Bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs 2024/2025: 3-meting

Met steun van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

Mulier Instituut

  • Dagmar Derikx

  • Nynke Popken

  • Amika Singh

Klankbordgroep

Voor dit onderzoek is een klankbordgroep samengesteld. De leden van deze klankbordgroep hebben met ons meegedacht over recente ontwikkelingen die invloed hebben op het bewegingsonderwijs in Nederland, feedback gegeven op de vragenlijst en meegelezen met een conceptversie van het rapport. Wij danken hen hartelijk voor hun waardevolle bijdrage aan dit onderzoek.

  • Monique van Ark, Hogeschool Leiden

  • Wiebe Faber, KVLO

  • Marina Kluiter, PO raad

  • Hilde Krajenbrink, Kenniscentrum Sport & Bewegen

  • Corike van de Merwe, SLO

  • Remo Mombang, Hanze Groningen

  • Mark de Niet, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut.

Disclaimer

U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding: Mulier Instituut, de titel van de publicatie en het jaar van uitgave.

Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto's in deze publicatie. Neem foto's daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.

Over ons

Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor beleid en samenleving. Voor overheden, maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen, sportorganisaties en bedrijven onderzoeken we allerlei thema's op het gebied van sport en sportief bewegen: van de sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.

Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.

Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid, gericht op de bevordering van sport, sportief bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen we op verschillende manieren:

  • We verzamelen data en monitoren de Nederlandse sportsector en beleidsprogramma's.

  • We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies.

  • We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze naar de beleidspraktijk.

  • We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies.

  • We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van 'kritische vriend' van de sportsector.

  • We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.

Inhoudsopgave Bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs 2024/2025: 3-meting

Samenvatting Bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs 2025: 3-meting

Inleiding

Bewegingsonderwijs in het primair onderwijs geeft alle kinderen de mogelijkheid om motorische vaardigheden, kennis en een positieve houding ten opzichte van bewegen en sport te ontwikkelen. In dit rapport onderzoeken we wat de huidige stand van zaken is rond het bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs. En hoe die zich verhoudt tot de resultaten van de voorgaande metingen.

Onderzoeksmethode

Voor dit onderzoek hebben we 818 schoolleiders van reguliere basisscholen via vragenlijsten bevraagd over de organisatie van en hun ervaringen met het bewegingsonderwijs. Hiermee hebben we voor de vierde keer in kaart gebracht:

  • hoeveel lestijd bewegingsonderwijs leerlingen per week krijgen;

  • wie deze lessen verzorgt;

  • wat de belemmeringen zijn rondom het bewegingsonderwijs;

  • welke sport- en beweegactiviteiten scholen naast het bewegingsonderwijs aanbieden.

De resultaten uit deze meting hebben we vergeleken met eerdere metingen.

Conclusies en aanbevelingen

Lestijd voor het bewegingsonderwijs

Sinds 2023/2024 geldt een wettelijke verplichting van minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs per week, gegeven door een bevoegde leerkracht. De naleving van deze norm laat een uiteenlopend beeld zien voor groep 1-2 en groep 3-8.

In groep 1-2 blijft het aandeel scholen dat minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs aanbiedt vrijwel gelijk. Maar het gemiddelde aantal minuten en aantal lessen per week zijn gedaald naar het laagste niveau sinds 2013. Dit suggereert dat de norm voor een deel van de scholen een plafond is geworden in plaats van een minimum. Waarbij scholen die eerder meer dan 90 minuten inplanden, mogelijk zijn teruggegaan naar de wettelijke ondergrens. Een andere mogelijke verklaring is dat de wettelijke norm duidelijker maakt wat wel en niet als bewegingsonderwijs telt, waardoor scholen buitenspelen of vrij spel niet meer meetellen.

In groep 3-8 is juist een groter aandeel scholen aan de norm gaan voldoen, al blijven het gemiddelde aantal minuten en lessen gelijk. Dit suggereert dat de stijging in

naleving samengaat met een afname bij scholen die eerder boven de 90 minuten zaten.

We raden aan de naleving van de 90-minutennorm te blijven monitoren en scholen die daar niet aan voldoen actief te ondersteunen. Daarbij is het belangrijk om ook te onderzoeken of scholen het aanbod boven de wettelijke 90 minuten afbouwen en waarom, zodat onbedoelde nadelige effecten kunnen worden voorkomen. Tot slot is het van belang scholen ervan bewust te maken dat de minimumnorm geen streefnorm is en dat buitenspelen geen vervanging is van structureel bewegingsonderwijs.

Leerkrachten bewegingsonderwijs

Het bewegingsonderwijs wordt op de meeste scholen verzorgd door bevoegde (vak)leerkrachten, maar een deel van de scholen zet (gedeeltelijk) nog onbevoegd personeel in (7% in groep 1-2 en 11% in groep 3-8). Het aandeel scholen dat uitsluitend vakleerkrachten inzet is verder toegenomen, vooral in groep 3-8.

Richting de toekomst dreigt een toenemend tekort aan bevoegde leerkrachten. Dat komt doordat combinatiefunctionarissen vanaf 2027 niet meer als vakleerkracht mogen worden ingezet. En doordat een deel van de huidige groepsleerkrachten met een oude brede bevoegdheid binnenkort uitstroomt. Scholen zijn dan afhankelijker van vakleerkrachten en groepsleerkrachten die de aanvullende leergang volgen.

Om tekorten en kwaliteitsverschillen te verminderen, raden we aan de instroom van bevoegde leerkrachten te stimuleren door drempels voor de leergang en ALO-opleiding in kaart te brengen. En samen met opleidingsinstituten en scholen strategieën te ontwikkelen.

Bewegingsonderwijs in groep 1-2 verdient daarbij bijzondere aandacht. Onze resultaten wijzen op een dieperliggend probleem: de huidige wetgeving biedt onvoldoende waarborgen voor goed bewegingsonderwijs in de vroege schooljaren en versterkt daardoor de indruk dat bewegingsonderwijs in groep 1-2 minder belangrijk is. Dit staat haaks op wat we weten over het belang van leren bewegen in de jongste levensjaren. Daarom is het nodig de wettelijke kaders aan te passen.

Daarnaast vraagt bewegingsonderwijs voor kleuters extra aandacht voor deskundigheid. Bijvoorbeeld via vakinhoudelijke en pedagogisch-didactische scholing, het inzetten van vakleerkrachten in groep 1-2 en aanpassing van het curriculum van pabo- en ALO-opleidingen.

Accommodaties voor het bewegingsonderwijs

Hoewel steeds meer scholen voldoen aan de wettelijke verplichting van 90 minuten bewegingsonderwijs per week door een bevoegde leerkracht, lukt dit nog niet overal: 71 procent van de scholen in groep 1-2 en 79 procent in groep 3-8 voldoet volledig aan beide wettelijke verplichtingen.

De belangrijkste belemmeringen zijn volgens scholen accommodatiegerelateerd, zoals een tekort aan beschikbare sportaccommodaties, een te grote afstand tot de accommodatie en achterstallig onderhoud. Daarnaast noemen veel scholen een vol lesrooster, beperkte financiële middelen en problemen bij het vinden van bevoegde leerkrachten. Opvallend is dat deze knelpunten al langer bekend zijn, maar beleidsmatige initiatieven om deze structureel aan te pakken zijn nog niet toereikend geweest.

Tegelijkertijd maken scholen steeds vaker gebruik van verschillende binnen- en buitenaccommodaties. Dat wijst op toenemende pragmatische flexibiliteit om toch aan de norm te voldoen. Daarbij is het wel belangrijk dat de kwaliteit van het bewegingsonderwijs gewaarborgd blijft. Bijvoorbeeld door de buitenaccommodaties zo in te richten dat alle leerlijnen van het bewegingsonderwijs mogelijk zijn. En door leerkrachten handvatten te bieden om ook buiten op een goede manier les te geven.

Voor duurzame oplossingen is structurele afstemming tussen scholen en gemeenten noodzakelijk, vooral gezien de huisvestingsplicht van gemeenten. Een gedeeld en integraal beeld van zowel kwantitatieve tekorten als kwalitatieve knelpunten is daarbij essentieel.

Daarnaast raden we aan gerichte regelingen of subsidies te ontwikkelen die gemeenten stimuleren om voldoende, toegankelijke en schoolgeschikte sportaccommodaties te realiseren. Zodat ze scholen daadwerkelijk in staat stellen blijvend aan de wettelijke verplichting te voldoen.

Kwaliteit van het bewegingsonderwijs

De kwaliteit van het bewegingsonderwijs is nog niet in alle scholen goed geborgd. Slechts 60 procent van de scholen werkt met een doorlopende leerlijn. De helft heeft een vakwerkplan en iets minder dan de helft een jaarplan. Ook krijgen leerlingen die motorisch minder vaardig zijn op de helft van de scholen geen extra ondersteuning.

Daarnaast is het gebruik van leerlingvolgsystemen of motorische testen sinds 2020/2021 sterk afgenomen (van 75% naar 38%). Mogelijk hangt dit samen met een andere manier van bevragen in deze meting. Een andere verklaring is dat scholen behoefte hebben aan instrumenten die de brede ontwikkeling van leerlingen over meerdere leerlijnen in kaart brengen, inclusief sociale, cognitieve en zelfsturingsvaardigheden.

Om de kwaliteit te verbeteren, raden we scholen aan planmatig te werken met vakwerk- en jaarplannen, een doorlopende leerlijn te hanteren en de ontwikkeling van leerlingen te monitoren met systemen die zowel motorische vaardigheden als bredere competenties volgen. Zo kunnen ook leerlingen met motorische achterstanden tijdig passende ondersteuning krijgen.

Bewegen naast het bewegingsonderwijs

Vrijwel alle schoolleiders (90%) vinden dat ze bewegen gedurende de schooldag, naast de lessen bewegingsonderwijs, moeten stimuleren. Veel scholen bieden dan ook extra beweegmomenten aan: 77 procent organiseert minimaal wekelijks beweegmomenten zoals energizers tussen of tijdens de lessen. En 52 procent biedt minimaal wekelijks bewegend leren aan.

Toch biedt een aanzienlijk deel van de scholen deze extra beweegmomenten nog niet dagelijks of wekelijks aan, en zijn de cijfers sinds 2020/2021 nauwelijks verbeterd. Dit wijst erop dat scholen het belang van bewegen naast het bewegingsonderwijs wel erkennen, maar dit nog niet consequent in de praktijk brengen. Het is belangrijk dat pabo-opleidingen toekomstige groepsleerkrachten voorbereiden op het structureel organiseren van deze extra beweegmomenten in de schooldag.

Hoofdstuk 1 Inleiding

In dit rapport beschrijven we de stand van zaken van het bewegingsonderwijs in het primair onderwijs. Het eerste hoofdstuk bevat de achtergrond, de aanleiding en het doel van het onderzoek.

1.1 Achtergrond

Belang van bewegen

Voldoende bewegen en motorisch vaardig zijn is belangrijk voor de gezondheid en ontwikkeling van kinderen. Voldoende bewegen verbetert de fitheid en spierkracht, en verkleint het risico op depressieve klachten, chronische ziekten en overgewicht (Gezondheidsraad, 2017). Goede motorische vaardigheden kunnen bijdragen aan meer zelfvertrouwen in sport- en beweegactiviteiten, waardoor kinderen meer plezier ervaren, actiever worden en mogelijk een gezondere leefstijl ontwikkelen (Bailey et al., 2016).

Minder dan twee derde (62%) van alle kinderen in Nederland tussen de 4 en 11 jaar bewoog in 2024 minimaal één uur per dag en voldeed daarmee aan de beweegrichtlijnen van de Gezondheidsraad (Nederlands Jeugdinstituut, 2025; Gezondheidsraad, 2017). Bovendien brengen kinderen in deze leeftijdsgroep gemiddeld 7,3 uur per dag zittend door (Sport en bewegen in cijfers, z.d.). Tegelijkertijd zien we dat de motorische vaardigheden van de Nederlandse jeugd afnemen (Mombarg et al., 2023).

Vooral voor kinderen die niet voldoende bewegen of motorisch vaardig zijn, is het cruciaal dat zij structureel in aanraking komen met sport en bewegen. Scholen spelen hier een belangrijke rol in, omdat die vrijwel alle kinderen kunnen bereiken, ongeacht hun achtergrond. Het is daarom noodzakelijk om zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het bewegingsonderwijs en de verschillende beweegmomenten gedurende de schooldag in kaart te brengen, inclusief de ontwikkeling daarvan over de tijd. Met deze inzichten kunnen we beleid op de lange termijn gericht informeren en bijsturen.

Sinds de vorige meting van deze reeks peilingonderzoeken in 2021 (Slot-Heijs et al., 2021) heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan die invloed hebben op het bewegingsonderwijs in Nederland.

Wettelijke verplichting bewegingsonderwijs

In februari 2020 is een amendement1 aangenomen waardoor iedere basisschool vanaf het schooljaar 2023-2024 wettelijk verplicht is om 90 minuten (ofwel twee lesuren) bewegingsonderwijs per week te verzorgen voor alle leerjaren. Dit onderwijs moet verzorgd worden door een (vak)leerkracht die de bevoegdheid heeft om bewegingsonderwijs te geven (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023). De Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO) adviseert om dit bewegingsonderwijs te verspreiden over twee lesuren (KVLO, z.d.).

Deze wettelijke verankering is bedoeld om bij te dragen aan voldoende en goed bewegingsonderwijs, waarmee de basis wordt gelegd om op latere leeftijd gezond, vaardig en sportief door het leven te gaan (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023).

Wegvallen NPO-gelden

Een andere ontwikkeling is het wegvallen van de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs (NPO). In de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 stelde de overheid via dit programma extra geld beschikbaar voor het primair onderwijs om leerachterstanden door de coronapandemie te herstellen (Nationaal Programma Onderwijs, z.d.).

Scholen mochten deze middelen inzetten voor bewezen effectieve interventies, waaronder de versterking van het beweegaanbod, bijvoorbeeld via extra gymlessen, de inzet van buurtsportcoaches of naschoolse activiteiten. Sommige scholen zetten de NPO-gelden in om te voldoen aan de wettelijke verplichting van 90 minuten bewegingsonderwijs door een bevoegde (vak)leerkracht.

Het wegvallen van de gelden kan betekenen dat eerder gerealiseerde uitbreidingen van het beweegaanbod onder druk komen te staan, omdat hiervoor (nog) geen structurele oplossing is gevonden.

Subsidieregelingen

Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs

Scholen konden tot augustus 2024 de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs aanvragen. De middelen uit deze regeling konden ze gebruiken om:

  • de verplichte 90 minuten per week te halen;

  • extra lessen boven op de verplichte 90 minuten te geven; of

  • bewegen door de schooldag heen te stimuleren (Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen, z.d.-a).

School en Omgeving

Met ingang van 2023 is de subsidieregeling School en Omgeving in werking getreden (Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen, z.d.-b). Deze regeling is opgezet om leerlingen extra buitenschoolse activiteiten aan te bieden op het gebied van sport of cultuur.

Het doel is om kansengelijkheid te bevorderen bij kinderen en jongeren tot 18 jaar. De regeling richt zich op scholen met relatief hoge onderwijsachterstanden of relatief hoge aantallen leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond (Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen, z.d.-b).

