Inclusie in het lokale sportbeleid: een meerjarig onderzoek naar ontwikkelingen in zes gemeenten
Dit onderzoek is uitgevoerd met steun van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
Mulier Instituut
Mirjam Stuij
Tessa Visser
Renée Hoogendijk
Ine Pulles
Kai Sheombar
Agnes Elling
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut.
© Mulier Instituut
Utrecht, 6 oktober 2025
Disclaimer
U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding: auteur(s), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave.
Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto's in deze publicatie. Neem foto's daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.
Over ons
Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor beleid en samenleving. Voor overheden, maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen, sportorganisaties en bedrijven onderzoeken we allerlei thema's op het gebied van sport en sportief bewegen: van de sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.
Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.
Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid, gericht op de bevordering van sport, sportief bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen we op verschillende manieren:
We verzamelen data en monitoren de Nederlandse sportsector en beleidsprogramma's.
We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies.
We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze naar de beleidspraktijk.
We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies.
We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van 'kritische vriend' van de sportsector.
We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.
Inhoudsopgave Inclusie in het lokale sportbeleid
Samenvatting Inclusie in het lokale sportbeleid
Inleiding
Met de komst van het Nationaal Sportakkoord (2018-2022) en de opvolger Sportakkoord II (2023-2026) zijn voor de sportsector expliciete ambities voor het thema inclusie en diversiteit vastgelegd. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te geven in de vertaalslag van deze landelijke beleidsambities naar lokaal sportbeleid en de uitvoering daarvan. Welke ontwikkelingen zijn er lokaal te zien en wat is de rol van het sportakkoord hierin?
Om dit te onderzoeken hebben we in zes verschillende gemeenten gedurende een langere periode relevante (beleids)documenten verzameld en gesprekken met uiteenlopende betrokkenen gevoerd.
Conclusies
Dit onderzoek leidt tot vier overkoepelende, deels samenhangende conclusies.
Sportakkoord belangrijke (financiële) aanjager voor lokale aandacht
Het Nationaal Sportakkoord en Sportakkoord II zijn belangrijke aanjagers en richtinggevers voor meer lokale aandacht voor het bevorderen van inclusie in sport en bewegen. Vooral gericht op deelname van mensen met een beperking en ouderen. Die aanjaagfunctie komt vooral door de beschikbare middelen voor de uitvoering en de opgave om samen te werken.
Maar ook bredere politiek-maatschappelijke ontwikkelingen maken de inclusieambities uit het sportbeleid urgenter. Bijvoorbeeld de grote opgaven in het sociaal domein, de veranderende rol van de gemeente en bezuinigingsopgaven. De tijdelijkheid van het sportakkoord, en de middelen die daaruit voortkomen, is een kwetsbaar punt voor de voortzetting van de ambities.
Inclusie vooral een globaal ideaal gericht op deelname van specifieke groepen
Inclusie krijgt lokaal vooral invulling als globaal ideaal: iedereen moet ergens in de gemeente kunnen sporten of bewegen. Dit ideaal is gericht op deelname van diverse groepen inwoners aan sport en bewegen. Maar het gaat vrijwel niet over inclusie (of meer diversiteit) in beleid en uitvoerings- of sportorganisaties. Dit miskent het belang van medezeggenschap voor inclusieve processen en uitkomsten.
Dat het ideaal is gericht op het hele sport- en beweegaanbod in de gemeente, maakt het lastig te bepalen of en wanneer dit bereikt is. En waar of voor wie nog extra aandacht nodig is.
Lokale invullingen en voortgang afhankelijk van beschikbaarheid betrokkenen
De precieze lokale invulling en voortgang zijn sterk afhankelijk van de (beschikbaarheid van) betrokkenen, met vaak specifieke expertise en persoonlijke affiniteit met het thema. Dan gaat het om invullingen van wat inclusie is of vraagt. En welke vormen van diversiteit (welke doelgroepen) vooral aandacht (moeten) krijgen.
Betrokkenen met affiniteit en expertise zorgen ook dat inclusie continu als aandachtspunt 'op de agenda' blijft staan. Personele continuïteit en voldoende capaciteit zijn daarom belangrijk voor de voortgang. In zeker vier gemeenten hadden wisselingen of (gedeeltelijk) vertrek van betrokkenen een negatieve invloed. Vertrek is nadelig voor het 'geheugen', omdat daarmee kennis, expertise en relaties in samenwerkingsverbanden verloren gaan. De (h)erkenning dat inclusie om bepaalde expertise vraagt is belangrijk.
Voortgang lokale invulling inclusie in sport onder druk
Inclusie in sport en bewegen is lokaal een veranderlijk ideaal: lokale nadruk en invullingen wisselen over tijd. Het landelijke sportakkoord heeft een duidelijke impuls gegeven aan aandacht voor het bevorderen van inclusie en diversiteit in sport en bewegen. Maar er zijn verschillende ontwikkelingen die maken dat inclusie als specifieke expertise nu weer onder druk staat.
Bijvoorbeeld toenemende publieke weerstand tegen de acceptatie van specifieke minderheidsgroepen (migranten, lhbtiq+-personen). Maar ook een sterke verwevenheid met andere sportambities, zoals vaardig in bewegen, veilig sportklimaat en gezond leven. Hoewel die verwevenheid logisch is vanuit de samenhang tussen de ambities, is het risico dat specifieke kennis over en inzet op inclusie naar de achtergrond schuift. Dit laat zien dat invullingen van inclusie niet eenduidig zijn (over tijd), en zeker ook niet vanzelfsprekend.
Hoofdstuk 1 Inleiding
Dit rapport gaat over aandacht voor en invullingen van inclusie en diversiteit in lokaal sportbeleid en de uitvoering daarvan. We volgden ontwikkelingen in zes gemeenten. In dit eerste hoofdstuk beschrijven we de achtergrond en de doel- en vraagstelling van het onderzoek.
1.1 Achtergrond
Komst van de sportakkoorden
Sinds 2018 kent Nederland een Nationaal Sportakkoord. Hierin staan ambities voor de sportsector op zes centrale thema's. Een van die thema's is inclusie en diversiteit, met als centrale ambitie het creëren van een:
'toegankelijke en laagdrempelige sector, waarin iedereen die [aan sport] mee wil doen daadwerkelijk mee kan doen en waarin sprake is van kansengelijkheid in en door sport- en beweegdeelname.'
Ministerie van VWS et al., 2022, p.13
Het eerste Sportakkoord 'Sport verenigt Nederland' liep van 2018 tot 2022 (Ministerie van VWS et al., 2018). Het tweede Sportakkoord 'Sport versterkt' loopt van begin 2023 tot eind 2026 (Ministerie van VWS et al., 2022).
