Monitor sportuitgaven gemeenten 2024

Gemeentelijke uitgaven aan sport in de periode 2017 tot en met 2024

Met ondersteuning van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

Mulier Instituut

Peter van Eldert

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut.

Disclaimer

U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding: auteur(s), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave. Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto's in deze publicatie. Neem foto's daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.

Over ons

Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor beleid en samenleving. Voor overheden, maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen, sportorganisaties en bedrijven onderzoeken we allerlei thema's op het gebied van sport en sportief bewegen: van de sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.

Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.

Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid, gericht op de bevordering van sport, sportief bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen we op verschillende manieren:

  • We verzamelen data en monitoren de Nederlandse sportsector en beleidsprogramma's.

  • We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies.

  • We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze naar de beleidspraktijk.

  • We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies.

  • We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van 'kritische vriend' van de sportsector.

  • We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.

Inhoudsopgave Monitor sportuitgaven gemeenten 2024

Kerncijfers Gemeentelijke sportuitgaven in 2024

Hieronder zetten we de kerncijfers over de gemeentelijke sportuitgaven in 2024 op een rij. Voor een goede interpretatie van de cijfers raden we aan de hele rapportage te lezen. Daarin beschrijven we ook de cijfers over 2017 tot en met 2023.

Totale sportuitgaven

  • Gemeenten gaven in 2024 2 miljard euro uit aan sport.

  • Gemeenten ontvingen 663 miljoen euro aan inkomsten vanuit de sport.

  • De netto-uitgaven (uitgaven min inkomsten) aan sport door gemeenten waren 1,4 miljard euro.

  • 76 procent van de netto-sportuitgaven door gemeenten ging naar sportaccommodaties, de rest naar sportbeleid en activering.

  • Tussen 2023 en 2024 daalden de inkomsten vanuit sport (-8,8%) en stegen de sportuitgaven (2,8%) en netto-sportuitgaven (9,4%). Na verrekening van de inflatie bedroeg de reële ontwikkeling respectievelijk -11,7 procent, -0,5 procent en 5,9 procent.

Per Nederlander

  • Per Nederlander gaven gemeenten in 2024 netto 77,3 euro uit aan sport.

  • Hiervan ging 19 euro naar sportbeleid en activering en 58,2 euro naar sportaccommodaties.

Relatieve omvang sportuitgaven

  • De gemeentelijke sportuitgaven bedroegen in 2024 2,2 procent van de totale gemeentelijke uitgaven.

  • Binnen de gemeentelijke vrijetijdsuitgaven vormden de gemeentelijke sportuitgaven 31 procent.

Opbouw sportuitgaven en -inkomsten

  • Van de totale gemeentelijke sportuitgaven ging in 2024 48 procent naar interne uitvoering van sportbeleid of interne exploitatie van sportaccommodaties. Deze uitgaven gaan met name op aan personeel (16%) en overige interne uitvoering of exploitatie (32%).

  • Van de totale gemeentelijke sportinkomsten komt 48 procent uit huur, 31 procent uit (specifieke) uitkeringen van het Rijk en 15 procent uit overige interne uitvoering of exploitatie.

Hoofdstuk 1 Inleiding

Dit is een rapport in de reeks 'Monitor sportuitgaven gemeenten'. Hierin analyseren we de gemeentelijke sportuitgaven van 2017 tot en met 2024. In dit hoofdstuk schetsen we de aanleiding, doelstelling, vraagstelling en aanpak van het onderzoek.

1.1 Aanleiding

Gemeenten spelen een grote rol in de financiering van de Nederlandse breedtesport. Ze investeren in de sport- en beweegparticipatie, onder andere door (co)financiering van buurtsportcoaches en door subsidies te verstrekken voor sportstimulering. Daarnaast investeren ze in de sportinfrastructuur. En als exploitant van een groot deel van de sportaccommodaties dragen ze, via gesubsidieerde huurtarieven, bij aan het betaalbaar houden van de sport.

Deze belangrijke rol van gemeenten voor sport geeft aanleiding om de gemeentelijke sportuitgaven te onderzoeken. Het Mulier Instituut volgt sinds 2015 de ontwikkelingen in de gemeentelijke sportuitgaven en rapporteert hier jaarlijks over in de Monitor sportuitgaven gemeenten. In deze rapportage voegen we de realisatiecijfers over het kalenderjaar 2024 toe aan de bestaande reeks van de gemeentelijke sportuitgaven.

1.2 Doelstelling

Het doel van de Monitor sportuitgaven gemeenten is een gedetailleerd overzicht te geven van de gemeentelijke sportuitgaven en deze door de tijd te vergelijken.

1.3 Vraagstelling

In dit onderzoek geven we antwoord op drie vragen:

  1. Wat is de omvang van de gemeentelijke sportuitgaven?

  2. Hoe zijn de gemeentelijke sportuitgaven en -inkomsten opgebouwd?

  3. Welke verschillen zien we tussen gemeenten in de gemeentelijke sportuitgaven?

1.4 Aanpak

Iv3-data van het CBS

Voor de Monitor sportuitgaven gemeenten gebruiken we data uit de rapportages met Informatie voor derden (Iv3) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze Iv3-data komen uit een informatiesysteem waarin decentrale overheden, waaronder gemeenten, zelf de eigen financiële gegeven registreren.1

De definitieve gegevens over jaarrekeningen stelt het CBS jaarlijks halverwege september in het jaar na het verslagjaar beschikbaar. In bijlage 2 geven we verdere informatie over het proces van databewerking en publicatie door het CBS.

Taakvelden specifiek voor sport

Gemeenten registreren de uitgaven en inkomsten op verschillende taakvelden.2 In de indeling van de taakvelden relateren sinds 2017 twee taakvelden specifiek aan sport:

Sportbeleid en activering (taakveld 5.1)

uitgaven en inkomsten voor de niet-fysieke maatregelen ter stimulering van professionele en amateursport;

Sportaccommodaties (taakveld 5.2)

uitgaven en inkomsten aan sportaccommodaties voor sportbeoefening.

Taakveld openbaar groen en recreatie

Het merendeel van de gemeentelijke sportuitgaven rapporteren gemeenten op de sportspecifieke taakvelden. Het overige deel komt op andere taakvelden terecht. Naar verwachting zijn dit voornamelijk de uitgaven van gemeenten voor sport en bewegen in de openbare ruimte.

Deze uitgaven rapporteren gemeenten waarschijnlijk voornamelijk op het taakveld Openbaar groen en (openlucht) recreatie (taakveld 5.7). Zo vallen de uitgaven voor de aanleg en het onderhoud van speeltuinen en openbare sportvoorzieningen (bijv. skateparken en fitnesstoestellen in parken) onder dit taakveld. Daarom laten we in hoofdstuk 2 ook de uitgaven en inkomsten voor taakveld 5.7 zien.

Maar het is niet realistisch om het hele taakveld 5.7 toe te rekenen aan sport. Hieronder vallen ook uitgaven die niet te maken hebben met sport en bewegen, zoals uitgaven aan natuurbescherming, openbaar groen en openbaar water. Deze uitgaven kunnen eraan bijdragen dat de openbare ruimte aantrekkelijker wordt voor sport en bewegen, maar dit is vaak niet het primaire doel ervan.

Sportuitgaven op andere taakvelden

Daarnaast vallen er mogelijk andere sportuitgaven (deels) buiten de sportspecifieke taakvelden. Maar de taakvelden waar deze sportuitgaven vermoedelijk onder vallen, omvatten veel meer dan alleen sport. De sportspecifieke bedragen binnen de andere taakvelden zijn niet te achterhalen. Daarom laten we deze taakvelden buiten beschouwing in deze rapportage.

Voorbeeld van sportuitgaven op andere taakvelden zijn:

  • bewegingsonderwijs (onder taakveld 4.1 Openbaar basisonderwijs);

  • programma's en projecten binnen andere domeinen met een beweegcomponent (onder taakveld 6 Sociaal domein of 7 Volksgezondheid en milieu);3

  • in enkele gevallen sporthallen en gym- en sportzalen (onder taakveld 4.2 Onderwijshuisvesting).

Categorieën binnen taakvelden

Binnen elk taakveld in het Iv3-systeem moeten gemeenten de uitgaven en inkomsten uitsplitsen naar categorieën, die voor elk taakveld hetzelfde zijn.4 Gemeenten zijn vrij in hun keuze welke categorieën ze benutten en hoe ze afschrijven. Hierdoor ontstaan verschillen die een vergelijkende analyse moeilijker maken. In de Monitor sportuitgaven gemeenten 2019 (Van den Dool & Van Eldert, 2021) gaven we hier enkele voorbeelden van.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 beschrijven we de omvang van de gemeentelijke sportuitgaven tussen 2017 en 2024. Vervolgens gaan we in hoofdstuk 3 in op de opbouw van deze sportuitgaven. In hoofdstuk 4 laten we de verschillen tussen groepen gemeenten zien. In hoofdstuk 5 staan de conclusie en de reflectie.

Hoofdstuk 2 Omvang sportuitgaven

In dit hoofdstuk bespreken we de totale en relatieve omvang van de gemeentelijke sportuitgaven tussen 2017 en 2024. Verder vergelijken we de begrotingen en realisaties van gemeenten.

2.1 Uitgaven, inkomsten en netto-uitgaven

Sportuitgaven en -inkomsten

In 2024 gaven gemeenten in totaal 2 miljard euro uit aan sport (figuur 2.1). Ze ontvingen 663 miljoen euro aan inkomsten vanuit de sport. De netto-uitgaven aan sport door gemeenten kwamen daarmee uit op 1,4 miljard euro. 76 procent van deze netto-sportuitgaven kwamen voor rekening van het taakveld Sportaccommodaties, de rest voor Sportbeleid en activering.

Figuur 2.1 Uitgaven, inkomsten en netto-uitgaven gemeenten, per taakveld en totaal voor sport, 2017-2024 (in miljoenen euro's). De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport
Staafdiagram sportfinanciën gemeenten 2017–2024: uitgaven stijgen sterk, inkomsten ook, maar lager; netto-uitgaven nemen toe, vooral door accommodaties.

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

Ten opzichte van 2023 stegen in 2024 de gemeentelijke sportuitgaven met 2,8 procent (tabel B5.1 in bijlage 5). De inkomsten uit sport voor gemeenten daalden met 8,8 procent. Door de stijging van de uitgaven en de daling van de inkomsten bleven in 2024 meer netto-uitgaven aan sport over; een stijging van 9,4 procent ten opzichte van 2023. In hoofdstuk 3 gaan we dieper in op de achtergrond van deze ontwikkelingen.

Over de periode 2023 en 2024 bedroeg de inflatie 3,3 procent (tabel B5.1 in bijlage 5). Na verrekening van deze inflatie zien we voor zowel de gemeentelijke uitgaven aan als de inkomsten uit sport een reële daling (respectievelijk -0,5% en -11,7%; tabel B5.2 in bijlage 5). Voor de netto-sportuitgaven zien we een reële stijging tussen 2023 en 2024 van 5,9 procent. De netto-sportuitgaven door gemeenten stegen tussen 2023 en 2024 dus sterker dan de inflatie.

Tussen 2017 en 2024 stegen de gemeentelijke sportuitgaven met 43 procent (tabel B5.3 in bijlage 5). De inkomsten vanuit sport voor gemeenten stegen in deze periode met 78 procent en de netto-sportuitgaven met 31 procent. Na verrekening van de inflatie over de hele periode blijft voor zowel de uitgaven en inkomsten als de netto-uitgaven een reële stijging over (respectievelijk 12%, 39% en 2%).

Sport en bewegen in de openbare ruimte

Gemeenten gaven in 2024 2,1 miljard euro uit aan het taakveld Openbaar groen en (openlucht) recreatie (figuur 2.2). Na aftrek van 132 miljoen aan inkomsten kwamen de netto-uitgaven voor dit taakveld uit op bijna 2 miljard euro. Naar verwachting komt een deel hiervan ten goede van sport en bewegen in de openbare ruimte.

