die doelen te behalen, en een planning die duidelijk maakt wanneer de acties uitgevoerd moeten zijn om in 2030 de doelen van de pijler te behalen.
De drie doelen van de pijler staan hieronder.
Doelen pijler Classificatie
Er is een nationale strategie ontwikkeld die gericht is op een passende toepassing van de internationale classificatiesystemen.
De classificatieprocessen zijn gecentraliseerd en gesystematiseerd.
De classificatie-expertise in Nederland wordt gewaarborgd en de werkzaamheden van de classifiers afgestemd op de nationale visie en de nationale (te ontwikkelen) classificatiestrategie.
6.2 Indicatoren en monitoring
Tot en met 2030 monitoren we de stand van zaken binnen deze pijler aan de hand van een aantal indicatoren. We starten met deze monitoring in het voorjaar van 2026. De resultaat- en effectindicatoren waarop we monitoren staan hieronder beschreven.
Indicatoren pijler Classificatie
Het ontwikkelen van een nationale strategie die gericht is op een passende toepassing van de internationale classificatiesystemen
Stand van zaken van de nationale classificatiestrategie.
Aantal classificatiebijeenkomsten voor sportbonden.
Het centraliseren en systematiseren van classificatieprocessen
Aantal nationale classificatieaanvragen bij NOC*NSF voor sporters met een lichamelijke handicap.
Aantal nationale en internationale classificatieaanvragen bij NOC*NSF voor sporters met een verstandelijke beperking.
Aantal nationale classificatieaanvragen bij NOC*NSF voor sporters met een visuele beperking.
Gemiddelde duur van start tot afronding classificatieproces.
Tevredenheid met het gesystematiseerde/gestroomlijnde nationale classificatieproces, volgens sporters, classifiers en sportbonden.
De classificatie-expertise in Nederland wordt gewaarborgd en de werkzaamheden van de classifiers afgestemd op de nationale visie en de nationale (te ontwikkelen) classificatie strategie
Aantal en evaluatie van de bijeenkomsten georganiseerd voor classifiers uit Nederland.
Aantal classifiers per sport, per handicap, per niveau en verhouding medisch/technisch voor nationale classificatie.
Aantal misclassificaties, oftewel verschil tussen nationale en internationale classificatie-uitkomsten.
Aantal nieuw opgeleide classifiers per paralympische cyclus.
Aantal geïnteresseerde revalidatieartsen en fysiotherapeuten om classifier te worden per jaar.
6.3 Stand van zaken
In september 2025 spraken we met de kartrekker van de pijler classificatie. Deze kartrekker werkt bij NOC*NSF. In dit gesprek haalden we op welke acties er op de pijler zijn en wat de stand van zaken op elke actie is. De acties staan in het kader hieronder.
Voortgang op de acties van Classificatie
✕ = nog niet gestart
✖ = in voorbereiding
📄 = in uitvoering
✓ = voltooid
Er is een nationale strategie ontwikkeld die gericht is op een passende toepassing van de internationale classificatiesystemen.
📄 1. Ontwikkelen van een nationale classificatiestrategie.
De classificatieprocessen zijn gecentraliseerd en gesystematiseerd.
📄 2. Borgen van structurele samenwerking met classifiers, sportbonden en NOC*NSF.
📄 3. Herzien van bestaande classificatieprocessen.
De expertise van classifiers in Nederland wordt gewaarborgd en de werkzaamheden van de classifiers afgestemd op de nationale visie en de nationale te ontwikkelen classificatie strategie.
📄 4. Internationale samenwerking en kennisontwikkeling op het gebied van classificatie versterken.
Nationale strategie ontwikkelen
Om een nationale classificatie strategie te ontwikkelen (actie 1) worden eerst bestaande classificatieprocessen tegen het licht gehouden en waar nodig herzien (actie 2). Daarom is er momenteel nog geen nationale strategie ontwikkeld. Zie de volgende paragraaf voor meer informatie over de derde actie.
Classificatieprocessen centraliseren en systematiseren
Classificatie speelt allereerst een steeds belangrijkere rol op de Paralympische Talentdagen (zie hoofdstuk 'Talentvolle Sporters'). Daarnaast zet de kartrekker in op het borgen van structurele samenwerking met classifiers, sportbonden en NOC*NSF.
Zo zijn er meerdere bijeenkomsten georganiseerd waar classificatie centraal stond: drie voor het herzien van het nationale classificatieproces (twee voor classifiers, één voor bonden) en vijf waar NOC*NSF vertelde over de plannen aan verschillende stakeholders. Dat waren: 1) kenniscentra die aangesloten zijn bij PSS-NL, die hebben getekend voor deze pijler, 2) artsen en fysio's van de topsportprogramma's, 3) revalidatieartsen Noord-Nederland, 4) coaches en 5) technisch en algemeen directeuren van sportbonden.
NOC*NSF heeft steeds beter inzichtelijk welke Nederlandse artsen en fysiotherapeuten actief zijn als nationale en internationale classifiers. Daarnaast staan ze in nauw contact met de bonden over het opleiden van classifiers. Er is sinds kort vanuit NOC*NSF budget beschikbaar om – in samenwerking met een sportbond – classifiers op te leiden. Momenteel hebben acht personen in Nederland interesse om classifier te worden, waarvan er één al is opgeleid.
Pilot centraliseren classificatieproces
Naar aanleiding van verschillende classificatie-bijeenkomsten is een pilot gestart die het centraliseren van het classificatieproces bij NOCNSF test. NOCNSF doet dit samen met de Atletiekunie (+/- 12 sporters). Hiervoor hebben ze de volgende zaken ontwikkeld:
een systeem waarin iedere sporter een eigen classificatieplatform heeft: de sporter heeft hierbij inzicht in de stand van zaken van het classificatieproces en er kan worden bepaald wie toegang heeft tot medische gegevens in welk deel van het proces;
een panel Underlying Health Condition (UHC-panel): een panel dat diagnose toetst op in aanmerking komen voor paralympische sport;
contact met de high performance partners gekoppeld aan TeamNL die sporters sneller kunnen helpen hun medisch dossier compleet te maken;
een nMDF (national Medical Diagnostic Form): een nationaal formulier waarin de medische informatie van een sporter wordt beschreven en waar sport-specifieke onderdelen aan kunnen worden toegevoegd;
privacyverklaringen;
toestemmingsformulieren;
informatiemails waarin classificatie in begrijpelijke taal wordt uitgelegd.
De pilot heeft tot en met 2 november 2025 gelopen en wordt komende tijd geëvalueerd. Daaruit ontstaan nieuwe acties en de strategie wordt hierna verder doorontwikkeld.
Internationale samenwerking
De kartrekker van de pijler classificatie zit elk kwartaal in een online overleg met verschillende Nationale Paralympische Comités (NPC's) over de ontwikkelingen op het gebied van classificatie. Daarnaast bezoekt de kartrekker het Internationale Paralympische Comité, en gaat deze naar de jaarlijkse fysieke bijeenkomst voor NPC's.
De kartrekker zit ook in een online groep waar NPC's elkaar vragen kunnen sturen om samen te werken op classificatie-vraagstukken. Daarnaast is de kartrekker naar de EPYG geweest om te zien hoe het classificatieproces daar verloopt. Ook is de kartrekker met verschillende onderzoekers in gesprek over onderzoekskansen en hoe NOC*NSF hierbij kan ondersteunen.
Resultaten
De acties die tot dusver zijn ondernomen op classificatie, zorgen er volgens de kartrekker voor dat bonden NOC*NSF beter weten te vinden voor classificatie-vraagstukken. Daarnaast heeft de pilot ervoor gezorgd dat er producten zijn ontwikkeld om het proces te verbeteren.
Ook hebben de acties ervoor gezorgd dat Nederland internationaal weer meedoet samen met andere NPC's op het gebied van ontwikkelingen rondom classificatie. Dit is bijvoorbeeld terug te zien in aanwezigheid bij bijeenkomsten en congressen.
Daarnaast worden de Nederlandse ontwikkelingen getoond en hier wordt met het IPC en andere NPC's over gesproken. Het uiteindelijke doel is dat sporters makkelijker door het classificatieproces worden geholpen en dat de stakeholders om de sporters heen ook worden geholpen om dit proces succesvol te laten verlopen.
Hoofdstuk 7 Innovatie
Maaike Heerschop
In dit hoofdstuk lichten we de inzet op de pijler innovatie toe. We beschrijven aan welke acties de betrokken partijen in het afgelopen jaar hebben gewerkt, en hoe de partijen daar op terugblikken.
7.1 Doelstellingen uitvoeringsplan
In het voorjaar van 2025 publiceerde de kartrekker van de pijler innovatie het uitvoeringsplan. Hierin staan de doelen die bij de pijler horen, acties om die doelen te behalen, en een planning die duidelijk maakt wanneer de acties uitgevoerd moeten zijn om in 2030 de doelen van de pijler te behalen.
De twee doelen van de pijler staan in het kader hieronder.
Doelen pijler Innovatie
Support Agenda's en een landelijke innovatieagenda formuleren.
Samenwerking versterken.
7.2 Indicatoren en monitoring
Tot en met 2030 monitoren we de stand van zaken binnen deze pijler aan de hand van een aantal indicatoren. We starten met deze monitoring in het voorjaar van 2026, waarna we over de voortgang op de indicatoren rapporteren. De resultaatindicatoren waarop we monitoren staan beschreven in het kader hieronder.
Indicatoren pijler Innovatie
Support Agenda's en een landelijke innovatieagenda formuleren
Aantal opgepakte en uitgevoerde innovatie-projecten in de praktijk.
Ervaringen van de praktijk met Paralympic Science Support NL (PSS-NL).
Het aantal sportbonden dat participeert met een Support Agenda.
Het percentage behaalde doelstellingen binnen de vastgestelde termijn, van projecten die worden opgepakt door het netwerk van PSS-NL.
Samenwerking versterken
Het aantal georganiseerde bijeenkomsten en evenementen gericht op kennisdeling en samenwerking.
Aantal edities van de nieuwsbrief van PSS-NL.
Aantal vermelde projecten op de website van PSS-NL.
Aantal kennisitems op de website van PSS-NL.
De tevredenheid van de betrokken partijen over de toegankelijkheid en de inhoudelijke relevantie van de gedeelde kennis en middelen.
7.3 Stand van zaken
In september 2025 spraken we met de kartrekker van de pijler innovatie. Deze kartrekker werkt bij het Kenniscentrum Sport en Bewegen en is coördinator van Paralympic Science Support Nederland (PSS-NL).
PSS-NL is in 2022 opgericht met de ambitie om structurelere samenwerkingen op het gebied van kennisoverdracht in de paralympische topsport te faciliteren. Hiernaast biedt PSS-NL structurele wetenschappelijke ondersteuning aan de Nederlandse paralympische topsportprogramma's. Ook faciliteert PSS-NL de uitwisseling van kennis door het koppelen van experts aan de partij die ondersteuning nodig heeft.
PSS-NL is een samenwerking tussen de volgende initiatief-nemende partijen: De Haagsche Hogeschool (HHs), Amsterdam Institute of Sport Science (AISS), Sport Science & Innovation Groningen (SSIG), NOC*NSF en het Kenniscentrum Sport en Bewegen. Daarnaast werken ze samen met geïnteresseerde hogescholen en universiteiten. PSS-NL wordt gesubsidieerd door het ministerie van VWS.
In dit gesprek haalden we op welke acties er op de pijler zijn en wat de stand van zaken op elke actie is. De acties staan in het kader hieronder.