In navolging van het Nationaal Sportakkoord hebben vrijwel alle gemeenten een eigen sportakkoord opgesteld: in 2021 werkten 343 van de (toen) 352 Nederlandse gemeenten aan de uitvoering van een lokaal of regionaal sportakkoord (Hoogendam, Reitsma et al., 2021). Sinds 2023 hebben alle gemeenten een lokaal of regionaal sportakkoord (Hoogendam, Kusters & Gutter, 2024).
Vooruitgang en opbrengsten inclusie eerste Nationaal Sportakkoord
Het Mulier Instituut monitort sinds 2019 de voortgang en opbrengsten van het Sportakkoord. In het laatste jaar van het eerste sportakkoord, 2022, was op vier van de zes thema's volgens direct betrokkenen lokaal 'behoorlijke vooruitgang' geboekt (Hoogendam et al., 2022). Zo ook op het thema 'Inclusief sporten en bewegen': de helft van de kernteams (49%) gaf aan 'redelijk wat of veel vooruitgang' te zien. Een jaar eerder was dat 37 procent.
Die vooruitgang zagen zij in 2022 vooral doordat:
betrokken partijen 'aantoonbaar meer aandacht' voor het onderwerp hadden (40%);
er binnen de sport meer samenwerking rondom het onderwerp is ontstaan (29%);
er nieuwe sport- en beweegmogelijkheden zijn gecreëerd voor mensen met een beperking (26%) of andere specifieke groepen, zoals ouderen, statushouders of mensen in een lagere sociaaleconomische positie (28%; Hoogendam et al., 2022, p.27).
Aanpassingen en voortgang Sportakkoord II
In het tweede Sportakkoord lag meer nadruk op 'het versterken van de lokale en regionale uitvoering', door in te zetten op meer samenwerking en integraal werken (Ministerie van VWS et al., 2022, p.5-6). Ook veranderde de titel van het thema van 'Inclusief sporten en bewegen' naar 'Inclusie en diversiteit'. En werd 'actieve toeleiding naar passend sportaanbod', naast de bestaande opgaven om de sector sociaal, praktisch en financieel toegankelijker te maken, als nieuwe en 'essentiële' opgave toegevoegd 'om kansengelijkheid te bevorderen' (Ministerie van VWS et al., 2022, p.13).
Vragenlijstonderzoek onder gemeenten in het najaar van 2023 (Hoogendam et al., 2023) laat zien dat zij inclusie, naast het thema sociaal veilige sport, als belangrijk beschouwen en in de herijkte sportakkoorden een belangrijke plek hebben gegeven. Bijvoorbeeld door extra inzet van lokale functionarissen op bepaalde doelgroepen, zoals senioren, mensen met een beperking en inwoners van 'aandachtswijken'.
Onderzoek naar de rol van buurtsportcoaches in de uitvoering van het sportakkoord bevestigt dit beeld. Inclusie en diversiteit is een van de twee thema's waar zij het meest op worden ingezet (Vrieswijk et al., 2023).
Van landelijk naar lokaal sportbeleid
Eerder onderzoek laat zien dat landelijk sportbeleid doorwerkt in het lokale beleid, bijvoorbeeld in de agendering van thema's (Hoogendam, Ruikes & Hoekman, 2021; Geurink et al., 2025). De rol van de gemeenten heeft zich met de komst van de sportakkoorden verder ontwikkeld tot die van 'coproducent': lokale sportakkoorden ontstaan in samenwerking met andere lokale beleidsdomeinen en relevante organisaties (Hoogendam, Ruikes & Hoekman, 2021).
De voortgang van het deelakkoord 'Inclusie en diversiteit' is tot nu toe vooral op landelijk niveau beschreven. Wat het sportakkoord lokaal heeft opgebracht, en vooral hoe dat verloopt, is nog minder goed in beeld.1
Maar inclusie is een complex begrip. Zo bestaan er in de sportsector verschillende ideeën over wat inclusie betekent en welke groepen – welke vormen van diversiteit – meer aandacht moeten krijgen (Van der Meijde et al., 2022). Ook is het ingewikkeld precies te bepalen wat een inclusieve sportsetting of -activiteit is, omdat een belangrijk uitgangspunt is dat iedereen zelf moet kunnen kiezen waar, hoe en met wie men sport (Van Lindert & De Jonge, 2022).
Dat maakt het interessant nader te bestuderen hoe inclusie en diversiteit in sport en bewegen lokaal vorm krijgt.
1.2 Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van dit onderzoek is om verdiepende inzichten te geven in de vertaalslag van landelijke beleidsambities over inclusie en diversiteit in sport en bewegen naar lokaal sportbeleid en de uitvoering daarvan. Onze centrale onderzoeksvragen zijn:
Wat zijn lokale ontwikkelingen uit de afgelopen jaren gericht op het bevorderen van inclusie en diversiteit via het sportbeleid en de uitvoering van dat beleid?
Wat is de rol van het landelijke en lokale sportakkoord bij deze ontwikkelingen?
Om dit te onderzoeken hebben we de ontwikkelingen in zes verschillende gemeenten gedurende een langere periode gevolgd.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 beschrijven we onze onderzoeksmethode. In hoofdstuk 3 tot en met 5 staan de resultaten van dit onderzoek:
Hoofdstuk 3 gaat over de lokale contexten waarin de uitvoering van het sportakkoord en aandacht voor het bevorderen van inclusie in sport en bewegen vorm kregen.
Hoofdstuk 4 gaat over invullingen van inclusie en doelgroepen van het beleid: wat is inclusie? En inclusie van wie eigenlijk?
Hoofdstuk 5 laat zien welke ontwikkelingen rondom inclusie en diversiteit in sport en bewegen lokaal zichtbaar zijn – zowel de ervaren opbrengsten als de knelpunten.
In hoofdstuk 6 sluiten we het rapport af met conclusies en aanbevelingen.
Hoofdstuk 2 Onderzoeksmethode
We hebben onderzoek gedaan in zes verschillende Nederlandse gemeenten. In dit hoofdstuk beschrijven we de selectie van gemeenten, de methoden van dataverzameling en de aanpak van de analyse.
2.1 Selectie en beschrijving van de onderzochte gemeenten
De zes gemeenten in dit onderzoek selecteerden we op basis van spreiding over het land (oost, west, midden, zuid), gemeentegrootte en de mate van stedelijkheid volgens de gegevens van CBS Statline van 2023 (zie tabel 2.1).
| Geen waarde | Gemeentegrootte | Mate van stedelijkheid |
|---|---|---|
Gemeente A | 250 000 inwoners of meer | Zeer sterk stedelijk |
Gemeente B | 250 000 inwoners of meer | Zeer sterk stedelijk |
Gemeente C | 150 000 tot 250 000 inwoners | Sterk stedelijk |
Gemeente D | 150 000 tot 250 000 inwoners | Sterk stedelijk |
Gemeente E | 150 000 tot 250 000 inwoners | Sterk stedelijk |
Gemeente F | 20 000 tot 50 000 inwoners | Matig stedelijk |
Om te voorkomen dat de gemeenten en personen in deze rapportage herleidbaar zijn, noemen we de gemeenten niet bij naam en presenteren we bevindingen soms wat globaler.