Ten opzichte van 2023 gaven gemeenten in 2024 9,9 procent meer uit aan het taakveld Openbaar groen en (openlucht) recreatie (tabel B5.1 in bijlage 5). De inkomsten vanuit dit taakveld daalden in deze periode met 3,3 procent.

Figuur 2.2 Uitgaven, inkomsten en netto-uitgaven gemeenten aan Openbaar groen en (openlucht) recreatie, 2017-2024 (in miljoenen euro's)
Staafdiagram sportuitgaven gemeenten 2017–2024: uitgaven stijgen van 1,36 naar 2,11 miljoen euro; inkomsten laag; netto-uitgaven naar 1,98.

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (lv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

Per inwoner

Per Nederlander gaven gemeenten in 2024 netto 77,3 euro uit aan sport (tabel 2.1). Hiervan ging 19 euro naar Sportbeleid en activering en 58,2 euro naar Sportaccommodaties. De netto-uitgaven per inwoner voor Openbaar groen en (openlucht) recreatie waren in 2024 110,5 euro.

De netto-sportuitgaven per inwoner waren in 2024 6 euro hoger dan in 2023 (tabel 2.1). Dit kwam met name door de toename van de netto-uitgaven aan Sportaccommodaties (+4,7 euro). Procentueel stegen de netto-uitgaven per inwoner (+8,4%) tussen 2023 en 2024 minder sterk dan de totale netto-uitgaven (+9,4%). Dit komt (deels) doordat de Nederlandse bevolking groeide (+0,7%) in deze periode (CBS Statline, z.d.).

Tabel 2.1 Netto-uitgaven van gemeenten per inwoner, per taakveld en totaal voor sport, 2017-2024 (in euro's)
Geen waarde

Sport (totaal)5

Sportbeleid en activering

Sportaccommodaties

Openbaar groen en (openlucht) recreatie

2017

62,4

18,1

44,4

71,9

2018

63,6

17,0

46,6

74,9

2019

65,3

18,3

46,9

79,7

2020

67,8

18,6

49,2

83,1

2021

63,1

17,7

45,4

87,4

2022

68,8

18,8

50,0

92,9

2023

71,3

17,8

53,5

100,6

2024

77,3

19,0

58,2

110,5

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

2.2 Relatieve omvang sportuitgaven

Ten opzichte van de totale gemeentelijke uitgaven

In 2024 bedroegen de gemeentelijke uitgaven aan sport 2,2 procent van de totale gemeentelijke uitgaven (tabel 2.2). Vergeleken met voorgaande jaren is dit aandeel nauwelijks veranderd. Het aandeel van de uitgaven aan Openbaar groen en (openlucht) recreatie lag tussen 2017 en 2024 ook elk jaar rond de 2 procent.

Tabel 2.2 Uitgaven van gemeenten per taakveld en totaal voor sport, als percentage van de totale uitgaven van gemeenten, 2017-2024 (in procenten)
Geen waarde

Sport (totaal)6

Sportbeleid en activering

Sportaccommodaties

Openbaar groen en (openlucht) recreatie

2017

2,2

0,5

1,7

2,1

2018

2,2

0,5

1,7

2,1

2019

2,3

0,5

1,8

2,2

2020

2,1

0,5

1,6

2,0

2021

2,2

0,5

1,7

2,2

2022

2,2

0,5

1,7

2,2

2023

2,3

0,5

1,8

2,2

2024

2,2

0,5

1,7

2,3

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

Ten opzichte van andere gemeentelijke vrijtijdsuitgaven

Het aandeel van de gemeentelijke vrijtijdsuitgaven7 (inclusief sport) binnen de totale uitgaven van gemeenten bedroeg in 2024 7,2 procent (tabel 2.3). Tussen 2017 en 2023 lag dit aandeel ongeveer even hoog.

De verdeling tussen de taakvelden binnen de vrijtijdsuitgaven bleef tussen 2017 en 2024 nagenoeg gelijk (tabel 2.3). Openbaar groen en (openlucht) recreatie neemt binnen de vrijtijdsuitgaven het grootste deel voor zijn rekening (29% tot 32%), gevolgd door Sportaccommodaties (24% tot 25%) en Cultuurpresentatie, -productie en -participatie (20% tot 23%). De twee sportspecifieke taakvelden vormen in 2024 samen 31 procent van de gemeentelijke vrijtijdsuitgaven.

Tabel 2.3 Totale uitgaven van gemeenten aan vrije tijd, per taakveld, als percentage van de totale uitgaven van gemeenten en verdeling binnen totaal van vrije tijd, 2017-2024 (in procenten)
Geen waarde

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Aandeel in totale gemeentelijke uitgaven (%)

Geen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waarde

Sportbeleid en activering

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

Sportaccommodaties

1,7

1,7

1,8

1,6

1,7

1,7

1,8

1,7

Openbaar groen en (openlucht) recreatie

2,1

2,1

2,2

2,0

2,2

2,2

2,2

2,3

Cultuurpresentatie, -productie en -participatie

1,5

1,6

1,6

1,4

1,5

1,5

1,5

1,5

Musea

0,5

0,4

0,5

0,4

0,5

0,4

0,4

0,4

Cultureel erfgoed

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,2

0,2

0,2

Media

0,7

0,6

0,7

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

Vrije tijd (totaal)

7,1

7,2

7,5

6,7

7,1

7,0

7,2

7,2

Aandeel in vrije tijd (%)

Geen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waarde

Sportbeleid en activering

7

6

7

7

7

7

7

7

Sportaccommodaties

24

24

24

24

24

24

25

24

Openbaar groen en (openlucht) recreatie

29

30

30

30

30

31

31

32

Cultuurpresentatie, -productie en -participatie

21

23

21

21

21

21

20

20

Musea

7

6

7

7

7

6

6

6

Cultureel erfgoed

2

2

2

2

2

2

2

2

Media

9

9

9

9

8

8

8

9

Vrije tijd (totaal)

100

100

100

100

100

100

100

100

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (lv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

2.3 Begroting versus realisatie

Totaal

In het Iv3-systeem registreren gemeenten naast de gerealiseerde gegevens uit jaarrekeningen ook gegevens uit de begrotingen. Hierin somt de gemeente de verwachte uitgaven en inkomsten op.

Jaarlijks vallen de gerealiseerde sportuitgaven door gemeenten hoger uit dan de begrote sportuitgaven (4,8% tot 18,2%; tabel 2.4). Bij de inkomsten vanuit de sport zijn de verschillen tussen de begroting en realisatie nog een stuk groter, met een maximaal verschil van 75,3 procent in 2023. Deze verschillen duiden op onvoorziene sportuitgaven en -inkomsten voor gemeenten.

Tabel 2.4 Procentueel verschil tussen begrote en gerealiseerde uitgaven, inkomsten en netto-uitgaven gemeenten, totaal voor sport, 2017-2024**
Geen waarde

Procentueel verschil (in procenten van de begroting)

Absoluut verschil (in euro's x 1.000)

Uitgaven

Inkomsten

Netto-uitgaven

Uitgaven

Inkomsten

Netto-uitgaven

2017

4,8

12,4

2,3

64

41

24

2018

5,8

18,5

2,1

79

57

22

2019

12,2

41,8

3,7

169

130

39

2020

8,3

20,5

4,5

122

72

51

2021

9,3

54,9

-5,6

142

207

-65

2022

10,0

38,3

0,7

155

147

9

2023

18,2

75,3

-0,4

305

310

-5

2024

8,7

31,9

0,2

163

160

3

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

  • Voor de berekening van dit verschil nemen we alleen de gemeenten mee die zowel de begroting als de jaarrekening (realisatie) voor een jaar hebben ingevuld.

  • De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

De verschillen na 2020 zijn mogelijk voor een deel te verklaren door de tijdelijke financiële steunmaatregelen vanuit de overheid voor gemeenten tijdens de corona- en energiecrisis. Deze steunmaatregelen werden vaak gedurende een kalenderjaar opgezet en uitgezet, waardoor deze niet in de begroting voor dat jaar waren opgenomen. De steunmaatregelen zorgden voor extra inkomsten voor gemeenten, die ze konden gebruiken om de sport financieel te ondersteunen (met hogere sportuitgaven als gevolg).

Ondanks dat de procentuele verschillen tussen de begroting en realisatie voor uitgaven en inkomsten uiteenlopen, liggen de absolute verschillen voor uitgaven en inkomsten in de afgelopen drie jaar dicht bij elkaar (tabel 2.4). Dit laat zien dat tussen 2022 en 2024 de jaarlijkse onvoorziene uitgaven en inkomsten ongeveer even hoog waren. Dit zien we ook terug in het verschil tussen de begrote en gerealiseerde netto-uitgaven per jaar, dat vanaf 2022 minder dan 1 procent bedroeg (-0,4% tot 0,7%).

Per gemeente

Het verschil tussen de begroting en realisatie van de netto-sportuitgaven door gemeenten verschilt sterk per individuele gemeente. Waar het verschil op totaalniveau sinds 2022 maximaal 1 procent bedraagt (tabel 2.4), zien we dit jaarlijks bij slechts 5 tot 8 procent van de gemeenten terug (figuur 2.3). Voor de overige gemeenten waren de begrote netto-sportuitgaven hoger dan de gerealiseerde netto-sportuitgaven, of juist andersom.

In 2024 waren voor de helft van de gemeenten de begrote netto-sportuitgaven hoger dan de gerealiseerde netto-sportuitgaven (figuur 2.3). Het tegenovergestelde, realisatie hoger dan de begroting, gold voor 45 procent van de gemeenten.

Figuur 2.3 Verschil tussen begroting en realisatie netto-uitgaven gemeenten aan sport*, per gemeente, 2017-2024 (in procenten) Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut. *De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport. ** Een verschil van minimaal -1 procent en maximaal +1 procent.
Horizontale staafgrafiek 2017–2024 toont per jaar aandeel gemeenten met hogere, lagere of gelijke realisatie dan begrote netto‑sportuitgaven.

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (lv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

Vooruitblik naar 2025

Ondanks de verschillen tussen de begroting en de realisatie van de gemeentelijke sportuitgaven, kunnen begrotingen toch een inschatting geven van toekomstige ontwikkelingen. Dit geldt met name voor de begrote netto-sportuitgaven, die in de laatste drie jaar weinig afweken van de gerealiseerde netto-sportuitgaven (tabel 2.4).

Op basis van de begrote netto-sportuitgaven voor 2025 lijken de netto-sportuitgaven van gemeenten komend jaar verder te stijgen. De begrote netto-sportuitgaven voor 2025 liggen 72 miljoen euro hoger dan de gerealiseerde netto-sportuitgaven van 2024, een verschil van 5 procent (figuur 2.4).

Figuur 2.4 Gerealiseerde netto-sportuitgaven door gemeenten in 2017 t/m 2024 en begrote netto-sportuitgaven door gemeenten voor 2025, totaal voor sport* (in miljoenen euro's) Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.
Gerealiseerde netto-sportuitgaven door gemeenten in 2017 t/m 2024 en begrote netto-sportuitgaven door gemeenten voor 2025
Uitgebreide beschrijving

Lijngrafiek met realisatie en begroting sportuitgaven gemeenten 2017–2025. Realisatie stijgt van 1.056 in 2017 naar 1.381 in 2024, met een dip in 2021 (1.099). Begroting ligt in 2024 op 1.381 en in 2025 op 1.453.

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (lv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Hoofdstuk 3 Opbouw sportuitgaven en -inkomsten

In dit hoofdstuk beschrijven we hoe de gemeentelijke sportuitgaven en -inkomsten in grote lijnen zijn opgebouwd.