Voortgang op de acties van Innovatie
✕ = nog niet gestart
✖ = in voorbereiding
🗑 = in uitvoering
✔ = voltooid
Support Agenda's en een landelijke innovatieagenda formuleren
🗑 1. Vergroten van betrokkenheid en innovatiebewustzijn
🗑 2. Ontwikkelen van Support Agenda's15 bij sportbonden
✖ 3. Ontwikkelen van een landelijke innovatieagenda
Samenwerking versterken
🗑 4. Versterken van samenwerking en kennisdeling
Support Agenda's en een landelijke innovatieagenda formuleren
Om de betrokkenheid en het innovatiebewustzijn (actie 1) van voornamelijk bonden te vergroten voert de coördinator van PSS-NL, veelal samen met de prestatiemanager van NOC*NSF, een-op-een-gesprekken met paralympische programma's die al TeamNL-programma zijn en mede daarom klaar zijn voor de volgende stap.
Nadat er innovatiebewustzijn en interne commitment van de bond en het programma is, kan er een Support Agenda worden opgesteld. Het initiatief hiervoor ligt bij de topsportprogramma's in samenwerking met de bonden (actie 2). Idealiter heeft elk topsportprogramma en de bijbehorende bond in de toekomst een Support Agenda.
Er is vanuit PSS-NL en NOC*NSF altijd ondersteuning beschikbaar voor bonden, maar met een Support Agenda kunnen ze de bonden beter bedienen. Dit zorgt voor bewustwording van bepaalde thema's, de mogelijkheid tot opvolging van projecten (en daarmee vergrote effectiviteit) en een continuïteit van contact.
Momenteel zijn de Support Agenda's van boccia, goalball, rolstoelrugby en rolstoelstennis ontwikkeld en zijn de bonden hiermee aan de slag gegaan. De Support Agenda's van zwemmen, rolstoelbasketbal en wielrennen worden opgestart en bevinden zich in verschillende fases van ontwikkeling.
Het opstellen en instellen van de Support Agenda's gaat goed. Er zijn nu meer experts of financiering nodig om hierop uit te breiden. Het blijkt een uitdaging om extra experts te vinden. Hier wordt de komende tijd op ingezet door de informatievoorziening beter uit te werken om zo meer experts te kunnen verbinden.16
Daarnaast hebben niet alle programma's ruimte om aan de slag te gaan met de Support Agenda's: de prioriteiten liggen soms ergens anders. Vanaf januari worden de gesprekken opgestart met bonden waar nu nog nauwelijks tot geen contact mee is. De prestatiemanager bepaalt of een programma hier klaar voor is, waarbij innovatiebewustzijn van een bond een belangrijk onderdeel is.
Voor het formuleren van een landelijke innovatieagenda (actie 3) is eerst de input van de Support Agenda's van de bonden nodig. Nadat deze zijn opgesteld, wordt in het eerste kwartaal van 2026 een landelijke innovatieagenda geformuleerd.
Samenwerking versterken
PSS-NL en de partners hebben al veel gedaan om de samenwerking tussen stakeholders te versterken en kennis met en tussen deze stakeholders te delen (actie 4:
Er is een aantal bijeenkomsten geweest gericht op kennisdeling en samenwerking (bijvoorbeeld themabijeenkomsten, bezoek TU Delft, kennissessie AISS Para-cycling, RehabMoveCongres).
Er zijn twee edities van de PSS-NL-nieuwsbrief verschenen. Er lopen momenteel twee actuele innovatieprojecten die een plekje hebben gekregen op de website (niet alle projecten worden vermeld, omdat het project daar niet om vraagt of er geen middelen zijn om een project te beschrijven).
Er zijn twee innovatieprojecten afgerond.
Er zijn verschillende kennisitems op de website van PSS-NL gepubliceerd sinds de start (18 samenvattingen, 12 verslagen en 11 vraag- en antwoordberichten).
Daarnaast participeert PSS-NL in verschillende subsidieaanvragen. Waaronder in de aanvraag voor het project Blue Shift, dat de maatschappelijke betekenis en zichtbaarheid van de topsport in Nederland wil versterken. PSS-NL werkt daarin samen met verschillende onderzoekers, sportprofessionals, beleidsmakers, bedrijven en mediamakers die nog niet tot nauwelijks iets met de paralympische topsport doen. Aanhaken bij dit soort projecten versterkt de samenwerking met veel verschillende partijen. Daarnaast deelt PSS-NL zoveel mogelijk subsidiemogelijkheden met het netwerk en spoort ze hen aan tot actie.
Resultaten
Volgens de kartrekker gaan de samenwerkingen tussen stakeholders steeds natuurlijker en weten experts elkaar beter te vinden. Dit zorgt al voor verminderde concurrentie tussen stakeholders. Daarnaast worden stakeholders zich, volgens de kartrekker, bewuster van wat er mogelijk is. En landelijk komt er steeds meer aandacht voor innovatie-subsidies op paralympisch vlak.
Hoofdstuk 8 Randvoorwaarden
Robin Rauws
In dit hoofdstuk lichten we de inzet op de pijler Randvoorwaarden uit. We beschrijven aan welke acties de betrokken partijen in het afgelopen jaar hebben gewerkt, en hoe de partijen daar op terugblikken.
8.1 Doelstellingen uitvoeringsplan
In het voorjaar van 2025 publiceerden de kartrekkers van de pijler Randvoorwaarden het uitvoeringsplan. Hierin staan de doelen die bij de pijler horen, acties om die doelen te behalen, en een planning die duidelijk maakt wanneer de acties uitgevoerd moeten zijn om in 2030 de doelen van de pijler te behalen.
De vier doelen van de pijler staan in het kader hieronder. Elk doel hoort bij één van de vier randvoorwaarden waar de pijler zich op richt: sporthulpmiddelen, sportvervoer, sportaccommodaties en financiële ondersteuning. Communicatieve toegankelijkheid wordt hier op termijn als vijfde randvoorwaarde aan toegevoegd. De kartrekkers gaan met de ondertekenaars van de pijler aan de slag om doelen en acties te formuleren.
Doelen pijler Randvoorwaarden
De aanvraagprocedure voor sporthulpmiddelen is geoptimaliseerd en alle landelijke en lokale organisaties hebben de verantwoordelijkheid verdeeld voor een duurzaam en effectief model voor het toegankelijk maken van sporthulpmiddelen zowel voor breedte- als topsport.
In 2030 is het voor iedereen met een handicap duidelijk hoe zij zelfstandig van a naar b kunnen reizen om de sport naar keuze te bereiken.
In 2030 is het van zoveel mogelijk sportaccommodaties inzichtelijk of deze wel of niet toegankelijk zijn voor mensen met een handicap (zowel sporters en vrijwilligers als toeschouwers).17
In 2030 is duidelijk waar financiële ondersteuning om te kunnen sporten gevonden kan worden en onder welke voorwaarden.
Verhouding pijler Randvoorwaarden tot werkagenda VN-verdrag
In de werkagenda voor de uitvoering van het VN-verdrag handicap in Nederland staat als eerste maatregel om de toegang tot sport te verbeteren dat het ministerie van VWS de Strategie regisseert. Maar in de werkagenda staan ook maatregelen die inhoudelijk overlappen met deze eerste maatregel, en dus met de Strategie. Het gaat om:
Maatregel 3: het ministerie van VWS helpt mensen met een beperking om te sporten en bewegen door duidelijk te maken waar ze sporthulpmiddelen kunnen krijgen.
Maatregel 4: Sportvervoer wordt geïntegreerd in het landelijke Valysvervoer.
Maatregel 5: Er komt inzicht in financiële ondersteuning van sporters met een beperking.
Maatregel 6: Er wordt onderzocht hoe de toegankelijkheid van sportaccommodaties beter inzichtelijk kan worden gemaakt (Ministerie van VWS, 2025, p. 127, pp. 133-134).
Omdat deze maatregelen overlappen met de acties uit de pijler Randvoorwaarden, monitoren we ze niet apart, maar als onderdeel van de pijler Randvoorwaarden.
Op termijn wordt maatregel 9 'De partners van het Sportakkoord vergroten de communicatieve toegankelijkheid' ook onderdeel van de monitoring van de pijler Randvoorwaarden. Binnen deze maatregel verkennen de ondertekenaars van de pijler hoe het sport- en beweegaanbod beter kan aansluiten op de behoeften van mensen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) of andere communicatiebeperkingen (Ministerie van VWS, 2025, p. 90).
8.2 Indicatoren en monitoring
Tot en met 2030 monitoren we de voortgang aan de hand van een aantal indicatoren. Daarmee starten we vanaf 2026. Grotendeels gaat het om een vertaling van de acties uit het uitvoeringsplan naar indicatoren. Enkele andere indicatoren zijn gebaseerd op cijfers uit ons rapport over 2024.
Een selectie van de indicatoren waarop we de komende jaren monitoren, staat in het kader hieronder. Dit zijn voornamelijk resultaatindicatoren en impactindicatoren (zie ook paragraaf 3.4). De procesindicatoren bespreken we in paragraaf 5.3.
Indicatoren pijler randvoorwaarden
Sporthulpmiddelen
Aantal gemeenten dat aangesloten is bij het op te richten landelijke loket voor de aanvraag van sporthulpmiddelen.
Aantal aanvragen voor sportprothesen bij zorgverzekeraars en aantal vergoede sportprothesen door zorgverzekeraars.
Ervaringen van zorgverzekeraars met de richtlijnen over de toewijzing en vergoeding van sportprothesen (bekendheid en naleving).
Ervaringen van sporters en gemeenten met het landelijke loket voor de aanvraag van sporthulpmiddelen.
Ervaringen van topsporters met het verkrijgen van sporthulpmiddelen.
Sportvervoer
Integratie van de landelijke sportvervoervoorzieningen vanuit Special Heroes in Valys is voltooid (ja/nee).
Ervaringen van gebruikers van sportvervoer vanuit Valys.
Mate waarin gebruikers ervaren inzicht te hebben in lokale vervoersvoorzieningen.
Behoefte en ervaren kwaliteiten van vervoerondersteuning onder topsporters.
Sportaccommodaties18
Aantal sportaccommodaties waarvan duidelijk is of deze toegankelijk zijn voor mensen met verschillende soorten beperkingen.
Mate waarin beheerders/gemeenten bekend zijn met landelijke regelgeving over de toegankelijkheid van sportaccommodaties, en deze volgen.
Financiële ondersteuning
Mate van bekendheid met en tevredenheid over bestaande landelijke en regionale regelingen en vergoedingen door gebruikers.
Mate waarin professionals en intermediairs inzicht hebben in bestaande landelijke en regionale regelingen en vergoedingen.
Omdat het uitvoeringsplan en de indicatoren pas relatief kortgeleden zijn opgesteld, rapporteren we in de huidige rapportage nog niet over de voortgang op de indicatoren. Wel bespreken we in de volgende paragraaf aan welke acties de betrokken partijen in het afgelopen jaar hebben gewerkt. Dit vormt de komende jaren de basis voor de verdere monitoring van de voortgang op de pijler randvoorwaarden.
8.3 Stand van zaken
In augustus 2025 spraken we met de kartrekkers van de pijler Randvoorwaarden. Deze kartrekkers zijn verbonden aan het ministerie van VWS, het Kenniscentrum Sport & Bewegen en de VSG. In deze paragraaf bespreken we de voortgang op de acties van de pijler thematisch. Om in één oogopslag de voortgang te kunnen zien, staan in het kader op de volgende pagina alle acties van de pijler en de voortgang daarop.