Op het gebied van sport kunnen scholen de subsidie bijvoorbeeld inzetten voor naschoolse sportactiviteiten in samenwerking met buurtsportcoaches of sportverenigingen. Ze mogen deze subsidie niet inzetten om personeel te financieren dat (delen van) het reguliere curriculum verzorgt. Dit betekent dat scholen deze middelen niet kunnen gebruiken om aan de wettelijk verplichte 90 minuten bewegingsonderwijs door een bevoegde (vak)leerkracht te voldoen.

Herziening kerndoelen bewegingsonderwijs

SLO, het landelijke expertisecentrum voor het curriculum, werkte in 2023 en 2024 aan de conceptkerndoelen voor onder andere het primair onderwijs, waaronder die voor het leergebied Bewegen en Sport. In november 2025 hebben ze de definitieve conceptkerndoelen opgeleverd (SLO, 2025).

In de kerndoelen staat duidelijk welke kennis en vaardigheden leerlingen moeten ontwikkelen en welke ervaringen zij moeten opdoen op het gebied van bewegen. Hiermee wordt duidelijk wat iedere leerling moet kennen, kunnen en hebben ervaren. De kerndoelen geven richting aan het onderwijsaanbod en laten ook ruimte voor scholen en leraren om eigen keuzes te maken.

In de nieuwe kerndoelen is er, naast leren bewegen, aandacht voor de kennis en vaardigheden die nodig zijn om samen te bewegen en beweegactiviteiten te regelen. Ook krijgen leerlingen ruimte om kennis te maken met verschillende beweeg- en sportculturen en te onderzoeken wat bij hen past (SLO, 2025).

1.2 Aanleiding voor deze monitor

Het huidige onderzoek is de vierde keer dat we de stand van zaken rond het bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs onderzoeken (figuur 1.1).

Figuur 1.1 Overzicht van de uitgevoerde metingen. Bron: Mulier Instituut.
Visuele weergave van de metingen tot nu toe
Uitgebreide beschrijving
  • 0-meting: schooljaar 2012-2013 (Reijgersberg et al., 2013)

  • 1-meting: schooljaar 2016-2017 (Slot-Heijs et al., 2017)

  • 2-meting: schooljaar 2021-2022 (Slot-Heijs et al., 2021)

  • 3-meting: schooljaar 2024-2025

Het monitoren van het aantal minuten bewegingsonderwijs per schoolweek in het primair onderwijs is één van de twintig Kernindicatoren Sport en Bewegen (Sport en bewegen in cijfers, z.d.). De belangrijkste ontwikkelingen binnen sport en bewegen in de loop van de tijd worden verkregen door cijfers over deze indicatoren te verzamelen.

Naast de twintig kernindicatoren verzamelen we in dit onderzoek ook andere cijfers over het bewegingsonderwijs. Onder andere over de bevoegdheid van de leerkracht en het gebruik van meetinstrumenten om de motorische vaardigheden van leerlingen in kaart te brengen. Het Mulier Instituut verzamelt deze cijfers in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

De cijfers leveren we aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Op basis van het onderzoek formuleren we adviezen voor het ministerie van VWS.

1.3 Doelstelling

In dit rapport onderzoeken we de volgende vraag: Wat is de huidige stand van zaken rond bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs en hoe verhoudt de huidige situatie zich tot eerdere metingen?

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 beschrijven we de onderzoeksmethode die we hebben gebruikt om data te verzamelen en analyseren. In hoofdstuk 3 staan de resultaten over het bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs:

  • lestijd bewegingsonderwijs (paragraaf 3.1);

  • leerkracht bewegingsonderwijs (paragraaf 3.2);

  • accommodaties voor het bewegingsonderwijs (paragraaf 3.3);

  • voldoen aan de wettelijke verplichting van wekelijks 90 minuten bewegingsonderwijs door een bevoegde leerkracht (paragraaf 3.4);

  • vakinhoudelijke aanpak van het bewegingsonderwijs (paragraaf 3.5);

  • beoordelingen van en belemmeringen bij het bewegingsonderwijs (paragraaf 3.6);

  • overige sport- en beweegactiviteiten op scholen naast het bewegingsonderwijs (paragraaf 3.7).

In hoofdstuk 4 beschrijven we de overkoepelende conclusies en doen we aanbevelingen. De bijlage bevat verdiepende resultaten.

Hoofdstuk 2 Onderzoeksmethode

In dit hoofdstuk beschrijven we de onderzoeksmethode die we hebben gebruikt om een actueel beeld van het bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs te krijgen.

2.1 Dataverzameling en deelnemers

Om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van het bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs, hebben we een vragenlijst opgesteld en uitgezet onder schoolleiders van scholen in het primair onderwijs (exclusief speciaal onderwijs). Om de vergelijkbaarheid met eerdere metingen te waarborgen, is de manier van dataverzameling gelijk gebleven aan die uit 2016/2017 en 2020/2021.

De vragenlijst is ook grotendeels gelijk gebleven aan die van voorgaande jaren. Vragen die niet meer relevant waren, zoals over de organisatie van het bewegingsonderwijs tijdens de coronaperiode, hebben we verwijderd. Daarnaast hebben we sommige vragen aangepast of aangevuld om ze beter aan te laten sluiten bij de huidige situatie. Bijvoorbeeld over de wettelijke verplichting van 90 minuten bewegingsonderwijs door een bevoegde (vak)leerkracht. Ten slotte hebben we enkele vragen op detailniveau aangepast.

De vragenlijst hebben we in april en mei 2025 uitgezet onder het ‘Directeurenpanel PO’ van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) Onderwijsonderzoek & Advies, een panel dat uit ruim vijfhonderd schoolleiders bestaat. Daarnaast hebben we 5.700 schoolleiders uit de onderwijsdatabase van DUO benaderd die geen deel uitmaken van het panel. Beide groepen hebben eenmalig een herinnering ontvangen. In totaal hebben 818 schoolleiders de vragenlijst ingevuld.

2.2 Analyse

In tabel 2.1 staat een overzicht van drie achtergrondkenmerken voor zowel de responsgroep als de totale populatie (alle scholen in het primair onderwijs): denominatie, regio en stedelijkheid.

De populatiegegevens zijn afkomstig uit openbare DUO-data (Dienst Uitvoering Onderwijs, 2025). Regio- en stedelijkheidgegevens zijn afkomstig uit openbare datasets van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze hebben we gekoppeld aan de data op basis van postcode (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2024; Centraal Bureau voor de Statistiek, 2025).

Voor het kenmerk regio hebben we de Nielsen-indeling gebruikt. Hierbij zitten de drie grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag (plus randgemeenten) in cluster 1. Cluster 2 bestaat uit Noord- en Zuid-Holland en Utrecht (exclusief de drie grote steden en randgemeenten uit cluster 1). Cluster 3 bevat de noordelijke provincies (Friesland, Groningen en Drenthe), cluster 4 de oostelijke provincies (Flevoland, Gelderland en Overijssel) en cluster 5 de zuidelijke provincies (Zeeland, Noord-Brabant en Limburg).

Tabel 2.1 Achtergrondkenmerken en representativiteit van de responsgroep (in procenten, n = 818). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025; Dienst Uitvoering Onderwijs, 2025.

Categorie

Kenmerk

Respons

Populatie

Denominatie

Openbaar

33%

31%

Denominatie

Rooms-katholiek

32%

30%

Denominatie

Protestants-christelijk

27%

29%

Denominatie

Anders

8%

10%

Nielsen- cluster

Cluster I: A'dam, R'dam, Den Haag plus randgemeenten

11%

8%

Nielsen- cluster

Cluster II: Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht (excl. Nielsen I)

31%

31%

Nielsen- cluster

Cluster III: Groningen, Friesland, Drenthe

11%

14%

Nielsen- cluster

Cluster IV: Overijssel, Gelderland, Flevoland

21%

25%

Nielsen- cluster

Cluster V: Zeeland, Noord-Brabant, Limburg

25%

22%

Stedelijkheid

Zeer sterk stedelijk

16%

18%

Stedelijkheid

Sterk stedelijk

26%

26%

Stedelijkheid

Matig stedelijk

19%

17%

Stedelijkheid

Weinig stedelijk

18%

28%

Stedelijkheid

Niet stedelijk

21%

10%

De responsgroep vormt op alle drie de achtergrondkenmerken een goede afspiegeling van de populatie. Om de resultaten goed vergelijkbaar te houden met voorgaande jaren, hebben we gekozen voor een weging op dezelfde wijze: naar denominatie, regio en stedelijkheid van de gemeente.

Hoofdstuk 3 Resultaten

In dit hoofdstuk beschrijven we de resultaten van de monitor bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs. Waar mogelijk vergelijken we deze met de eerdere metingen.

3.1 Lestijd voor bewegingsonderwijs

Aantal lesminuten en aantal lessen bewegingsonderwijs

We hebben de schoolleiders vragen gesteld over het aantal minuten en het aantal lessen bewegingsonderwijs per week. Eerst beschrijven we de resultaten van het aantal minuten. Dit betreft het aantal ingeroosterde lesminuten, exclusief reistijd van/naar de gymzaal. Schoolzwemmen, sportieve (pauze)activiteiten en beweegactiviteiten tijdens/na schooltijd nemen we hierin niet mee. Vervolgens presenteren we de bevindingen van het aantal lessen per week. Voor deze lessen hebben we geen informatie over de duur van één les.

Ingeroosterde lestijd per week

Groep 1-2

De ingeroosterde lestijd voor het bewegingsonderwijs in groep 1-2 neemt significant af. Leerlingen in groep 1-2 krijgen in 2024/2025 gemiddeld 109 minuten bewegingsonderwijs per week (niet in figuur). Dit is minder dan in 2020/2021 (119 minuten), 2016/2017 (113 minuten) en 2012/2013 (121 minuten).

Het aandeel scholen dat minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs aanbiedt in groep 1-2, blijft al die jaren nagenoeg gelijk. Maar het aandeel scholen dat méér dan 90 minuten bewegingsonderwijs aanbiedt, is significant afgenomen ten opzichte van eerdere metingen (figuur 3.1).

Groep 3-8

Het aandeel scholen dat minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs aanbiedt aan groep 3-8 en dus voldoet aan de wettelijke norm, is significant toegenomen: van drie kwart van de scholen in 2020/2021 (74%) naar negen op de tien in 2024/2025 (89%; figuur 3.1).

De ingeroosterde lestijd voor het bewegingsonderwijs in groep 3-8 is vrijwel gelijk gebleven aan eerdere metingen. Leerlingen in groep 3-8 krijgen in 2024/2025 gemiddeld 92 minuten bewegingsonderwijs per week (niet in figuur). In 2012/2013 was dit 91 minuten, in 2016/2017 89 minuten en in 2020/2021 91 minuten (niet in figuur).

Figuur 3.1 Ingeroosterde lestijd bewegingsonderwijs per week (in procenten, n=1.083 (2012/2013), n=788 (2016/2017), n=839 (2020/2021), n=818 (2024/2025)). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs 2013, 2017, 2021 en 2025.
Staafdiagram die weergeeft hoeveel lestijd scholen in verschillende groepen en jaren inroosterden voor gym
Uitgebreide beschrijving

In alle groepen zitten steeds meer scholen op precies 90 minuten gym per week. Met name in groep 1-2 neemt het aandeel dat meer dan 90 minuten gym inroostert sterk af sinds 2012.

De cijfers voor groep 1-2 zijn:

  • 2012-2013: 11% minder dan 60 minuten, 18% 60-89 minuten, 17% 90 minuten en 54% meer dan 90 minuten.

  • 2016-2017: 12% minder dan 60 minuten, 18% 60-89 minuten, 22% 90 minuten en 48% meer dan 90 minuten.

  • 2020-2021: 12% minder dan 60 minuten, 15% 60-89 minuten, 27% 90 minuten en 45% meer dan 90 minuten.

  • 2024-2025: 6% minder dan 60 minuten, 13% 60-89 minuten, 47% 90 minuten en 30% meer dan 90 minuten.

De cijfers voor groep 3-8 zijn:

  • 2012-2013: 4% minder dan 60 minuten, 18% 60-89 minuten, 56% 90 minuten en 21% meer dan 90 minuten.

  • 2016-2017: 7% minder dan 60 minuten, 17% 60-89 minuten, 59% 90 minuten en 17% meer dan 90 minuten.

  • 2020-2021: 5% minder dan 60 minuten, 21% 60-89 minuten, 52% 90 minuten en 22% meer dan 90 minuten.

  • 2024-2025: 1% minder dan 60 minuten, 10% 60-89 minuten, 70% 90 minuten en 19% meer dan 90 minuten.

Verschillen tussen scholen
  • Type leerkracht: scholen waar enkel bevoegde groepsleerkrachten het bewegingsonderwijs in groep 1-2 verzorgen, roosteren wekelijks gemiddeld 19 minuten meer lestijd in dan scholen waar enkel vakleerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgen. Scholen waar een combinatie van bevoegde groeps- en vakleerkrachten het bewegingsonderwijs in groep 1-2 verzorgen, roosteren wekelijks gemiddeld 22 minuten meer lestijd in dan scholen waar enkel vakleerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgen.

  • Regio: in de drie grote steden roosteren scholen voor groep 1-2 gemiddeld 99 minuten bewegingsonderwijs per week in, significant minder dan scholen in de zuidelijke provincies (118 minuten). Voor groep 3-8 roosteren scholen in de drie grote steden (96 minuten per week) en zuidelijke provincies (95 minuten per week) significant meer lestijd in voor het bewegingsonderwijs dan scholen in de westelijke en oostelijke provincies (beide 91 minuten per week).

Aantal lessen bewegingsonderwijs per week

Groep 1-2

Het aantal lessen bewegingsonderwijs dat leerlingen in groep 1-2 krijgen, neemt af. In 2024/2025 geven scholen in groep 1-2 gemiddeld 2,1 lessen bewegingsonderwijs per week (niet in figuur). Daarmee zet de daling door die tussen 2013 en 2021 al zichtbaar was (van gemiddeld 3,2 naar 2,6 lessen per week).

Ook daalt het aandeel scholen dat drie of meer lessen aanbiedt significant: van 36 procent in 2020/2021 naar 26 procent in 2024/2025. Het aandeel dat twee lessen per week aanbiedt, neemt significant toe: van 44 naar 59 procent (figuur 3.2).

Groep 3-8

In groep 3-8 blijft het gemiddelde aantal lessen met 1,9 lessen per week stabiel vergeleken met voorgaande metingen (niet in figuur). Wel neemt het aandeel scholen dat minimaal twee keer per week bewegingsonderwijs aanbiedt significant toe: van 77 procent in 2020/2021 naar 88 procent in 2024/2025 (figuur 3.2).

Figuur 3.2 Aantal ingeroosterde lessen bewegingsonderwijs per week (in procenten, n=1.083 (2012/2013), n=788 (2016/2017), n=839 (2020/2021), n=818 (2024/2025)). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2013, 2017, 2021 en 2025.
Staafdiagram die weergeeft hoeveel lessen gym scholen in verschillende groepen en jaren inroosterden
Uitgebreide beschrijving

In alle groepen zitten steeds meer scholen op 2 lessen gym per week. In groep 3-8 inmiddels zelfs bijna alle scholen.

De cijfers voor groep 1-2 zijn:

  • 2012-2013: 14% 1 les, 33% 2 lessen, 54% 3-5 lessen.

  • 2016-2017: 17% 1 les, 40% 2 lessen, 43% 3-5 lessen.

  • 2020-2021: 20% 1 les, 44% 2 lessen, 36% 3-5 lessen.