3.1 Opbouw in groepen

Gemeenten moeten in het Iv3-systeem de inkomsten en uitgaven registreren op verschillende categorieën. Per taakveld zijn er 43 categorieën, die voor elk taakveld hetzelfde zijn. De categorieën zijn algemeen geformuleerd, waardoor de interpretatie niet eenvoudig is. Ze geven daardoor globale informatie over de opbouw van de gemeentelijke sportuitgaven en -inkomsten.

Deze opbouw maken we inzichtelijk door de categorieën in te delen in door ons opgestelde (sub)groepen. Dit doen we voor de twee sportspecifieke taakvelden. In tabel B4.1 en tabel B4.2 in bijlage 4 beschrijven we welke categorieën we tot welke (sub)groepen rekenen. In bijlage 6 laten we de totale uitgaven en inkomsten per (sub)groep en taakveld zien. De (sub)groepen definiëren we als volgt:

A – Interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie sportaccommodaties

inkomsten/uitgaven voor de uitvoering van het gemeentelijk sportbeleid (5.1) of de exploitatie van gemeentelijke sportaccommodaties (5.2) door de gemeente zelf

  • Huur

  • Pacht en leges

  • (Specifieke) uitkeringen van het Rijk

  • Personeel

  • Overige interne uitvoering of interne exploitatie

B – Investeringen en afschrijvingen

investeringen en afschrijvingen voor bijvoorbeeld grond of duurzame goederen (met een economische levensduur van minstens één jaar)

  • Investeringen

  • Afschrijvingen

C – Externe uitvoering sportbeleid of externe exploitatie sportaccommodaties

inkomsten/uitgaven voor de uitvoering van het gemeentelijk sportbeleid (5.1) of de exploitatie van gemeentelijke sportaccommodaties (5.2) door externe partijen (bijv. een gemeentelijk sportbedrijf)

  • Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

  • Overige overdrachten (bijv. voor samenwerkingen met andere gemeenten)

D – Transacties en verrekeningen

financiële transacties en boekhoudkundige verrekeningen (exclusief afschrijvingen)

3.2 Uitgaven

In 2024

48 procent van de totale sportuitgaven door gemeenten hadden in 2024 betrekking op interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie sportaccommodaties (tabel 3.1). Deze uitgaven gingen met name naar personeel (16%) en overige interne uitvoering of interne exploitatie (32%). Voor het taakveld Sportbeleid en activering ging 44 procent van de uitgaven naar interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie sportaccommodaties en voor taakveld Sportaccommodaties was dit 50 procent.

Tabel 3.1 Verdeling totale uitgaven gemeenten, per taakveld en totaal voor sport*, 2024

In euro's x 1.000

In procenten van de totale uitgaven

Geen waarde

Sport (totaal)*

Sportbeleid en activering

Sport-accommodaties

Sport (totaal)*

Sportbeleid en activering

Sport-accommodaties

Totaal

2.044.564

476.896

1.567.668

100

100

100

A - Interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie sportaccommodaties

990.574

207.606

782.968

48

44

50

Huur

0

0

0

0

0

0

Pachten en leges

1.469

25

1.444

0

0

0

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

4.357

1.458

2.899

0

0

0

Personeel

326.426

97.145

229.281

16

20

15

Overige interne uitvoering of interne exploitatie

658.322

108.978

549.344

32

23

35

B - Investeringen en afschrijvingen

281.494

6.074

275.420

14

1

18

Investeringen

22.871

2.290

20.581

1

0

1

Afschrijvingen

258.623

3.784

254.839

13

1

16

C - Externe uitvoering sportbeleid of externe exploitatie sportaccommodaties

602.157

255.920

346.237

29

54

22

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

573.224

244.828

328.396

28

51

21

Overige overdrachten

28.933

11.092

17.841

1

2

1

D - Transacties en verrekeningen

170.339

7.296

163.043

8

2

10

Brorc door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2025. Bewerking: Mulier Instituut.

  • De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Verder ging 29 procent van de totale gemeentelijke sportuitgaven in 2024 naar externe uitvoering sportbeleid of externe exploitatie sportaccommodaties (tabel 3.1). Relatief gezien was de omvang van deze groep groter voor het taakveld Sportbeleid en activering (54%) dan voor het taakveld Sportaccommodaties (22%). Dit komt deels doordat binnen Sportaccommodaties ook een deel van de uitgaven (18%) naar investeringen en afschrijvingen ging. Voor Sportbeleid en activering was de relatieve omvang van deze groep klein (1%).

Ontwikkeling tussen 2017 en 2024

Tussen 2017 en 2024 zien we met name een stijging voor overige interne uitvoering of interne exploitatie (+256 miljoen euro; figuur 3.1) en externe uitvoering sportbeleid of externe exploitatie sportaccommodaties (+239 miljoen euro). Verder stegen in deze periode de uitgaven aan personeel met 96 miljoen euro en investeringen en afschrijvingen met 43 miljoen euro.

Figuur 3.1 Verdeling totale uitgaven gemeenten voor sport*, 2017-2024 (in miljoenen euro’s)
Gerealiseerde netto-sportuitgaven door gemeenten in 2017 t/m 2024 en begrote netto-sportuitgaven door gemeenten voor 2025
Uitgebreide beschrijving

Overige interne exploitatie stijgt van 402 in 2017 naar 663 in 2023 en 658 in 2024. Externe uitvoering sportbeleid groeit van 363 naar 602. Personeelskosten nemen toe van 239 naar 326. Investeringen en afschrijvingen stijgen licht van 230 naar 281. Transacties en verrekeningen dalen van 193 naar 170. Huur, pacht en leges blijven laag en lopen op van 1 naar 6.

3.3 Inkomsten

In 2024

Nagenoeg alle gemeentelijke inkomsten vanuit de sport kwamen in 2024 uit interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie sportaccommodaties (95%; tabel 3.2). Dit zien we ook terug bij beide sportspecifieke taakvelden (96% en 95%). Deze inkomsten kwamen voor taakveld Sportaccommodaties vooral vanuit huur (60%), waar deze voor Sportbeleid en activering met name uit (specifieke) uitkeringen van het Rijk kwamen (83%). Van de totale sportinkomsten kwam 48 procent uit huur, 31 procent uit (specifieke) uitkeringen van het Rijk en 15 procent uit overige interne uitvoering of interne exploitatie.

Tabel 3.2 Verdeling totale inkomsten gemeenten, per taakveld en totaal voor sport*, 2024

In euro's x 1.000

In procenten van de totale uitgaven

Geen waarde

Sport (totaal)*

Sportbeleid en activering

Sport-accommodaties

Sport (totaal)*

Sportbeleid en activering

Sport-accommodaties

Totaal

663.409

139.361

524.048

100

100

100

A - Interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie sportaccommodaties

632.058

134.285

497.773

95

96

95

Huur

317.304

3.171

314.133

48

2

60

Pachten en leges

8.088

189

7.899

1

0

2

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

203.417

116.186

87.231

31

83

17

Personeel

2.543

1.586

957

0

1

0

Overige interne uitvoering of interne exploitatie

100.706

13.153

87.553

15

9

17

B - Investeringen en afschrijvingen

1.200

0

1.200

0

0

0

Investeringen

1.200

0

1.200

0

0

0

Afschrijvingen

0

0

0

0

0

0

C - Externe uitvoering sportbeleid of externe exploitatie sportaccommodaties

14.156

4.477

9.679

2

3

2

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

11.807

2.974

8.833

2

2

2

Overige overdrachten

2.349

1.503

846

0

1

0

D - Transacties en verrekeningen

15.995

599

15.396

2

0

3

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2025. Bewerking: Mulier Instituut. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Ontwikkeling tussen 2017 en 2024

Tussen 2017 en 2024 valt met name de ontwikkeling van de inkomsten uit (specifieke) uitkeringen van het Rijk op (figuur 3.2). Deze waren in 2017 en 2018 niet noemenswaardig, maar stegen daarna flink tot 203 miljoen euro in 2024. Waarschijnlijk komt deze stijging voort uit een aantal subsidieregelingen voor gemeenten die de overheid in deze periode uitrolde. Zo begon in 2019 de SPUK Sport en waren er enkele subsidies voor gemeenten gedurende de corona- (2020-2022) en energiecrisis (2023).

Verder zien we tussen 2017 en 2024 een duidelijke stijging van de inkomsten uit huur (figuur 3.2). Tijdens de coronacrisis (in 2020 en 2021) liepen deze inkomsten terug, maar daarna zette de stijging voort tot 317 miljoen euro in 2024. In totaal namen de huurinkomsten vanuit sport voor gemeenten met 104 miljoen euro toe tussen 2017 en 2024.

Figuur 3.2 Verdeling totale inkomsten gemeenten voor sport*, 2017-2024 (in miljoenen euro's)
Verdeling totale uitgaven gemeenten voor sport*, 2017-2024

Hoofdstuk 4 Verschil tussen groepen gemeenten

In dit hoofdstuk laten we verschillen tussen groepen gemeenten zien. Allereerst bespreken we de spreiding van de netto-uitgaven aan sport over de gemeenten. Vervolgens vergelijken we de netto-sportuitgaven van gemeenten aan de hand van achtergrondkenmerken van de gemeenten. Verder laten we zien hoe de ontwikkeling van de gemeentelijke sportuitgaven tussen jaren verschilt tussen gemeenten. Tot slot bespreken we de verschillen tussen gemeenten in de verhouding tussen de sportspecifieke taakvelden.

4.1 Spreiding

Aan de hand van de interkwartielafstand8 zien we voor het taakveld Sportbeleid en activering minder spreiding van de netto-uitgaven per inwoner over de gemeenten dan voor het taakveld Sportaccommodaties (tabel 4.1). Dit betekent dat de netto-uitgaven per inwoner voor Sportbeleid en activering dichter bij elkaar liggen.

Toch lagen de netto-uitgaven per inwoner niet voor alle gemeenten dicht bij elkaar voor het taakveld Sportbeleid en activering. Enkele gemeenten gaven namelijk relatief veel uit aan dit taakveld, met in 2024 een maximum van 352,9 euro per inwoner (tabel 4.1). Verder zijn er ook gemeenten met negatieve netto-uitgaven per inwoner: het minimum komt in 2024 bijvoorbeeld uit op -24,7 euro per inwoner. Voor deze gemeenten zijn de inkomsten uit sport dus hoger dan de uitgaven.

Voor het taakveld Sportaccommodaties zien we dus meer spreiding (tabel 4.1). Maar de maximale uitschieters voor dit taakveld (248,2 euro per inwoner in 2024) waren in de meeste jaren lager dan voor Sportbeleid en activering (352,9 euro per inwoner in 2024). Aan de onderkant zijn de uitschieters voor Sportaccommodaties wel groter, met in 2024 een minimum van -113,7 euro per inwoner.

Voor de totale netto-uitgaven aan sport, van beide sportspecifieke taakvelden samen, was in 2024 het minimum 1,6 euro per inwoner en het maximum 246,1 euro per inwoner (tabel 4.1). Hierbij valt op dat het minimum niet lager en het maximum niet hoger was dan de minima en maxima van de twee taakvelden. Dit laat zien dat gemeenten niet voor beide taakvelden extreem lage of hoge netto-uitgaven per inwoner hebben. Relatief hoge netto-uitgaven op het ene taakveld lijken vaak relatief lage netto-uitgaven op het andere taakveld te compenseren.