Voortgang op de acties van Randvoorwaarden
✕ = nog niet gestart
☒ = in voorbereiding
🗑 = in uitvoering
✔ = voltooid
1. Sporthulpmiddelen
☒ 1. Een landelijk loket sporthulpmiddelen oprichten
☒ 2. Communicatieplan opstellen richting de zorgverzekeraars over te vergoeden sporthulpmiddelen
🗑 3. Gemeenten stimuleren het aanvullend Wmo-modelbeleid sporthulpmiddelen toe te passen
☒ 4. Onderzoek doen naar de gemiddelde prijzen van sporthulpmiddelen
🗑 5. Onderzoek doen naar het verbeteren van de toegang tot sporthulpmiddelen in de topsport
2. Sportvervoer
🗑 6. Sportvervoersvoorziening integreren in Valys
☒ 7. Communicatieplan integratie vervoersvoorziening opzetten
🗑 8. Inventarisatie lokale vervoersregelingen
☒ 9. Behoefteanalyse onder topsporters uitvoeren
3. Sportaccommodaties
☒ 10. Plan van aanpak voor de ondersteuning van eigenaren en beheerders van sportaccommodaties
☒ 11. Verkenning over maatregelen om accommodaties toegankelijk te maken en beter benutten BOSA
✕ 12. Aansluiten landelijke regelgeving rondom toegankelijkheid van accommodaties
4. Financiële ondersteuning
🗑 13. Zoveel mogelijk gebruikers krijgen inzicht in bestaande regelingen en vergoedingen
☒ 14. Kennis uit onderzoeksprogramma's is/wordt geïntegreerd in de uitvoering
✕ 15. Er is een communicatieplan richting de doelgroep (met als doel dat zij beter weten waar ze ondersteuning kunnen krijgen)
Sporthulpmiddelen
Breedtesport
Pilot 'Uniek Sporten Centraal Loket'
De Esther Vergeer Foundation, het Fonds Gehandicaptensport (FGS), het ministerie van VWS en de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) hebben de afgelopen maanden de pilot 'Uniek Sporten Centraal Loket' voorbereid en ontwikkeld. Dit centrale loket moet sporters van deskundig(er) advies voorzien, en gemeenten ondersteunen en ontlasten.
Binnen de pilot Uniek Sporten Centraal Loket werken de betrokken partijen met een nieuwe werkwijze voor de aanvraag, beoordeling en het beschikbaar stellen van sporthulpmiddelen. Op basis van ervaringen uit de pilot (o.a. rondom privacy) wordt de werkwijze van het centrale loket gaandeweg verder ingevuld en aangescherpt. Uiteraard blijft maatwerk mogelijk.
Voor het loket ontvangt FGS 750.000 euro vanuit het ministerie van VWS (Karremans, 18 juni 2025). Aanvullend is er naar aanleiding van een amendement 750.000 euro beschikbaar in 2025 ter ondersteuning van de inrichting van het Uniek Sporten Centraal Loket (Saris, 1 juli 2025).
In voorbereiding op de pilot is de werkgroep van gemeenten 'Sporthulpmiddelen binnen de WMO' tot aanvullend modelbeleid gekomen voor een afbakening van de verantwoordelijkheden van gemeenten voor de verstrekking van sporthulpmiddelen binnen de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. De notitie 'Aanvullend WMO-modelbeleid voor sporthulpmiddelen' is op 16 april 2025 overgenomen in de commissie van Zorg, Jeugd en Onderwijs van de VNG.
Rol van de zorgverzekeraar
Een sporter kan voor een sportprothese een aanvraag doen bij de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar kan zich baseren op een bijlage bij de Kwaliteitsmodule Prothesen, genaamd 'Verduidelijking aanspraakverstrekking sporthulpmiddel uit de Zorgverzekeringswet (Zvw)'. Deze is opgesteld door het Landelijk Platform Prothesen19 en beschikbaar gesteld door Zorginstituut Nederland.
Deze richtlijnen moeten het voor zorgverzekeraars duidelijk maken op basis van welke criteria een sportprothese vanuit de Zvw toegekend of afgewezen kan worden. De richtlijnen zijn niet dwingend, maar worden in de praktijk wel gezien als de professionele standaard.
Bijlage bij de Kwaliteitsmodule Prothesen
In april 2025 werd de bijlage 'Verduidelijking aanspraakverstrekking sporthulpmiddel uit de Zorgverzekeringswet (Zvw)' gepubliceerd. Deze bijlage was nodig omdat verzekerden, zorgverzekeraars en zorgprofessionals de Kwaliteitsmodule niet duidelijk genoeg vonden over de verstrekking van sporthulpmiddelen. De bijlage geeft zorgverzekeraars en verzekerden meer inzicht in waarom een sportprothese wordt toegekend of afgewezen.
Op de actielijst van de kartrekkers staat nog dat zij actief naar zorgverzekeraars gaan communiceren dat deze bijlage ter aanvulling op de Kwaliteitsmodule er is.
Het Kenniscentrum Sport & Bewegen zet een opdracht uit bij een bureau om onderzoek te doen naar de gemiddelde prijs van verschillende sporthulpmiddelen. De paralympische topsport wordt hierin ook meegenomen.
Met de komst van het centrale loket ontstaat voor gemeenten een nieuwe rol in de ondersteuning van inwoners die een sporthulpmiddel nodig hebben. Om die goed te vervullen is het volgens de kartrekkers belangrijk dat gemeenten inzicht hebben in wat sporthulpmiddelen gemiddeld kosten. Dan kunnen zij beter inschatten wat een reële prijs is en hoe zij regelingen en beleid hierop beter kunnen afstemmen.
Topsporters
Voor topsporters gelden andere regelingen wanneer zij een sporthulpmiddel nodig hebben. Daarom is een andere actie onderzoek doen naar het verbeteren van de toegang tot sporthulpmiddelen in de topsport. Hiertoe heeft het ministerie van VWS gesproken met de atletencommissie van NOC*NSF. Daar hebben ze een aantal knelpunten opgehaald, zoals:
verschillende regels bij verschillende gemeenten over de verstrekking van sporthulpmiddelen;
lange wachttijden;
een gebrek aan kennis en kunde bij gemeenten;
een afschrijvingstermijn die geënt is op breedtesport, maar die te lang is voor topsporters, die hun sporthulpmiddelen immers intensiever gebruiken.
De kartrekkers zijn in gesprek met NOC*NSF om tot oplossingen te komen. Hierbij onderzoeken ze ook hoe de regeling voor topsporters zich moet verhouden tot het aanvullend sporthulpmiddelenbeleid en het Uniek Sporten Centraal Loket: topsporters gaan mogelijk dezelfde vergoeding krijgen als amateursporters, maar de consequentie zou dan wel zijn dat de afschrijfperiode van sporthulpmiddelen voor topsporters langer wordt in plaats van korter.
Sportvervoer
Breedtesport
Een belangrijke eerste stap om sporten voor mensen met een beperking bereikbaarder te maken, is het opnemen van de huidige landelijke sportvervoersvoorziening in het landelijke Valys-vervoer.
Het ministerie van VWS heeft eerder dit jaar een aanbesteding uitgezet voor de uitvoering van het Valys-vervoer. Hierin hebben ze de huidige sportvervoersvoorziening opgenomen, die Special Heroes momenteel coördineert. De integratie van de sportvervoersvoorziening in Valys moet in het vierde kwartaal van 2026 voltooid zijn.
Bij provincies heeft Kenniscentrum Sport & Bewegen, via Sportkracht12, informatie opgehaald over lokale sportvervoersvoorzieningen en financiële regelingen. Op de website kennisoversportondersteuning.nl hebben ze deze informatie vervolgens gepubliceerd. Deze inventarisatie van lokale regelingen (zoals vrijwilligersvervoer) is bijna voltooid. Wel is het een ingewikkelde opgave en zien niet alle provincies de meerwaarde van de inventarisatie. De provincies hebben bijvoorbeeld twijfels over de effectiviteit van het integreren van de sportvervoersregeling in Valys.
Topsport
Over dit onderwerp heeft het ministerie van VWS ook de atletencommissie van NOC*NSF geraadpleegd. De commissie gaf mee dat zij, topsporters, geen gebruikmaken van vervoersregelingen, maar een auto van NOC*NSF gebruiken. Hiervoor leveren zij een eigen financiële bijdrage.
Het ministerie van VWS praat hierover nog verder met onder andere NOC*NSF en Gehandicaptensport Nederland (GN). Dit moet helpen om eventuele knelpunten van topsporters bij vervoer naar trainingen en wedstrijden in kaart te brengen en weg te nemen.
Sportaccommodaties
De werkzaamheden binnen het thema sportaccommodaties bevinden zich nog voornamelijk in de voorbereidende fase. NOC*NSF probeert momenteel aanvullende financiering te krijgen om een projectleider aan te stellen. Deze projectleider moet met de input uit werksessies met de ondertekenaars van de pijler komen tot een plan om een nieuwe zelfscan te gaan opstellen.
Deze zelfscan moet inzicht geven in welke faciliteiten er al zijn binnen een sportaccommodatie die bijdragen aan de toegankelijkheid. Bijvoorbeeld rolstoeltoegankelijke toiletten of geleidelijken. De precieze inhoud van de zelfscan bepaalt de aan te stellen projectleider samen met belanghebbenden en ondertekenaars van de pijler.
Verder hebben bijeenkomsten plaatsgevonden met provincies en gemeenten over de benutting van de BOSA (Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties) voor het toegankelijk maken van sportaccommodaties. Uit de bijeenkomsten bleek
dat de BOSA maar weinig wordt ingezet om te werken aan de toegankelijkheid van sportaccommodaties.
Inschrijvingen voor de BOSA openen weer in het eerste kwartaal van 2026, dus er zijn nog kansen voor amateursportorganisaties om de BOSA te benutten voor het toegankelijk maken van sportaccommodaties. Eind 2026 stopt de BOSA.
Financiële ondersteuning
Naast de actie die we beschreven onder 'sportvervoer', bevinden de acties voor het thema 'financiële ondersteuning' zich nog vooral in de startfase. Zo is het Kenniscentrum begonnen ervoor te zorgen dat er een link komt tussen het sportaanbod op Uniek Sporten en financiële regelingen, zodat (potentiële) sporters deze regelingen makkelijk kunnen vinden.
Verder is het ministerie van VWS bezig inzicht te krijgen in de behoeften van sporters met een beperking: hebben zij financiële ondersteuning nodig om te kunnen sporten? Zijn de kosten om te sporten (los van de kosten voor sporthulpmiddelen) hoger voor sporters met een beperking? En helpen bestaande financiële regelingen om drempels weg te nemen voor sporters?
Los van wat in het uitvoeringsplan staat, onderzoekt het ministerie van VWS naar aanleiding van een motie in de Tweede Kamer de mogelijkheden van een sportpas. Met deze pas moeten burgers, met en zonder beperking, kunnen deelnemen aan sportieve activiteiten. Het doel van de sportpas is vooral om inclusie en gelijke kansen in de sport te bevorderen. Mensen die vanwege financiële barrières minder makkelijk kunnen sporten, krijgen met de pas ondersteuning om actief te worden. Om de werking en effectiviteit van de sportpas te testen, start het ministerie van VWS met een pilot in een aantal gemeenten.
Uitdagingen
De kartrekkers ervaren veel energie bij betrokken partijen om de acties van de pijler uit te voeren. Maar om de doelen van de pijler te halen, stelt het ministerie van VWS geen aanvullende financiële middelen beschikbaar. De (soms hoge) ambities van de betrokken partijen blijken financieel niet altijd haalbaar.