  • 2024-2025: 14% 1 les, 59% 2 lessen, 26% 3-5 lessen.

De cijfers voor groep 3-8 zijn:

  • 2012-2013: 21% 1 les, 76% 2 lessen, 3% 3-5 lessen.

  • 2016-2017: 23% 1 les, 74% 2 lessen, 4% 3-5 lessen.

  • 2020-2021: 23% 1 les, 75% 2 lessen, 2% 3-5 lessen.

  • 2024-2025: 12% 1 les, 87% 2 lessen, 1% 3-5 lessen.

Verschillen tussen scholen
  • Type leerkracht: scholen waar enkel vakleerkrachten het bewegingsonderwijs in groep 1-2 geven, kiezen significant vaker voor twee lessen per week (66%) dan scholen waar enkel groepsleerkrachten (48%) of een combinatie van groeps- en vakleerkrachten (52%) de lessen verzorgen. Scholen waar enkel bevoegde groepsleerkrachten (35%) of een combinatie van bevoegde groeps- en vakleerkrachten (33%) het bewegingsonderwijs in groep 1-2 verzorgen, kiezen significant vaker voor drie tot vijf lessen per week dan scholen waar enkel vakleerkrachten de lessen verzorgen (20%). In groep 3-8 verschilt het aantal lessen per week niet tussen de typen leerkrachten.

  • Regio: scholen in de oostelijke provincies geven significant vaker één les bewegingsonderwijs per week in groep 1-2 (20%) dan scholen in de drie grote steden (8%) en de zuidelijke provincies (12%). Scholen in de drie grote steden (69%) en de westelijke provincies (64%) geven significant vaker twee lessen bewegingsonderwijs per week in groep 1-2 dan scholen in de noordelijke provincies (53%). Scholen in de noordelijke (33%) en zuidelijke (32%) provincies geven significant vaker drie tot vijf lessen per week in groep 1-2 dan scholen in de westelijke (22%) en oostelijke (22%) provincies.

3.2 Leerkracht bewegingsonderwijs

Soorten bevoegdheden

Er bestaan verschillende soorten bevoegdheden waarmee leerkrachten bewegingsonderwijs mogen geven.

  • Een vakleerkracht bewegingsonderwijs is iemand die is afgestudeerd aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) of aan de ALO-pabo.

  • Een groepsleerkracht heeft de pabo afgerond en heeft één van de volgende bevoegdheden voor het geven van bewegingsonderwijs:

    • Een oude brede bevoegdheid: groepsleerkrachten die voor 2005 zijn afgestudeerd aan de pabo zijn automatisch bevoegd voor het geven van bewegingsonderwijs aan groep 1 t/m 8.

    • Een nieuwe brede bevoegdheid: groepsleerkrachten die na 2005 zijn afgestudeerd aan de pabo en de aanvullende Leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs hebben afgerond, zijn ook bevoegd voor bewegingsonderwijs aan de groepen 3 t/m 8.

    • Een tijdelijke brede bevoegdheid: groepsleerkrachten die na 2005 zijn afgestudeerd aan de pabo en momenteel de Leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs volgen, zijn bevoegd voor bewegingsonderwijs aan de groepen 3 t/m 8 zolang de leergang loopt.

    • Bevoegdheid voor groep 1-2: groepsleerkrachten die na 2005 zijn afgestudeerd aan de pabo en geen Leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs volgen of hebben gevolgd, zijn bevoegd voor bewegingsonderwijs aan de groepen 1-2, maar niet aan groep 3 t/m 8.

Wie verzorgen de lessen bewegingsonderwijs?

Aangepaste vraagstelling

In de vorige meting (2-meting) onderzochten we welke leerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgden, waarbij scholen konden kiezen uit:

  • groepsleerkracht;

  • vakleerkracht;

  • groepsleerkracht en vakleerkracht.

Naar aanleiding van de nieuwe wettelijke verplichting, hebben we in deze meting meer nadruk gelegd op de bevoegdheid van degene die het bewegingsonderwijs verzorgt. Daarom waren de antwoordopties nu:

  • bevoegde groepsleerkracht;

  • vakleerkracht;

  • bevoegde groepsleerkracht en vakleerkracht;

  • deels bevoegde en deels onbevoegde personen;

  • onbevoegde personen (personen zonder onderwijsbevoegdheid, zoals stagiairs of mbo Sport en Bewegen).

Door deze wijzigingen kunnen we bepalen hoeveel scholen voldoen aan de wettelijke verplichting van een bevoegde leerkracht voor het bewegingsonderwijs. Door de wijzigingen kunnen we de resultaten van deze meting niet vergelijken met die van eerdere metingen.

In groep 1-2 verzorgt in 2024/2025 op meer dan een derde (38%) van de scholen enkel een bevoegde groepsleerkracht de lessen bewegingsonderwijs. In groep 3-8 is dit op slechts één op de tien scholen het geval (11%). Het bewegingsonderwijs wordt significant vaker door enkel vakleerkrachten verzorgd in groep 3-8 (54%) dan in groep 1-2 (22%: figuur 3.3).

Figuur 3.3 Wie verzorgen de lessen bewegingsonderwijs? Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft wat voor leerkrachten gym geven
Uitgebreide beschrijving

Groep 1-2:

  • 34% bevoegde groepsleerkracht en vakleerkracht

  • 38% enkel bevoegde groepsleerkracht

  • 22% enkel vakleerkracht

  • 6% deels onbevoegde en deels bevoegde mensen

  • 1% enkel onbevoegde mensen

Groep 3-8:

  • 24% bevoegde groepsleerkracht en vakleerkracht

  • 11% enkel bevoegde groepsleerkracht

  • 54% enkel vakleerkracht

  • 11% deels onbevoegde en deels bevoegde mensen

  • 1% enkel onbevoegde mensen

Bij groep 1-2 valt onder ‘bevoegde groepsleerkracht’ ook de groepsleerkracht met uitsluitend een pabo-opleiding. Voor groep 3-8 betreft dit uitsluitend groepsleerkrachten die naast de pabo aanvullend bevoegd zijn voor bewegingsonderwijs (Leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs of een oude brede bevoegdheid). In figuur 3.4 geven we een overzicht van de specifieke bevoegdheden van de groepsleerkrachten.

De resultaten voor de antwoordoptie 'enkel vakleerkracht' kunnen we met de eerdere metingen vergelijken, omdat deze antwoordoptie er toen ook was. Steeds meer scholen kiezen ervoor om het bewegingsonderwijs door enkel vakleerkrachten te laten verzorgen.

In groep 1-2 nam het aandeel scholen waar enkel een vakleerkracht het bewegingsonderwijs verzorgt toe van 5 procent in 2012/2013, via 9 procent in 2016/2017 en 13 procent in 2020/2021, tot 22 procent in 2024/2025 (niet in figuur). Ook in groep 3-8 was een toename te zien: van 25 procent naar 27 procent, 44 procent en 54 procent (niet in figuur).

Op scholen waar zowel groeps- als vakleerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgen (34% in groep 1-2 en 24% in groep 3-8), werken groeps- en vakleerkrachten onder andere samen om de lesactiviteiten af te stemmen (48%) en vorderingen van leerlingen te bespreken (45%; figuur B1.1 in de bijlage).

Verschillen tussen scholen
  • Mate van stedelijkheid: op scholen in (zeer) sterk stedelijke gemeenten wordt het bewegingsonderwijs in groep 1-2 significant minder vaak gegeven door enkel bevoegde groepsleerkrachten (28%) en vaker door een combinatie van bevoegde groeps- en vakleerkrachten (39%) dan in matig stedelijke (resp. 42% en 28%) en weinig tot niet-stedelijke gemeenten (resp. 47% en 31%). In groep 3-8 verzorgen significant vaker enkel vakleerkrachten het bewegingsonderwijs op scholen in (zeer) sterk stedelijke gemeenten (69%) dan op scholen in minder stedelijke gemeenten (49% in matig stedelijk en 39% in weinig tot niet-stedelijk).

  • Regio: in de drie grote steden verzorgen significant vaker enkel vakleerkrachten het bewegingsonderwijs in zowel groep 1-2 (40%) als groep 3-8 (94%) dan in de andere delen van het land (in groep 1-2 16-26% en in groep 3-8 36-69%). Op scholen in de westelijke provincies verzorgen ook significant vaker vakleerkrachten het bewegingsonderwijs in groep 3-8 (69%) dan op scholen in de noordelijke (45%), oostelijke (43%) en zuidelijke (36%) provincies. Op scholen in de noordelijke (16%) en zuidelijke provincies (15%) verzorgen significant vaker (deels) onbevoegde personen het bewegingsonderwijs in groep 3-8 dan in de drie grote steden (3%) en de westelijke provincies (7%).

Bevoegdheid groepsleerkrachten

Het grootste deel van de scholen waar groepsleerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgen, heeft ten minste één leerkracht met een oude brede bevoegdheid (74% in groep 1-2 en 87% in groep 3-8). Daarna volgt de groep scholen met ten minste één leerkracht met een nieuwe brede bevoegdheid (33% in groep 1-2 en 72% in groep 3-8). Opvallend is dat op een klein deel van de scholen ten minste één groepsleerkracht met uitsluitend een bevoegdheid voor groep 1-2 (ook) lesgeeft aan groep 3-8 (12%; figuur 3.4).

In vorige metingen konden de schoolleiders slechts één antwoordoptie invullen. In deze 3-meting hebben we dit aangepast, waardoor ze meerdere antwoorden konden geven. Hierdoor zijn de resultaten van deze meting niet direct vergelijkbaar met voorgaande metingen.

Figuur 3.4 Welke bevoegdheid hebben de groepsleerkrachten die de lessen bewegingsonderwijs verzorgen? Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft welke bevoegdheid gymleerkrachten hebben
Uitgebreide beschrijving

Groep 1-2:

  • 74% oude brede bevoegdheid

  • 33% nieuwe brede bevoegdheid

  • 2% tijdelijke brede bevoegdheid

  • 47% bevoegdheid voor groep 1-2

  • 1% weet ik niet

Groep 3-8:

  • 87% oude brede bevoegdheid

  • 72% nieuwe brede bevoegdheid

  • 12% tijdelijke brede bevoegdheid

  • 12% bevoegdheid voor groep 1-2

  • 2% weet ik niet

Van de leerkrachten met een oude brede bevoegdheid geven er acht op de tien alleen les aan hun eigen groep of klas (79%). De leerkrachten met een nieuwe brede bevoegdheid geven vaker les aan meerdere groepen (36%, niet in figuur).

Verschillen tussen scholen
  • Mate van stedelijkheid: op scholen in (zeer) sterk en matig stedelijke gemeenten verzorgen groepsleerkrachten met een bevoegdheid voor uitsluitend groep 1-2 significant vaker het bewegingsonderwijs in groep 1-2 (beiden 52%) dan op scholen in weinig tot niet-stedelijke gemeenten (39%).

  • Regio: op scholen in de drie grote steden (65%) en de westelijke provincies (60%) verzorgen groepsleerkrachten met een bevoegdheid voor uitsluitend groep 1-2 significant vaker het bewegingsonderwijs in groep 1-2 dan op de scholen in de rest van het land (34-41%).

Aanstelling en financiering van vakleerkrachten

Van de scholen waar een vakleerkracht (een deel van) het bewegingsonderwijs verzorgt, is deze bij zeven op de tien scholen rechtstreeks in dienst bij de school of directie zelf (69%). Dit is vergelijkbaar met 2020/2021 (66%; figuur B1.2 in de bijlage).

Een klein deel van de scholen (8%; figuur B1.3 in de bijlage) zet buurtsportcoaches of combinatiefunctionarissen in vanuit de Brede Regeling Combinatie (BRC). Vanaf 2027 mogen BRC-functionarissen niet meer ingezet worden als vakleerkracht bewegingsonderwijs. Wat daar de mogelijke gevolgen van zijn, is te lezen in het rapport van Keijzer & Van Stam (2025).

Maatregelen als er geen bevoegde leerkracht beschikbaar is

Als er incidenteel geen bevoegde leerkracht beschikbaar is om het bewegingsonderwijs te verzorgen, vervangen zeven op de tien scholen de les weleens door buitenspelen (70%, figuur 3.5). Daarnaast geeft één op de vier scholen (39%) aan dat de uren in dat geval soms uitvallen. Voor een kwart van de scholen (25%) is deze situatie niet van toepassing, omdat het nooit voorkomt dat er geen bevoegde leerkracht beschikbaar is.

Figuur 3.5 Maatregelen als er incidenteel geen bevoegde leerkracht beschikbaar is. Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
De meeste scholen vervangen de les door buitenspelen (70%), of de uren vallen uit (39%). Klassen samenvoegen (22%) en les door onbevoegde leerkracht (17%) komen minder voor.

Twee derde (68%) van de scholen waar een onbevoegde leerkracht de les verzorgt als er incidenteel geen bevoegde leerkracht beschikbaar is (17%), zet dan een groepsleerkracht zonder bevoegdheid in. Welke andere onbevoegde personen het bewegingsonderwijs verzorgen, is te zien in figuur B1.4 in de bijlage.

3.3 Accommodaties voor bewegingsonderwijs

We hebben ook onderzocht welke accommodaties scholen gebruiken voor het bewegingsonderwijs.

Structureel en incidenteel gebruik van accommodaties

Scholen kunnen structureel of incidenteel gebruik maken van een accommodatie. Met structureel gebruik bedoelen we gedurende het hele of een deel van het schooljaar (bijv. het gebruik van een sportveld in de lente en zomer). Met incidenteel gebruik bedoelen we maximaal zes keer per jaar. We beschrijven in dit rapport alleen het structurele gebruik van de accommodaties.

Structureel gebruik van verschillende typen accommodaties

De meeste scholen gebruiken structureel een speelzaal voor het bewegingsonderwijs (84%). Daarnaast gebruikt twee derde (66%) een gymzaal en bijna de helft (49%) een schoolplein structureel voor het bewegingsonderwijs (figuur 3.6).

Het aandeel scholen dat structureel gebruik maakt van buitenaccommodaties (schoolpleinen, speelpleinen, openbare speelpleinen, gras- en sportvelden) voor het bewegingsonderwijs, is over de jaren heen toegenomen. Het gebruik van schoolpleinen is significant toegenomen: van 32 procent in 2012/2013 naar 49 procent in 2024/2025 (figuur 3.6). Ook het gebruik van openbare speelpleinen of grasvelden nam in die periode toe: van 9 procent naar 26 procent. En dat van sportvelden verdubbelde van 7 procent naar 14 procent (figuur 3.6).

Figuur 3.6 Accommodaties die scholen structureel gebruiken voor het bewegingsonderwijs. Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2013, 2017, 2021 en 2025.
Staafdiagram die laat zien welke accommodaties scholen voor gym gebruiken
Uitgebreide beschrijving

In alle meetjaren gebruikten scholen het vaakst een speelzaal (voor kleuters/onderbouw, 81-84%) en een gymzaal (wel gedaald van 79% in 2012-2013 naar 66% in 2024-2025). Het schoolplein wordt steeds vaker gebruikt (van 32 naar 49% van de scholen). Ook de sportzaal (25 naar 32%), een openbaar speelplein/grasveld (9 naar 26%) en een sportveld (7 naar 14%) komen wat vaker voor. In 2012-2013 gebruiken nog veel scholen een sporthal (36%), maar daarna veel minder (nu 18%).