Tabel 4.1 Beschrijvende statistieken over de spreiding van de netto-uitgaven per inwoner over gemeenten, per taakveld en totaal voor sport, 2017-2024

Minimum

Mediaan

Maximum

Interkwartielafstand (IQR)**

Sport (totaal)*

2017

-267,6

55,7

367,2

27,2

Geen waarde

2018

1,7

57,2

269,3

26,3

Geen waarde

2019

1,8

57,9

273,5

26,7

Geen waarde

2020

2,3

58,5

267,2

27,9

Geen waarde

2021

-31,1

56,1

302,9

26,3

Geen waarde

2022

-181,7

59,7

263,7

24,9

Geen waarde

2023

6,1

61,7

255,8

30,8

Geen waarde

2024

1,6

68,0

246,1

31,8

Sportbeleid en activering

2017

-35,2

9,7

310,6

11,0

Geen waarde

2018

-16,4

10,5

328,6

10,8

Geen waarde

2019

-12,4

10,8

335,4

12,1

Geen waarde

2020

-26,5

11,1

366,2

11,3

Geen waarde

2021

-29,2

11,0

296,5

11,9

Geen waarde

2022

-13,5

11,5

316,3

11,8

Geen waarde

2023

-24,6

9,1

302,8

12,7

Geen waarde

2024

-24,7

9,8

352,9

11,7

Sportaccommodaties

2017

-272,4

42,6

362,1

28,4

Geen waarde

2018

-106,0

44,2

233,9

26,7

Geen waarde

2019

-111,5

43,4

239,3

25,3

Geen waarde

2020

-114,3

44,8

234,4

26,9

Geen waarde

2021

-42,5

43,6

264,2

24,7

Geen waarde

2022

-187,6

46,2

229,9

25,5

Geen waarde

2023

-139,4

48,2

244,7

30,2

Geen waarde

2024

-113,7

54,0

248,2

30,7

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

  • * De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

  • ** De interkwartielafstand (IQR) is een maat die de spreiding binnen de resultaten weergeeft. Deze geeft de mate van spreiding aan van het middelste deel van de resultaten. Een hogere IQR betekent dus dat de resultaten verder uit elkaar liggen en dat er meer spreiding is. De IQR hebben we berekend door het 25e percentiel van het 75e percentiel af te halen.

Tussen 2017 en 2024 blijft de interkwartielafstand voor het taakveld Sportbeleid en activering grotendeels stabiel (tabel 4.1). Dat duidt op weinig veranderingen in de spreiding van de netto-uitgaven voor dit taakveld. Voor het taakveld Sportaccommodaties zien we wel een lichte stijging, met name tussen 2022 en 2023. Dit laat zien dat de netto-uitgaven per inwoner voor Sportaccommodaties nu verder uit elkaar liggen.

4.2 Achtergrondkenmerken

Inwoneraantal en stedelijkheid

De gemeentelijke netto-sportuitgaven per inwoner zijn hoger bij een hoger inwoneraantal in de gemeente (tabel 4.2). Dit zien we jaarlijks terug tussen 2017 en 2024. Daarbij zijn de verschillen groot: in 2024 gaven de kleinste gemeenten (minder dan 20.000 inwoners) netto 25,5 euro per inwoner minder uit dan de grootste gemeenten (100.000 of meer inwoners). Dit verschil steeg tussen 2017 en 2024 bijna elk jaar.9 In 2017 was dit verschil nog maar 11,5 euro per inwoner.

Hoe sterker de stedelijkheid van de gemeente, hoe groter de netto-uitgaven per inwoner aan sport (tabel 4.2). Daarbij zijn de verschillen opnieuw groot: in 2024 gaven niet-stedelijke gemeenten netto 13,3 euro per inwoner minder uit aan sport dan zeer sterk stedelijke gemeenten.10 Gemeenten in de middelste stedelijkheidscategorie (matig stedelijk)11 wijken hier jaarlijks iets van af.

Tabel 4.2 Netto-uitgaven gemeenten aan sport* per inwoner, naar aantal inwoners en stedelijkheid, 2017-2024 (in euro's)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Totaal

62,4

63,6

65,3

67,8

63,1

68,8

71,3

77,3

Aantal inwoners

Geen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waarde

< 20.000

57,3

58,2

55,7

59,1

53,7

60,2

59,0

61,5

20.000-50.000

57,6

58,8

59,4

61,3

56,9

61,6

64,7

72,3

50.000-100.000

61,2

61,2

65,2

64,6

62,0

63,1

66,6

72,0

100.000 of meer

68,8

70,6

72,3

76,8

70,9

80,0

81,6

87,0

Stedelijkheid

Geen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waardeGeen waarde

Niet stedelijk

52,0

58,8

56,8

61,3

60,8

60,2

65,3

76,1

Weinig stedelijk

61,5

60,7

63,5

64,7

60,6

64,9

67,0

71,1

Matig stedelijk

56,1

59,8

60,9

61,9

56,1

60,4

63,8

69,1

Sterk stedelijk

64,1

64,1

65,3

66,4

62,3

68,6

71,1

75,6

Zeer sterk stedelijk

69,3

69,6

72,4

77,7

71,2

80,0

81,1

89,3

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Provincie

Gemeenten in de provincie Zuid-Holland gaven in 2024 per inwoner het meest uit aan sport (netto 85,8 euro per inwoner; tabel 4.3). De netto-sportuitgaven per inwoner van gemeenten in Flevoland waren in 2024 het laagst: 63,2 euro per inwoner. Buiten enkele uitzonderingen verschoof er weinig tussen provincies in de periode 2017 tot en met 2024.

Tabel 4.3 Netto-uitgaven gemeenten* aan sport** per inwoner, naar provincie, 2017-2024 (in euro's)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Totaal

62,4

63,6

65,3

67,8

63,1

68,8

71,3

77,3

Zuid-Holland

64,8

70,2

70,0

73,6

69,8

74,9

78,2

85,8

Friesland

62,0

65,6

64,0

67,8

65,1

69,0

70,7

84,9

Drenthe

63,7

61,4

67,1

67,5

60,0

64,4

76,9

84,9

Groningen

68,4

72,4

70,6

76,9

65,7

77,5

80,0

83,0

Limburg

63,8

63,5

62,5

68,7

63,8

69,3

71,6

78,3

Overijssel

69,0

68,5

73,2

68,5

66,7

74,1

73,0

75,6

Gelderland

60,9

59,6

61,6

61,9

61,3

63,9

67,6

75,0

Noord-Holland

63,2

61,3

63,2

69,4

62,5

65,1

69,0

74,3

Noord-Brabant

59,2

60,8

63,0

62,7

57,8

69,5

66,9

73,0

Zeeland

62,6

66,0

66,6

64,3

59,2

62,9

68,0

71,6

Utrecht

56,3

56,8

62,5

66,3

58,7

66,1

69,1

70,2

Flevoland

51,8

52,1

56,4

58,3

52,6

55,1

59,7

63,2

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

  • * In deze tabel laten we de gemeentelijke sportuitgaven per provincie zien en niet de provinciale sportuitgaven. De bedragen in de tabel laten zien hoeveel euro gemeenten in een provincie per inwoner uitgaven aan sport.

  • ** De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Gemeentelijke indelingen

Gemeenten in dezelfde provincie of met gelijke mate van stedelijkheid of omvang kunnen onderling sterk verschillen. Bijvoorbeeld door de regiofunctie van bepaalde gemeenten. Deze verschillen hebben waarschijnlijk ook invloed op de gemeentelijke sportuitgaven.

Vanwege de verschillen tussen gemeenten hanteert het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) een andere typologie voor gemeenten (SCP, z.d.). Hiermee probeert het SCP een genuanceerd, gebalanceerd en herkenbaar beeld te schetsen van de maatschappelijke vraagstukken die in verschillende typen gemeenten spelen. Binnen de typologie onderscheidt het SCP vier categorieën gemeenten12:

  • kleinschalige gemeente;

  • overwegend kleinstedelijke gemeente;

  • studentenstad;

  • welvarende woongemeente.

Tussen deze vier categorieën zien we duidelijke verschillen in de gemeentelijke netto-sportuitgaven per inwoner (figuur 4.1). Studentensteden geven jaarlijks netto het meeste per inwoner uit aan sport: 73,5 euro in 2017 tot 93 euro in 2024. De laagste netto-sportuitgaven per inwoner zien we in welvarende woongemeenten. Het verschil ten opzichte van de studentensteden is daarbij groot en steeg tussen 2017 en 2024 van een verschil van 21,4 euro naar 33,8 euro.

De ontwikkeling van de netto-sportuitgaven per inwoner van gemeenten lijkt voor de vier categorieën wel een vergelijkbaar patroon te volgen (figuur 4.1). Met name de daling tussen 2020 en 2021 en vervolgens de stijging na 2021 zien we voor alle vier de categorieën terugkomen.

Figuur 4.1 Netto-uitgaven gemeenten aan sport* per inwoner, naar type gemeente volgens een indeling van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP), 2017-2024 (in euro's)
Lijngrafiek met percentages op de y-as (0–100) en de jaren 2017–2024 op de x-as. Vier lijnen tonen ontwikkeling per gemeentetype: studentensteden, kleinschalige gemeenten, overwegend kleinstedelijke gemeenten en welvarende woongemeenten. Studentensteden liggen het hoogst en stijgen van ongeveer 73,5% in 2017 naar 93,0% in 2024, met een dip in 2021 (74,6%). Overwegend kleinstedelijke gemeenten nemen toe van 61,9% naar 74,7%. Kleinschalige gemeenten stijgen geleidelijk van 57,7% naar 72,9%, eveneens met een lichte daling in 2021. Welvarende woongemeenten liggen het laagst maar groeien van 52,1% naar 59,2%, met een dieptepunt in 2021 (45,5%). Alle gemeentetypen laten na 2021 een duidelijke stijging zien.

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

4.3 Ontwikkeling door de tijd

Per jaar

De totale gemeentelijke netto-sportuitgaven stegen tussen 2017 en 2024 jaarlijks, met een daling in 2021 als uitzondering (figuur 2.1). Deze ontwikkeling zien we per gemeente ook vaak terug. Tussen 2020 en 2021 daalden voor 55 procent van de gemeenten de netto-sportuitgaven (figuur 4.2). Tussen de overige jaren stegen voor 51 (in 2018 t.o.v. 2017) tot 65 procent (in 2022 t.o.v. 2021) van de gemeenten de netto-uitgaven aan sport.

Toch maken de netto-uitgaven ieder jaar in een aanzienlijk deel van de gemeenten een tegenovergestelde ontwikkeling door. Zo namen tussen 2023 en 2024 de netto-sportuitgaven voor 30 procent van de gemeenten af (figuur 4.2).

Voor alle gemeenten samen bleef de jaarlijkse ontwikkeling van de gemeentelijke netto-uitgaven aan sport onder de 10 procent (tabel B5.1 in bijlage 5). Maar dit geldt niet voor alle individuele gemeenten. Tussen de 47 (in 2020 t.o.v. 2019) en 59 procent (in 2024 t.o.v. 2023) van de gemeenten zag de netto-sportuitgaven met meer dan 10 procent toe- of afnemen (figuur 4.2).

Figuur 4.2 Netto-uitgaven aan sport* vergeleken met het jaar ervoor, per gemeente (in procenten)
Netto-uitgaven aan sport* vergeleken met het jaar ervoor, per gemeente
Uitgebreide beschrijving

Horizontale, gestapelde staafgrafiek met op de x-as percentages van 0 tot 100 en op de y-as jaarlijkse veranderingen in sportuitgaven van gemeenten, van 2018 ten opzichte van 2017 tot en met 2024 ten opzichte van 2023. Elke staaf is verdeeld in vijf categorieën: afname meer dan 10%, afname 1–10%, geen noemenswaardig verschil, toename 1–10% en toename meer dan 10%.
In 2018 t.o.v. 2017 laten 41% van de gemeenten een afname zien (22% meer dan 10%, 19% 1–10%), 8% geen verschil, en 50% een toename (17% 1–10%, 33% meer dan 10%).
In 2019 t.o.v. 2018 neemt 36% af, 7% blijft gelijk en 56% neemt toe.
In 2020 t.o.v. 2019 neemt 40% af, 4% blijft gelijk en 56% neemt toe.
In 2021 t.o.v. 2020 is de afname het grootst: 55% afname, 5% geen verschil en 40% toename.
In 2022 t.o.v. 2021 overweegt groei: 30% afname, 4% geen verschil en 65% toename.
In 2023 t.o.v. 2022 neemt 36% af, 4% blijft gelijk en 61% neemt toe.
In 2024 t.o.v. 2023 neemt 30% af, 6% blijft gelijk en 64% neemt toe, met het hoogste aandeel gemeenten met een toename van meer dan 10% (43%).
Samenvattend: na een duidelijke terugval in 2021 verschuift het beeld vanaf 2022 naar een meerderheid van gemeenten met stijgende sportuitgaven.