2.2 Dataverzameling
Voor dit onderzoek verzamelden we data op drie verschillende manieren gedurende een langere periode (2021-medio 2025): via bureauonderzoek, interviews en een korte vragenlijst.
Bureauonderzoek
Allereerst verzamelden we bestaande data via bureauonderzoek, ook wel desk research genoemd (Bassot, 2022). We zochten verschillende typen documenten via internet, en in een later stadium ook via de personen die we interviewden. De focus in het onderzoek ligt op veranderingen sinds het Nationaal Sportakkoord uit 2018. Daarom hebben we ook beleidsdocumenten uit de jaren ervoor geraadpleegd.
Van alle gemeenten verzamelden we de lokale sportnota's, -visies en -akkoorden. Daarnaast zochten we (beleids)documenten over gelieerde thema's, zoals gezondheid, sociaal domein en vitaliteit, en zochten we raadsinformatie met het onderwerp 'sport'.
We richtten ons niet alleen op documenten van de gemeenten. Zo hebben we ook documenten of webpagina's meegenomen van lokale partijen die bij sport en bewegen betrokken zijn. Bijvoorbeeld jaarverslagen van lokale (gemeentelijke) sportbedrijven. En documenten over sport- en beweeginitiatieven die zich richten op (het vergroten van) inclusie of diversiteit.
Interviews
In alle gemeenten hebben we diverse personen geïnterviewd. Omdat ons onderzoek gaat over hoe inclusie via het sportbeleid vorm krijgt, op papier en in de uitvoering, interviewden we betrokkenen op beleidsniveau en op uitvoerend niveau. Wie dat precies waren, wisselde per gemeente. Maar het waren vooral lokale (sport)beleidsmedewerkers, sportprofessionals, bestuurders van sportverenigingen en sociaal of welzijnswerkers.
We voerden 28 interviews met in totaal 32 personen. Vijf gesprekken waren duo-interviews en twee personen spraken we twee keer op verschillende momenten. Enkele gesprekken voerden we op locatie. De overige interviews vonden online plaats via Microsoft Teams. De gesprekken vonden plaats van 2021 tot medio 2025.
We vroegen alle geïnterviewden naar hun ervaringen met inclusie en diversiteit in sport en bewegen in hun gemeente en de rol van het Nationaal Sportakkoord daarbij. Afhankelijk van de achtergrond van de geïnterviewde vroegen we naar specifieke onderwerpen, bijvoorbeeld gericht op beleid, uitvoering/praktijk of ervaring met specifieke doelgroepen.
Na elk interview schreef de interviewer een samenvattend verslag of, als we met geïnformeerde toestemming een geluidsopname van het gesprek maakten, een letterlijke uitwerking van het gesprek.2
De werving van respondenten bleek redelijk tijdsintensief, omdat vaak onduidelijk was wie binnen een gemeente het aanspreekpunt was. Of omdat wisselingen hadden plaatsgevonden. Die wisselingen hebben ook invloed op de uitvoering van het lokale sportakkoord, zoals we in paragraaf 5.3 laten zien.
Vragenlijst
Tot slot hebben we online een korte vragenlijst voor dit onderzoek uitgezet, via verschillende personen in de zes gemeenten. We vroegen de respondenten naar hun functie en de voornaamste doelgroepen waar ze zich op richten.
Ook vroegen we:
maximaal drie kernwoorden of korte omschrijvingen over wat men de belangrijkste bijdragen vindt van het Nationaal Sportakkoord aan een inclusieve sport- en beweegomgeving waarin iedereen zich welkom en veilig voelt;
in hoeverre men in de gemeente resultaat ziet op verschillende aspecten van inclusie, met mogelijkheid om dit toe te lichten of concrete voorbeelden te geven;
welke elementen vooral aandacht moeten krijgen in vervolgbeleid om inclusie en diversiteit in de sport verder te verbeteren.
Twaalf personen uit vier van de zes gemeenten hebben de vragenlijst volledig ingevuld. Dit waren lokale beleidsmedewerkers, adviseurs lokale sport, sport- en beweegprofessionals, en verenigingsbestuurders of eigenaren van sportaanbod. Hun antwoorden zijn niet representatief voor alle betrokkenen, maar geven enkele voorbeelden van betekenissen van inclusie, ervaren resultaten en wensen voor de toekomst. Deze voegen we op enkele plekken ter illustratie toe in dit rapport.
2.3 Data-analyse
De verzamelde (beleids)documenten en gespreksverslagen analyseerden we met de volgende vragen:
Hoe passen het (lokale) sportakkoord en de aandacht voor inclusie en diversiteit in het bestaande sportbeleid en de lokale (beleids)context?
Wat zijn lokale invullingen en (de voornaamste) doelgroepen van inclusie en diversiteit in sport en bewegen?
Wie zijn betrokken bij de invulling en uitvoering van de beleidsplannen en op welke manier?
Welke lokale ontwikkelingen, opbrengsten en knelpunten zijn zichtbaar of ervaren betrokkenen?
Daarbij hadden we aandacht voor overeenkomsten en verschillen binnen gemeenten (bijvoorbeeld tussen verschillende betrokkenen) en tussen gemeenten.
Hoofdstuk 3 De context: lokale inbedding sportakkoord in lopend (sport)beleid
Dit hoofdstuk gaat over de lokale contexten waarin het lokale sportakkoord, en aandacht voor inclusief sporten en bewegen, invulling kreeg. Eerst gaan we in op de inbedding van het sportakkoord in het lokale sportbeleid. Vervolgens laten we zien hoe meerdere beleidsdomeinen en akkoorden meer verknoopt raakten. Tot slot beschrijven we hoe de invulling en uitvoering van het lokale sportakkoord vorm kreeg.
3.1 Inbedding in het lokale sportbeleid
Het landelijke sportakkoord verscheen halverwege 2018. Om aanspraak te kunnen maken op landelijke sportakkoordgelden moesten gemeenten een lokaal sportakkoord opstellen (Reitsma & Van der Poel, 2019). Dat staat ook in meerdere lokale sportakkoorden vermeld. Dat betekent dat de gemeenten het akkoord passend moesten maken op hun lopende sportbeleid.
Intrede ‘inclusie’ door sportakkoord, maar sloot aan op bestaande thema’s
In alle zes gemeenten zien we aandacht voor inclusie in het sportbeleid. Deze aandacht is vaak niet helemaal nieuw. Maar uit de gesprekken, lokale nota’s, akkoorden en documenten van de sportbedrijven blijkt dat het Nationaal Sportakkoord wel heeft geleid tot meer aandacht voor inclusie. En voor aandacht specifiek vanuit de invalshoek ‘inclusie’ – een woord dat we in eerdere lokale sportnota’s of aanverwante documenten niet terugvinden.