Verschillen tussen scholen
  • Type leerkracht: scholen waar een combinatie van bevoegde groeps- en vakleerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgt, maken significant vaker structureel gebruik van een sportveld (22%) dan de scholen waar enkel vakleerkrachten (13%), bevoegde groepsleerkrachten (8%) en (deels) onbevoegde personen (11%) het bewegingsonderwijs verzorgen. Bovendien maken deze scholen significant vaker gebruik van een sporthal (24%), schoolplein (57%) en openbaar speelplein of grasveld (33%) dan scholen waar enkel vakleerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgen (resp. 14%, 44% en 23%).

  • Mate van stedelijkheid: scholen in (zeer) sterk stedelijke gemeenten maken significant vaker structureel gebruik van een gymzaal (70%), maar significant minder vaak van een sporthal (13%) dan scholen in weinig tot niet-stedelijke gemeenten (resp. 62% en 23%).

  • Regio: scholen in de noordelijke provincies gebruiken significant vaker sportvelden voor het bewegingsonderwijs (25%) dan scholen in de rest van Nederland (9-15%).

Verplaatsing naar accommodaties

Hoe scholen zich naar de accommodaties verplaatsen, is afhankelijk van het soort accommodatie waar ze gebruik van maken. Een speelzaal en schoolplein zijn bij het merendeel van de scholen (resp. 61% en 56%) bij de school zelf, waardoor de leerlingen zich niet hoeven te verplaatsen.

De overige accommodaties bereiken ze veelal lopend (63-69%). Een sporthal ligt vaak wat verder weg. Daar gaan vier op de tien scholen (42%) met de fiets naartoe en 15 procent met de bus. Voor een sportzaal geldt dit in mindere mate: op een kwart van de scholen (26%) fietsen de leerlingen hiernaartoe, terwijl 7 procent van de scholen de sportzaal met de bus bereikt (tabel 3.1).

De meeste accommodaties bereiken scholen in minder dan tien minuten met het gekozen vervoersmiddel. Sommige scholen doen er langer dan tien minuten over om een gymzaal, sportzaal, sporthal en sportveld te bereiken, maar zelden langer dan twintig minuten (tabel 3.1).

Tabel 3.1 Vervoerswijze en reistijd naar accommodaties voor het bewegingsonderwijs (in procenten, n=818), meerdere antwoorden mogelijk. Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.

Accommodaties (% scholen)

Vervoerswijze (% scholen die de accommodatie gebruiken)

Reistijd <5 min (% scholen die deze vervoerswijze gebruiken)

Reistijd 5-10 min (% scholen die deze vervoerswijze gebruiken)

Reistijd 11-20 min (% scholen die deze vervoerswijze gebruiken)

Reistijd >20 min (% scholen die deze vervoerswijze gebruiken)

Speelzaal (84%)

Lopen (38%)

96%

3%

0%

0%

Speelzaal (84%)

Fietsen (3%)

100%

0%

0%

0%

Speelzaal (84%)

Bus (1%)

84%

16%

0%

0%

Speelzaal (84%)

N.v.t.: locatie is bij school zelf (61%)

-

-

-

-

Gymzaal (66%)

Lopen (63%)

44%

31%

21%

4%

Gymzaal (66%)

Fietsen (15%)

24%

53%

22%

2%

Gymzaal (66%)

Bus (4%)

0%

58%

42%

0%

Gymzaal (66%)

N.v.t.: locatie is bij school zelf (32%)

-

-

-

-

Schoolplein (49%)

Lopen (44%)

99%

1%

0%

0%

Schoolplein (49%)

Fietsen (4%)

82%

18%

0%

0%

Schoolplein (49%)

Bus (0%)

-

-

-

-

Schoolplein (49%)

N.v.t.: locatie is bij school zelf (56%)

-

-

-

-

Sportzaal (32%)

Lopen (68%)

31%

42%

21%

6%

Sportzaal (32%)

Fietsen (26%)

12%

52%

35%

1%

Sportzaal (32%)

Bus (7%)

7%

39%

48%

6%

Sportzaal (32%)

N.v.t.: locatie is bij school zelf (17%)

-

-

-

-

Openbaar speelplein/grasveld (27%)

Lopen (68%)

77%

21%

2%

0%

Openbaar speelplein/grasveld (27%)

Fietsen (5%)

46%

54%

0%

0%

Openbaar speelplein/grasveld (27%)

Bus (0%)

-

-

-

-

Openbaar speelplein/grasveld (27%)

N.v.t.: locatie is bij school zelf (32%)

-

-

-

-

Sporthal (18%)

Lopen (66%)

30%

34%

30%

6%

Sporthal (18%)

Fietsen (42%)

14%

47%

35%

5%

Sporthal (18%)

Bus (15%)

0%

48%

47%

5%

Sporthal (18%)

N.v.t.: locatie is bij school zelf (6%)

-

-

-

-

Sportveld (14%)

Lopen (69%)

54%

32%

13%

0%

Sportveld (14%)

Fietsen (14%)

21%

60%

18%

0%

Sportveld (14%)

Bus (1%)

0%

100%

0%

0%

3.4 Wettelijke verplichting bewegingsonderwijs

Percentage dat voldoet aan de verplichting

In 2024/2025 voldoen in groep 1-2 zeven op de tien scholen (71%) aan beide wettelijke verplichtingen voor het bewegingsonderwijs (76% aan de 90-minutennorm en 94% aan de verplichting voor een bevoegde leerkracht). In groep 3-8 voldoen acht op de tien scholen (79%) aan beide wettelijke verplichtingen (89% aan de 90-minutennorm en 89% aan de verplichting voor een bevoegde leerkracht).

Ruim drie op de vijf scholen (62%) voldoen bij alle groepen (groep 1 t/m 8) aan beide wettelijke verplichtingen (niet in figuur). Dit aandeel is nagenoeg hetzelfde als in schooljaar 2023/2024, waarin de wettelijke verplichting voor het eerst van kracht was (59%; Vrieswijk et al., 2024).

Belemmeringen om aan de wet te voldoen

Minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs per week

Van de scholen die niet voor elke groep aan de wettelijke verplichting van minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs per week voldoen (28%), noemt een groot deel accommodatie-gerelateerde belemmeringen als belangrijkste oorzaak. Een derde van deze scholen (33%) ervaart een tekort aan accommodaties en een kwart (25%) vindt dat de beschikbare accommodatie te ver weg ligt. Daarnaast ervaren drie op de tien scholen (30%) een te vol lesrooster als belemmering.

Een deel van de scholen (35%) ervaart andere belemmeringen (figuur 3.7). Zo geeft bijna een kwart (23%) aan dat zij wel aan de norm voldoen, behalve in de kleutergroepen. Hierbij geven ze vaak als reden dat kleuters snel moe zijn, al veel buitenspelen en andere beweegactiviteiten doen.

Figuur 3.7 Belemmeringen om minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs per week aan te bieden (in procenten, n=229, meerdere antwoorden mogelijk). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft welke belemmeringen scholen ervaren om genoeg gym aan te bieden
Uitgebreide beschrijving

Cijfers:

  • Te weinig accommodatie beschikbaar: 34%

  • Te vol lesrooster: 30%

  • Accommodatie is te ver weg: 25%

  • Te weinig bevoegde leerkrachten: 23%

  • Andere prioriteiten binnen het beschikbare budget dan het in dienst nemen van (meer) vakleerkrachten: 18%

  • Anders: 35%

  • Weet ik niet: 3%

Bevoegde leerkracht voor het bewegingsonderwijs

Van de scholen die niet voor elke groep een bevoegde leerkracht voor het bewegingsonderwijs hebben (14%), geeft ruim een derde (36%) aan andere prioriteiten te hebben binnen het beschikbare budget dan (meer) vakleerkrachten aanstellen. Tegelijkertijd ervaart ruim een derde (35%) (ook) een tekort aan beschikbare vakleerkrachten als een belemmering om aan dit onderdeel van de wet te voldoen (figuur 3.8). Ten slotte ervaren veel scholen (38%) (ook) andere belemmeringen, zoals de tijd die het in beslag neemt om een bevoegdheid te halen.

Figuur 3.8 Belemmeringen om een bevoegde leerkracht voor het bewegingsonderwijs in te zetten (in procenten, n=112, meerdere antwoorden mogelijk). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft welke belemmeringen scholen ervaren om gym door een bevoegde leerkracht te laten geven
Uitgebreide beschrijving

Cijfers:

  • Andere prioriteiten binnen het beschikbare budget dan het in dienst nemen van (meer) vakleerkrachten: 87%

  • Geen vakleerkrachten beschikbaar of de werving is lastig: 35%

  • Onbevoegde leerkrachten willen bevoegdheid niet halen: 29%

  • Onbevoegde leerkrachten kunnen bevoegdheid niet halen: 17%

  • Anders: 37%

  • Weet ik niet: 2%

3.5 Vakinhoudelijke aanpak

In deze paragraaf beschrijven we hoe scholen het bewegingsonderwijs inrichten. Scholen zetten verschillende middelen in om de kwaliteit van het bewegingsonderwijs te waarborgen. Bijvoorbeeld doorlopende leerlijnen om de lesinhoud te bepalen, of vakwerkplannen, jaarplannen of lesmethoden. Daarnaast beschrijven we het aandeel scholen dat een motorische test of leerlingvolgsysteem gebruikt en in hoeverre ze leerlingen met een motorische achterstand ondersteunen.

Definities

Doorlopende leerlijn

een samenhangende beschrijving van doelen en inhouden over meerdere leerjaren.

Vakwerkplan

een schoolspecifiek beleidsdocument voor één vak, zoals het bewegingsonderwijs.

Jaarplan

beschrijft de geplande activiteiten die in één schooljaar worden aangeboden.

Lesmethode

een lespakket dat leerkrachten ondersteunt bij het geven van lessen.

Leerlingvolgsysteem

wordt gebruikt om de motorische ontwikkeling van leerlingen te volgen.

Motorische test

wordt gebruikt om de motorische vaardigheden van leerlingen op één moment te meten.

Toepassing van leerlijnen en plannen in het bewegingsonderwijs

Zes op de tien scholen (60%) gebruiken een doorlopende leerlijn voor het bewegingsonderwijs. Daarnaast werkt de helft (51%) met een vakwerkplan en heeft iets minder dan de helft (46%) een jaarplan (figuur 3.9). Ten opzichte van 2020/2021 is het aandeel scholen dat een vakwerkplan gebruikt significant toegenomen (van 35% naar 52%). Het aandeel dat met een jaarplanning werkt, is juist significant afgenomen (van 59% naar 46%).

Figuur 3.9 Op welke manieren richten scholen het bewegingsonderwijs in? Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft hoe scholen de gymlessen inrichten
Uitgebreide beschrijving
  • Gebruiken een doorlopende leerlijn: 60%

  • Werken volgens een vakwerkplan: 51%

  • Investeren in voldoende en gevarieerd sport- en spelmateriaal: 51%

  • Werken volgens een jaarplan: 46%

  • Zorgen voor een goed onderhouden gymzaal: 45%

  • Leerkrachten bewegingsonderwijs volgen (bij)scholing(en): 41%

  • Gebruiken een leerlingvolgsysteem en/of motorische test: 38%

  • Toepassen van een lesmethode: 36%

  • Geen van bovenstaande: 2%

  • Anders: 3%

  • Weet ik niet: 1%

Gebruikte lesmethoden

Ruim een derde van de scholen (36%) gebruikt een lesmethode voor het bewegingsonderwijs. De Basislessen bewegingsonderwijs van Van Gelder noemen ze het vaakst (70%), gevolgd door een zelf ontwikkelde methode (13%; figuur B1.5 in de bijlage).

Gebruik van leerlingvolgsystemen en motorische testen

Vier op de tien scholen (38%) gebruiken een leerlingvolgsysteem en/of motorische test om de motorische vaardigheden van leerlingen in kaart te brengen (figuur 3.9). Dit is bijna een halvering en een significante afname ten opzichte van 2020/2021 (75%).

Een groeiend aandeel van de scholen die een leerlingvolgsysteem en/of motorische test gebruiken, geeft aan dat de gemeente het gebruik hiervan stimuleert (van 26% in 2020/2021 naar 38% in 2024/2025). Ruim een kwart van deze scholen (27%) weet niet of de gemeente dit stimuleert, wat nagenoeg gelijk is aan 2020/2021 (24%).

Ondersteuning voor leerlingen met een motorische achterstand

Op ongeveer een kwart van de scholen (27%) krijgen leerlingen met een motorische achterstand extra ondersteuning via Motorische Remedial Teaching (MRT). Dat is een significante afname sinds 2020/2021 (36%).

Ongeveer één op de vijf scholen (18%) biedt op een andere manier ondersteuning aan, zoals door doorverwijzing naar een fysiotherapeut of ergotherapeut (7% van de scholen). Op de helft van de scholen (51%) krijgen leerlingen met een motorische achterstand geen extra ondersteuning. Dit aandeel is nagenoeg gelijk gebleven aan eerdere jaren (49% in 2016/2017 en 54% in 2020/2021, figuur 3.10).

Figuur 3.10 Ondersteuning voor leerlingen met een motorische achterstand. Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft of en hoe scholen leerlingen met een motorische achterstand ondersteunen
Uitgebreide beschrijving

In 2020/2021:

  • Ja, door Motorische Remedial Teaching: 36%

  • Ja, door extra gymlessen of -momenten voor deze leerlingen: 8%

  • Ja, door steunlessen: 6%

  • Nee: 54%

  • Weet ik niet: 2%

In 2024/2025:

  • Ja, door Motorische Remedial Teaching: 27%

  • Ja, anders: 17%

  • Ja, door extra gymlessen of -momenten voor deze leerlingen: 7%

  • Ja, door steunlessen: 4%

  • Nee: 51%

  • Weet ik niet: 2%

Schoolleiders geven aan dat vakleerkrachten voldoende bekwaam zijn om leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte op school te ondersteunen. Bijna de helft van de schoolleiders (49%) beoordeelt deze kennis en ervaring met een 7 op een schaal van 1 tot 7 (figuur 3.11).

De kennis en ervaring van groepsleerkrachten beoordelen schoolleiders minder positief. Ruim een derde (35%) beoordeelt die met een 3 of lager, tegenover slechts 5 procent bij vakleerkrachten. Gemiddeld beoordelen de schoolleiders de kennis en ervaring van de vakleerkrachten (6,0) significant hoger dan van de groepsleerkrachten (4,2; niet in figuur).

Schoolleiders zijn positiever over de kennis en ervaring van leerkrachten dan in 2020/2021. Toen beoordeelden ze de kennis en ervaring van vakleerkrachten gemiddeld met een 5,8 en die van groepsleerkrachten met een 3,7 (niet in figuur).

Figuur 3.11 Mate waarin groeps- en vakleerkrachten volgens schoolleiders beschikken over voldoende kennis/ervaring om leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte op school te ondersteunen, op een schaal van 1 (onvoldoende) tot 7 (voldoende). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Groepsleerkrachten krijgen meestal een 3, 4 of 5 (rond 20%) en minder vaak hoger of lager. Helft vakleerkrachten krijgt een 7, meeste andere 5 of 6.