Daarnaast vinden de kartrekkers het betrekken van ervaringsdeskundigen een uitdaging. Tot dusver hebben de kartrekkers alleen topsporters met een beperking geraadpleegd, en nog geen breedtesporters. Het subdoel over toegankelijke sportaccommodaties vormt daarop een uitzondering: de kartrekkers hebben bijvoorbeeld met belangenbehartigers en ervaringsdeskundigen van de Oogvereniging en het Bartiméus Fonds gesproken.
Maar de kartrekkers zijn ook tevreden over stappen die ze hebben gezet. Zoals de publicatie van het uitvoeringsplan voor de pijler, en de voorbereidingen voor de Uniek Sporten Dag op 4 september 2025. Maar het meest tevreden blijven de kartrekkers over het aanvullend sporthulpmiddelenbeleid en de voortgang op de integratie van sportvervoer vanuit Special Heroes Nederland in Valys.
Hoofdstuk 9 Netwerk
Caroline van Lindert
In dit hoofdstuk lichten we de inzet op de pijler netwerk uit. We beschrijven aan welke acties de betrokken partijen in het afgelopen jaar hebben gewerkt, en hoe de partijen daar op terugblikken.
9.1 Doelstellingen uitvoeringsplan
In juni 2025 publiceerden de kartrekkers van de pijler Netwerk het uitvoeringsplan. Hierin staan de doelen die bij de pijler horen, acties om de doelen te behalen en een planning die duidelijk maakt wanneer de acties uitgevoerd moeten zijn om in 2030 de doelen van de pijler te halen.
De pijler Netwerk heeft vergeleken met de andere pijlers een meer indirect doel. De pijler wordt gezien als het weefsel tussen de andere pijlers van de Strategie. De pijler Netwerk is gericht op het bevorderen van de samenwerking tussen alle uitvoeringspartners van de Strategie. De pijler moet een oplossing bieden voor de versnippering in het organisatie landschap van de gehandicaptensport. Het doel is versnippering tegen te gaan, bestaande initiatieven te bundelen en samenwerking te verduidelijken.
Doelen pijler Netwerk
Inzicht in het netwerk van organisaties creëren.
Een proces creëren om tot krachtenbundeling te komen.
Maximale aansluiting bij het VN-verdrag handicap.
Verhouding pijler Netwerk tot werkagenda VN-verdrag Handicap
In de werkagenda voor de uitvoering van het VN-verdrag handicap staat als eerste maatregel: het ministerie van VWS regisseert de strategie 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030'. Deze maatregel houdt direct verband met de doelen van de pijler Netwerk.
9.2 Indicatoren en monitoring
Tot en met 2030 monitoren we de voortgang op de pijler Netwerk aan de hand van een aantal indicatoren. Daarmee starten we vanaf 2026. Grotendeels gaat het om de vertaling van acties uit het uitvoeringsplan naar indicatoren.
Indicatoren pijler Netwerk
Rollen en taken van uitvoeringspartners in het netwerk zijn helder en mate van tevredenheid bij uitvoeringspartners over hun positie in het netwerk.
Mate van bekendheid bij overige betrokkenen met het platform en de netwerkverbindingen.
Mate waarin uitvoeringspartners actief bijdragen aan het realiseren aan de ambities van de Strategie.
Mate van tevredenheid bij uitvoeringspartners over de regie op de Strategie.
9.3 Stand van zaken
In overleg met de kartrekkers van de pijler Netwerk (verbonden aan het ministerie van VWS en NOC*NSF) hebben we een overzicht gemaakt van de voortgang op de acties.
Voortgang op de acties van Netwerk
✕ = nog niet gestart
☒ = in voorbereiding
🗑 = in uitvoering
✔ = voltooid
1. Inzicht in het netwerk van organisaties creëren
✔ Landschapskaart ontwikkelen en (nog niet gestart) jaarlijks actualiseren
✕ Platform kiezen voor zichtbaarheid en toegang
✕ Kennisdeling organiseren
2. Een proces creëren om tot krachtenbundeling te komen
🗑 Gesprekken over rollen en overlap
☒ Reflectie en keuzes binnen organisaties
✕ Herzien landschapskaart op basis van gemaakte keuzes
3. Maximale aansluiting bij het VN-verdrag handicap
🗑 Focus op inclusie en kwaliteit
✔ Strategie opnemen in de Nationale Werkagenda VN-verdrag Handicap
Inzicht in netwerk en krachten bundelen
Tijdens en na een werksessie van de pijler Netwerk in februari 2025 hebben uitvoeringspartners een online vragenlijst ingevuld over hun rollen, werkzaamheden en samenwerkingsrelaties voor sporten voor mensen met een handicap. Van de 57 ondertekenaars hebben 48 organisaties de vragenlijst volledig ingevuld.
De vragenlijst ging ook over voor welke doelstellingen en doelgroepen van de Strategie organisaties zich inzetten. Respondenten hebben ook 'kaarten' getekend van het huidige en ideale netwerk. Het Mulier Instituut heeft de vragenlijst ontwikkeld in samenwerking met de kartrekkers van de pijler. Het doel was inzicht te krijgen in het netwerk van organisaties die zich inzetten om sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend te maken.
Uit de resultaten van de vragenlijst komt een beeld naar voren van een netwerk van organisaties met overlappende rollen. Organisaties hebben nog geen duidelijke focus aangegeven op welk schaalniveau (landelijk, provinciaal, lokaal) zij actief zijn of op welke activiteiten en rollen zij vooral inzetten (beslissen, beïnvloeden, uitvoeren, organiseren). Organisaties willen graag meer en beter samenwerken en kunnen dat doen door duidelijker te kiezen waarop zij focus leggen in het kader van de Strategie. De resultaten en door henzelf gemaakte kaarten bieden aanleiding hierover in gesprek te gaan.
Over de resultaten hebben we een intern rapport geschreven (Van Lindert & Rauws, 2025) en een gespreksplaat gemaakt. Het rapport hebben we gedeeld met de uitvoeringspartners ter voorbereiding op een landelijke werksessie op 3 november 2025. De gespreksplaat bood vragen waarover de uitvoeringspartners van de Strategie tijdens deze werksessie met elkaar in gesprek zijn gegaan. Het doel is nog beter met elkaar af te stemmen wie welke rol en verantwoordelijkheid in het netwerk kan pakken.
Aansluiting bij VN-verdrag handicap
Met de publicatie van de werkagenda VN-verdrag handicap is de afstemming met de pijlers uit de Strategie voltooid. Dat wil zeggen, van de tien maatregelen in de werkagenda die betrekking hebben op sport, zijn er negen verbonden aan de Strategie (zie tabel 1.1 in paragraaf 1.1).
Om dit voor elkaar te krijgen hebben betrokkenen van de Strategie in 2025 diverse zogenaamde sprintessies bijgewoond die het ministerie van VWV organiseerde over het vormgeven van de werkagenda VN-verdrag handicap.
Hoofdstuk 10 Internationaal
Chris Sparreboom
In dit hoofdstuk beschrijven we de stand van zaken binnen de pijler Internationaal. We kijken naar de doelen en acties van het uitvoeringsplan, en naar de indicatoren waarmee we de voortgang van de pijler vanaf dit jaar monitoren.
10.1 Doelstellingen uitvoeringsplan
Dit hoofdstuk hebben we opgesteld op basis van gesprekken met de kartrekkers van de pijler Internationaal in juni en augustus 2025.
Op 14 oktober 2024 werd met betrokken partijen de ambitie van deze pijler vastgelegd: dat (in 2030) Nederland een leidende rol speelt in inclusieve sport. In 2025 is op 8 januari een werksessie met betrokken partijen gehouden. Vervolgens is het uitvoeringsplan van de pijler opgesteld en eind mei 2025 definitief gemaakt.
De acties en doelen van dat plan hebben het ministerie van VWS en NOC*NSF opgesteld, de kartrekkers van deze pijler. Dat deden zij onder andere volgens onderstaande uitgangspunten.
Uitgangspunten Internationaal
In 2030 is Nederland een toonaangevende speler in de internationale sport voor mensen met een handicap.
We bouwen voort op deze positie door actieve internationale samenwerkingsverbanden te smeden en onze kennis, expertise en innovaties te delen.
We streven ernaar om beweging te brengen in de internationale sportgemeenschap, waarbij inclusie en prestaties hand in hand gaan.
We dragen bij aan topsportprestaties die voor een breed publiek zichtbaar en aantrekkelijk zijn.
We vergroten de toegankelijkheid en deelname aan sport op alle niveaus, zodat mensen met een handicap wereldwijd kunnen deelnemen en presteren.
Doelen pijler internationaal
De huidige acties zijn voor nu gefocust op 2025 en 2026 (fase 1: Q4 2024 - Q2 2025 en fase 2: Q3 2025 – Q1 2026). Langeretermijndoelen vanaf 2027 zijn nog niet opgesteld. De kartrekkers doen dit nadat de (meeste) korte termijn acties van fase 1 en 2 zijn voltooid.
Hoofddoel: Wij streven ernaar om in Nederland een gelijkwaardige sportcultuur te bevorderen, waarin mensen met een handicap op alle niveaus actief kunnen deelnemen en presteren. Door internationale samenwerkingsverbanden te smeden en onze visie, kennis en innovaties te delen, vergroten we de toegankelijkheid van sport en maken we topsportprestaties zichtbaar en aantrekkelijk voor een breed publiek.
Subdoelen:
Het versterken van een effectief internationaal netwerk ter ondersteuning en bevordering van de sport voor mensen met een handicap.
Het omzetten van internationale inzichten en kennis over sport voor mensen met een handicap naar toepasbare strategieën voor de Nederlandse sportsector.
Verhouding pijler tot Werkagenda VN-verdrag
De Werkagenda VN-verdrag 2025-2030 bevat geen maatregelen die direct aansluiten op de doelen en acties van de pijler Internationaal.
10.2 Indicatoren en monitoring
De doelen en acties van deze pijler staan vooral in het teken van de samenwerking met en ondersteuning van de andere pijlers, zo geven de kartrekkers aan. De pijler Internationaal zoekt de verbinding met thema's en uitgangspunten die in die pijlers zijn opgesteld.
We monitoren de voortgang van de pijler Internationaal en de acties die voor het hoofddoel en de subdoelen zijn opgesteld. Voor de korte termijn zijn in totaal acht acties geformuleerd verdeeld over twee fasen. Bij de monitoring van deze pijler verbinden we de concrete acties niet aan één specifiek subdoel. Ze kunnen namelijk bijdragen aan resultaten op beide doelen, zoals de kartrekkers aangeven.
Acties fase 1 en 2 Internationaal
1.1 Een Engelstalige visie opstellen en delen met andere landen (na 3.1).
1.2 Het internationale netwerk van onze nationale partners in kaart brengen.
1.3 Thema’s en onderwerpen in kaart brengen, samen met de andere pijlers, waarop wij als Nederland het relevant vinden om met andere landen samen te werken.
1.4 De beleidsambities van gelijkgestemde landen en NPC’s in kaart brengen.
2.1 Deelnemen aan mondiale fora, congressen en evenementen en deze in kaart brengen, en aansluiting zoeken bij lopende projecten binnen internationale gremia op dit thema.