Wel vinden we in alle gemeenten voor de komst van het sportakkoord thema’s die raken aan inclusie, namelijk in de nadruk op het stimuleren van mensen die niet of weinig sporten of bewegen. Dit komt dit terug in aandacht voor sportstimulering van groepen die ‘achterblijven’ of specifiek voor gebieden, wijken of buurten waarin de deelname lager ligt dan gemiddeld in de gemeente. Hoe ‘inclusie’ in de gemeenten verder invulling kreeg, komt in paragraaf 4.1 aan bod.
Inpassen akkoord in lopend beleid niet overal even makkelijk
Alle gemeenten benadrukken dat het sportakkoord geen vervanging is van beleid (zie paragraaf 3.2). In drie gemeenten (gemeente A, B en E) lijkt het toevoegen van het lokale sportakkoord makkelijk te zijn verlopen, door de goede aansluiting op de al bestaande thema’s. In deze gemeenten bestaat het sportakkoord naast de sportnota of -visie van de gemeente.
In de andere drie gemeenten verliep dit proces net anders. In gemeente F was het sportbeleid vooral bij het gezondheids- en welzijnsbeleid ondergebracht en lag de aandacht voor de start van het sportakkoord lange tijd vooral op nieuwe accommodaties. Het lokale sportakkoord is daar naast gekomen, met als belangrijkste doel dat zo veel mogelijk mensen kunnen sporten en bewegen.
In tweede gemeente C liep de sportnota in 2018 af en is een tussenperiode ingelast om aandacht te kunnen geven aan de start van het lokale sportakkoord en de financieringsmogelijkheden die daaruit voortkwamen. Maar een nieuwe sportnota laat begin 2025 nog steeds op zich wachten, geven geïnterviewden aan. Dat heeft vooral te maken met het grote verloop onder betrokken beleidsmedewerkers (zie paragraaf 5.3).
Gemeente D maakte in de nieuwe tienjarige sportvisie uit 2019 melding van het op te stellen lokale sportakkoord, dat 'naadloos' aansloot op de onderwerpen in de visie. Toch hebben betrokkenen dat lokaal niet helemaal zo ervaren. Voor een medewerker van het sportbedrijf voelde het 'een beetje' als iets dat werd 'opgelegd' door de landelijke overheid. Opvallend genoeg is 'inclusie' in het lokale sportakkoord ook anders en smaller ingevuld dan zou passen binnen de sportvisie – waarin veel aandacht uitgaat naar het stimuleren van groepen die 'achterblijven'. In het lokale sportakkoord is gekozen voor een andere invalshoek.
3.2 Verknopen van domeinen en akkoorden
In de (uitvoering van) lokale sportakkoorden en het lopende sportbeleid zien we dat deze met verschillende beleidsdomeinen en andere akkoorden verknoopt raken. Een veranderende rol van de gemeente, maar ook minder beschikbare middelen spelen hierbij mee.
Veranderende rol gemeente in sportbeleid
In de sportnota's en -visies uit de periode van voor het sportakkoord beschrijven vier gemeenten (A, B, C en D) dat hun rol in het sportbeleid anders is dan voorheen. 'Van uitvoerder naar regisseur' of 'van eigenaar naar facilitator'. Zij doen hierbij een beroep op andere organisaties voor de uitvoering van het sportbeleid. In gemeente C is dat bijvoorbeeld door een sportbedrijf op te richten. In de sportnota's van gemeente A staat dat deze veranderende rol mede door beperkte financiële middelen wordt ingegeven.
Het lokale sportakkoord sluit in zekere zin op deze veranderende rol aan. Alle gemeenten laten nadrukkelijk weten dat het sportakkoord geen beleid is, maar een aanvulling op het bestaande beleid. Bijvoorbeeld door een 'impuls' te geven door betrokken partijen te verbinden (gemeente B), als 'set van afspraken' tussen betrokken partijen (C), of door het werkveld op deze manier ook 'eigenaar' te maken van de plannen en de uitvoering (D).
Het lokale sportakkoord is daardoor niet alleen van de gemeente, maar 'van iedereen' (C). Wel merkt een betrokken beleidsmedewerker najaar 2023 op dat de gemeente en het sportbedrijf 'nog altijd worden aangekeken als de verantwoordelijke, terwijl dat op papier niet zo is'. Het budget loopt via het sportbedrijf, maar de verantwoordelijkheid zou verdeeld moeten zijn. Het gedeeld eigenaarschap vormgeven is in de praktijk lastig.
Wisselwerking met opgaven uit andere domeinen
In alle lokale sportnota's of -visies van net voor de komst van het lokale sportakkoord staat de wens om vanuit sport bij te dragen aan ambities van andere beleidsdomeinen. Bijvoorbeeld door sport in te zetten als 'bindmiddel' (C), 'middel' (D) of 'instrument' (A). Of vanwege de 'kansen' om vanuit sport bij te dragen aan de 'grote' maatschappelijke opgaven in de gemeente, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid en welzijn. Vier gemeenten (B, C, D en F) hebben het sportbeleid primair vanuit het oogpunt van gezondheidswinst ingestoken. In de andere twee gemeenten is dat minder prominent.
Ook de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) in 2007 en de decentralisatie van 2015, waarbij lokale overheden veel extra verantwoordelijkheden vanuit de landelijke overheid kregen overgedragen, komen terug in de nota's en visies.3 Daarbij gaat het vooral om de mogelijke bijdrage van sport aan opgaven in het sociale domein.
In gemeente F was de invoering van de WMO aanleiding om in een beleidsstuk uiteen te zetten hoe sport kan bijdragen aan de 'prestatievelden' waarop de gemeente beleid moet vastleggen. Met onder andere nadruk op extra aandacht voor het stimuleren van sportdeelname door 'kwetsbare groepen'.
In gemeente C verscheen een nota over het sociaal domein, dat 'veelomvattend' is geworden. Daarmee groeide 'de noodzaak' om vanuit het sociaal domein met andere domeinen samen te werken en zo 'de effectiviteit' van het beleid te vergroten.
Ook de geïnterviewden in deze gemeente merken deze verschuiving op. Zo vertelt een medewerker van het sportbedrijf dat de 'algemene verschuiving naar het sociaal domein' een grote rol heeft gespeeld in de manier waarop men in de gemeente naar sport kijkt.
Daarom zet de gemeente in op het verstevigen van de 'maatschappelijke functie' van sportverenigingen. Dat betekent dat de lokale overheid meer afhankelijk is van (de medewerking en mogelijkheden van) sportverenigingen. Wel erkennen enkele lokale betrokkenen dat er 'heel veel' van verenigingen gevraagd wordt.