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

  • De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Tussen 2017 en 2024

Tussen 2017 en 2024 stegen de totale gemeentelijke netto-uitgaven aan sport met 31 procent (tabel B5.3 in bijlage 5). In dat tijdvak zien we voor 75 procent van de gemeenten een stijging van de netto-sportuitgaven (figuur 4.3). Voor 48 procent ging het daarbij om een flinke stijging (meer dan 25%). Tegelijkertijd namen voor 24 procent van de gemeenten de netto-sportuitgaven juist af, bij 7 procent zelfs met meer dan 25 procent.

Figuur 4.3 Netto-uitgaven aan sport* in 2024 vergeleken met 2017, per gemeente (in procenten)
Netto-uitgaven aan sport* in 2024 vergeleken met 2017, per gemeente
Uitgebreide beschrijving

Horizontale, gestapelde staafgrafiek met op de x-as percentages van 0 tot 100 en één vergelijking op de y-as: 2024 ten opzichte van 2017. De grafiek toont hoe sportuitgaven van gemeenten over deze periode zijn veranderd, verdeeld in zeven categorieën: afname meer dan 25%, afname 10–25%, afname 1–10%, geen noemenswaardig verschil, toename 1–10%, toename 10–25% en toename meer dan 25%.
Van alle gemeenten laat 23% een afname zien (7% meer dan 25%, 7% tussen 10–25% en 9% tussen 1–10%). 1% kent geen noemenswaardig verschil. 76% van de gemeenten heeft hogere sportuitgaven dan in 2017: 8% met een toename van 1–10%, 19% met 10–25% en 48% met een toename van meer dan 25%.

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

  • De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

4.4 Verhouding tussen taakvelden

In 2024 ging 76 procent van de gemeentelijke netto-uitgaven aan sport naar het taakveld Sportaccommodaties en de rest naar het taakveld Sportbeleid en activering (figuur 2.1). Dit aandeel lag in de periode daarvoor (2017-2023) tussen de 71 en 75 procent. Maar niet in alle gemeenten komen deze verhoudingen tussen de sportspecifieke taakvelden naar voren.

Jaarlijks was het aandeel van het taakveld Sportaccommodaties van de totale netto-uitgaven aan sport voor ruim de helft van de gemeenten (65% in 2024; figuur 4.4) meer dan 80 procent. Dit aandeel lag daarmee voor een groot deel van de gemeenten hoger dan het aandeel van dit taakveld voor alle gemeenten samen (71-76%). Zeker aangezien het aandeel van het taakveld voor een deel van de gemeenten (35% in 2024) zelfs hoger lag dan 90 procent.

Overigens zien we een lichte verschuiving in het aandeel van taakveld Sportaccommodaties in 2023 en 2024 ten opzichte van de jaren ervoor (figuur 4.4). Tussen 2018 en 2022 was het aandeel van het taakveld voor 21 tot 23 procent van de gemeenten hoger dan 90 procent, waar dit in 2023 (31%) en 2024 (35%) voor een stuk meer gemeenten gold. Het aandeel van taakveld Sportaccommodaties is daarmee voor een aantal gemeenten hoger geworden.

Dat de verhouding tussen de sportspecifieke taakvelden voor alle gemeenten samen lager uitkomt, komt met name door enkele gemeenten die verhoudingsgewijs weinig besteedden aan het taakveld Sportaccommodaties. Voor jaarlijks ongeveer 10 procent van de gemeenten (figuur 4.4) ligt het aandeel van het taakveld Sportaccommodaties namelijk onder de 50 procent. Deze gemeenten besteedden (netto) verhoudingsgewijs meer aan het taakveld Sportbeleid en activering dan aan Sportaccommodaties.

Figuur 4.4 Aandeel netto-uitgaven gemeenten aan taakveld Sportaccommodaties binnen de totale netto-uitgaven voor sport* door gemeenten, 2017-2024 (in procenten)
Aandeel netto-uitgaven gemeenten aan taakveld Sportaccommodaties binnen de totale netto-uitgaven voor sport* door gemeenten, 2017-2024
Uitgebreide beschrijving

Gestapelde kolomgrafiek met percentages op de y-as (0–100) en de jaren 2017 tot en met 2024 op de x-as. Elke kolom laat zien welk aandeel gemeenten binnen een dekkingsgraadklasse valt, oplopend van minder dan 25% tot 90% of meer (legenda rechts).
In 2017 valt 26% van de gemeenten in de hoogste klasse (90% of meer), gevolgd door 34% in 80–89% en 17% in 70–79%. Het aandeel met een lage dekking (minder dan 50%) is dan beperkt.
In de jaren daarna verschuift de verdeling geleidelijk naar hogere dekkingsgraden. Het aandeel gemeenten met 90% of meer daalt eerst licht (21–23% in 2018–2022), maar neemt daarna sterk toe naar 31% in 2023 en 35% in 2024.
Tegelijk neemt het aandeel in de middencategorieën 70–79% en 60–69% in recente jaren af. De laagste categorie (minder dan 25%) blijft in alle jaren klein, rond 4–6%.

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Hoofdstuk 5 Conclusie

In dit afsluitende hoofdstuk bespreken we de conclusies van het onderzoek. Daarnaast reflecteren we op de resultaten.

5.1 Conclusie

Omvang sportuitgaven en -inkomsten

In 2024 gaven gemeenten in totaal 2 miljard euro uit aan sport en ontvingen ze 663 miljoen euro aan inkomsten uit sport. De gemeentelijke netto-sportuitgaven kwamen daarmee uit op 1,4 miljard euro. Hiervan kwam 76 procent voor rekening van het taakveld Sportaccommodaties. Per inwoner gaven gemeenten in 2024 netto 77,3 euro uit aan sport.

Tussen 2023 en 2024 stegen de gemeentelijke sportuitgaven met 2,8 procent, daalden de sportinkomsten met 8,8 procent en stegen de netto-sportuitgaven met 9,4 procent. In deze periode was de inflatie 3,3 procent. Na verrekening van deze inflatie zien we een reële stijging van de netto-sportuitgaven (+5,9%) en een reële daling voor de sportuitgaven (-0,5%) en sportinkomsten (-11,7%).

Het aandeel van de gemeentelijke sportuitgaven binnen de totale gemeentelijke uitgaven was 2,2 procent in 2024. Binnen de gemeentelijke vrijetijdsuitgaven vormden de gemeentelijke sportuitgaven 31 procent.

Opbouw sportuitgaven en -inkomsten

Uitgaven

48 procent van de gemeentelijke uitgaven aan sport ging in 2024 naar interne uitvoering van het sportbeleid of interne exploitatie van sportaccommodaties. Deze uitgaven gingen met name naar personeel (16%) en overige interne uitvoering of interne exploitatie (32%).

Inkomsten

De inkomsten voor gemeenten vanuit sport kwamen in 2024 met name voort uit huur (48%), (specifieke) uitkeringen van het Rijk (31%) en overige interne uitvoering of interne exploitatie (15%). Tussen 2017 en 2024 stegen de sportinkomsten voor gemeenten vanuit huur (+104 miljoen euro) en (specifieke) uitkeringen van het Rijk (+203 miljoen euro) flink.

Verschillen tussen gemeenten

Tussen gemeenten verschillen de gemeentelijke netto-sportuitgaven sterk. De totale netto-sportuitgaven bedroegen in 2024 minimaal 1,6 euro en maximaal 246,1 euro per inwoner. Daarnaast waren de gemeentelijke netto-sportuitgaven per inwoner hoger bij een hoger inwoneraantal in de gemeente. De kleinste gemeenten (minder dan 20.000 inwoners) gaven in 2024 netto 25,5 euro per inwoner minder uit dan de grootste (100.000 of meer inwoners).

Verder waren de netto-sportuitgaven per inwoner hoger bij een sterkere mate van stedelijkheid van de gemeente. Niet-stedelijke gemeenten gaven in 2024 netto 13,3 euro per inwoner minder uit aan sport dan zeer sterk stedelijke gemeenten. De hoogste netto-sportuitgaven per inwoner zien we in studentensteden (93 euro per inwoner in 2024) en de laagste in welvarende woongemeenten (59,2 euro per inwoner in 2024).

5.2 Reflectie

Grote bezuinigingen blijven vooralsnog uit

In 2024 zette de stijging van de gemeentelijke netto-sportuitgaven door, ook na verrekening van de inflatie. Hiermee bleven grootschalige gemeentelijke bezuinigingen op sport wederom uit. Bovendien geeft de begroting voor 2025 een positieve vooruitblik: de netto-sportuitgaven van gemeenten lijken in 2025 verder te stijgen.

Zorgen over langere termijn

Toch zijn er nog steeds zorgen bij gemeenten of bezuinigingen op sport op de lange termijn ook uitblijven. Gemeenten voorzagen voor 2026 een financieel ravijnjaar (Binnenlands Bestuur, 2022), wat mogelijk ook een weerslag op de gemeentelijke sportbegroting heeft. Extra middelen vanuit het Rijk zorgen inmiddels voor minder negatieve vooruitzichten voor 2026 en 2027, maar volgens sommigen verschuift het ravijnjaar hierdoor slechts, naar 2028 (Binnenlands Bestuur, 2025).

Daarnaast lopen specifieke uitkeringen vanuit het Rijk niet altijd over een lange periode door, terwijl investeringen in sport (met name voor sportaccommodaties) langduriger zijn voor gemeenten. Zo is de SPUK Sport recent verlengd tot de zomer van 2027 (Tielen, 2025), maar blijft het voortbestaan van deze regeling voor de langere termijn onzeker. Deze onzekerheid kan ervoor zorgen dat gemeenten terughoudender zijn om investeringen op de lange termijn te doen.

Monitoring loopt door

In de komende jaren gaan we zien of de zorgen onder gemeenten uitkomen en de gemeentelijke sportbegroting geraakt wordt door bezuinigingen. Wij blijven de ontwikkelingen in de gemeentelijke sportuitgaven monitoren.

Bronnenlijst: Bronnen

Bijlage 1 - Gemeenten in de lv3 en de totale populatie gemeenten per jaar

Tabel B1.1 Aantal gemeenten dat in het lv3-systeem de begroting, realisatie of beide aanleverde en de totale populatie gemeenten per 1 januari, 2017-2024 (in absolute aantallen)

Jaar

Aantal gemeenten per 1 januari

Aangeleverd begroting

Aangeleverd realisatie

Aangeleverd begroting én realisatie

2017

388

386

388

386

2018

380

375

377

372

2019

355

355

352

352

2020

355

355

353

353

2021

352

351

352

351

2022

345

341

341

337

2023

342

341

341

340

2024

342

341

341

340

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (lv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

Bijlage 2 - Bewerking en publicatie Iv3-data door CBS

Controleproces

Voor de registratie van de uitgaven en inkomsten vullen decentrale overheden, waaronder gemeenten, een gestandaardiseerd format in. Vervolgens stelt het CBS de Iv3-data na een vast controleproces beschikbaar:

  1. Rond juni stellen gemeenten de jaarrekeningen vast na goedkeuring van de gemeenteraad.

  2. In juli leveren gemeenten de financiële gegevens uit de jaarrekeningen aan bij het CBS.

  3. Aan het eind van de zomer geeft het CBS gemeenten de gelegenheid om eventuele fouten te corrigeren.

  4. Halverwege september stelt het CBS de data openbaar beschikbaar, na verwerking van eventuele aanpassingen.

Publicatie op CBS Statline

Via Statline rapporteert het CBS met de Iv3-data over de gemeentelijke uitgaven. Het CBS voert hiervoor extra controles uit en brengt in een later stadium de resultaten naar buiten. Door deze extra controles kunnen de resultaten op Statline (licht) afwijken van de resultaten in deze rapportage.