2.2 De bewindspersoon voor sport en Nederlandse ambassades/VWS-attachés inzetten om de internationale boodschap en visie verder te verspreiden (na 1.1)
2.3 Internationale samenwerkingsverbanden aangaan en smeden (na 1.3 en 1.4).20
2.4 Een Peer Learning Activity organiseren (na 1.4)
Proces en resultaat
We monitoren de voortgang en acties van de pijler met proces- en resultaatindicatoren. Met procesindicatoren gaan we na wat de stand van zaken is van het uitvoeren van de acties. Met de resultaatindicatoren meten we voor zover mogelijk welke daadwerkelijke veranderingen plaatsvinden dankzij de acties binnen de pijler, en in hoeverre welke doelen behaald worden.
In de gesprekken met de kartrekkers hebben we vastgesteld dat een groot aantal acties niet van eenmalige, maar van doorlopende aard zijn. Bijvoorbeeld het aangaan en smeden van samenwerkingsverbanden. Dergelijke acties zijn daarom in principe nooit ‘voltooid’, maar wel altijd in uitvoering (en dat is ook het doel).
Het hoofddoel van de pijler (gelijkwaardige sportcultuur, vergroten toegankelijkheid sport, zichtbaar en aantrekkelijk maken van topsportprestaties) geldt voor Nederland, maar ook andere landen. Nederland ziet zichzelf daarbij als gidsland om dit na te streven. Meten waar de acties toe leiden (het resultaat) is daardoor lastig. Maar ook wat mensen met een handicap er zelf van merken (impact) is binnen deze pijler complexer om vast te stellen (zie voor impact paragraaf 3.4).
In overleg met de kartrekkers hebben we op voorlopige basis een aantal indicatoren opgesteld om de voortgang waar mogelijk te kunnen monitoren. De kartrekkers zijn van plan ieder kwartaal terug te blikken en te kijken wat in samenwerking met de andere pijlers is gedaan. Een van de acties van de pijler Internationaal is het opstellen van een Engelstalige visie. Wanneer deze gereed is, kunnen de kartrekkers een meer definitieve lijst met indicatoren opstellen.
Indicatoren (voorlopig)
Engelstalige visie/boodschap
Mate van belangrijkste thema's en onderwerpen dat voor de visie is opgesteld met de kartrekkers van alle pijlers, waarop Nederland het relevant vindt om met andere landen samen te werken.
Aantal concrete punten waarmee de visie is opgesteld en mate waarin de visie/boodschap is gedeeld met landen en relevante ambassades.
Mate van inzet van bewindspersoon (vanuit Strategie Sport en voor sport/Nederlandse ambassades/VWS-attachés) voor verspreiden visie en boodschap.
Internationaal netwerk
In kaart gebracht (ja/nee).
Mate van deelname aan internationale fora, congressen en evenementen voor de diverse pijlers.
Bij X aantal lopende projecten aansluiting gevonden binnen internationale gremia op X thema's.
Internationale samenwerkingsverbanden
Beleidsambities in kaart gebracht van X aantal gelijkgestemde landen en NPC's.
Bepaald welke vorm van samenwerking het nuttigst is (ja/nee) en mate waarin andere landen willen samenwerken.
Mate van bestaande/nieuwe samenwerkingsverbanden, met wie en wat hieruit voortkomt.
X aantal mensen uit Nederland op diverse (bestuurs- en commissie) posities in de internationale (top- en breedtesport)wereld.
Aantal (nieuwe) verbindingen tussen internationale topsport- en breedtesportorganisaties, maatschappelijke partners en beleidsmakers.
Kennis, innovatie en inzichten
Het organiseren van een Peer Learning Activity (ja/nee).
Mate waarop de te delen kennis, innovatie en inzichten zijn opgesteld rondom top- en breedtesport.
(Mate van) kennis, innovatie en inzichten rondom top- en breedtesport van Nederland dat is ontvangen door andere landen.
(Mate van) kennis, innovatie en inzichten dat Nederland rondom top- en breedtesport heeft ontvangen van andere landen.
Aantal (nieuwe) toepasbare strategieën opgesteld.
In de tweejaarlijkse gesprekken tussen de kartrekkers en het Mulier Instituut blikken we met de indicatoren steeds terug op de vraag welke veranderingen zijn te observeren dankzij acties vanuit pijler Internationaal, bij wie, en waarom. Ook blikken we vooruit op toekomstige acties.
10.3 Stand van zaken
De kartrekkers geven aan dat het daadwerkelijk uitvoeren van de acties van de pijler Internationaal plaatsvindt op basis van de uitvoeringsplannen van de andere pijlers. De pijler Internationaal is ondersteunend aan de andere pijlers. Omdat nog niet alle pijlers hun uitvoeringsplannen gereed hadden, lopen ook de acties die (moeten) aansluiten op de andere pijlers daardoor achter in de planning. Bijvoorbeeld de gezamenlijke afstemming over onderwerpen die voor internationale samenwerking van belang zijn. Acties uit fase 1, voor 2024 en 2025, zullen daardoor grotendeels verlaat worden uitgevoerd, met de acties uit fase 2 die overlappend en nauwlettend volgen.
In onderstaand kader hebben we alle actiepunten van Fase 1 en 2 opgesteld en bij elk de voortgang ervan met symbolen aangeduid. Waar relevant en bekend bespreken we de status van de actiepunten.
Voortgang op de acties van Internationaal
✕ = nog niet gestart
🗑 = in voorbereiding
📄 = in uitvoering
✓ = voltooid
1.1 Een Engelstalige visie opstellen en deze delen met andere landen (na 1.3)
📄 Draftversie opstellen en ter feedback delen met de andere pijlers
🗑 Definitieve versie maken (laten vormgeven door een vormgever) en delen met gelijkgestemde landen en het Nederlandse netwerk.
✕ Uitsturen naar andere landen en NPC's
✕ Uitsturen naar relevante ambassades
1.2 Het internationale netwerk in kaart brengen van de nationale partners
🗑 Uitvraag bij alle ondertekenaars naar hun internationale netwerk
🗑 Het nagaan van de internationale uitvraag van het Mulier Instituut
✕ Resultaten schematisch in kaart brengen
1.3 Thema's en onderwerpen in kaart brengen, samen met de andere pijlers, waarop wij als Nederland het relevant vinden om met andere landen samen te werken
In gesprek gaan met de andere pijlers en relevante stakeholders om deze onderwerpen in kaart te brengen
Ten minste 10 concrete punten vaststellen waarop Nederland wil samenwerken met andere landen
1.4 De beleidsambities van gelijkgestemde landen en gelijkgestemde NPC's in kaart brengen
In kaart brengen van gelijkgestemde landen
Het delen van de Engelstalige visie met deze landen, en het organiseren van een meeting
Bij deze landen en gelijkgestemde NPC's nagaan wat hun ambities zijn op dit thema
2.1 Deelnemen aan mondiale fora, congressen en evenementen en deze in kaart brengen, en aansluiting zoeken bij lopende projecten binnen internationale gremia op dit thema
In kaart brengen welke bijeenkomsten en congressen interessant zijn om naar toe te gaan
Deelname aan het gezamenlijk project Raad van Europa en EU
Deelname aan UNESCO project
Deelname aan alle internationale bijeenkomsten binnen de Paralympische Familie, een van de internationale netwerken
2.2 De bewindspersoon voor sport en Nederlandse ambassades en/of VWS-attachés inzetten om de internationale boodschap en visie verder te verspreiden (deels na 1.1)
Bewindspersoon goed instrueren en inzetten met betrekking tot de internationale boodschap
De Engelstalige visie delen met ministerie van Buitenlandse Zaken en hen verzoeken deze te delen met relevante ambassades
2.3 Internationale samenwerkingsverbanden aangaan en smeden (na 1.3 en 1.4) (een doorlopende actie, ook wel een subdoel)
Vaststellen welke vorm van samenwerking het meest nuttig is
Peilen bij andere landen of zij willen samenwerken
Samenwerkingen met andere landen starten
2.4 Een Peer Learning Activity organiseren
Interesse uiten bij de Europese Commissie
Plan van Aanpak opstellen en inleveren
Plannen en uitvoeren van een Peer Learning Activity
Engelse visie rondom thema's en onderwerpen bij pijlers
Een Engelstalige visie van de ambities en doelen die Nederland heeft rondom het vanzelfsprekend maken van sporten voor mensen met een handicap, is volgens de kartrekkers een waardevol middel om als korte en krachtige boodschap aan andere landen over te dragen. Bijvoorbeeld door de visie, eenmaal definitief, mee te nemen wanneer Nederland deelneemt aan internationale (sport) congressen en evenementen. Zodat het voor andere landen duidelijk is waar ze met Nederland op kunnen samenwerken.
Van de thema's en doelen van de pijlers is in het voorjaar een conceptversie gemaakt. Nu alle uitvoeringsplannen definitief zijn, voeren de kartrekkers van Internationaal in najaar 2025 de gesprekken met de kartrekkers van de andere pijlers.
Ze zijn met actiepunt 1.3 en 1.1 aan de slag gegaan. Bij elke pijler worden de belangrijkste de thema's en onderwerpen vastgesteld, en de Engelstalige visie wordt in 2025 nog bijgesteld en definitief gemaakt, zo is het plan. Dat gebeurt als de Nederlandse samenvatting van de Strategie gereed is.
Naast de doelen en thema's komt er ook in te staan wat Nederland de komende jaren wil doen en op welke interessante gebieden we kunnen samenwerken. De kartrekkers hebben bijvoorbeeld als doel 24 mensen uit Nederland op diverse (bestuurs- en commissie) posities in de internationale (top- en/of breedtesport)wereld te krijgen, en twaalf gelijkgestemde landen in kaart te brengen.
De visie wordt ook gedeeld met de Europese NPC's.
Internationaal netwerk en samenwerkingen
Begin dit jaar is gestart met het inventariseren van relevante internationale organisaties voor de kartrekkers en uitvoeringspartijen van de andere pijlers (1.2). Deze vraag is wel naar hen uitgezet, maar de input daarvan is nog niet volledig (en) in kaart gebracht. Daarnaast werken de kartrekkers plannen uit voor het samenwerken met de landen waar kartrekker NOC*NSF al goede banden mee heeft, waaronder de Scandinavische landen en het Verenigd Koninkrijk.
De KNVB, NOC*NSF en het ministerie van VWS hebben samen een strategie ontwikkeld op het thema Sport en Kansengelijkheid, met specifieke focus op samenwerking met de Verenigde Staten in aanloop naar de Olympische en Paralympische Spelen en het WK voetbal. De ambitie is om te komen tot nauwere samenwerking en betere kennisuitwisseling.
In het voorjaar van 2026 kijken ze verder naar de invulling van een werkbezoek, waarbij ze onder meer onderzoeken wat Nederland kan leren van de organisatie en het (overheids)beleid rond gehandicapten sport in de Verenigde Staten.
Kennisuitwisseling
Het werkbezoek in het voorjaar van 2026 valt onder de subdoelen en acties: verbindingen aangaan, het uitbreiden en versterken van het internationale netwerk, kennis delen, en kennis opdoen over de organisatie van top- en breedtesport in een ander land.
Samenwerkingen in Nederland
Naast het verkennen, smeden, en onderhouden van internationale samenwerkingsverbanden benadrukten aanwezigen van de tweedaagse in juni 2024 het belang van een goede samenwerking in Nederland zelf. Zoals een goede afstemming tussen sportbonden. Dat is volgens hen belangrijk als Nederland steeds actiever wil en gaat zijn op het gebied van gehandicaptensport op internationaal niveau.