Andersom is in alle lokale nota's te lezen dat het sportbeleid ook 'raakt' aan werkzaamheden, ambities en programma's van andere beleidsdomeinen. Vooral het gezondheidsbeleid, sociaal domein, ruimtelijke ordening, onderwijs en werk komen hier terug. Bijvoorbeeld omdat welzijnsorganisaties beoogde doelgroepen van het sportbeleid beter weten te bereiken. Maar ook door samenhang met akkoorden van andere domeinen.
In samenhang met andere akkoorden
In de jaren na de lancering van het eerste landelijke sportakkoord startten enkele andere akkoorden, vooral op het terrein van preventie, gezondheid en het sociaal domein.
In november 2018 lanceerde de landelijke overheid het Nationaal Preventieakkoord, waardoor gemeenten in de jaren 2021-2023 uitvoeringsbudget konden aanvragen om in te zetten op preventie.4 Gemeente C voegde het lokale sportakkoord en preventieakkoord vanaf het begin samen tot een akkoord. Gemeente F deed dat bij het tweede lokale sportakkoord.
Vooral in de herijkte (tweede) lokale sportakkoorden staan andere akkoorden waar het lokale sportakkoord een 'directe verbinding' mee heeft (B). Naast het lokale preventieakkoord zijn dit bijvoorbeeld de lokale coalities vanuit het actieprogramma Eén tegen Eenzaamheid, het Integrale Zorgakkoord (IZA) en het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) (zie kader 3.1). Deze programma's en akkoorden hebben verschillende doelen en andere manieren van financiering, maar leunen allemaal op lokale samenwerkingen waarin de gemeente een rol heeft.
De landelijke middelen voor de uitvoering van het GALA, het Sportakkoord II en de Brede Regeling Combinatiefuncties (BRC)5 zijn voor de periode 2023 t/m 2026 samengevoegd in de 'Brede SPUK-regeling'. Hierdoor zijn deze programma's en akkoorden 'voor het eerst integraal met elkaar verbonden' en ontvangen gemeenten een totaalbudget om uitvoering te geven aan GALA en Sportakkoord II.6
Hiermee zijn ook de middelen van deze akkoorden aan elkaar verbonden. De (sport)akkoorden, die gemeenten vooral zien als afspraken met en tussen lokaal betrokken partners, worden daardoor omvangrijker. Wat dit betekent voor verantwoordelijkheden en eigenaarschap, zien we in de lokale sportakkoorden niet terug.
Kader 3.1 Gevraagde samenwerking in enkele landelijke programma's en akkoorden die raken aan het sportakkoord
Het landelijke actieprogramma Eén tegen Eenzaamheid (maart 2018) was in eerste instantie op ouderen gericht. Het vervolgprogramma (2022-2025) gaat om 'eenzaamheid in het algemeen'. Hierin werken lokale organisaties en inwoners samen in 'lokale coalities' op initiatief van gemeenten. Het landelijke actieprogramma 'ondersteunt' gemeenten en hun lokale coalities.
Het IZA (september 2022) heeft de ambitie om de zorg goed, toegankelijk en betaalbaar te kunnen houden. Dit akkoord is vooral gericht op de zorgsector, maar om 'passende zorg te realiseren is regionale en lokale samenwerking nodig'.
Het GALA (januari 2023) heeft doelen die 'alleen met lokale en regionale samenwerking te bereiken' zijn. Het gaat om samenwerking tussen gemeenten, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, GGD en RIVM.7
Bezuinigingen als opgave, efficiënter samenwerken als noodzaak
Bij de veranderende rol van de gemeente in het sportbeleid, het opzoeken van de wisselwerking met opgaven van andere beleidsdomeinen en het verknopen van akkoorden en domeinen, zien we bezuinigingen mede als achterliggende reden.
Een ondertoon in meerdere lokale nota's en sportakkoorden is dat door 'efficiënter' te werken grote(re) maatschappelijke ambities met minder financiële middelen kunnen worden behaald. De wens is dat door 'integrale samenwerking', het samenvoegen van budgetten en co-financiering 'meer ontstaat' (C). De landelijke uitvoeringsgelden moeten daarom 'zo efficiënt mogelijk' worden ingezet.
Een andere wens die we terug zien komen, is aantonen dat sport 'werkt' als middel om beleidsambities op te vangen (A). Daarmee zouden andere beleidsdomeinen sport meer gaan erkennen en inzetten. Een manier is om het 'rendement' van sportprojecten in kaart te brengen: wat leveren ze op?
In een van de sportakkoorden staat wel vermeld dat de financiële middelen die daarvoor beschikbaar zijn, 'beperkt' zijn in relatie tot de maatschappelijke opgaven waar de gemeente voor staat (B).
3.3 Invulling en uitvoering van het lokale sportakkoord
De lokale sportakkoorden kregen invulling in samenspraak met geïnteresseerden. Zij konden bijvoorbeeld via een enquête of bijeenkomsten meedenken met de onderwerpen die lokaal belangrijk waren en hoe die invulling moesten krijgen. Hiermee werd 'de inbreng uit het veld' samengevoegd (D).
De kaders waren de vijf pijlers uit het Nationale Sportakkoord, waar inclusief sporten en bewegen er een van was. In alle gemeenten is deze pijler overgenomen. In de ene gemeente als 'belangrijkste' thema (C, E), in een andere gemeente minder prominent (D).
In vier van de zes gemeenten (B, C, E en F) ligt de uitvoering van het (eerste) sportakkoord primair bij de organisaties of (sport)aanbieders met initiatieven of projecten die bijdragen aan de beoogde ambities. Zij konden vanuit het sportakkoord uitvoeringsbudget aanvragen, variërend van een maximumbedrag van enkele honderden euro's tot 5.000 euro. In de periode van het tweede sportakkoord is deze werkwijze voortgezet.
In sommige gemeenten lag een deel van de uitvoering bij buurtsportcoaches of andere professionals die speciaal voor de uitvoering en ontwikkeling zijn aangesteld. Gemeente D heeft middelen van het eerste sportakkoord vooral ook gebruikt voor de ontwikkeling van en pilots van een opleiding voor trainers.
Hoofdstuk 4 Invullingen en doelgroepen van inclusie in het sportbeleid
Dit hoofdstuk gaat over lokale invullingen van inclusief sporten en bewegen en op welke doelgroepen het beleid gericht is.
4.1 Invullingen: inclusie als breed en veranderlijk ideaal
Het landelijke sportakkoord zorgde voor aandacht voor inclusief sporten en bewegen. Het werd in de onderzochte gemeenten een belangrijke pijler in de lokale sportakkoorden. Dit viel samen met meer algemene maatschappelijke aandacht voor inclusie en het tegengaan van uitsluiting (o.a. antidiscriminatie).
Uit de lokale (beleids)documenten en gesprekken blijkt dat ‘inclusief sporten en bewegen’ een globaal omschreven ideaal is, dat niet altijd makkelijk concreter te maken is. Bijvoorbeeld in de vertaalslag naar het lokale sport- en beweegaanbod. Ook lijkt het ideaal minder prominent na de herijking van de lokale sportakkoorden in 2023.