Iv3-indeling voor 2017

In de periode 2010 tot en met 2016 hanteerde het CBS in het Iv3-systeem twee sportspecifieke taakvelden: 530 Sport en 531 Groene sportvelden en terreinen. In 2017 paste het CBS het Iv3-systeem aan en veranderden de twee sportspecifieke taakvelden in twee nieuwe taakvelden. Verder veranderde de toerekening van overheadkosten in het Iv3-systeem in 2017. Hierdoor zijn de cijfers van voor 2017 niet vergelijkbaar met de cijfers van na 2017.

Terminologie

In deze rapportage wijken we in de terminologie licht af van het CBS. Waar het CBS spreekt over baten, lasten en saldo, gebruiken wij de termen inkomsten, uitgaven en netto-uitgaven (uitgaven min inkomsten). Dit doen we omdat deze termen naar onze inschatting voor een breder publiek duidelijk zijn.

Bijlage 3 - Overzicht Iv3-taakvelden

Tabel B3.1 Overzicht Iv3-taakvelden in 2024 (deel 1)

Hoofdtaakveld

Taakveld

0.0 Bestuur en ondersteuning

0.1 Bestuur

Geen waarde

0.2 Burgerzaken

Geen waarde

0.3 Beheer overige gebouwen en gronden

Geen waarde

0.4 Overhead

Geen waarde

0.5 Treasury

Geen waarde

0.61 OZB woningen

Geen waarde

0.62 OZB niet-woningen

Geen waarde

0.63 Parkeerbelasting

Geen waarde

0.64 Belastingen overig

Geen waarde

0.7 Algemene uitkeringen en overige uitkeringen gemeentefonds

Geen waarde

0.8 Overige baten en lasten

Geen waarde

0.9 Vennootschapsbelasting

Geen waarde

0.10 Mutaties reserves

Geen waarde

0.11 Resultaat van de rekening van baten en lasten

1.0 Veiligheid

1.1 Crisisbeheersing en brandweer

Geen waarde

1.2 Openbare orde en veiligheid

2.0 Verkeer, vervoer en waterstaat

2.1 Verkeer en vervoer

Geen waarde

2.2 Parkeren

Geen waarde

2.3 Recreatieve havens

Geen waarde

2.4 Economische havens en waterwegen

Geen waarde

2.5 Openbaar vervoer

3.0 Economie

3.1 Economische ontwikkeling

Geen waarde

3.2 Fysieke bedrijfsinfrastructuur

Geen waarde

3.3 Bedrijvenloket en bedrijfsregelingen

Geen waarde

3.4 Economische promotie

4.0 Onderwijs

4.1 Openbaar basisonderwijs

Geen waarde

4.2 Onderwijshuisvesting

Geen waarde

4.3 Onderwijsbeleid en leerlingzaken

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2025. Bewerking: Mulier Instituut.

Tabel B3.2 Overzicht Iv3-taakvelden in 2024 (deel 2)

Hoofdtaakveld

Taakveld

5.0 Sport, cultuur en recreatie

5.1 Sportbeleid en activering

Geen waarde

5.2 Sportaccommodaties

Geen waarde

5.3 Cultuurpresentatie, cultuurproductie en cultuurparticipatie

Geen waarde

5.4 Musea

Geen waarde

5.5 Cultureel erfgoed

Geen waarde

5.6 Media

Geen waarde

5.7 Openbaar groen en (openlucht) recreatie

6.0 Sociaal domein*

6.1 Samenkracht en burgerparticipatie

Geen waarde

6.2 Toegang en eerstelijnsvoorzieningen

Geen waarde

6.3 Inkomensregelingen

Geen waarde

6.4 WSW en beschut werk

Geen waarde

6.5 Arbeidsparticipatie

Geen waarde

6.6 Maatwerkvoorziening (WMO)

Geen waarde

6.71a Huishoudelijke hulp (WMO)

Geen waarde

6.71b Begeleiding (WMO)

Geen waarde

6.71c Dagbesteding (WMO)

Geen waarde

6.71d Overige maatwerkarrangementen (WMO)

Geen waarde

6.72a Jeugdhulp begeleiding

Geen waarde

6.72b Jeugdhulp behandeling

Geen waarde

6.72c Jeugdhulp dagbesteding

Geen waarde

6.72d Jeugdhulp zonder verblijf overig

Geen waarde

6.73a Pleegzorg

Geen waarde

6.73b Gezinsgericht

Geen waarde

6.73c Jeugdhulp met verblijf overig

Geen waarde

6.74a Jeugd behandeling GGZ zonder verblijf

Geen waarde

6.74b Jeugdhulp crisis/LTA/GGZ-verblijf

Geen waarde

6.74c Gesloten plaatsing

Geen waarde

6.81a Beschermd wonen (WMO)

Geen waarde

6.81b Maatschappelijke- en vrouwenopvang (WMO)

Geen waarde

6.82a Jeugdbescherming

Geen waarde

6.82b Jeugdreclassering

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2025. Bewerking: Mulier Instituut.

  • In 2025 heeft het CBS de taakvelden onder Sociaal domein gewijzigd. In de volgende rapportage van de Monitor sportuitgaven gemeenten, waarin we rapporteren over de sportuitgaven in 2025, lichten we de verandering van deze taakvelden toe.

Tabel B3.3 Overzicht Iv3-taakvelden in 2024 (deel 3)

Hoofdtaakveld

Taakveld

7.0 Volksgezondheid en milieu

7.1 Volksgezondheid

Geen waarde

7.2 Riolering

Geen waarde

7.3 Afval

Geen waarde

7.4 Milieubeheer

Geen waarde

7.5 Begraafplaatsen en crematoria

8.0 Volkshuisvesting, leefomgeving en stedelijke vernieuwing

8.1 Ruimte en leefomgeving

Geen waarde

8.2 Grondexploitatie (niet-bedrijventerreinen)

Geen waarde

8.3 Wonen en bouwen

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2025. Bewerking: Mulier Instituut.

Bijlage 4 - Overzicht Iv3-categorieën

Gemeenten moeten in het Iv3-systeem de inkomsten en uitgaven registreren op verschillende categorieën. In totaal zijn er in 202413 per taakveld 43 categorieën, die voor elk taakveld hetzelfde zijn (tabel B4.1 en tabel B4.2). Voor een analyse in deze rapportage verdelen we de categorieën in (sub)groepen. Deze indeling laten we zien in tabel B4.1 en tabel B4.2. De (sub)groepen definiëren we als volgt:

A – Interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie

Inkomsten/uitgaven voor de uitvoering van het gemeentelijk sportbeleid (5.1) of de exploitatie van gemeentelijke sportaccommodaties (5.2) door de gemeente zelf

  • Huur

  • Pacht14 en leges

  • (Specifieke) uitkeringen van het Rijk

  • Personeel

  • Overige interne uitvoering of interne exploitatie

B – Investeringen en afschrijvingen

Investeringen en afschrijvingen voor bijvoorbeeld grond of duurzame goederen (met een economische levensduur van minstens één jaar)

  • Investeringen

  • Afschrijvingen

C – Externe uitvoering sportbeleid of externe exploitatie

Sportaccommodaties: inkomsten/uitgaven voor de uitvoering van het gemeentelijk sportbeleid (5.1) of de exploitatie van gemeentelijke sportaccommodaties (5.2) door externe partijen (bijv. een gemeentelijk sportbedrijf)

  • Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

  • Overige overdrachten (bijv. voor samenwerkingen met andere gemeenten)

D – Transacties en verrekeningen

Financiële transacties en boekhoudkundige verrekeningen (exclusief afschrijvingen)

Tabel B4.1 Iv3-categorieën per taakveld in 2024 en indeling in (sub)groepen (deel 1)

Categorie

Groep

Subgroep

1.0 Salarissen en sociale lasten

Geen waardeGeen waarde

1.1 Salarissen en sociale lasten (L)

A

Personeel

2.0 Belastingen

Geen waardeGeen waarde

2.1 Belastingen (L)

A

Overige interne uitvoering of exploitatie

2.2.1 Belastingen op producenten (B)

A

Overige interne uitvoering of exploitatie

2.2.2 Belastingen op huishoudens (B)

A

Overige interne uitvoering of exploitatie

3.0 Goederen en diensten

Geen waardeGeen waarde

3.1 Grond (B-L)

B

Investeringen

3.2 Duurzame goederen (B-L)

B

Investeringen

3.3 Pachten (B-L)

A

Pacht en leges

3.4.1 Sociale uitkeringen in natura (L)

A

Overige interne uitvoering of exploitatie

3.4.2 Eigen bijdragen en verhaal sociale uitkeringen in natura (B)

A

Overige interne uitvoering of exploitatie

3.5.1 Ingeleend personeel (L)

A

Personeel

3.5.2 Uitgeleend personeel (B)

A

Personeel

3.6 Huren (B)

A

Huur

3.7 Leges en andere rechten (B)

A

Pacht en leges

3.8 Overige goederen en diensten (B-L)

A

Overige interne uitvoering of exploitatie

4.0 Overdrachten

Geen waardeGeen waarde

4.1.1 Sociale uitkeringen in geld (L)

A

Overige interne uitvoering of exploitatie

4.1.2 Verhaal sociale uitkeringen in geld (B)

A

Overige interne uitvoering of exploitatie

4.2 Subsidies (L)

C

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering en exploitatiebijdragen

4.3.1 Inkomensoverdrachten - Rijk (B-L)

A

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

4.3.2 Inkomensoverdrachten - gemeenten (B-L)

C

Overige overdrachten

4.3.3 Inkomensoverdrachten - gemeenschappelijke regelingen (B-L)

C

Overige overdrachten

4.3.4 Inkomensoverdrachten - provincies (B-L)

C

Overige overdrachten

4.3.5 Inkomensoverdrachten - waterschappen (B-L)

C

Overige overdrachten

4.3.6 Inkomensoverdrachten - ov overheden (B-L)

C

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering en exploitatiebijdragen

4.3.7 Inkomensoverdrachten - Europese Unie (B-L)

C

Overige overdrachten

4.3.8 Inkomensoverdrachten - overige instellingen en personen (B-L)

C

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering en exploitatiebijdragen

4.3.9 Inkomensoverdrachten - onverdeeld (B-L)

C

Overige overdrachten

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2025. Bewerking: Mulier Instituut.

Tabel B4.2 Iv3-categorieën per taakveld in 2024 en indeling in (sub)groepen (deel 2)

Categorie

Groep

Subgroep

4.0 Overdrachten

Geen waardeGeen waarde

4.4.1 Kapitaaloverdrachten - Rijk (B-L)

A

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

4.4.2 Kapitaaloverdrachten - gemeenten (B-L)

C

Overige overdrachten

4.4.3 Kapitaaloverdrachten - gemeenschappelijke regelingen (B-L)

C

Overige overdrachten

4.4.4 Kapitaaloverdrachten - provincies (B-L)

C

Overige overdrachten

4.4.5 Kapitaaloverdrachten - waterschappen (B-L)

C

Overige overdrachten

4.4.6 Kapitaaloverdrachten - ov overheden (B-L)

C

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering en exploitatiebijdragen

4.4.7 Kapitaaloverdrachten - Europese Unie (B-L)

C

Overige overdrachten

4.4.8 Kapitaaloverdrachten - overige instellingen en personen (B-L)

C

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering en exploitatiebijdragen

4.4.9 Kapitaaloverdrachten - onverdeeld (B-L)

C

Overige overdrachten

5.0 Rente en dividend

Geen waardeGeen waarde

5.1 Rente (B-L)

D

*

5.2 Dividenden en winsten (B)

D

*

6.0 Financiële transacties

Geen waardeGeen waarde

6.1 Financiële transacties (B-L)

D

*

7.0 Verrekeningen

Geen waardeGeen waarde

7.1 Mutatie reserves (B-L)

D

*

7.2 Mutatie voorzieningen (B-L)

D

*

7.3 Afschrijvingen (B-L)

B

Afschrijvingen

7.4 Toegerekende reële en bespaarde rente (B-L)

D

*

7.5 Overige verrekeningen (B-L)

D

*

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2025. Bewerking: Mulier Instituut.