Samenwerking met de andere pijlers
De samenwerking met de kartrekkers van de andere pijlers gaat nu pas goed van start, te beginnen met gesprekken over de belangrijkste thema's en onderwerpen waar daadwerkelijk internationaal op kan worden samengewerkt.
Samenwerking met uitvoeringspartijen
De huidige samenwerking tussen de kartrekkers en de uitvoeringspartners van de pijler is nog niet sterk. Er is nog geen samenkomst geweest om met de uitvoeringspartners onder andere de uitvoeringsplannen te bespreken. Dit hebben de kartrekkers ook nog niet gepland. Bijvoorbeeld om toe te werken naar de doelen voor het verkennen, smeden en onderhouden van internationale samenwerkingsverbanden.
Hoofdstuk 11 Conclusie & vooruitblik
Dit is de derde voortgangsrapportage over de Strategie ‘Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030’. In dit hoofdstuk bespreken we hoe het er in 2025 voor staat met de Strategie 2030, wat partners al hebben gedaan en bereikt en welke aandachtspunten er zijn voor het vervolg.
11.1 Conclusies proces
Uitvoeringsplannen klaar
2024 stond nog vooral in het teken van de contouren van de Strategie uitzetten en de samenwerking op de verschillende pijlers aftasten. In 2025 zijn de uitvoeringsplannen voltooid. In deze plannen zijn de ambities per pijler vertaald naar concrete doelstellingen en acties.
In het najaar van 2025 heeft het ministerie van VWS het samengestelde uitvoeringsplan gedeeld met de uitvoeringspartners.21 Nu gaan we van de fase van implementatie naar daadwerkelijke uitvoering. Voor de uitvoering hebben de partijen nu nog vijf jaar de tijd.
Opstellen uitvoeringsplannen soms ingewikkeld
Het proces en de snelheid waarmee de uitvoeringsplannen zijn ontwikkeld, verschillen per pijler. De uitvoeringsplannen voor de pijlers Talentvolle sporters, Innovatie en Classificatie waren het eerst klaar.
Deze drie meer topsport-georiënteerde pijlers werden als minder complex ervaren, omdat minder partijen deze hebben ondertekend. Ze zijn gericht op een specifiek onderwerp, waardoor de thema’s minder uiteenlopen. Het werk sluit direct aan bij het werk van de kartrekkers, en de kartrekkers werken al veel samen op deze onderwerpen.
Ook voor de pijler Internationaal is het opstellen van het uitvoeringsplan relatief soepel verlopen. Het uitvoeringsplan voor de pijler Netwerk heeft een andere structuur, omdat dit een ondersteunende pijler is. Deze pijler heeft overigens een eigen complexe dynamiek, omdat het verbeteren van de samenwerking met alle ruim vijftig ondertekenaars hier op de agenda staat.
Het opstellen van een uitvoeringsplan voor de oorspronkelijk losse pijlers Jeugd- en Volwassenensport verliep bij aanvang voortvarend. Uitvoeringspartners deelden tijdens werksessies in het voorjaar van 2025 veel acties waarop partijen inzet kunnen plegen. Maar om tot een samenhangend geheel van doelen en acties te komen was meer sturing en tijd nodig. Vanwege de overlap van doelen voor beide pijlers zijn deze in één pijler samengevoegd.
Het ministerie van VWS heeft bij het opstellen van het uitvoeringsplan uiteindelijk (tijdelijk) de regie genomen. Het was namelijk niet op tijd duidelijk wie op den duur de kartrekkers van de nieuwe gezamenlijke pijler zouden worden (deze zijn inmiddels aangewezen).
De pijler is vanwege de verschillende thema’s en de vele ondertekenaars een stuk complexer dan de overige pijlers. Waar er voor topsport drie losse overzichtelijke deelpijlers zijn, omvat de pijler Jeugd- en Volwassenensport de volledige breedtesport voor mensen met een beperking. Deze observatie maakten we ook in de vorige voortgangsrapportage. De uitdagingen voor deze pijler zijn ook groot (sportdeelname structureel verhogen).
Het uitvoeringsplan voor Jeugd- en Volwassenensport is dan ook als laatste verschenen. De communicatie tussen uitvoeringspartners en het ministerie van VWS over de verschillende stadia van het uitvoeringsplan bleek uitdagend. Niet alle partijen hebben evenveel inbreng gehad.
11.2 Conclusies ambities breedtesport
In de pijler Jeugd- en Volwassenensport streven betrokkenen naar een hogere instroom en herinstroom van mensen met een handicap in sport en minder uitstroom van sporters met een handicap.
Een hogere sportdeelname van mensen met een beperking of kleinere kloof in sportdeelname tussen mensen met en zonder beperking kan als voorbode worden gezien voor de stip op de horizon: dat sporten voor mensen met een handicap dan vanzelfsprekend is.
De langetermijnindicator hiervoor kunnen we volgen in de tijd met de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor van het CBS en het RIVM. Voor kinderen met een beperking en mensen met een verstandelijke beperking zijn andere bronnen nodig.
Wekelijkse sportdeelname nog altijd fors lager
Mensen met één of meer lichamelijke beperkingen (bewegen, horen of zien, vanaf 12 jaar) sporten nog altijd fors minder dan de algemene bevolking (29% vs. 55,9%). Nederlanders met een motorische beperking (26,5%) en Nederlanders met zowel een lichamelijke beperking als een langdurige aandoening (27,4%) sporten het minst. Wel is de deelname voor alle beperkingen samen sinds 2014 geleidelijk toegenomen (24,8% in 2014; 29% in 2024).
Omdat ook de deelname onder de algemene bevolking is toegenomen, is de kloof in sportdeelname tussen beide groepen nauwelijks kleiner geworden. Uit eerder onderzoek weten we dat mensen met een beperking met een lager opleidingsniveau en een hogere leeftijd (ouderen) fors minder sporten.
Mensen met een beperking vaker abonnee dan lid van een sportvereniging
Mensen met één of meer lichamelijke beperkingen (12 jaar en ouder) zijn ook een stuk minder vaak lid van een sportvereniging dan de algemene bevolking (7,4% vs. 20,5%). Mensen met een motorische beperking (6,7%) en mensen met een langdurige aandoening én een lichamelijke aandoening (6,6%) zijn het minst vaak lid.
Mensen met één of meer lichamelijke beperkingen zijn wel wat vaker abonnee van een ondernemende sportaanbieder. Maar ook hier is het percentage lager dan bij de algemene bevolking (12,2% vs. 25,8%).
Laagdrempelige activiteiten meest beoefend
De sportieve activiteiten die mensen met een beperking en/of langdurige aandoening (vanaf 12 jaar) het meest beoefenen, zijn fitness/conditietraining, zwemmen en sportief wandelen. Ze beoefenen deze activiteiten zelfs vaker dan mensen zonder beperking of aandoening. De eerste teamsport in de top tien van meest beoefenende activiteiten is voetbal.
Jeugd met een beperking sport minder vaak
Over de deelname aan sportieve activiteiten door kinderen en jongeren hebben we ten opzichte van de voortgangsrapportage over 2024 geen nieuwe cijfers. We concludeerden toen dat kinderen en jongeren met een beperking minder vaak wekelijks sporten dan leeftijdsgenoten zonder beperking en ook minder vaak lid zijn van een sportvereniging.
Een voortzetting van het onderzoek is nog niet gepland. Het ministerie van VWS overweegt de mogelijkheden voor de opzet van een duurzame monitor onder jeugd met een beperking.
Mensen met een verstandelijke beperking sporten minder
We hebben twee onderzoeken uitgevoerd onder vertegenwoordigers/familieleden van mensen met een verstandelijke beperking. De resultaten van beide onderzoeken zijn niet goed vergelijkbaar vanwege verschillen in steekproef, vraagstelling en wijze van dataverzameling.
Wel wijzen beide onderzoeken erop dat mensen met een verstandelijke beperking minder aan sportieve activiteiten deelnemen dan de algemene Nederlandse bevolking en nog diverse belemmeringen ervaren bij het (gaan) sporten. De percentages lopen uiteen van 33 procent wekelijkse sportdeelname (leeftijd vanaf 4 jaar, verstandelijke beperking met geschat IQ tussen 35 en 85) en 64 procent (leeftijd vanaf 16 jaar, verstandelijke beperking met geschat IQ tussen 35 en 70).
Het clublidmaatschap van de sporters met een verstandelijke beperking is laag. Het loopt uiteen van 21 procent in het ene onderzoek tot 32 procent in het andere. De meest beoefenende activiteiten zijn wandelen, fietsen, zwemmen, fitness, voetbal en paardrijden.
11.3 Conclusies ambities topsport
De stip op de horizon van de Strategie gaat ook over de topsport voor mensen met een handicap. Zoals we ook in de voortgangsrapportage 2024 constateerden, lijkt een kernachtige hoofdambitie voor de topsport binnen de lijn van de Strategie nog te ontbreken.
Los van de Strategie pijlers Talentontwikkeling, Innovatie en Classificatie hebben we daarom gekeken naar de algemene ambitie die partijen voor de doorontwikkeling van de paralympische topsport tot 2032 hebben geformuleerd. Deze is gericht op het vergroten van het bereik en de zichtbaarheid van paralympische topsportprestaties, zodat meer mensen die zien en waarderen.
Partijen willen hiermee de volgende kernpunten realiseren:
waardevolle topsportprestaties creëren;
de paralympische topsport maatschappelijk verantwoord organiseren;
randvoorwaarden creëren voor het optimaal beoefenen van paralympische topsport.
Indicatoren topsport sluiten nog niet aan op Strategie en pijlers
De langetermijnontwikkelingen voor de topsport en deels voor de paralympische topsport monitoren we via de monitor Topsport in Nederland (TiN). We concluderen dat deze indicatoren nog niet zijn toegespitst op de ambities van de Strategie 2030 en de meer topsport-georiënteerde pijlers.
We kunnen daarom nog weinig zeggen over de voortgang op de hoofdambitie voor topsport binnen de Strategie. De huidige indicatoren in de TiN geven wel indicaties voor het ervaren topsportklimaat voor sporters met een handicap.
Sporters met een handicap wisselend tevreden over topsportklimaat
Topsporters met een beperking ervaren hun topsportomgeving over het algemeen als voldoende (cijfer 7,4).
Hun lichamelijke en mentale gezondheid krijgen ook voldoendes (resp. 7,3 en 7,2).
Over de trainingsaccommodaties zijn topsporters met een beperking ook positief.
De begeleiding van coaches en trainers waarderen ze ook positief, maar topsporters met een beperking zijn wel iets negatiever over de kwaliteit van de begeleiding van de trainer/coach van de sportbond of TeamNL dan topsporters zonder beperking.
Over hun financiële situatie zijn topsporters met een beperking duidelijk minder positief. Slechts 27 procent is van mening dat hun maandinkomen voldoende is voor hun levensonderhoud en topsportbeoefening.
Deze resultaten over een aantal randvoorwaarden voor topsportbeoefening door sporters met een beperking bieden ruimte voor verbetering en laten vooral ervaringen zien van mensen met een beperking die al topsport beoefenen. Over de weg naar de top hebben we nog geen inzicht. Ook hebben we nog geen zicht op ontwikkelingen in het bereik en de zichtbaarheid van de paralympische sport bij de algemene bevolking.