Aandacht ging samen met toegenomen maatschappelijke aandacht
In gesprekken komt naar voren dat het sportakkoord niet de enige aanjager van toegenomen aandacht voor inclusie was. Ook ‘meer bewustwording in de samenleving’ (E), zorgen over ‘kwetsbare’ groepen na de coronacrisis (B), bredere maatschappelijke ontwikkelingen zoals Black Lives Matter en landelijke aanpakken tegen racisme en discriminatie in de sport8 geven meer urgentie aan inclusie en diversiteit in het sportbeleid.
In gemeente E was er vanuit het sportbeleid een kort lijntje met een overstijgend programma gericht op inclusie. Vanuit dit programma was er gemeentebreed aandacht voor het onderwerp.
Niet alleen het sportakkoord heeft er dus voor gezorgd dat er meer aandacht is voor inclusie en diversiteit. Maar het akkoord helpt met de uitvoeringsbudgetten wel om dit specifiek binnen sport en bewegen te stimuleren (zie paragraaf 5.2).
Inclusie als globaal omschreven ideaal, vrijwel alleen gericht op deelname
In de lokale akkoorden staan vooral veel globale omschrijvingen van inclusie, vaak gericht op ‘iedereen’: iedereen kan sporten ‘met plezier’ of ‘zonder drempels’, ‘wordt bereikt’, ‘voelt zich welkom’ of sport en bewegen is ‘vanzelfsprekend’ voor elke inwoner. We zien hier de omschrijvingen uit het landelijk sportakkoord, deels letterlijk, terugkomen.
Ook in de gesprekken hoorden we veel algemene omschrijvingen van inclusie, vergelijkbaar met de termen uit de akkoorden. Sommigen geven meer concrete invulling, zoals een betrokkene vanuit een sportbedrijf in gemeente D, die er via projecten en initiatieven voor wil zorgen 'dat mensen weer ergens toe behoren'. Dat doen ze vooral door groepen met gelijkgestemden te creëren.
In het verlengde hiervan komt in twee gemeenten (A en C) een duidelijk onderscheid tussen 'inclusief sportaanbod' en 'aangepast sportaanbod' terug. Hier zien ze vanuit de gemeente het liefst dat alle mensen zo veel mogelijk bij het 'reguliere' aanbod kunnen sporten. Voor hen betekent inclusief sporten met iedereen samen kunnen sporten, wat zij onderscheiden van aangepast aanbod voor mensen met een beperking. Een praktijkpartner in een van deze gemeenten moppert hierop, vanuit de ervaring dat dit aanbod vaak wordt 'weggestopt' op minder aantrekkelijke velden en tijdstippen.
Een betrokkene vanuit een sportbedrijf in gemeente C, die het gesprek begon met inclusie 'is dat iedereen met plezier een leven lang kan sporten', merkt gaandeweg het gesprek op dat het lastig is om de betekenis te bepalen en stelt zichzelf dan ook de vraag wat inclusief zijn eigenlijk betekent. Een andere praktijkpartner uit dezelfde gemeente merkt op dat er onderlinge verschillen zijn in wat men als 'inclusief' ziet en dat de betekenis ervan 'meer op scherp' moest komen. Dit laat zien dat het lastig kan zijn om de globale idealen naar de (uitvoering in de) praktijk te vertalen.
In gemeente D komt inclusie minder nadrukkelijk terug in het eerste sportakkoord. Hier is de ambitie om begeleiding bij bestaand sportaanbod te ontwikkelen voor mensen die zich 'anders' voelen en daarmee buiten de boot dreigen te vallen. Dit is ingebed in een lokale alliantie tegen eenzaamheid.
Overkoepelend valt op dat inclusie in alle gemeenten vrijwel alleen is gericht op het bevorderen van sport- en beweegdeelname van groepen die minder deelnemen dan gemiddeld. Alleen in de lokale sportnota's van gemeente A staat de ambitie om diversiteit en inclusie onder bestuurders en kader van sportaanbieders te stimuleren. Verder zien we geen of maar zeer beperkt aandacht voor inclusie en diversiteit in het sportbeleid, management en uitvoeringsorganisaties (zie ook paragraaf 5.3).
'Inclusie' of 'inclusie en diversiteit'?
Waar in het eerste landelijke sportakkoord 'Inclusief sporten en bewegen' het thema was, werd dit in het tweede landelijke akkoord 'Inclusie en diversiteit'. Inclusie kan niet zonder aandacht voor diversiteit, maar lokaal zien we dat dit tweede onderwerp beperkter aandacht krijgt. Dit lijkt wel ingegeven door de landelijke invalshoek in het eerste sportakkoord.9 Zo komt in de herijkte sportakkoorden ‘inclusie en diversiteit’ als onderwerp terug. Maar wat diversiteit is, wordt minder uitgelegd dan wat inclusie inhoudt.
Wel maken sommige geïnterviewden onderscheid tussen inclusie en diversiteit, hoewel dat ook lastig blijkt. Bijvoorbeeld in gesprek met een sportaanbieder uit gemeente F:
‘Inclusief vind ik dat je openstaat voor alles en iedereen. Diversiteit is dat je er gericht aan werkt dat je zoveel mogelijk verschillende doelgroepen binnenhaalt. Dus ik vind dat meer... inclusie is meer faciliterend en diversiteit vind ik wat meer een actie. Ja, terwijl ik het woord diversiteit... is ook wel gewoon een constatering. Iets kan... één groep kan divers zijn samengesteld, zeg maar hè, dat (...) is meer een beschrijvend iets dan. Maar je bedoelt misschien echt diversiteitsbeleid, zeg maar, en inclusie is voor mij wel heel erg actief. Iedereen mag en is welkom en kan erbij zeg maar.’
In gemeente E vinden we explicieter aandacht voor diversiteit en het onderscheid met inclusie. Waar ze het eerste zien als ‘een veelheid aan perspectieven in huis hebben’, gaat inclusie in deze gemeente over het serieus nemen en in hun waarde laten van al deze perspectieven. Voor inclusie is het dus nodig om kennis van en begrip voor elkaars perspectieven te hebben.
Inclusief lokaal sportaanbod of inclusieve aanbieders
Het brede ideaal van inclusief sporten en bewegen gaat vooral over het hele lokale sport- en beweegaanbod: daar moet voor iedereen een plek zijn om te sporten. In gemeente E is de ambitie dat iedereen overal ‘welkom’ is, maar zich niet overal ‘thuis’ hoeft te voelen. Wel moet er voor iedereen minimaal één plek zijn om zich thuis te voelen. Een sportbeleidsmedewerker uit gemeente B deelt die opvatting:
‘Inclusie in de sport [is] dat er voor iedereen ergens een plek is, waar die op zijn eigen niveau kan sporten met gelijkgestemden, met vrienden. Waar die dus ook sociale contacten kan opdoen. Dat betekent voor mij niet dat iedere sportclub iedereen moet kunnen ontvangen. Maar wel dat er voor iedereen ergens in zijn omgeving (...) ook echt gesport kan worden op een leuke manier.’