Verschillen tussen scholen

  • Type leerkracht: scholen waar enkel vakleerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgen, gebruiken significant vaker een vakwerkplan (62%) en leerlingvolgsysteem of motorische test (48%) dan scholen waar enkel bevoegde groepsleerkrachten (resp. 32 en 11%), een combinatie van vak- en groepsleerkrachten (resp. 41 en 34%) of (deels) onbevoegde personen (resp. 42 en 29%) het bewegingsonderwijs verzorgen. Scholen waar enkel bevoegde groepsleerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgen, gebruiken significant vaker een lesmethode voor het bewegingsonderwijs (70%) dan scholen waar enkel vakleerkrachten (24%), een combinatie van vak- en groepsleerkrachten (45%) of (deels) onbevoegde personen (44%) het bewegingsonderwijs verzorgen.

  • Mate van stedelijkheid: scholen in weinig tot niet-stedelijke gemeenten gebruiken significant minder vaak een vakwerkplan (42%) dan scholen in stedelijkere gemeenten (53-59%).

  • Regio: scholen in de noordelijke provincies gebruiken significant minder vaak een vakwerkplan (38%), jaarplanning (35%), doorlopende leerlijn (41%) en een leerlingvolgsysteem of motorische test (27%) dan scholen in de drie grote steden (resp. 62%, 60%, 69% en 50%) en in de westelijke (resp. 58%, 47%, 65% en 42%) en zuidelijke provincies (resp. 52%, 54%, 66% en 41%). Scholen in de drie grote steden gebruiken significant minder vaak een lesmethode voor het bewegingsonderwijs (16%) dan de scholen in de rest van Nederland (30-48%).

3.6 Beoordeling van en belemmeringen voor het bewegingsonderwijs

Beoordeling bewegingsonderwijs

Schoolleiders beoordelen de kwaliteit van het bewegingsonderwijs gemiddeld met een 7,7 (op een schaal van 1 tot 10). Dit is vrijwel hetzelfde als in 2020/2021 (gemiddeld 7,6). Slechts 1 procent van de schoolleiders beoordeelt de kwaliteit van het bewegingsonderwijs met een onvoldoende, net als in 2020/2021.

Ook beoordelen veel schoolleiders de verschillende aspecten van het bewegingsonderwijs als voldoende en goed (figuur 3.12). De kwaliteit van de vakleerkracht beoordelen ze het vaakst als goed (66%), gevolgd door het aantal lessen bewegingsonderwijs (65%). Daarnaast beoordelen vrijwel alle schoolleiders de veiligheid van de beweegomgeving tijdens het bewegingsonderwijs als voldoende (42%) of goed (57%).

De grootste ontevredenheid ervaren ze met het budget voor de aanschaf van nieuwe materialen: bijna drie op de tien schoolleiders beoordelen dit aspect als onvoldoende (24%) of slecht (5%). Eén op de tien beoordeelt (11%) de reistijd naar de accommodatie voor het bewegingsonderwijs als slecht (figuur 3.12). De beoordeling van de verschillende aspecten is nagenoeg hetzelfde als in 2020/2021 (niet in figuur).

Figuur 3.12 Beoordeling van verschillende aspecten van het bewegingsonderwijs door schoolleiders. Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die laat zien hoe schoolleiders het bewegingsonderwijs op hun school beoordelen
Uitgebreide beschrijving
  • Kwaliteit van de (vak)leerkracht: 66% goed, 31% voldoende, 2% onvoldoende, 1% slecht

  • Aantal lessent: 65% goed, 29% voldoende, 5% onvoldoende, 2% slecht

  • Aantal minuten: 60% goed, 31% voldoende, 8% onvoldoende, 1% slecht

  • Reistijd: 58% goed, 22% voldoende, 9% onvoldoende, 11% slecht

  • Veiligheid: 57% goed, 42% voldoende, 2% onvoldoende

  • Accommodatie: 50% goed, 38% voldoende, 9% onvoldoende, 3% slecht

  • Omgang (vak)leerkrachten met leerlingen met gedragsproblemen: 47% goed, 47% voldoende, 7% onvoldoende, 2% slecht

  • Materiaal: 43% goed, 48% voldoende, 7% onvoldoende, 2% slecht

  • Budget aanschaf materialen: 24% goed, 47% voldoende, 24% onvoldoende, 5% slecht

Verschillen tussen scholen
  • Type leerkracht: scholen waar enkel vakleerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgen, beoordelen het aantal minuten (65%) en het aantal lessen bewegingsonderwijs (69%) significant vaker als goed dan scholen waar een combinatie van groeps- en vakleerkrachten (resp. 56% en 60%) of (deels) onbevoegde personen (resp. 52% en 57%) het bewegingsonderwijs verzorgen. Bovendien beoordelen scholen waar enkel een vakleerkracht het bewegingsonderwijs verzorgt, de kwaliteit van de (vak)leerkracht significant vaker als goed (78%) dan scholen waar enkel bevoegde groepsleerkrachten (32%), een combinatie van vak- en groepsleerkrachten (63%) of (deels) onbevoegde personen (46%) het bewegingsonderwijs verzorgen.

  • Mate van stedelijkheid: scholen in (zeer) sterk (74%) en matig stedelijke (66%) gemeenten beoordelen de kwaliteit van de (vak)leerkracht significant vaker als goed dan scholen in weinig tot niet-stedelijke gemeenten (56%). Daarnaast beoordelen deze scholen de reistijd naar de accommodatie significant vaker als slecht (resp. 12% en 14%) dan scholen in weinig tot niet-stedelijke gemeenten (7%).

  • Regio: scholen in de drie grote steden beoordelen de kwaliteit van de (vak)leerkracht significant vaker als goed (77%) dan de scholen in de noordelijke (61%), oostelijke (60%) en zuidelijke (63%) provincies.

Wensen voor verandering

Bijna de helft van de schoolleiders (46%) zou graag meer vakleerkrachten inzetten voor het bewegingsonderwijs (figuur 3.13). Drie kwart (74%) wil de lestijd per les en het aantal lessen bewegingsonderwijs per week niet veranderen (figuur 3.13).

Figuur 3.13 Wensen van schoolleiders voor veranderingen in het bewegingsonderwijs. Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die de wensen van schoolleiders voor gym weergeeft
Uitgebreide beschrijving

Het inzetten van vakleerkrachten bewegingsonderwijs wil:

  • 46% meer

  • 1% minder

  • 52% niet veranderen

De lestijd per les wil:

  • 20% meer

  • 5% minder

  • 74% niet veranderen

Het aantal lessen per week wil:

  • 18% meer

  • 7% minder

  • 74% niet veranderen

Bij alle categorieën antwoordt 1% 'Weet ik niet'.

Belemmeringen voor het bewegingsonderwijs

We hebben alle scholen, ongeacht of zij voldoen aan de wettelijke verplichting voor het bewegingsonderwijs, gevraagd of ze belemmeringen ervaren. En zo ja, welke.

Het aandeel scholen dat belemmeringen ervaart bij het bewegingsonderwijs (83%, figuur 3.14) is sinds 2020/2021 significant toegenomen (toen 77%, niet in figuur). Een derde van de scholen (34%) ervaart een te vol lesrooster als belemmering, terwijl dit in 2020/2021 nog 21 procent van de scholen was.

Daarnaast heeft een deel van de scholen moeite met het vinden van bevoegde leerkrachten, omdat de werving van vakleerkrachten lastig is (17%, figuur 3.14) of omdat groepsleerkrachten hun bevoegdheid niet kunnen (8%) of willen (14%) halen. Deze antwoordopties hebben we in deze meting voor het eerst toegevoegd, waardoor ze niet met eerdere metingen te vergelijken zijn. Wel gaf in 2020/2021 22 procent van de schoolleiders (niet in figuur) aan dat er te weinig bevoegde leerkrachten waren, wat wijst op een mogelijke toename in bevoegde leerkrachten.

Een kwart van de scholen (25%) ervaart belemmeringen doordat ze het beschikbare budget inzetten voor andere prioriteiten dan (meer) leerkrachten in dienst nemen (aangepaste antwoordoptie en dus niet te vergelijken met 2020/2021). Bovendien ervaart een kwart van de scholen (24%) de afstand naar de accommodatie als belemmering. Dit aandeel is significant toegenomen sinds 2020/2021 (toen 17%, niet in figuur).

Figuur 3.14 Ervaren belemmeringen voor het bewegingsonderwijs (in procenten, n=818, meerdere antwoorden mogelijk). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft welke belemmeringen scholen ervaren voor gym
Uitgebreide beschrijving
  • Te vol lesrooster: 34%

  • Andere prioriteiten binnen het beschikbare budget dan het in dienst nemen van (meer) vakleerkracht(en): 25%

  • Accommodatie is te ver weg: 24%

  • Te weinig accommodatie beschikbaar: 19%

  • Achterstallig onderhoud van de accommodatie: 18%

  • Slecht of verouderd sport- en spelmateriaal: 18%

  • Geen vakleerkrachten beschikbaar of de werving is lastig: 17%

  • Onbevoegde leerkrachten willen bevoegdheid niet halen: 14%

  • Onbevoegde leerkrachten kunnen bevoegdheid niet halen: 8%

  • Anders: 12%

  • Geen belemmeringen: 17%

Verschillen tussen scholen
  • Type leerkracht: scholen waar enkel vakleerkrachten het bewegingsonderwijs verzorgen, ervaren significant vaker geen enkele belemmering voor het bewegingsonderwijs (24%) dan scholen waar enkel bevoegde groepsleerkrachten (9%), een combinatie van vak- en groepsleerkrachten (11%) of (deels) onbevoegde personen (15%) het bewegingsonderwijs verzorgen.

  • Mate van stedelijkheid: scholen in (zeer) sterk stedelijke gemeenten ervaren significant vaker een tekort aan accommodaties (21%) en achterstallig onderhoud van de accommodatie (21%) dan scholen in weinig tot niet-stedelijke gemeenten (14%). Daarentegen ervaren deze scholen significant minder vaak dat de onbevoegde leerkrachten hun bevoegdheid niet kunnen (6%) of willen (10%) halen dan scholen in weinig tot niet-stedelijke gemeenten (resp. 10% en 16%).

  • Regio: scholen in de drie grote steden (24%) en de westelijke provincies (22%) ervaren significant vaker geen enkele belemmering voor het bewegingsonderwijs dan scholen in de oostelijke provincies (13%). Scholen in de noordelijke, oostelijke en zuidelijke provincies ervaren significant vaker dat de onbevoegde leerkrachten hun bevoegdheid niet willen (resp. 21%, 16% en 23%) of kunnen (resp. 13%, 10% en 13%) halen dan scholen in de westelijke provincies (resp. 7% en 3%) en de drie grote steden (beide 2%). Bovendien ervaren scholen in de drie grote steden significant minder vaak de afstand tussen de school en de accommodatie als belemmering (11%) dan scholen in de rest van Nederland (24-27%).

3.7 Sport en bewegen op school naast het bewegingsonderwijs

Bewegen onder schooltijd

Vrijwel alle schoolleiders (90%, niet in figuur) vinden, net als in 2020/2021 (toen ook 90%), dat elke school ook sport en bewegen naast de lessen bewegingsonderwijs moet stimuleren.

Beweegaanbod naast bewegingsonderwijs

In 2024/2025 bieden vier op de tien scholen (40%) dagelijks beweegmomenten zoals energizers tussen of tijdens de lessen aan. Dit percentage is nagenoeg hetzelfde als in 2020/2021 (36%, figuur 3.15). Daarnaast bieden veel scholen dagelijks (14%), wekelijks (37%) of maandelijks (25%) bewegend leren aan, wat ook nagenoeg gelijk is aan 2020/2021 (figuur 3.15).

Van de scholen waar minimaal één vakleerkracht het bewegingsonderwijs verzorgt, geven zes op de tien schoolleiders (58%, niet in figuur) aan dat deze vakleerkrachten een rol spelen bij het initiëren, organiseren of uitvoeren van de sport- en beweegactiviteiten onder schooltijd naast het bewegingsonderwijs. Naast vakleerkrachten spelen ook combinatiefunctionarissen een rol bij deze sport- en beweegactiviteiten. De invulling hiervan is te lezen in het rapport van Bronkhorst et al. (2025).

Figuur 3.15 Frequentie waarmee scholen sport- en beweegactiviteiten aanbieden (in procenten, n=839 in 2020/2021 en n=818 in 2024/2025). Bron: Mulier Instituut, Monitor bewegingsonderwijs en sport in het primair onderwijs, 2021 en 2025.
Staafdiagram die weergeeft hoe vaak scholen verschillende activiteiten aanbieden
Uitgebreide beschrijving

In 2020-2021:

  • Beweegmomenten tussen/tijdens de lessen: 36% dagelijks, 37% wekelijks, 14% maandelijks, 8% 1 tot enkele keren per jaar, 4% nooit

  • Bewegend leren: 18% dagelijks, 30% wekelijks, 24% maandelijks, 15% 1 tot enkele keren per jaar, 13% nooit

  • Actieve pauze (was in dit jaar 'Sportactiviteiten tijdens de pauze'): 22% dagelijks, 18% wekelijks, 12% maandelijks, 24% 1 tot enkele keren per jaar, 23% nooit

  • Sportkennismakingslessen of sportclinics: 2% wekelijks, 11% maandelijks, 80% 1 tot enkele keren per jaar, 2% nooit

  • Beweeginterventies, zoals The Daily Mile of Beweegwijs: 5% dagelijks, 5% wekelijks, 5% maandelijks, 16% 1 tot enkele keren per jaar, 70% nooit

In 2024-2025:

  • Beweegmomenten tussen/tijdens de lessen: 40% dagelijks, 37% wekelijks, 14% maandelijks, 5% 1 tot enkele keren per jaar, 3% nooit

  • Bewegend leren: 14% dagelijks, 37% wekelijks, 25% maandelijks, 14% 1 tot enkele keren per jaar, 9% nooit

  • Actieve pauze: 38% dagelijks, 17% wekelijks, 10% maandelijks, 16% 1 tot enkele keren per jaar, 18% nooit

  • Sportkennismakingslessen of sportclinics: 1% dagelijks, 3% wekelijks, 17% maandelijks, 73% 1 tot enkele keren per jaar, 6% nooit

  • Beweeginterventies, zoals The Daily Mile of Beweegwijs: 2% dagelijks, 7% wekelijks, 7% maandelijks, 22% 1 tot enkele keren per jaar, 62% nooit

Actieve pauze

Een actieve pauze is een pauze waarin de school leerlingen stimuleert om te bewegen. Bijvoorbeeld door begeleiding, beweegprogramma's, georganiseerde activiteiten of het gebruik van sport- en spelmateriaal.

Ruim de helft van de scholen (55%) stimuleert minimaal één keer per week een actieve pauze, waarvan bijna twee op de vijf (38%) dit dagelijks doen (figuur 3.15). Dit laatste is een significante toename sinds 2020/2021 (22%).

De meeste scholen hebben vaste (85%) en/of losse (84%) materialen op het schoolplein om een actieve pauze te stimuleren. Maar scholen gebruiken ook actievere vormen van stimuleren, zoals investeren in bijscholing van personeel op het gebied van een actieve pauze (12%) of externe organisaties inhuren om de pauze te begeleiden (20%; figuur B1.6 in de bijlage). Een verdere verdieping op de actieve pauze is te lezen in Popken & Derikx (2026b).

Leerlingen uit groep 1-2 spelen gemiddeld een uur per dag buiten tijdens schooltijd. In groep 3-8 is dit ongeveer de helft: ruim een half uur per dag. Op twee derde van de scholen (67%) spelen de groepen 1-2 meer dan vier uur per week buiten. De groepen 3-8 spelen op de meeste scholen wekelijks tussen de twee en drie uur (45%) of tussen de drie en vier uur (39%) buiten (figuur 3.16).