11.4 Conclusies pijlers
Pijlers staan aan de start van de uitvoeringsfase
Over het algemeen staan de pijlers nog aan de start van de uitvoeringsfase. Dit betekent dat veel acties nog moeten worden opgestart, vooral bij de pijler Jeugd- en Volwassenensport en de pijler Internationaal. Bij pijlers waarvan de uitvoeringsplannen al eerder klaar waren, zoals Talentontwikkeling, Classificatie en Innovatie, worden veel acties al wel uitgevoerd. Nog weinig acties zijn al voltooid.
Enkele resultaten (peildatum augustus/september 2025)
Pijler Jeugd- en Volwassenensport:
Twee inventarisaties zijn (grotendeels) afgerond: van multisport-, talent- en kennismakingsdagen en van regionale clubs.
Het adviesrapport 'Opleidingsproducten Sporters met een Handicap' is gereed.
Pijler Talentvolle sporters:
Er zijn acht talentcoaches aangesteld en ingewerkt in hun rol.
Het aantal Paralympische Talentdagen is uitgebreid naar twee per jaar.
Pijler Classificatie:
Bestaande classificatieprocessen worden tegen het licht gehouden en waar nodig herzien.
NOC*NSF startte samen met de Atletiekunie een pilot die het centraliseren van het classificatieproces test.
Pijler Innovatie:
De Support Agenda's van boccia, goalball, rolstoelrugby en rolstoelstennis zijn ontwikkeld en de bonden zijn ermee aan de slag gegaan.
Om de samenwerking tussen partners te versterken organiseerde Paralympic Science Support-NL kennisdelings bijeenkomsten en brachten ze twee edities van nieuwsbrieven uit.
Pijler Randvoorwaarden:
Uitvoeringspartners hebben gewerkt aan de voorbereiding en opstart van de pilot 'Uniek Sporten Centraal Loket'. Dit centrale loket moet sporters van deskundig(er) advies voorzien, en gemeenten ondersteunen en ontlasten.
De voorbereidingen voor de integratie van het sportvervoer van Special Heroes Nederland in Valys is van start gegaan.
Pijler Internationaal:
De KNVB, NOC*NSF en het ministerie van VWS hebben samen een strategie ontwikkeld op het thema Sport en Kansengelijkheid, met specifieke focus op samenwerking met de Verenigde Staten in aanloop naar de komende Olympische en Paralympische Spelen en het WK voetbal.
Pijler Netwerk:
48 uitvoeringspartners hebben een online vragenlijst ingevuld over hun rollen, werkzaamheden en samenwerkingsrelaties voor sporten voor mensen met een handicap.
Op 3 november 2025 hebben de uitvoeringspartners tijdens een landelijke netwerkbijeenkomst de gesprekken over samenwerking en rolverdeling hervat aan de hand van de resultaten van de online vragenlijst.
11.5 Reflecties bevindingen
Tijd dringt voor realiseren impact
Doorwerking van beleidsmaatregelen op het niveau van einddoelgroepen vergt doorgaans tijd. De vraag is of de uitvoeringspartners binnen vijf jaar (tot 2030) al betekenisvolle veranderingen in het dagelijks (sport)leven van mensen met een beperking en betrokkenen kunnen realiseren.
Zeker voor de pijler Jeugd- en Volwassenensport is het de uitdaging om snel tot concrete uitvoering over te gaan en het ontwikkelen van de klantreis waarop de pijler is gebaseerd niet als doel op zich te zien.
In deze ene pijler komt alles samen wat met de toeleiding van mensen met een beperking naar sport te maken heeft. De pijler is een complex samenspel van verschillende doelen, acties en een groot aantal uitvoeringspartners. Het risico bestaat dat het proces van afstemming veel tijd in beslag neemt en de uitvoering van acties daardoor vertraging oploopt.
Daarin verschilt deze pijler zich van de drie meer topsportgerichte pijlers. Daar zijn de doelen en acties per pijler scherper afgebakend en zijn er minder partijen bij betrokken.
Meer afstemming verschillende beleidskaders
De Strategie 2030 heeft een sterke verbinding met Sportakkoord II en de Werkagenda VN-verdrag Handicap, en met de ambities voor de doorontwikkeling van de paralympische topsport. Tussen de verschillende beleidskaders kan nog meer afstemming plaatsvinden, zodat ze elkaar versterken. Bijvoorbeeld over het volgen van langetermijnontwikkelingen binnen de (paralympische) topsport voor mensen met een handicap.
De maatregelen in de werkagenda van het VN-verdrag Handicap voor het domein sport en bewegen overlappen grotendeels met de maatregelen binnen de pijlers Jeugd- en Volwassenensport, Randvoorwaarden en Netwerk. Het is goed om in de monitoring van beide beleidskaders de indicatoren op elkaar af te stemmen, en op die van het Sportakkoord.
Vooral nog steeds inzicht in proces/stand van zaken
Net als in de eerste twee voortgangsrapportages hebben we vooral nog inzicht gekregen in de procesindicatoren en de huidige stand van zaken bij de uitvoering van de acties in de uitvoeringsplannen. We zijn nog niet toegekomen aan het monitoren van resultaat en impact.
Dit kan ook nog niet, omdat de uitvoeringsplannen waaraan de indicatoren gekoppeld worden, pas tijdens het schrijven van deze rapportage klaar waren. Samen met de kartrekkers stellen we dit najaar een integrale monitoragenda op. Daarin stellen we de belangrijkste indicatoren op proces-, resultaat-, en impactniveau vast, die ook realistisch haalbaar en onderzoekstechnisch meetbaar zijn.
Strategie voorbeeld van samenwerkend besturen en co-creatie
Het proces rond de totstandkoming van de Strategie is een voorbeeld van samenwerkend besturen (zie ook Sportakkoord II; Rappange et al., 2025). De uitvoeringsplannen zijn grotendeels in co-creatie met uitvoeringspartners ontwikkeld. Althans, dat was de intentie van de regiegroep.
Een groot aantal organisaties heeft gedeelde ambities voor de gehandicapten sport, maar werkte in het verleden nog niet altijd goed samen (zie eerste voortgangsrapportage: Van Lindert et al., 2023). Deze organisaties heeft de Strategie nu aan elkaar verbonden en 'tot elkaar veroordeeld'. Wat hen nu met elkaar verbindt, is het gedeelde maatschappelijk doel om sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend te maken.
De komende jaren zal die verbinding sterker worden: door de afspraken die ze onder regie van het ministerie van VWS maken over betere samenwerking en een logische verdeling van rollen en verantwoordelijkheden binnen de kaders van de pijlers waarop zij zich intekenen. We zien in 2025 goede stappen voorwaarts.
Inzet ervaringskennis nog onvoldoende
De inzet van ervaringskennis van mensen met een beperking bij het doorontwikkelen van de uitvoeringsplannen lijkt de kartrekkers en uitvoeringspartners minder goed te zijn gelukt. Ook dit is een vorm van co-creatie. In het kader van het VN-verdrag Handicap en het uitgangspunt 'niets over ons, zonder ons' is het betrekken van ervaringskennis een eerste vereiste.
Kartrekkers en uitvoeringspartners doen er goed aan bij de uitvoering van de acties de komende jaren mensen met een beperking actief te betrekken. Zodat de werkwijze en gekozen oplossingen goed blijven aansluiten bij de dagelijkse leefwereld van mensen met een beperking.
Samenhang breedte- en topsport versterken
Bij de pijler Jeugd- en Volwassenensport zien we een realiteit met veel belanghebbenden en complexe vraagstukken die niet makkelijk zijn op te lossen (sportdeelname verhogen).
Het helpt dat voor het wegnemen van belemmeringen voor praktische toegankelijkheid de aparte pijler Randvoorwaarden is opgezet. Partijen binnen deze pijler hebben hierdoor meer focus op specifieke thema’s. De uitdaging is daarbij steeds de verbinding met de andere pijlers te blijven opzoeken.
Bij de drie aparte topsport-georiënteerde pijlers en bij de pijler Internationaal zien we vooralsnog een minder complex veld van uitvoeringspartners. Dit biedt kansen om sneller resultaten te boeken en daarmee te scoren.
De uitdaging bij deze laatste pijlers is wel dat zij het bredere perspectief van de Strategie (vanzelfsprekend sporten) in het oog blijven houden en actief de samenhang met de andere pijlers zoeken. Innovaties in de topsport en prestaties van paralympische sporters leiden immers niet vanzelfsprekend tot inspiratie en een hogere sportdeelname (zie Gómez Berns & Van Lindert, 2025; Hoogendijk et al., 2025).
11.6 Vooruitblik
Monitoring op indicatoren vanaf 2026
De uitvoering op de pijlers volgen we de komende jaren op meerdere indicatoren: van proces (bijv. hoe verloopt de samenwerking?) tot resultaat (bijv. welke veranderingen bij intermediaire partners zien we?) en impact (wat merken mensen met een handicap er zelf van?). Dit pakken we op in nauwe samenwerking met de kartrekkers en uitvoeringspartners.
Bij de monitoring zijn we vooral alert op de uitvoering van de pijler Jeugd- en Volwassenensport. Vanwege de veelheid aan uitvoeringsorganisaties en de complexiteit van de vraagstukken zullen de kartrekkers voor deze pijler een goede regie en organisatie moeten voeren. Met de kartrekkers stellen we een definitieve set aan meetbare indicatoren op.
Langetermijnindicatoren topsport afstemmen
Er zijn nog geen duidelijke langetermijnindicatoren waarmee we de voortgang van de Strategie 2030 op het niveau van de topsport voor mensen met een handicap kunnen volgen. We stemmen deze in het kader van de monitor Topsport in Nederland af met het ministerie van VWS.
Inzet mensen met ervaringskennis hervatten
Voor deze voortgangsrapportage hebben we de ervaringskennis van mensen met een beperking niet zinvol kunnen inzetten. Dit is in tegenspraak met de gedachte ‘niets over ons, zonder ons’. Het jaar stond grotendeels in het teken van het uitwerken van de uitvoeringsplannen, waarbij de kartrekkers en uitvoeringspartners aan zet waren.
Vanaf 2026 voorzien we vanuit de monitoring een actievere rol van de klankbordgroep van mensen met ervaringskennis bij het ‘toetsen’ van acties in het kader van de pijlers.
Bronnenlijst: Bronnen
Balk, L., Aarnink, A., Bronkhorst, P., Heerschop, M., Meulenbroeks, N., & Van Suijlekom, A. (2025). Topsport in Nederland (TiN) 2025. Mulier Instituut.
Chazdon, S., Emery, M., Hansen, D., Higgins, L., & Sero, R. (Eds.) (2017). A Field Guide to Ripple Effects Mapping. University of Minnesota Libraries Publishing.
D66, GroenLinks, & SP (2021). Sport en bewegen voor mensen met een beperking vanzelfsprekend in 2030!
Gómez Berns, A., & Van Lindert, C. (2025). Sport- en beweegdeelname van mensen met een motorische beperking. Mulier Instituut.
Gómez Berns, A., Van Lindert, L., & Schurink-van 't Klooster, T. (2025). Vrijtijdsbesteding van kinderen met een beperking. Een vergelijking tussen kinderen met en zonder beperking. Mulier Instituut/RIVM.
Gómez Berns, A., Hoogendijk, R., & Van Lindert, C. (2025). Eindmeting Play Unified: ontmoetingen tussen sporters met en zonder verstandelijke beperking. Mulier Instituut.
Gómez Berns, A., Hoogendijk, R., Kersbergen, S., & Van Lindert, C. (2025). Sportaanbod voor mensen met een beperking: Aandacht van sportverenigingen voor mensen met een beperking [Factsheet 2025/44]. Mulier Instituut.