  • Binnen groep D (Transacties en verrekeningen) maken we geen uitsplitsing naar subgroepen.

Bijlage 5 - Procentuele ontwikkeling sportuitgaven

Nominale ontwikkeling per jaar

Tabel B5.1 Nominale ontwikkeling* uitgaven, inkomsten en netto-uitgaven gemeenten, per taakveld en totaal voor sport en de jaarlijkse inflatie, 2017-2024 (in procenten)

Sport (totaal)**

Sportbeleid en activering

Sport-accommodaties

Openbaar groen en(openlucht) recreatie

Inflatie***

Uitgaven

2018 (t.o.v. 2017)

1,4

-4,1

3,0

5,2

1,7

Geen waarde

2019 (t.o.v. 2018)

7,4

9,8

6,8

3,7

2,6

Geen waarde

2020 (t.o.v. 2019)

2,6

5,9

1,7

4,0

1,3

Geen waarde

2021 (t.o.v. 2020)

5,5

5,1

5,6

5,9

2,7

Geen waarde

2022 (t.o.v. 2021)

2,6

2,3

2,6

5,1

10,0

Geen waarde

2023 (t.o.v. 2022)

15,1

16,5

14,7

12,1

3,8

Geen waarde

2024 (t.o.v. 2023)

2,8

5,3

2,0

9,9

3,3

Inkomsten

2018 (t.o.v. 2017)

-2,3

18,6

-3,6

11,6

1,7

Geen waarde

2019 (t.o.v. 2018)

21,2

19,7

21,3

-19,8

2,6

Geen waarde

2020 (t.o.v. 2019)

-4,2

37,5

-7,2

-17,5

1,3

Geen waarde

2021 (t.o.v. 2020)

38,5

79,0

34,1

7,8

2,7

Geen waarde

2022 (t.o.v. 2021)

-8,3

-13,4

-7,6

-1,0

10,0

Geen waarde

2023 (t.o.v. 2022)

35,5

117,8

24,3

32,4

3,8

Geen waarde

2024 (t.o.v. 2023)

-8,8

-0,6

-10,7

-3,3

3,3

Netto-uitgaven

2018 (t.o.v. 2017)

2,7

-5,7

6,0

4,6

1,7

Geen waarde

2019 (t.o.v. 2018)

2,8

8,9

0,6

6,3

2,6

Geen waarde

2020 (t.o.v. 2019)

5,3

2,8

6,3

5,8

1,3

Geen waarde

2021 (t.o.v. 2020)

-6,4

-4,5

-7,1

5,8

2,7

Geen waarde

2022 (t.o.v. 2021)

8,4

6,2

9,2

5,5

10,0

Geen waarde

2023 (t.o.v. 2022)

6,0

-3,6

9,5

10,8

3,8

Geen waarde

2024 (t.o.v. 2023)

9,4

8,0

9,9

10,9

3,3

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (lv3), 2018-2025 & CBS Statline, 2025, Bewerking: Mulier Instituut.

  • De nominale ontwikkeling is de procentuele ontwikkeling zonder verrekening van de inflatie. ** De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport. *** Jaarmutatie consumentenprijsindex (CPI).

Reële ontwikkeling per jaar

Tabel B5.2 Reële ontwikkeling* uitgaven, inkomsten en netto-uitgaven gemeenten, per taakveld en totaal voor sport, 2017-2024 (in procenten)

Sport (totaal)**

Sportbeleid en activering

Sport-accommodaties

Openbaar groen en (openlucht) recreatie

Uitgaven

2018 (t.o.v. 2017)

-0,3

-5,7

1,3

3,5

Geen waarde

2019 (t.o.v. 2018)

4,7

7,0

4,1

1,0

Geen waarde

2020 (t.o.v. 2019)

1,3

4,5

0,4

2,6

Geen waarde

2021 (t.o.v. 2020)

2,7

2,4

2,9

3,1

Geen waarde

2022 (t.o.v. 2021)

-6,8

-7,0

-6,7

-4,5

Geen waarde

2023 (t.o.v. 2022)

10,9

12,3

10,5

8,0

Geen waarde

2024 (t.o.v. 2023)

-0,5

2,0

-1,2

6,4

Inkomsten

2018 (t.o.v. 2017)

-3,9

16,6

-5,2

9,8

Geen waarde

2019 (t.o.v. 2018)

18,1

16,6

18,2

-21,8

Geen waarde

2020 (t.o.v. 2019)

-5,4

35,7

-8,4

-18,6

Geen waarde

2021 (t.o.v. 2020)

34,8

74,3

30,5

5,0

Geen waarde

2022 (t.o.v. 2021)

-16,7

-21,3

-16,0

-10,0

Geen waarde

2023 (t.o.v. 2022)

30,6

109,9

19,7

27,5

Geen waarde

2024 (t.o.v. 2023)

-11,7

-3,8

-13,6

-6,4

Netto-uitgaven

2018 (t.o.v. 2017)

1,0

-7,2

4,3

2,8

Geen waarde

2019 (t.o.v. 2018)

0,2

6,2

-2,0

3,6

Geen waarde

2020 (t.o.v. 2019)

4,0

1,5

5,0

4,4

Geen waarde

2021 (t.o.v. 2020)

-8,8

-7,0

-9,5

3,0

Geen waarde

2022 (t.o.v. 2021)

-1,5

-3,5

-0,7

-4,1

Geen waarde

2023 (t.o.v. 2022)

2,1

-7,1

5,5

6,8

Geen waarde

2024 (t.o.v. 2023)

5,9

4,6

6,4

7,3

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (lv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

  • De reële ontwikkeling is de procentuele ontwikkeling met verrekening van de inflatie. ** De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Nominale en reële ontwikkeling tussen 2017 en 2024

Tabel B5.3 Nominale* en reële ontwikkeling** uitgaven, inkomsten en netto-uitgaven gemeenten tussen 2017 en 2024, per taakveld en totaal voor sport

Absoluut verschil (in miljoenen euro's)

Nominale ontwikkeling (in procenten)

Reële ontwikkeling (in procenten)

Sport (totaal)***

Uitgaven

616

43

12

Geen waarde

Inkomsten

291

78

39

Geen waarde

Netto-uitgaven

325

31

2

Sportbeleid en activering

Uitgaven

153

47

15

Geen waarde

Inkomsten

118

554

411

Geen waarde

Netto-uitgaven

35

12

-13

Sportaccommodaties

Uitgaven

463

42

11

Geen waarde

Inkomsten

173

49

17

Geen waarde

Netto-uitgaven

290

39

8

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (lv3), 2018-2025. Bewerking: Mulier Instituut.

  • De nominale ontwikkeling is de procentuele ontwikkeling zonder verrekening van de inflatie. ** De reële ontwikkeling is de procentuele ontwikkeling met verrekening van de inflatie. *** De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Bijlage 6 - Opbouw sportuitgaven en -inkomsten

Uitgaven

Sportbeleid en activering

Tabel B6.1 Verdeling totale uitgaven gemeenten aan Sportbeleid en activering, 2017-2020 (in euro's x 1.000)

2017

2018

2019

2020

Totaal

323.858

310.672

341.126

361.173

A - Interne uitvoering sportbeleid

131.779

122.676

143.916

151.115

Huur

0

0

0

0

Pachten en leges

76

82

37

35

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

281

221

18

-33

Personeel

58.767

62.216

64.302

69.908

Overige interne uitvoering

72.655

60.157

79.559

81.205

B - Investeringen en afschrijvingen

7.711

6.974

5.655

6.314

Investeringen

1.574

1.273

966

2.050

Afschrijvingen

6.137

5.701

4.689

4.264

C - Externe uitvoering sportbeleid

178.589

180.357

190.790

204.145

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

171.417

173.206

173.269

198.179

Overige overdrachten

7.172

7.151

17.521

5.966

D - Transacties en verrekeningen

5.779

665

765

-401

Tabel B6.2 Verdeling totale uitgaven gemeenten aan Sportbeleid en activering, 2021-2024

2021

2022

2023

2024

Totaal

379.667

388.567

452.753

476.896

A - Interne uitvoering sportbeleid

158.289

168.074

198.154

207.606

Huur

0

0

0

0

Pachten en leges

27

25

23

25

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

362

149

1.413

1.458

Personeel

72.254

75.949

86.783

97.145

Overige interne uitvoering

85.646

91.951

109.935

108.978

B - Investeringen en afschrijvingen

5.128

5.741

5.945

6.074

Investeringen

1.052

1.495

951

2.290

Afschrijvingen

4.076

4.246

4.994

3.784

C - Externe uitvoering sportbeleid

214.676

213.947

248.609

255.920

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

208.437

207.307

239.760

244.828

Overige overdrachten

6.239

6.640

8.849

11.092

D - Transacties en verrekeningen

1.574

805

45

7.296

Sportaccommodaties

Tabel B6.3 Verdeling totale uitgaven gemeenten aan Sportaccommodaties, 2017-2020

2017

2018

2019

2020

Totaal

1.104.469

1.137.372

1.214.228

1.235.387

A - Interne exploitatie sportaccommodaties

501.783

510.796

572.772

581.472

Huur

0

0

0

0

Pachten en leges

830

891

1.007

985

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

97

49

804

209

Personeel

171.185

164.874

176.890

167.016

Overige interne exploitatie

329.671

344.982

394.071

413.262

B - Investeringen en afschrijvingen

231.249

237.097

245.289

252.189

Investeringen

11.394

11.418

12.838

14.465

Afschrijvingen

219.855

225.679

232.451

237.724

C - Externe exploitatie sportaccommodaties

184.573

236.506

256.158

253.776

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

168.225

214.399

233.718

239.898

Overige overdrachten

16.348

22.107

22.440

13.878

D - Transacties en verrekeningen

186.864

152.973

140.009

147.950

Tabel B6.4 Verdeling totale uitgaven gemeenten aan Sportaccommodaties, 2021-2024

2021

2022

2023

2024

Totaal

1.304.932

1.339.106

1.536.526

1.567.668

A - Interne exploitatie sportaccommodaties

595.250

650.583

764.407

782.968

Huur

0

0

0

0

Pachten en leges

889

997

1.334

1.444

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

1.633

1.682

2.699

2.899

Personeel

178.940

192.715

207.205

229.281

Overige interne exploitatie

413.788

455.189

553.169

549.344

B - Investeringen en afschrijvingen

242.941

255.094

255.632

275.420

Investeringen

8.209

13.925

14.027

20.581

Afschrijvingen

234.732

241.169

241.605

254.839

C - Externe exploitatie sportaccommodaties

316.452

295.689

374.161

346.237

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

299.168

278.379

353.872

328.396

Overige overdrachten

17.284

17.310

20.289

17.841

D - Transacties en verrekeningen

150.289

137.740

142.326

163.043

Sport totaal

Tabel B6.5 Verdeling totale uitgaven gemeenten aan sport, 2017-2020 (in euro's x 1.000)

2017

2018

2019

2020

Totaal

1.428.327

1.448.044

1.555.354

1.596.560

A - Interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie sportaccommodaties