Figuur 3.16 Wekelijkse buitenspeeltijd voor groep 1-2 en groep 3-8 (in procenten, n=818). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
In groep 1-2 speelt het overgrote deel meer dan 4 uur buiten. In groep 3-8 vaak 2-3 of 3-4 uur.

Op ruim drie op de vijf scholen (62%) zijn telefoons of andere schermen verboden tijdens de pauze. Een derde van de scholen (32%) heeft andere regels voor schermgebruik tijdens de pauze.

Bewegen buiten schooltijd

Aanbod

De meeste scholen bieden één tot enkele keren per jaar sportdagen of sportkennismakingslessen aan. Het aandeel scholen dat minimaal één keer per jaar sportdagen of sporttoernooien tegen leerlingen van de eigen school of andere scholen aanbiedt, is significant toegenomen: van respectievelijk 52 en 71 procent in 2020/2021 naar 73 en 85 procent in 2024/2025 (figuur 3.17).

Op ruim de helft van de scholen (55%) is wel eens naschools sportaanbod, een significante afname sinds 2020/2021 (toen 65%; figuur 3.17). Zeven op de tien scholen organiseren nooit een schoolsportvereniging (70%) of sportinstuif (71%). Dit laatste is significant toegenomen sinds 2020/2021: toen bood 58 procent van de scholen nooit een sportinstuif aan (figuur 3.17).

Van de scholen waar minimaal één vakleerkracht het bewegingsonderwijs verzorgt, geven vier op de tien (40%) aan dat de vakleerkrachten een rol spelen bij het initiëren, organiseren of uitvoeren van sport- en beweegactiviteiten buiten schooltijd. Ook combinatiefunctionarissen zijn hierbij vaak betrokken, zoals te lezen is in het rapport van Bronkhorst et al. (2025).

Figuur 3.17 Frequentie waarmee scholen buitenschoolse beweegactiviteiten aanbieden (in procenten, n=839 in 2020/2021 en n=818 in 2024/2025). Bron: Mulier Instituut, Monitor bewegingsonderwijs en sport in het primair onderwijs, 2021 en 2025.
Staafdiagram die weergeeft hoe vaak scholen verschillende activiteiten aanbieden
Uitgebreide beschrijving

In 2020-2021:

  • Sportkennismakingslessen of sportclinics: 3% wekelijks, 13% maandelijks, 65% 1 tot enkele keren per jaar, 19% nooit

  • Sportdagen of sporttoernooien tegen leerlingen van andere scholen: 4% maandelijks, 67% 1 tot enkele keren per jaar, 29% nooit

  • Sportdagen of sporttoernooien tegen leerlingen van de eigen school: 1% wekelijks, 3% maandelijks, 47% 1 tot enkele keren per jaar, 48% nooit

  • Naschools sportaanbod: 3% dagelijks, 16% wekelijks, 13% maandelijks, 33% 1 tot enkele keren per jaar, 35% nooit

  • Schoolsportvereniging: 2% dagelijks, 5% wekelijks, 3% maandelijks, 22% 1 tot enkele keren per jaar, 68% nooit

  • Sportinstuif: 1% dagelijks, 4% wekelijks, 6% maandelijks, 32% 1 tot enkele keren per jaar, 58% nooit

In 2024-2025:

  • Sportkennismakingslessen of sportclinics: 2% wekelijks, 13% maandelijks, 72% 1 tot enkele keren per jaar, 14% nooit

  • Sportdagen of sporttoernooien tegen leerlingen van andere scholen: 7% maandelijks, 78% 1 tot enkele keren per jaar, 15% nooit

  • Sportdagen of sporttoernooien tegen leerlingen van de eigen school: 1% wekelijks, 2% maandelijks, 69% 1 tot enkele keren per jaar, 27% nooit

  • Naschools sportaanbod: 4% dagelijks, 14% wekelijks, 11% maandelijks, 26% 1 tot enkele keren per jaar, 45% nooit

  • Schoolsportvereniging: 3% wekelijks, 2% maandelijks, 24% 1 tot enkele keren per jaar, 70% nooit

  • Sportinstuif: 2% wekelijks, 3% maandelijks, 23% 1 tot enkele keren per jaar, 71% nooit

Actieve mobiliteit van en naar school

Drie kwart van de scholen (76%) stimuleert actieve mobiliteit van en naar school. Daarmee bedoelen we op een actieve manier van en naar school gaan, zoals zelf lopen, fietsen of steppen.

Scholen kunnen dit op uiteenlopende manieren stimuleren. De helft van de scholen (51%) biedt voldoende parkeerplekken voor fietsen en steps aan. 44 procent informeert ouders over het belang van actieve mobiliteit via nieuwsbrieven of ouderavonden (figuur B1.7 in de bijlage). We hebben niet gevraagd in hoeverre het de scholen lukt om actieve mobiliteit van en naar school daadwerkelijk te verhogen.

Van de scholen die actieve mobiliteit niet stimuleren (24%), geeft ruim de helft aan dat zij dit niet doen omdat ze het niet nodig achten (57%). Eén op de vijf (21%) vindt het wel nodig, maar ziet het (op dit moment) niet als prioriteit.

Schoolzwemmen

Eén op de vijf scholen (21%) biedt schoolzwemmen aan. Dit is minder dan in 2021 (26%) en in 2017 (31%). Drie op de vijf scholen die schoolzwemmen aanbieden (60%), vervangen hiermee een les bewegingsonderwijs. Schoolzwemmen wordt vooral aangeboden in groep 5 (67%) en 6 (63%). Meer informatie over schoolzwemmen is te lezen in het factsheet van Hollander & Westerbroek (2026).

Samenwerking met lokale partners

Voor het aanbieden van sport- en beweegactiviteiten onder en buiten schooltijd werken scholen het meest samen met sportverenigingen (86%) en gemeenten of (sport)buurtwerk (75%; figuur B1.8 in de bijlage).

Aandacht op scholen voor gezondheid naast bewegen

Bijna negen op de tien scholen (88%) hebben beleid opgesteld om de gezondheid van leerlingen te bevorderen. Twee derde heeft beleid over mediawijsheid en welbevinden (beide 67%). En meer dan de helft heeft beleid over voeding (61%) en bewegen en sport (54%, figuur 3.18).

Figuur 3.18 Thema's waarop scholen beleid hebben opgesteld om de gezondheid van leerlingen te bevorderen (in procenten, n=818, meerdere antwoorden mogelijk). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Scholen zetten het meest in op mediawijsheid, welbevinden en voeding, gevolgd door bewegen en sport, fysieke veiligheid en relaties/seksualiteit. Minder op milieu/natuur en roken/alcohol..
Gezonde School

Het doel van de Gezonde School-aanpak is om gezond leren, leven en ontwikkelen vanzelfsprekend te maken voor leerlingen en studenten. Binnen de thema’s in figuur 3.18 kunnen scholen werken aan educatie, omgeving, signalering en beleid. Scholen die voldoen aan de kwaliteitseisen op minimaal één van de thema’s, ontvangen het vignet Gezonde School. Vanaf schooljaar 2026/2027 moeten scholen aan de kwaliteitseisen van minimaal drie van de thema’s voldoen om het vignet te halen (Gezonde School, 2025).

Ongeveer een derde (32%) van de scholen heeft een vignet Gezonde School. De meest behaalde vignetten zijn Voeding (54%), Bewegen en sport (42%) en Welbevinden (29%). Hoewel het aandeel scholen met een vignet Voeding vergelijkbaar is gebleven, is het aandeel met de vignetten Bewegen en sport en Welbevinden significant afgenomen ten opzichte van de vorige meting. De overige thema’s komen slechts bij een beperkt deel van de scholen voor (figuur B1.9 in de bijlage).

Gezonde schoolomgeving

Scholen besteden veel aandacht aan een gezonde schoolomgeving. Bijvoorbeeld door acties en maatregelen te nemen die in het Nationaal Preventieakkoord stonden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018), dat inmiddels is opgevolgd door de Samenhangende Preventiestrategie (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2025). Negen op de tien scholen (89%) hebben een rookvrij schoolplein. Het schoolplein is bij 63 procent van de scholen vrij toegankelijk. Overige acties die scholen ondernemen om een gezonde schoolomgeving te realiseren, staan in figuur B1.10 in de bijlage.

Hoofdstuk 4 Conclusie & aanbevelingen

In dit hoofdstuk bespreken we de conclusies uit deze derde meting van het bewegingsonderwijs en beweging in het primair onderwijs. We beschrijven de resultaten per thema en doen bij elk thema aanbevelingen.

Deze 3-meting geeft een overzicht van de organisatie, uitvoering en waardering van zowel het bewegingsonderwijs als de overige beweegmogelijkheden op school in het schooljaar 2024–2025. Waar mogelijk vergelijken we de resultaten met eerdere metingen, zodat ontwikkelingen door de tijd zichtbaar worden.

4.1 Wettelijke verplichting van 90 minuten bewegingsonderwijs

Scholen sturen op minimale norm; daling in groep 1-2, stijging in groep 3-8

Een belangrijke verandering sinds de vorige meting in 2020/2021 is de wettelijke verplichting om vanaf 2023/2024 minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs per week door een bevoegde leerkracht aan te bieden (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023). Deze wettelijke verplichting lijkt anders uit te werken voor groep 1-2 dan voor groep 3-8.

Groep 1-2

In groep 1-2 blijft het aandeel scholen dat voldoet aan de wettelijke norm van minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs per week vrijwel gelijk (72% in 2020/2021 en 77% in 2024/2025). Het merendeel van de scholen (85%) verdeelt deze tijd over twee of meer lessen, conform het advies van de KVLO (z.d.).

Wel ligt het gemiddelde aantal minuten (109 minuten) en lessen per week (2,1 lessen) op het laagste niveau sinds de start van de metingen in 2013. Deze daling in gemiddelden is ontstaan doordat minder scholen méér dan 90 minuten bewegingsonderwijs aanbieden dan voorheen (van 45% in 2020/2021 naar 30% in 2024/2025).

De wettelijke verplichting lijkt dus onbedoeld een nadelig effect te hebben gehad in groep 1-2. Scholen die eerder meer dan 90 minuten of twee lessen inplanden, zijn mogelijk teruggegaan naar het wettelijke minimum.

Een andere mogelijke verklaring is dat de invoering van de wettelijke norm heeft geleid tot meer duidelijkheid over wat wel en niet onder bewegingsonderwijs valt. Activiteiten zoals buitenspelen of vrij spel in het speellokaal telden scholen eerder mogelijk (deels) mee als bewegingsonderwijs, terwijl ze door de toegenomen nadruk op bewegingsonderwijs nu mogelijk vaker uitsluitend het formele bewegingsonderwijs rapporteren.

Groep 3-8

In groep 3-8 is juist een groter aandeel scholen aan de norm van 90 minuten bewegingsonderwijs per week gaan voldoen (van 74% in 2020/2021 naar 89% in 2024/2025). Het gemiddeld aantal minuten (92 minuten) en lessen (1,9 lessen) blijft gelijk.

Dit wijst er mogelijk op dat sommige scholen die eerder boven de wettelijke norm van 90 minuten zaten, minder zijn gaan aanbieden, terwijl meer scholen de norm halen. Het gemiddelde blijft daardoor gelijk, maar de verdeling is verschoven.

De wettelijke verplichting lijkt daarmee gedeeltelijk een positief effect te hebben gehad: een groter aandeel scholen biedt inmiddels structureel 90 minuten bewegingsonderwijs aan. Tegelijkertijd lijkt de norm voor een deel van de scholen een plafond te zijn geworden in plaats van een minimum, waarbij scholen die eerder meer dan 90 minuten inplanden, mogelijk zijn teruggegaan naar de wettelijke ondergrens.

Buitenspelen voor kleuters gezien als alternatief voor bewegingsonderwijs

Dat het aandeel scholen dat voldoet aan de wettelijke verplichting van 90 minuten in groep 1-2 (77%) lager ligt dan in groep 3-8 (89%), hangt mogelijk samen met een breder gedeelde opvatting van schoolleiders dat buitenspelen onder schooltijd voor kinderen in groep 1-2 een passend alternatief voor bewegingsonderwijs is.

Leerlingen in groep 1-2 spelen gemiddeld vijf uur per week buiten. Dat is bijna twee keer zoveel als leerlingen in groep 3-8 (2 uur en 45 minuten). Enkele scholen geven expliciet aan daarom minder bewegingsonderwijs in groep 1-2 aan te bieden.

Aanbevelingen

Ondersteun naleving van de wettelijke norm, maar voorkom onbedoelde nadelige effecten

Het aantal minuten bewegingsonderwijs in groep 3-8 is de laatste jaren toegenomen, maar nog niet alle scholen voldoen aan de wettelijke verplichting van minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs per week. Het blijft daarom belangrijk om scholen die nog niet (volledig) aan de verplichting voldoen actief te ondersteunen, zodat ook zij voldoende en goed bewegingsonderwijs kunnen aanbieden. Daarvoor is het niet alleen nodig om te monitoren of scholen verdere vooruitgang boeken, maar ook om inzicht te krijgen in welke knelpunten daarbij blijven bestaan.

Tegelijkertijd lijken scholen die eerder boven de norm zaten, nu minder lestijd voor bewegingsonderwijs aan te bieden en dichter bij het minimum van 90 minuten uit te komen. Om te voorkomen dat de norm onbedoeld leidt tot een afname van het aanbod boven de wettelijke 90 minuten, is het belangrijk om niet alleen te monitoren of scholen voldoen aan de norm, maar ook om inzicht te krijgen in of scholen extra aanbod afbouwen en zo ja, waarom. Door eventuele oorzaken hiervan inzichtelijk te maken, kunnen scholen gerichter worden ondersteund bij het behouden van hun bestaande, ruimere aanbod.

Daarnaast is het van belang beleidsmakers bewust te maken van het risico dat de minimumnorm als streefnorm gaat fungeren. Zo kunnen zij scholen ondersteunen met stimulerende maatregelen en praktische voorbeelden om het extra aanbod boven de 90 minuten structureel te behouden.

Zie buitenspelen in groep 1-2 als onderdeel van de dagelijkse beweging, niet als vervanging van het bewegingsonderwijs

Buitenspelen in groep 1-2 biedt belangrijke kansen om te bewegen, voor sociale interactie met andere kinderen en om op een creatieve manier te spelen (Perryman et al., 2022). Maar het heeft een heel ander doel dan bewegingsonderwijs. Het bewegingsonderwijs geeft alle kinderen de mogelijkheid om motorische vaardigheden, kennis en een positieve houding ten opzichte van bewegen en sport te ontwikkelen.

Buitenspelen mag daarom niet worden gezien als vervanging van het bewegingsonderwijs. Scholen en leerkrachten moeten bewust gemaakt worden van dit verschil, zodat het bewegingsonderwijs in groep 1-2 structureel gewaarborgd blijft en buitenspelen op een passende manier wordt ingezet.

4.2 Wettelijke verplichting bewegingsonderwijs door bevoegde leerkracht

Beschikbaarheid van bevoegde leerkrachten onder druk

Op de meeste scholen verzorgen bevoegde (vak)leerkrachten het bewegingsonderwijs. Dit is belangrijk, omdat bevoegde leerkrachten beter in staat zijn kinderen motorische vaardigheden aan te leren en hen te helpen voldoende te bewegen (Piotrowski et al., 2025).