Hoogendam, A., & Kusters, A. (2023). Monitorplan Sportakkoord II: versie 1: juni 2023. Mulier Instituut.
Hoogendijk, R., Smit, D., Gómez Berns, A., & Van Lindert, C. (2025). Sport- en beweegdeelname van mensen met een verstandelijke beperking. Mulier Instituut.
Karremans, V. (2024, 28 november). Najaarsbrief Sport en Bewegen 2024. Ministerie van VWS.
Karremans, V. (2025, 18 juni). Kamerbrief Commissiedebat Sport en Bewegen 2025. Ministerie van VWS.
Ministerie van VWS (2025). Werkagenda VN-verdrag Handicap I 2025-2030.
Ministerie van VWS (2024). Nationale strategie voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap.
Ministerie van VWS, VNG, VSG, NOC*NSF & POS (2024). Werkplan Sportakkoord II. Van Hoofdlijnen naar uitvoering.
Ministerie van VWS, VNG, VSG, NOC*NSF, & POS (2022). Hoofdlijnen Sportakkoord II: Sport versterkt. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
Ministerie van VWS, NOC*NSF, & VSG (2023). Strategisch kader topsport 2032. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
Nederlandse Sportraad (2022). Gelijkwaardig en inclusief - advies over de doorontwikkeling van paralympische topsport.
NOC*NSF, VSG, & Ministerie van VWS (2025). Plan van aanpak. Doorontwikkeling paralympische topsport.
Pouw-Verweij, N. J. F. (2025, 11 juli). Aanbieding Werkagenda VN-verdrag Handicap I 2025-2030. Ministerie van VWS.
Rappange, D., De Kwaasteniet, R., Baggen, W., Bronkhorst, P., Koekkoek, M., Pulles, I., Wessels, W., & Hoekman, R. (2025). Monitor Sportakkoord II: Voortgangsrapportage 'een groter bereik'. Mulier Instituut.
RIVM (z.d-a). Overzicht Kernindicatoren sport en bewegen, Beweegrichtlijnen. Geraadpleegd op 7 oktober 2025.
RIVM (z.d-b). Overzicht kernindicatoren sport en bewegen, Sportdeelname wekelijks. Geraadpleegd op 7 oktober 2025.
RIVM (z.d-c). Overzicht kernindicatoren sport en bewegen, Clublidmaatschap. Geraadpleegd op 7 oktober 2025.
Saris, I. G. (2025, 1 juli). Amendement 36 725 XVI Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota). Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Singh, A. S., Plompen, E., Veldman, S. L. C., & Heerschop, M. (2025). Beweegwijsheid: de basis voor een leven lang bewegen: visiedocument. Mulier Instituut.
Sparreboom, C., Hoogendijk, R., Gómez Berns, A., & Van Lindert, C. (2025). Sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend: cijfers en ervaringen [Factsheet 2025/39]. Mulier Instituut.
Sportakkoord (z.d.-a). Uitvoeringsplan strategie Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030. Binnenkort te raadplegen via Sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend | Sportakkoord.nl
Sportakkoord (z.d.-b). Strategiedocument Sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend in 2030.
Van den Dool, R., Van den Breul, W., & Pulles, I. (2023). Verklaring verschil sportdeelname naar opleiding: inventarisatie van mogelijke verklaringen. Mulier Instituut.
Van den Dool, R. (2025). Ontwikkeling deelname sportief bewegen [Presentatie]. Geraadpleegd via https://www.mulierinstituut.nl/onderzoeksthemas/deelname/trends-en-ontwikkelingen/
Van den Dool, R. (2023). Welke groepen mensen bewegen minder?: vier groepen die achterblijven in beweegdeelname en de samenhang tussen deze groepen [Factsheet 2023/14]. Mulier Instituut.
Van den Dool, R., Van Lindert, C., Van den Berg, S., & Wendel Vos, W. (2022). Deelname aan sport en bewegen door mensen met een beperking. Stand van zaken eind 2019. Mulier Instituut.
Van der Meijde, L., Van Suijlekom, A., & Stuij, M. (2021). Belemmeringen bij het leren zwemmen voor kinderen met een beperking: een kwalitatieve studie naar ervaringen van ouders. Mulier Instituut.
Van Lindert, C., & Rauws, R. (2025). Landschap sporten door mensen met een handicap is vanzelfsprekend [intern rapport]. Mulier Instituut.
Van Lindert, C., Van der Meijde, L., Gómez Berns, A., & Sparreboom, C. (2023). Monitor 'Sport en bewegen voor mensen met een beperking vanzelfsprekend in 2030': voortgangsrapportage 2023. Mulier Instituut.
Van Lindert, C., Greeven, A., Hoogendijk, R., Rauws, R., Heerschop, M., Gómez Berns, A., & Sparreboom, C. (2024). Monitor 'sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030': voortgangsrapportage 2024. Mulier Instituut.
Van Lindert, C., Gómez Berns, A., Van den Dool, R., & Schurink-van 't Klooster, T. M. (2025). Monitor vrijetijdsbesteding kinderen en jongeren met een beperking: route naar een duurzaam monitorinstrument. Mulier Instituut.
Verenigde Naties (VN) (2006, 13 december). Verdrag Inzake de Rechten van Personen met een Handicap.
Whitehead, M. (2001). The concept of physical literacy. European Journal of Physical Education, 6(2). 127-138. https://doi.org/10.1080/1740898010060205
Whitehead, M. (2010). Physical literacy: Throughout the lifecourse. Routledge.
World Health Organization (2002). Towards a Common Language for Functioning, Disability and Health. International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF).
Auteurs
Caroline van Lindert c.vanlindert@mulierinstituut.nl
Maaike Heerschop m.heerschop@mulierinstituut.nl
Renée Hoogendijk r.hoogendijk@mulierinstituut.nl
Chris Sparreboom c.sparreboom@mulierinstituut.nl
Robin Rauws r.rauws@mulierinstituut.nl
Nina Derix n.derix@mulierinstituut.nl
Mulier Instituut | 2025
Voetnoten
Het uitvoeringsplan wordt binnenkort gepubliceerd op de website van de Strategie: Sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend | Sportakkoord.nl. Terug naar voetnoot-referentie 2
Betrokkenen zijn zowel mensen met een beperking of handicap zelf (en mensen in hun sociale omgeving) als de organisaties die als uitvoeringspartner of als intermediaire actor (professionals en organisaties) betrokken zijn bij de verschillende acties en handelingen in de praktijk. Terug naar voetnoot-referentie 3
ICF staat voor International Classification of Functioning, Disability and Health. Terug naar voetnoot-referentie 4
Dat is inclusief de mensen met een IQ tussen 70 en 85 die vanwege sociale-redzaamheidsproblemen in aanmerking komen voor zorg. Terug naar voetnoot-referentie 5
Het speciaal (voortgezet) onderwijs is er voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1), een auditieve beperking of taal-spraakontwikkelingsstoornis (cluster 2), een lichamelijke of verstandelijke beperking of langdurige ziekte (cluster 3) of psychische of gedragsproblemen (cluster 4). Speciaal onderwijs is er voor leerlingen met zwaardere problematiek (Van Lindert, Gómez Berns et al., 2025). Terug naar voetnoot-referentie 6
Het speciaal basisonderwijs (sbo) is er voor leerlingen met lichtere problematiek die op reguliere scholen niet de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. Leerlingen hebben vaak moeite met leren of opvoedings- of gedragsproblemen (Van Lindert, Gómez Berns et al., 2025). Terug naar voetnoot-referentie 7
In 2024 bestond het PSL uit ongeveer 500 personen (15+) met een lichte of matige verstandelijke beperking en 350 vertegenwoordigers; voor deze meting vulden uitsluitend vertegenwoordigers de vragenlijst in (n=163). De dataverzameling vond plaats in november 2024-januari 2025 (Hoogendijk et al., 2025). Terug naar voetnoot-referentie 8
In deze ambitie wordt gesproken over topsport voor mensen met een handicap en paralympische topsport. Topsport voor mensen met een handicap kan breder zijn en ook topsport(ers) omvatten die uitkomen in takken van sport die niet op het paralympische programma staan. Terug naar voetnoot-referentie 9
https://www.sportenbewegenincijfers.nl/, geraadpleegd op 8 oktober 2025. Terug naar voetnoot-referentie 10
https://nocref.nl/sportdeelnameindex, geraadpleegd op 8 oktober 2025. Terug naar voetnoot-referentie 11
Meetmoment: 1 september 2025. Terug naar voetnoot-referentie 12
In de Tweede Kamer is een motie ingediend om in iedere nieuwe woonkern ten minste één veilige en toegankelijke speeltuin te realiseren. Deze motie heeft verder (nog) geen impact op deze projecten en het streven van één inclusieve speelplek per gemeente. De wens is wel dit te verbreden: dat er meerdere speelplekken moeten zijn in een gemeente, met name wanneer de kernen ver uit elkaar liggen. Hier zijn nog geen middelen voor beschikbaar. Zie: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2025D36973&did=2025D36973, geraadpleegd op 8 oktober 2025. Terug naar voetnoot-referentie 13
Sinds de ratificatie van het VN-verdrag Handicap (2016) moeten gemeenten een LIA opstellen met afspraken over de uitvoering van het verdrag. Movisie peilt jaarlijks de voortgang. In 2023 had 30 procent van de deelnemende gemeenten een LIA in uitvoering en 8 procent een LIA nog niet in uitvoering. 15 procent werkte aan de ontwikkeling; 47 procent had nog geen LIA. Veel gemeenten noemen uitvoeringscapaciteit (meer dan drie kwart) en het betrekken van externe stakeholders (circa een derde) als belemmering. In veel LIA’s staat iets over toegankelijke speelplekken: 38 procent van de grote en 24 procent van de kleine gemeenten zegt hier veel aandacht voor te hebben (Van Lindert et al., 2024). Terug naar voetnoot-referentie 14
(definitie ontbreekt) Terug naar voetnoot-referentie 15
De term 'Support Agenda' wordt geprefereerd boven 'innovatieagenda'. Deze term verwijst naar een afspraken- en ondersteuningsplan dat bonden helpt bij hun eigen ontwikkeling en de uitvoering van beleid. Deze term wordt al gebruikt binnen de producten en diensten van PSS-NL en is daardoor bekend bij diverse topsportprogramma's. Bovendien lijkt 'Support' bredere acceptatie en betrokkenheid op te leveren binnen deze programma's dan 'innovatie'. Terug naar voetnoot-referentie 16
Gesprekken over dit subdoel lopen nog. Deze doelstelling, inclusief de bijbehorende acties, kunnen dus nog veranderen. Terug naar voetnoot-referentie 17
Kan eventueel nog wijzigingen wanneer vanuit NOC*NSF een projectleider is aangesteld. Terug naar voetnoot-referentie 18
Samenwerking van betrokken zorgprofessionals, zorgverzekeraars en het ministerie van VWS Terug naar voetnoot-referentie 19
De kartrekkers van de pijler zien Actiepunt 2.3 ook als een subdoel: internationale samenwerkingsverbanden opzetten. Het is hiermee ook een doorlopende actie. Terug naar voetnoot-referentie 20
Het uitvoeringsplan is binnenkort te raadplegen via Sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend | Sportakkoord.nl. Terug naar voetnoot-referentie 21
Nog geen besluit over koppeling maatregel met een pijler uit de Strategie 2030. Terug naar voetnoot-referentie 1
Nog geen besluit over koppeling maatregel met een pijler uit de Strategie 2030.
Nog geen besluit over koppeling maatregel met een pijler uit de Strategie 2030.