Van iedere vereniging vragen om bijvoorbeeld aangepast sportaanbod voor mensen met een beperking te hebben, gaat niet, want ‘dan kan je geen teams opbouwen’. Wel zou elke vereniging dan moeten helpen zoeken naar ander aanbod of doorverwijzen naar het sportbedrijf voor hulp bij de zoektocht.
Daarbij is de ervaring van betrokkenen uit verschillende gemeenten dat sportverenigingen ‘lastig mee te krijgen’ zijn. Bijvoorbeeld doordat zij grotendeels10 afhankelijk zijn van de inzet van vrijwilligers, doordat ze hun kerntaken al lastig kunnen vervullen, of doordat de ambities te abstract zijn. Verenigingen kunnen uitvoeringsbudget aanvragen uit het sportakkoord, maar daar moeten ze wel wat voor (kunnen) doen. Verenigingen die aanhaken bij de ambities van inclusief sporten en bewegen, zijn vaak 'voorlopers' of doen dit vanuit persoonlijke affiniteit (zie paragraaf 5.3).
Dat het sportakkoord – en daarmee de ambities rondom inclusie en diversiteit – een gezamenlijke afspraak is van veel partners in de gemeenten (zie paragraaf 3.2), roept wel de vraag op wie er verantwoordelijk is voor en het overzicht houdt over of het lokale sport- en beweegaanbod voldoende inclusief is.
Inclusie na herijking lokale sportakkoorden veelal minder expliciet
Hoewel 'inclusie' met het eerste landelijke sportakkoord aandacht kreeg in de lokale sportakkoorden, is dat na de herijking van de eerste sportakkoorden in drie gemeenten (B, C en F) op papier veel minder expliciet het geval. Zo zien we meer verwevenheid met andere thema's uit het sportakkoord, zoals vaardig in bewegen en veilig sportklimaat. Of is inclusie ondergebracht onder 'gezond leven'.
In de hernieuwde sportvisie van gemeente E is sport een middel dat kan bijdragen aan inclusie in de samenleving. Hier gaat het niet om inclusie in sport, maar om inclusie door sport. In gemeente C is de visie van het sportbedrijf gaandeweg veranderd in 'inclusie moet overal in zitten'. Dit is grotendeels ingegeven door het vertrek van de medewerker die dit als expertise had (zie paragraaf 5.3).
Ook hier zitten maatschappelijke ontwikkelingen achter. Zo erkent een beleidsmedewerker sport dat de opkomst van de PVV in gemeente B het lastiger maakt om aandacht voor inclusie en diversiteit bespreekbaar te houden. Dat geldt vooral voor inclusie van mensen met een migratieachtergrond en lhbtiq+-personen.
4.2 Doelgroepen: inclusie van wie?
Het sportstimuleringsbeleid in alle gemeenten is vooral gericht op 'het verleiden van' mensen die 'niet of niet voldoende' sporten en bewegen (A), of inwoners die 'niet bij een vereniging zitten' (C).
Een beleidsmedewerker sport van gemeente C vertelt dat ze het liefst voor zo veel mogelijk mensen van betekenis zijn en 'liever niet op doelgroepen zitten', maar dat de ervaring leert dat dit in de praktijk wel gebeurt. Dat komt doordat verschillende doelgroepen van het beleid verschillende dingen nodig hebben om te kunnen sporten. Ook in de beleidsstukken en gesprekken in andere gemeenten zien we terug dat het veelal is gericht op bepaalde groepen mensen.
In de lopende beleidsnota's en -visies bij de start van het sportakkoord lag in de onderzochte gemeenten vooral de nadruk op sportstimulering van inwoners in wijken waar de deelname laag is en/of in specifieke levensfasen, vooral jeugd. Met de komst van het lokale sportakkoord zien we in vier gemeenten vooral (een verschuiving naar) aandacht voor mensen met een beperking en ouderen. Gaandeweg lijken de doelgroepen ook steeds specifieker te worden.
Meer aandacht voor mensen met een beperking door sportakkoord
Hoewel aandacht voor mensen met een beperking wel in lokale beleidsstukken van voor het sportakkoord terugkomt, lijkt het sportakkoord hier een impuls aan te hebben gegeven in vier van de zes gemeenten (A, B, C en F). Een beleidsmedewerker uit gemeente C vertelt dat mensen met een beperking voorheen 'op papier belangrijk' waren, maar er in praktijk 'geen lopende projecten' en 'weinig geld en middelen' voor waren.
In gemeente B vertelt een lokale uitvoeringspartner dat het VN-verdrag Handicap, waar Nederland zich in 2016 bij aansloot, mogelijk een rol speelt bij de toegenomen aandacht. Gemeenten moeten hierdoor in beleidsplannen verplicht laten zien hoe zij inclusie van inwoners met een beperking willen bevorderen.11 In deze gemeente lopen ze vooral aan tegen de toegankelijkheid van sportaccommodaties:
'Accommodaties is voor ons misschien wel het lastigste thema, omdat wij niet direct zelf daar heel veel invloed op hebben (...). De meeste accommodaties zijn van de gemeente en er zijn tegenwoordig heel veel regels waar aan de accommodatie aan moet voldoen. Ook op het gebied van toegankelijkheid (...). Een goed voorbeeld is wel de rolstoelbasketballers [in onze gemeente. Er zijn bijvoorbeeld] niet genoeg rolstoel-parkeerplekken. Terwijl als je rolstoelbasketbal speelt en je moet naar een uitwedstrijd, dan ga je niet met een of twee auto's die kant op. (...) Als je dan maar vier parkeerplekken hebt (...) daar red je het niet mee.'
Dit voorbeeld laat zien dat lokale beleidsmedewerkers sport van collega's van andere beleidsdomeinen afhankelijk kunnen zijn om hun ambities te realiseren.
Aandacht voor deelname van mensen met een beperking zien we vooral terug in de gehonoreerde uitvoeringsbudgetten voor sportinitiatieven die gericht zijn op inclusie in sport en bewegen. Bijvoorbeeld door samen met een lokale fysiotherapiepraktijk sportaanbod voor mensen met een beperking op te zetten (F). Of voor het verder ontwikkelen van G-sportaanbod bij verenigingen (C).
Daarbij is de afbakening van doelgroepen soms heel specifiek. Zo ging er budget naar aanbod voor mensen met een lichte verstandelijke beperking, kinderen met 'druk gedrag' die lastig bij een sportvereniging terecht kunnen, of jongeren met autisme. Hier zien we aandacht voor een specifieke beperking en een specifieke levensfase terugkomen vanuit een intersectionele benadering.