633.562

633.472

716.688

732.587

Huur

0

0

0

0

Pachten en leges

906

973

1.044

1.020

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

378

270

822

176

Personeel

229.952

227.090

241.192

236.924

Overige interne uitvoering of interne exploitatie

402.326

405.139

473.630

494.467

B - Investeringen en afschrijvingen

238.960

244.071

250.944

258.503

Investeringen

12.968

12.691

13.804

16.515

Afschrijvingen

225.992

231.380

237.140

241.988

C - Externe uitvoering sportbeleid of externe exploitatie sportaccommodaties

363.162

416.863

446.948

457.921

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

339.642

387.605

406.987

438.077

Overige overdrachten

23.520

29.258

39.961

19.844

D - Transacties en verrekeningen

192.643

153.638

140.774

147.549

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2021. Bewerking: Mulier Instituut. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Tabel B6.6 Verdeling totale uitgaven gemeenten aan sport, 2021-2024

2021

2022

2023

2024

Totaal

1.684.599

1.727.673

1.989.279

2.044.564

A - Interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie sportaccommodaties

753.539

818.657

962.561

990.574

Huur

0

0

0

0

Pachten en leges

916

1.022

1.357

1.469

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

1.995

1.831

4.112

4.357

Personeel

251.194

268.664

293.988

326.426

Overige interne uitvoering of interne exploitatie

499.434

547.140

663.104

658.322

B - Investeringen en afschrijvingen

248.069

260.835

261.577

281.494

Investeringen

9.261

15.420

14.978

22.871

Afschrijvingen

238.808

245.415

246.599

258.623

C - Externe uitvoering sportbeleid of externe exploitatie sportaccommodaties

531.128

509.636

622.770

602.157

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

507.605

485.686

593.632

573.224

Overige overdrachten

23.523

23.950

29.138

28.933

D - Transacties en verrekeningen

151.863

138.545

142.371

170.339

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2022-2025. Bewerking: Mulier Instituut. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Inkomsten

Sportbeleid en activering

Tabel B6.7 Verdeling totale inkomsten gemeenten aan Sportbeleid en activering, 2017-2020

2017

2018

2019

2020

Totaal

21.300

25.261

30.226

41.557

A - Interne uitvoering sportbeleid

18.179

17.320

22.315

33.956

Huur

5.718

6.480

2.843

2.524

Pachten en leges

1.043

1.115

882

404

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

285

324

8.143

17.126

Personeel

2.404

1.001

1.255

979

Overige interne uitvoering

8.729

8.400

9.192

12.923

B - Investeringen en afschrijvingen

1

2

5

205

Investeringen

1

2

5

205

Afschrijvingen

0

0

0

0

C - Externe uitvoering sportbeleid

2.252

3.657

6.703

6.708

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

1.087

1.491

3.163

5.329

Overige overdrachten

1.165

2.166

3.540

1.379

D - Transacties en verrekeningen

868

4.282

1.203

688

Tabel B6.8 Verdeling totale inkomsten gemeenten aan Sportbeleid en activering, 2021-2024

2021

2022

2023

2024

Totaal

74.382

64.379

140.240

139.361

A - Interne uitvoering sportbeleid

65.122

57.262

131.444

134.285

Huur

1.463

2.613

3.032

3.171

Pachten en leges

1.182

545

473

189

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

48.686

41.549

113.024

116.186

Personeel

1.526

1.772

1.450

1.586

Overige interne uitvoering

12.265

10.783

13.465

13.153

B - Investeringen en afschrijvingen

-40

700

5

0

Investeringen

-40

700

5

0

Afschrijvingen

0

0

0

0

C - Externe uitvoering sportbeleid

7.318

5.491

7.909

4.477

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

4.716

3.818

4.785

2.974

Overige overdrachten

2.602

1.673

3.124

1.503

D - Transacties en verrekeningen

1.982

926

882

599

Sportaccommodaties

Tabel B6.9 Verdeling totale inkomsten gemeenten aan Sportaccommodaties, 2017-2020

2017

2018

2019

2020

Totaal

351.267

338.714

410.867

381.209

A - Interne exploitatie sportaccommodaties

292.269

312.213

377.708

359.327

Huur

207.899

221.960

248.431

219.083

Pachten en leges

9.965

10.002

8.002

7.301

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

220

200

44.569

80.578

Personeel

2.137

2.189

1.406

1.657

Overige interne exploitatie

72.048

77.862

75.300

50.708

B - Investeringen en afschrijvingen

3.243

6.766

1.725

1.662

Investeringen

3.243

6.766

1.725

1.662

Afschrijvingen

0

0

0

0

C - Externe exploitatie sportaccommodaties

8.104

8.094

13.818

9.012

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

6.561

6.637

9.263

7.349

Overige overdrachten

1.543

1.457

4.555

1.663

D - Transacties en verrekeningen

47.651

11.641

17.616

11.208

Tabel B6.10 Verdeling totale inkomsten gemeenten aan Sportaccommodaties, 2021-2024

2021

2022

2023

2024

Totaal

511.018

472.197

586.913

524.048

A - Interne exploitatie sportaccommodaties

461.652

442.742

557.359

497.773

Huur

223.864

258.093

305.021

314.133

Pachten en leges

7.993

8.947

9.890

7.899

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

171.432

99.176

157.838

87.231

Personeel

1.129

1.406

1.351

957

Overige interne exploitatie

57.234

75.120

83.259

87.553

B - Investeringen en afschrijvingen

967

2.385

1.221

1.200

Investeringen

956

2.385

1.221

1.200

Afschrijvingen

11

0

0

0

C - Externe exploitatie sportaccommodaties

20.635

10.125

11.415

9.679

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

17.962

6.984

8.966

8.833

Overige overdrachten

2.673

3.141

2.449

846

D - Transacties en verrekeningen

27.764

16.945

16.918

15.396

Sport totaal

Tabel B6.11 Verdeling totale uitgaven gemeenten aan sport', 2017-2020 (in euro's x 1.000)

2017

2018

2019

2020

Totaal

372.567

363.975

441.093

422.766

A - Interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie sportaccommodaties

310.448

329.533

400.023

393.283

Huur

213.617

228.440

251.274

221.607

Pachten en leges

11.008

11.117

8.884

7.705

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

505

524

52.712

97.704

Personeel

4.541

3.190

2.661

2.636

Overige interne uitvoering of interne exploitatie

80.777

86.262

84.492

63.631

B - Investeringen en afschrijvingen

3.244

6.768

1.730

1.867

Investeringen

3.244

6.768

1.730

1.867

Afschrijvingen

0

0

0

0

C - Externe uitvoering sportbeleid of externe exploitatie sportaccommodaties

10.356

11.751

20.521

15.720

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

7.648

8.128

12.426

12.678

Overige overdrachten

2.708

3.623

8.095

3.042

D - Transacties en verrekeningen

48.519

15.923

18.819

11.896

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2018-2021. Bewerking: Mulier Instituut. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Tabel B6.12 Verdeling totale uitgaven gemeenten aan sport, 2021-2024

2021

2022

2023

2024

Totaal

585.400

536.576

727.153

663.409

A - Interne uitvoering sportbeleid of interne exploitatie sportaccommodaties

526.774

500.004

688.803

632.058

Huur

225.327

260.706

308.053

317.304

Pachten en leges

9.175

9.492

10.363

8.088

(Specifieke) uitkeringen van het Rijk

220.118

140.725

270.862

203.417

Personeel

2.655

3.178

2.801

2.543

Overige interne uitvoering of interne exploitatie

69.499

85.903

96.724

100.706

B - Investeringen en afschrijvingen

927

3.085

1.226

1.200

Investeringen

916

3.085

1.226

1.200

Afschrijvingen

11

0

0

0

C - Externe uitvoering sportbeleid of externe exploitatie sportaccommodaties

27.953

15.616

19.324

14.156

Uitbestedingen/subsidies sportstimulering of exploitatiebijdragen

22.678

10.802

13.751

11.807

Overige overdrachten

5.275

4.814

5.573

2.349

D - Transacties en verrekeningen

29.746

17.871

17.800

15.995

Bron: door CBS verzamelde gemeentelijke data (Iv3), 2022-2025. Bewerking: Mulier Instituut. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport.

Mulier Instituut

Peter van Eldert p.vaneldert@mulierinstituut.nl

Mulier Instituut | 2026

Voetnoten

  1. Nagenoeg alle gemeenten registreren de financiële gegevens in het Iv3-systeem. Jaarlijks ontbreekt van slechts enkele gemeenten een begroting, realisatie of beide (tabel B1.1 in bijlage 1). Terug naar voetnoot-referentie 1

  2. In tabel B3.1, tabel B3.2 en tabel B3.3 in bijlage 3 geven we een totaaloverzicht van de Iv3-taakvelden. Terug naar voetnoot-referentie 2

  3. Waarschijnlijk komt het steeds vaker voor dat sportuitgaven onder gezondheid of sociaal domein terechtkomen. Gemeenten koppelen namelijk vaker sport en bewegen aan gezondheid, welzijn en brede welvaart. Deze trend wordt versterkt doordat vanaf 2024 de uitkeringen vanuit het Rijk voor het lokale sportakkoord en de Brede Regeling Combinatiefuncties (BRC) onder de Brede SPUK-regeling voor het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) vallen. Terug naar voetnoot-referentie 3

  4. In tabel B4.1 en tabel B4.2 in bijlage 4 geven we een overzicht van deze categorieën. Terug naar voetnoot-referentie 4

  5. De vrijtijdsuitgaven omvatten alle uitgaven aan taakvelden die binnen de lv3-indeling onder het overkoepelende taakveld Sport, cultuur en recreatie vallen (zie bijlage 3 voor de hele taakveldindeling). Terug naar voetnoot-referentie 7

  6. De interkwartielafstand (IQR) is een maat die de spreiding binnen de resultaten weergeeft. Deze geeft de mate van spreiding aan van het middelste deel van de resultaten. Een hogere IQR betekent dus dat de resultaten verder uit elkaar liggen en dat er meer spreiding is. De IQR hebben we berekend door het 25e percentiel van het 75e percentiel af te halen. Terug naar voetnoot-referentie 8

  7. Mogelijk komt dit deels doordat het aantal gemeenten in de categorie minder dan 20.000 inwoners jaarlijks afneemt, door bevolkingsgroei en gemeentefusies. Terug naar voetnoot-referentie 9

  8. Bij stedelijkheid zien we het verschil tussen de laagste en de hoogste categorie niet jaarlijks stijgen. Dit neemt het ene jaar toe en het andere jaar weer af. Terug naar voetnoot-referentie 10

  9. En in 2024 ook de categorie weinig stedelijk. Terug naar voetnoot-referentie 11

  10. Het SCP maakte dit onderscheid aan de hand van een latenteklassenanalyse. Hieruit komen clusters van gemeenten naar voren, die op geselecteerde sociaal-demografische variabelen samenhangen. Terug naar voetnoot-referentie 12

  11. In 2025 heeft het CBS de categorieën op het terrein van kapitaaloverdrachten herzien en vervangen voor investeringsbijdragen. In de volgende rapportage van de Monitor sportuitgaven gemeenten, waarin we rapporteren over de sportuitgaven in 2025, lichten we de verandering van deze categorieën toe. Terug naar voetnoot-referentie 13

  12. Pacht betalen gebruikers van grond, binnenwateren en rivieren aan de eigenaren daarvan (Rijksoverheid, z.d.). Het gaat hierbij om inkomsten uit vermogen en niet uit een geleverde dienst. Daarom is het een andere categorie dan huur, omdat bij huur wel sprake is van een dienst van de eigenaar aan de huurder. Terug naar voetnoot-referentie 14

  13. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport Terug naar voetnoot-referentie 5

  14. De taakvelden Sportbeleid en activering en Sportaccommodaties vormen samen het totaal voor sport. Terug naar voetnoot-referentie 6