Toch geeft nog altijd een klein deel van de scholen (7% in groep 1-2, 11% in groep 3-8) aan dat een onbevoegde persoon (gedeeltelijk) de lessen bewegingsonderwijs verzorgt. Dit laat zien dat de inzet van bevoegd personeel voor het bewegingsonderwijs nog niet op alle scholen volledig is geborgd.

Een deel van de schoolleiders ervaart problemen bij de werving van bevoegde leerkrachten. Vanwege de beperkte beschikbaarheid van vakleerkrachten, en omdat onbevoegde leerkrachten hun bevoegdheid niet kunnen of willen halen. Dit is zorgelijk, en naar verwachting verslechtert de situatie in de komende jaren verder.

Een klein deel van de scholen zet momenteel namelijk buurtsportcoaches of combinatiefunctionarissen in als vakleerkracht bewegingsonderwijs. Vanaf 2027 is dit niet meer toegestaan. Ruim twee derde van de scholen die nog moeten afbouwen, verwacht hierdoor een afname van het aantal vakleerkrachten op hun school (Keijzer & Van Stam, 2025).

Daarnaast beschikt een aanzienlijk deel van de groepsleerkrachten die momenteel het bewegingsonderwijs verzorgen, over een oude brede bevoegdheid. Zij zijn vóór 2005 afgestudeerd aan de pabo en zijn daarmee zonder aanvullende leergang bevoegd om bewegingsonderwijs te geven aan groep 1 t/m 8. Wanneer deze generatie leerkrachten uitstroomt, neemt het tekort aan bevoegde leerkrachten naar verwachting toe. Dit tekort moet dan in toenemende mate worden opgevangen door vakleerkrachten of door groepsleerkrachten die de extra leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs hebben gevolgd.

Steeds meer vakleerkrachten, maar verschillen tussen groepen blijven groot

Steeds meer scholen hebben een vakleerkracht voor het bewegingsonderwijs. Het aandeel scholen dat in 2024/2025 uitsluitend vakleerkrachten inzet (22% in groep 1-2, 54% in groep 3-8), is verder toegenomen. De trend die in eerdere jaren al zichtbaar was, heeft zich dus doorgezet. Bijna de helft van de schoolleiders (46%) geeft aan in de toekomst de inzet van vakleerkrachten te willen verhogen.

Maar het aandeel scholen dat enkel vakleerkrachten inzet, verschilt sterk tussen groep 1-2 en groep 3-8: slechts één op de vijf scholen (22%) zet in groep 1-2 uitsluitend vakleerkrachten in, tegenover meer dan de helft (54%) in groep 3-8.

Deze verschillen hangen mogelijk samen met de wettelijke verplichting dat een bevoegde (vak)leerkracht het bewegingsonderwijs geeft. Voor groepsleerkrachten in groep 1-2 volstaat de pabo-bevoegdheid, terwijl groepsleerkrachten in groep 3-8 daarnaast de leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs moeten hebben afgerond. Omdat niet alle groepsleerkrachten deze aanvullende leergang hebben gevolgd, zetten scholen in de hogere groepen waarschijnlijk vaker een vakleerkracht in om aan de wettelijke eisen te voldoen.

Aanbevelingen

Stimuleer de instroom van bevoegde leerkrachten

Schoolleiders geven aan dat zij te maken hebben met een beperkte beschikbaarheid van vakleerkrachten. En dat onbevoegde groepsleerkrachten hun bevoegdheid niet kunnen of willen halen. Om deze problematiek effectief aan te pakken, is het noodzakelijk beter inzicht te krijgen in de oorzaken van zowel het tekort aan vakleerkrachten als de redenen waarom groepsleerkrachten de leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs niet kunnen of willen volgen.

Nader onderzoek naar de drempels voor het volgen van de ALO-opleiding of de leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs is daarom noodzakelijk, zodat gerichte maatregelen ontwikkeld kunnen worden om deze weg te nemen.

Daarnaast is het aan te bevelen om in gesprek te gaan met opleidingsinstituten en het schoolveld om ervaringen, knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen te verkennen. Op basis daarvan kunnen gezamenlijke strategieën worden ontwikkeld om de instroom van zowel vakleerkrachten als bevoegde groepsleerkrachten te verbeteren en zo tekorten op de langere termijn te verminderen.

Laat dezelfde wettelijke verplichting gelden voor alle groepen

De resultaten van deze meting laten een trend zien die suggereert dat het bewegingsonderwijs bij kleuters mogelijk minder aandacht krijgt van schoolleiders. Aanwijzingen hiervoor zijn dat het gemiddelde aantal minuten bewegingsonderwijs in groep 1-2 afneemt, een deel van de schoolleiders buitenspelen als een passend alternatief beschouwt en het bewegingsonderwijs in deze groepen minder vaak door een vakleerkracht wordt verzorgd.

De huidige wetgeving laat dan ook ruimte om het bewegingsonderwijs in groep 1-2 anders in te vullen dan in de hogere groepen, zonder in strijd te handelen met de wet: voor groep 1-2 is de aanvullende leergang Vakbekwaamheid Bewegingsonderwijs niet wettelijk verplicht, terwijl dit voor groep 3-8 wel het geval is. Door dit verschil legt de wet meer nadruk op kwalitatief goed bewegingsonderwijs in groep 3-8 dan in groep 1-2.

Om voor alle leerlingen vanaf de start van het basisonderwijs kwalitatief goed bewegingsonderwijs te borgen, is het aan te bevelen de wettelijke verplichting voor alle groepen gelijk te trekken. Dit elimineert het bestaande verschil en zorgt ervoor dat bewegingsonderwijs in groep 1-2 dezelfde kwaliteitseisen kent als in groep 3-8.

Vergroot aandacht en deskundigheid voor bewegingsonderwijs bij kleuters

Het is allereerst van belang om expliciet en breed onder de aandacht te brengen dat de wettelijke verplichting voor bewegingsonderwijs voor alle groepen geldt, dus ook voor groep 1-2. Daarnaast is het belangrijk dat zowel schoolleiders als leerkrachten zich bewust zijn van het belang van voldoende en goed bewegingsonderwijs in groep 1-2.

Schoolbesturen kunnen hierop sturen door voldoende bewegingsonderwijs te borgen, vakleerkrachten ook in groep 1-2 in te zetten, en in te zetten op deskundigheidsbevordering van groepsleerkrachten.

Dit vraagt ook om gerichte aandacht in het curriculum van zowel pabo- als ALO-opleidingen voor het belang én de inhoud van bewegingsonderwijs aan jonge kinderen (Westerbroek & Veldman, 2026). Aandacht voor het belang kan bijdragen aan meer draagvlak in de praktijk om het bewegingsonderwijs voor kleuters structureel te borgen. Aandacht voor de inhoud zorgt ervoor dat leerkrachten zowel vakinhoudelijk als pedagogisch-didactisch goed zijn toegerust om kwalitatief goed bewegingsonderwijs voor kleuters te verzorgen.

4.3 Knelpunten om te voldoen aan de wettelijke verplichting

Verbetering in naleving wettelijke verplichting, maar knelpunten blijven

Steeds meer scholen voldoen in groep 3-8 aan de norm van 90 minuten en de inzet van vakleerkrachten in deze groepen neemt ook toe. Toch zijn er na twee jaar nog steeds scholen die niet aan één of beide wettelijke verplichtingen voldoen: minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs per week én lessen verzorgd door een bevoegde leerkracht (29% in groep 1-2 en 21% in groep 3-8).

Belangrijkste knelpunten zijn een gebrek aan geschikte accommodaties, te grote afstand tot de accommodatie, volle lesroosters, tekorten aan bevoegde leerkrachten en dat schoolleiders binnen het beschikbare budget vaak andere prioriteiten stellen dan bevoegde leerkrachten aanstellen.

Veel van deze knelpunten zagen we al eerder (Slot-Heijs et al., 2021; Vrieswijk et al., 2024). Vier jaar later zijn deze problemen nog steeds niet structureel opgelost. Er zijn subsidieregelingen geweest, zoals de Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs, die hebben bijgedragen aan een groter aandeel scholen dat voldoet aan de norm van minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs en aan meer sport- en beweegactiviteiten op school (De Visser et al., 2025). Maar deze zijn tot nu toe niet toereikend geweest om alle scholen te helpen aan de wettelijke eisen te voldoen.

Belemmeringen in sportaccommodaties vragen om flexibiliteit

Een randvoorwaarde voor het bewegingsonderwijs is dat er voldoende geschikte sportaccommodaties zijn. Veel scholen ervaren dat een sportaccommodatie te ver weg is (24%), er te weinig sportaccommodaties beschikbaar zijn (19%) of er sprake is van achterstallig onderhoud van de sportaccommodatie (18%).

Eén verklaring voor het ervaren tekort is dat scholen in veel gevallen onvoldoende accommodaties toegewezen krijgen. Dit hangt samen met het splitsingsmodel uit de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG; Ruimte-OK, z.d.), dat veel gemeenten nog steeds gebruiken.

In dit model wordt via een splitsingstabel berekend hoeveel uren bewegingsonderwijs een school in een accommodatie krijgt toegewezen. Deze tabel gaat uit van een standaardverdeling van groepen binnen een school, die in de praktijk vaak niet overeenkomt met de werkelijke groepssamenstelling. Hierdoor krijgen scholen in sommige gevallen minder uren toegewezen dan nodig is om alle groepen voldoende bewegingsonderwijs te geven.

Tijdens de vorige meting zagen we al een toename in het gebruik van buitenaccommodaties voor het bewegingsonderwijs. Deze brachten we toen in verband met de destijds geldende coronamaatregelen, maar ook in 2024/2025 is weer een toename in het gebruik van buitenaccommodaties te zien. Tegelijkertijd is het gebruik van binnenaccommodaties niet afgenomen.

Dit wijst erop dat scholen meer verschillende accommodaties zijn gaan gebruiken voor de lessen bewegingsonderwijs. Deze variatie lijkt nodig om ondanks aanhoudende belemmeringen rond sportaccommodaties te kunnen blijven voldoen aan de wettelijke verplichting.

Aanbevelingen

Verbeter de structurele afstemming tussen scholen en gemeenten

Gezien de wettelijke huisvestingsplicht van gemeenten in het primair onderwijs ligt bij hen de verantwoordelijkheid voor passende onderwijshuisvesting, waaronder voorzieningen voor het bewegingsonderwijs (Wet op het Primair Onderwijs, z.d.). Maar scholen en gemeenten ervaren het tekort aan geschikte accommodaties verschillend (zie voor meer informatie Popken & Derikx, 2026a).

Gerichte oplossingen vragen daarom om structurele afstemming tussen gemeenten, scholen en beheerders en verhurende partijen van accommodaties. Oplossingen waarmee ze toewerken naar een beter overzicht van zowel de feitelijke capaciteit als de ervaren geschiktheid van gymaccommodaties.

Concreet raden we aan periodiek een gezamenlijke inventarisatie uit te voeren op gemeentelijk niveau, waarbij deze partijen systematisch gegevens aanleveren over zowel de feitelijke capaciteit als de ervaren geschiktheid. Bij voorkeur wordt dit gekoppeld aan bestaande monitoring- en rapportagecycli om de administratieve belasting te beperken. Vanuit hun huisvestingsplicht hebben gemeenten een belangrijke coördinerende rol, waarbij zij ondersteund moeten worden met landelijke kaders, handreikingen of monitoring vanuit de Rijksoverheid.

Realiseer voldoende schoolgeschikte sportaccommodaties

Het aanhoudende tekort aan geschikte sportaccommodaties vraagt om gerichte, structurele maatregelen. Gemeenten dragen zorg voor het realiseren van sportaccommodaties die geschikt, toegankelijk en voldoende nabij zijn voor scholen, zodat leerlingen voldoende bewegingsonderwijs kunnen krijgen. Subsidies of landelijke regelingen kunnen gemeenten hierbij ondersteunen.

Lokale samenwerking tussen onderwijs, gemeenten en sportaanbieders is essentieel om de infrastructuur duurzaam te versterken en scholen in staat te stellen blijvend aan de wettelijke verplichting te voldoen.

Borg de kwaliteit van bewegingsonderwijs bij inzet van buitenaccommodaties

De toenemende inzet van buitenaccommodaties biedt kansen om het tekort aan sportaccommodaties op te vangen, maar de kwaliteit van het bewegingsonderwijs moet hierbij geborgd blijven. Het is daarom belangrijk om bij structureel gebruik van buitenruimtes te onderzoeken in hoeverre deze geschikt zijn voor de verschillende leerlijnen binnen het bewegingsonderwijs. En hoe de inrichting hierop kan worden aangepast.

Daarnaast vraagt dit om handvatten voor leerkrachten over hoe ze bewegingsonderwijs op een kwalitatief goede manier buiten kunnen vormgeven, rekening houdend met seizoensinvloeden en praktische beperkingen. Het ontwikkelen en verspreiden van dergelijke handvatten kan op landelijk niveau worden ondersteund, bijvoorbeeld door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in samenwerking met kennisinstituten en ALO-opleidingen.

4.4 Kwaliteit van het bewegingsonderwijs

Vakinhoudelijke aanpak

In dit rapport ligt de nadruk voornamelijk op de omvang en organisatie van het bewegingsonderwijs. Tegelijkertijd is het van belang dat ook de kwaliteit van het bewegingsonderwijs geborgd blijft.

Onze resultaten laten zien dat deze borging van bewegingsonderwijs in de praktijk niet vanzelfsprekend is. Slechts zes op de tien scholen (60%) maken gebruik van een doorlopende leerlijn voor het bewegingsonderwijs, de helft (51%) werkt met een vakwerkplan en iets minder dan de helft (46%) heeft een jaarplan. Ook de ondersteuning van leerlingen die motorisch minder vaardig zijn, is beperkt. Op de helft van de scholen (51%) krijgen zij geen extra begeleiding of ondersteuning.

Het ontbreken van een structurele en planmatige aanpak kan leiden tot minder inzicht in de kwaliteit van het bewegingsonderwijs. En die kwaliteit is de basis voor hoe goed leerlingen leren bewegen op school.

Gebruik van meetinstrumenten voor motorische vaardigheden

Het gebruik van leerlingvolgsystemen of motorische testen om de ontwikkeling van leerlingen in het bewegingsonderwijs te volgen, lijkt sterk te zijn afgenomen (75% in 2020/2021 en 38% in 2024/2025). Deze daling is opvallend, omdat het monitoren van leerlingontwikkeling juist aansluit bij de bredere ambities voor het bewegingsonderwijs én bij de doelen van het Nationaal Sportakkoord (Ministerie van VWS, 2022).

Eerder onderzoek laat bovendien zien dat het aantal gemeenten dat het gebruik van meetinstrumenten stimuleerde, tussen 2019 en 2022 sterk steeg (van 47% naar 70%) en daarna vrijwel gelijk bleef op 65-66% in 2023 en 2024 (Popken & Westerbroek, 2025).

Een mogelijke verklaring voor de afname is dat scholen instrumenten als te smal ervaren, omdat deze zich vaak uitsluitend op de motorische vaardigheden richten. Internationale kaders, zoals UNESCO's Quality Physical Education Guidelines, benadrukken ook dat de ontwikkeling van een breed spectrum aan fysieke, cognitieve en sociale competenties essentieel is om leerlingen actief en betrokken te laten zijn bij bewegen en sport (UNESCO, 2015).

Ook de nieuwe conceptkerndoelen voor het leergebied Bewegen en Sport (SLO, 2025) maken duidelijk dat het leergebied veelzijdig is: naast beweegvaardigheid omvat het ook sociale- en regelvaardigheden, kennis over bewegen, zelfsturing en reflectie.

Scholen hebben daarom mogelijk meer behoefte aan instrumenten die verder gaan dan een momentopname van motorische vaardigheden alleen, maar ook de brede ontwikkeling over meerdere leerlijnen en aspecten (sociaal, psychologisch, fysiek) in kaart brengen Dit sluit niet alleen aan bij de nieuwe kerndoelen, maar ook bij het concept beweegwijsheid (Wilderink et al., 2026).

Een andere mogelijke verklaring voor de daling hangt samen met een andere manier van bevragen in deze meting. In 2020/2021 vroegen we schoolleiders welk leerlingvolgsysteem of welke motorische test zij gebruikten voor het bewegingsonderwijs. Ze konden hierbij specifieke meetinstrumenten aanvinken of aangeven dat ze geen meetinstrument gebruikten.

In de huidige meting vroegen we hoe scholen de kwaliteit van het bewegingsonderwijs waarborgen. Daarbij was het gebruik van een leerlingvolgsysteem of motorische test slechts één van de antwoordopties. Het is daarom mogelijk dat scholen deze instrumenten wel gebruiken, maar niet specifiek voor het bewegingsonderwijs, of deze niet beschouwen als een vorm van kwaliteitsborging.

Ze kunnen leerlingvolgsystemen of motorische testen bijvoorbeeld ook inzetten om de ontwikkeling van leerlingen te volgen en hierover te communiceren met leerlingen en ouders, zonder dat ze dit expliciet zien als kwaliteitsbewaking van het bewegingsonderwijs.

Voorzichtigheid is daarom geboden bij het interpreteren van de resultaten. Een volgende meting, waarin we beide manieren van bevragen combineren, moet uitwijzen in hoeverre de afname samenhangt met verschillen in vraagstelling.

Aanbevelingen

Versterk planmatig werken en monitoring van de kwaliteit van het bewegingsonderwijs

Om de kwaliteit van het bewegingsonderwijs te borgen, is het van belang dat vakleerkrachten en scholen planmatig werken aan doelen en de ontwikkeling van leerlingen. Leerkrachten kunnen hierbij een actieve rol nemen door een vakwerkplan en jaarplan op te stellen en te werken met een doorlopende leerlijn. Deze plannen vormen de basis voor het onderwijsaanbod en maken inzichtelijk welke doelen worden nagestreefd.

De ontwikkeling van leerlingen monitoren is een essentieel onderdeel van deze planmatige aanpak. Leerlingvolgsystemen kunnen scholen helpen om inzicht te krijgen in de mate waarin het onderwijsaanbod bijdraagt aan de beoogde leerdoelen.

Gezien de brede doelen van het leergebied Bewegen en Sport is het wenselijk dat dergelijke systemen niet alleen motorische vaardigheden meten, maar ook andere relevante aspecten van leren in kaart brengen. Dit biedt scholen beter inzicht in de ontwikkeling van leerlingen. Daarbij is in het bijzonder aandacht nodig voor leerlingen met een motorische achterstand, zodat zij tijdig passende extra ondersteuning krijgen.

4.5 Bewegen naast het bewegingsonderwijs

Stimulering en aanbod naast bewegingsonderwijs

Vrijwel alle schoolleiders (90%) vinden dat scholen beweging naast de lessen bewegingsonderwijs moeten stimuleren. Veel scholen bieden dan ook extra beweegmomenten aan: 77 procent organiseert minimaal wekelijks beweegmomenten zoals energizers tussen of tijdens de lessen. En 52 procent van de scholen biedt minimaal wekelijks bewegend leren aan.

Maar dit betekent ook dat een aanzienlijk deel van de scholen dergelijke beweegmomenten nog niet structureel aanbiedt. Ook laten de cijfers sinds 2020/2021, afgezien van een toename in het stimuleren van bewegen tijdens de pauze, nauwelijks vooruitgang zien.

Dit suggereert dat scholen het belang van extra beweging wel erkennen, maar nog niet altijd structureel in de praktijk brengen. We hebben niet onderzocht welke belemmeringen of redenen eraan bijdragen dat nog niet alle scholen structureel extra beweegmomenten aanbieden.

Aanbevelingen

Stimuleer en onderzoek structurele inbedding van extra beweegmomenten

Hoewel schoolleiders het belang van extra beweging zien, bieden nog niet alle scholen dagelijks of wekelijks extra beweegmomenten aan. Aangezien het met name groepsleerkrachten zijn die deze beweegmomenten in de klas uitvoeren, is het belangrijk dat pabo-opleidingen expliciet aandacht besteden aan het inbedden van extra beweegmomenten in de schooldag. Zo bereiden ze toekomstige groepsleerkrachten goed voor om deze momenten in hun klas te organiseren en structureel aan te bieden.

Bronnenlijst: bronnen

Bijlage 1 – Figuren

Figuur B1.1 Hoe werken de bevoegde groepsleerkracht en vakleerkracht samen? Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die samenwerking weergeeft
Uitgebreide beschrijving
  • Afstemmen van de lesactiviteiten: in 2020-2021 46%, in 2024-2025 48%

  • Samen bespreken van vorderingen van leerlingen: 47 en 45%

  • Vakleerkracht ontwerpt de les en bespreekt deze met groepsleerkracht: 34 en 39%

  • Vakleerkracht verzorgt het klaarzetten van de materialen: 27 en 33%

  • Anders: beide 7%

  • De groepsleerkracht en vakleerkracht werken niet samen: 13 en 16%

Figuur B1.2 Hoe zijn de vakleerkrachten aangesteld? (in procenten. Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die aanstelmodel weergeeft
Uitgebreide beschrijving
  • Rechtstreeks in dienst van de school/het bestuur: in 2020-2021 66%, in 2024-2025 69%

  • In dienst van een andere organisatie zoals sportbureau of uitzendbureau: 23 en 28%

  • In dienst van de gemeente: 13 en 9%

  • Anders: 5 en 2%

Figuur B1.3 Hoe zijn de vakleerkrachten gefinancierd? (in procenten). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die de financiering weergeeft
Uitgebreide beschrijving
  • Uit de lumpsumfinanciering: in 2020-2021 56%, in 2024-2025 62%

  • Werkdrukmiddelen: 41 en 37%

  • Daar wordt bovenschools geld voor vrijgemaakt (door het bestuur): 11 en 14%

  • Additionele financiering door de gemeente: 12 en 8%

  • De gemeente zet een buurtsportcoach/combinatiefunctionaris als vakleerkracht in (Brede Regeling Combinatiefuncties): 15 en 8%

  • Extra middelen van uw school (bijvoorbeeld inkomsten vanuit overblijfgeld): 2 en 3%

  • De ouderbijdrage: 3 en 1%

  • Anders: 4 en 6%

  • Weet ik niet: 0 en 3%

Figuur B1.4 Welke onbevoegde personen zetten scholen in als er geen bevoegde leerkracht beschikbaar is? (in procenten, n=136). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft wat scholen doen als alternatief
Uitgebreide beschrijving
  • We zetten een groepsleerkracht in zonder bevoegdheid voor het geven van bewegingsonderwijs: 68%

  • We zetten iemand met een diploma mbo Sport & Bewegen in: 21%

  • We zetten stagiaires in van de ALO: 11%

  • We zetten stagiaires in van een mbo-beroepsopleiding Sport en Bewegen: 8%

  • We zetten stagiaires in van de pabo: 2%

  • Anders: 24%

  • Weet ik niet: 4%

Figuur B1.5 Welke lesmethoden gebruiken scholen voor het bewegingsonderwijs? (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die de lesmethoden weergeeft
Uitgebreide beschrijving
  • Basislessen bewegingsonderwijs (door Van Gelder): 58% in 2020-2021, 69% in 2024-2025

  • Basisdocument bewegingsonderwijs (van de SLO): 41% in 2020,-2021, antwoordoptie niet aanwezig in 2024-2025

  • Zelfontwikkelde methode: antwoordoptie niet aanwezig in 2020,-2021, 14% in 2024-2025

  • Bewegen samen regelen: 8% in 2020,-2021, 11% in 2024-2025

  • Planmatig Bewegingsonderwijs: 8% in 2020,-2021, 8% in 2024-2025

  • Provinciale/lokale methode: 7% in 2020,-2021, 5% in 2024-2025

  • Anders: 17% in 2020,-2021, 18% in 2024-2025

Figuur B1.6 Hoe stimuleren scholen een actieve pauze? (in procenten, n=674, meerdere antwoorden mogelijk). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft hoe scholen actieve pauze stimuleren
Uitgebreide beschrijving

Het meest doen scholen dit door aanwezigheid van vaste (85%) of losse speelmaterialen op het schoolplein (84%). Daarna volgen:

  • Schoolplein opdelen in zones naar (type) spel: 52%

  • Pauzemomenten inroosteren afgestemd op leeftijdsgroepen: 47%

  • Afspraken binnen het team over de invulling van de pauze: 44%

  • Pauzeactiviteiten aanbieden: 43%

Andere manieren komen minder voor:

  • Schoolplein opdelen in zones naar leeftijd: 24%

  • Externe partij inhuren die de pauze begeleidt: 20%

  • Beleid opstellen over het stimuleren van actieve pauze: 19%

  • Scholing van personeel over actieve pauze: 12%

  • Inzet van beweegprogramma's: 8%

6% antwoord Anders en 1% weet het niet.

Figuur B1.7 Hoe zetten scholen in op actief transport van en naar school? (in procenten, n=818, meerdere antwoorden mogelijk). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft hoe scholen inzetten op actief transport
Uitgebreide beschrijving

Het meest zorgen scholen voor voldoende parkeerplekken voor fietsen, steps, etc. (51%) en informeren ze ouders over het belang van actief transport via nieuwsbrieven of ouderavonden (44%).

Minder vaak doen ze deze dingen:

  • Fietslessen aanbieden: 20%

  • Campagnes of acties organiseren om actief transport te stimuleren (bijv. een fiets- of wandelweek): 18%

  • Actief transport verplichten op sommige dagen, bijvoorbeeld omdat dit nodig is om naar de gymzaal te gaan: 13%

  • Klaarovers/verkeersbrigadiers inzetten: 7%

  • Actief transport verplichten op alle dagen: 5%

  • Een beloningssysteem: 1%

5% antwoordt Anders en 24 zet helemaal niet in op actief transport.

Figuur B1.8 Mate waarin scholen samenwerken met andere organisaties om sport- en beweegactiviteiten aan te bieden (in procenten, n=839 in 2020/2021, n=818 in 2024/2025). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft waaraan scholen samenwerken met anderen
Uitgebreide beschrijving

In 2020-2021:

  • Sportvereniging: 10% nooit, 82% 1 tot enkele keren per jaar, 5% (vrijwel) maandelijks, 2% (vrijwel) wekelijks

  • Gemeente en/of (sport)buurtwerk: 24% nooit, 52% 1 tot enkele keren per jaar, 15% (vrijwel) maandelijks, 9% (vrijwel) wekelijks

  • Buitenschoolse opvang: 54% nooit, 28% 1 tot enkele keren per jaar, 8% (vrijwel) maandelijks, 10% (vrijwel) wekelijks

  • Sportschool/fitnesscentrum/dansschool: 52% nooit, 44% 1 tot enkele keren per jaar, 2% (vrijwel) maandelijks, 2% (vrijwel) wekelijks

  • Andere scholen in de omgeving: 57% nooit, 40% 1 tot enkele keren per jaar, 1% (vrijwel) maandelijks, 2% (vrijwel) wekelijks

  • Welzijn- en/of zorginstelling: 74% nooit, 23% 1 tot enkele keren per jaar, 2% (vrijwel) maandelijks, 2% (vrijwel) wekelijks

  • Bedrijfsleven: 92% nooit, 8% 1 tot enkele keren per jaar

In 2024-2025:

  • Sportvereniging: 14% nooit, 78% 1 tot enkele keren per jaar, 5% (vrijwel) maandelijks, 3% (vrijwel) wekelijks

  • Gemeente en/of (sport)buurtwerk: 25% nooit, 55% 1 tot enkele keren per jaar, 13% (vrijwel) maandelijks, 8% (vrijwel) wekelijks

  • Buitenschoolse opvang: 49% nooit, 29% 1 tot enkele keren per jaar, 8% (vrijwel) maandelijks, 14% (vrijwel) wekelijks

  • Sportschool/fitnesscentrum/dansschool: 57% nooit, 39% 1 tot enkele keren per jaar, 2% (vrijwel) maandelijks, 2% (vrijwel) wekelijks

  • Andere scholen in de omgeving: 60% nooit, 38% 1 tot enkele keren per jaar, 1% (vrijwel) maandelijks, 1% (vrijwel) wekelijks

  • Welzijn- en/of zorginstelling: 75% nooit, 22% 1 tot enkele keren per jaar, 2% (vrijwel) maandelijks, 1% (vrijwel) wekelijks

  • Bedrijfsleven: 90% nooit, 9% 1 tot enkele keren per jaar, 1% (vrijwel) maandelijks

Figuur B1.9 Thema's waarop scholen een Vignet Gezonde School hebben (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft welke vignetten scholen hebben
Uitgebreide beschrijving
  • Voeding: 53% in 2020-2021, 54% in 2024-2025

  • Bewegen en sport: 58% in 2020-2021, 42% in 2024-2025

  • Welbevinden: 39% in 2020-2021, 29% in 2024-2025

  • Relaties en seksualiteit: 19% in 2020-2021, 16% in 2024-2025

  • Roken en alcohol: 8% in 2020-2021, 5% in 2024-2025

  • Fysieke veiligheid: 8% in 2020-2021, 3% in 2024-2025

  • Mediawijsheid: 6% in 2020-2021, 2% in 2024-2025

  • Milieu en natuur: 5% in 2020-2021, 2% in 2024-2025

  • Weet ik niet: 5% in 2020-2021, 12% in 2024-2025

Figuur B1.10 Acties die scholen ondernemen om een gezonde schoolomgeving te realiseren (in procenten, meerdere antwoorden mogelijk). Bron: Mulier Instituut, Vragenlijst onder schoolleiders in het primair onderwijs, 2025.
Staafdiagram die weergeeft welke acties scholen ondernemen
Uitgebreide beschrijving
  • Het hele schoolterrein is rookvrij: 94% in 2020-2021, 89% in 2024-2025

  • Het schoolplein is openbaar toegankelijk: 67 en 63%

  • We hebben een groen schoolplein: 39 en 47%

  • Er is een gezond voedingsbeleid: 52 en 44%

  • We bieden schoolfruit aan: 44 en 38%

  • Inzet op actief transport van en naar school: 52 en 35%

  • We hebben een Gezonde School-coördinator: 24 en 26%

  • Een watertappunt op of rond het schoolplein: 17 en 21%

  • Anders: 6 en 4%

  • Geen van bovenstaande: 1 en 2%

Auteurs

Voetnoten

  1. Kamerstukken II, 35102, nr. 23 (2020, 4 februari). https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35102-23.html Terug naar voetnoot-referentie 1