Vanuit sportakkoord aandacht voor levensfasen, vooral ouderen
Hoewel alle gemeenten voor het sportakkoord al aandacht hadden voor sportstimulering van inwoners in verschillende levensfasen, zien we dat vanuit het thema inclusie vooral meer initiatieven voor ouderen zijn ontwikkeld. Zo zien we in verschillende gemeenten (C, E en F) financiering vanuit het sportakkoord voor (starten met) Oldstars-sportaanbod.
In gemeente F is een werkgroep opgezet rondom ouderen. Zij organiseerden samen met een lokale fysiotherapiepraktijk vitaliteitstesten in specifieke wijken in de gemeente. De opkomst voor deze testen was uiteindelijk een stuk hoger dan de werkgroep had beoogd en zij zien dit project daarom als een lokaal succes.
In gemeente A zagen ze dat ouderen met een migratieachtergrond vaak in speeltuinen te vinden zijn met hun kleinkinderen. Daardoor kwamen ze op het idee om hen 'te verleiden om mee te doen op plekken waar ze al komen', om sport en bewegen 'iets laagdrempeligs' te maken. Ook dit is een voorbeeld van een intersectionele aanpak met aandacht voor zowel levensfase als herkomst. Maar een intersectioneel perspectief kan in de praktijk ook lastig zijn (zie kader 4.1).
De toegenomen aandacht voor ouderen lijkt samen te vallen met meer (beleids)aandacht voor gezondheid, valpreventie en eenzaamheid. Zo zijn er relatief veel projecten gefinancierd gericht op valpreventie of 'sociale inclusie' van ouderen. Of voor ouderen met een specifieke chronische aandoening, zoals Parkinson.
Kader 4.1 Ontwikkeling sportaanbod voor ouderen
In gemeente C is een ouderenproject ontwikkeld. Vooral vanwege 'het belang van de derde helft', het sociale aspect van samen sporten. Maar ook om ouderen 'in beweging te krijgen en houden'.
Dit is een lokaal initiatief dat ontstond nadat de gemeente in het kader van het lokale sportakkoord een bijeenkomst organiseerde. Het sportbedrijf, het landelijke Ouderenfonds en een sportaanbieder zijn vervolgens met het project gestart. Dat werd gesubsidieerd door het Ouderenfonds en een zorgverzekeraar. Het lukte helaas niet om vanuit het lokale sportakkoord uitvoeringsbudget te regelen.
De respons is veelal positief: de meeste deelnemers zijn enthousiast, aldus de uitvoerder. Het aanbod trekt zowel mensen die vroeger hebben gesport als mensen die vroeger niet hebben gesport. Niet iedereen kan of wil aan alles meedoen. Daarom is het belangrijk een breed aanbod te bieden, in samenwerking met verschillende sportclubs.
Overigens kunnen niet alle ouderen deelnemen. Zo is er geen aanbod dat geschikt is voor mensen met een rollator. Ook moeten deelnemers inmiddels contributie betalen omdat de subsidies gestopt zijn. De aanbieder schat in dat ze dit kunnen betalen, omdat dit 'geen armlastige mensen' zijn.
Dit laat zien dat inclusie van 'alle' ouderen lastig kan zijn door de diversiteit, en daarmee uiteenlopende behoeften en belemmeringen, binnen de groep.
Aandacht voor mensen met een lage sociaaleconomische status vooral wijkgericht vanuit lopend sportbeleid
Aandacht voor inclusie van mensen met een 'lage' sociaaleconomische status, ook een van de doelgroepen in het landelijke sportakkoord, zien we enigszins terug in de gehonoreerde projecten. Bijvoorbeeld in een project met sportclinics voor jongeren uit 'aandachtswijken'. Of een vereniging die de sport in 'aandachtswijken' wil promoten en nieuw aanbod wil creëren (beide in gemeente E).
In gemeente C is met middelen vanuit het sportakkoord de samenwerking met Life Goals voortgezet. Deze organisatie richt zich op sport voor onder andere mensen met een lage sociaaleconomische status die niet of nauwelijks sporten en 'in een kwetsbare positie' leven.12
In gemeente D is het tweede sportakkoord wel heel expliciet gericht op meer inzet op wijken waarin de deelname lager ligt. Dit is sterk ingestoken vanuit een gezondheidsperspectief en de lokale koppeling met de doelstellingen van het GALA (zie paragraaf 3.2). Hoe dit precies invulling krijgt, was bij het opstellen van het sportakkoord nog niet duidelijk.
De andere gemeenten lijken de wijkinzet vooral vanuit het sportbeleid voort te zetten, en minder vanuit het sportakkoord. Zo werken de buurtsportcoaches in gemeente E sterk wijkgericht, maar zijn zij niet betrokken bij de uitvoering van het sportakkoord. Die ligt namelijk bij de partijen die uitvoeringsbudget voor initiatieven aanvragen en de ondersteuning van verenigingsmanagers hierbij. Mogelijk verhoudt de manier van financieren van projecten zich minder goed tot een wijkfocus en aanbod (specifiek) voor mensen met een lage sociaaleconomische status.
Financiële steun voor sportdeelname
Wel zien we in de herijking van vijf lokale sportakkoorden toegenomen aandacht voor financiële ondersteuning van sport voor mensen met geldzorgen (A, B, C, D en F).
Zo heeft gemeente B de ambitie om de regelingen te vereenvoudigen en toegankelijker te maken. Wel blijkt dit in de praktijk lastig omdat deze regelingen buiten het sportbeleid liggen. Zo vertelt de betrokken beleidsmedewerker 'niet helemaal in die financiële regelingen' te zitten.
Ook in gemeente F verwijzen betrokkenen naar elkaar voor meer informatie, maar lijkt geen van hen inhoudelijke kennis en expertise te hebben over (ongelijkheid in) sportdeelname én financiële regelingen. In gemeente A is het volgens de sportbeleidsmedewerker zoeken welk beleidsdomein verantwoordelijk is voor de regelingen én wie verantwoordelijk is voor de begeleiding naar sport, want 'alleen met een fonds ben je er niet'.
In de vragenlijst kruisten respondenten het 'verlagen/wegnemen van financiële drempels' ook het vaakst aan als onderwerp dat vooral aandacht moet krijgen in het vervolgbeleid om inclusie en diversiteit in de sport verder te verbeteren (door negen van de twaalf respondenten).
Beperkt aandacht voor overige mogelijke doelgroepen
We zien beperkte beleidsaandacht voor andere mogelijke doelgroepen van sportstimuleringsbeleid, die ook vaak meer belemmeringen kennen om te sporten en bewegen.
Mensen met een vluchtverleden
Twee gemeenten (E en F) hebben in hun lokale sportakkoord aandacht voor de verbinding van vluchtelingen met sport. In een van deze gemeenten is een project opgestart vanwege de aanbouw van twee nieuwe opvanglocaties voor vluchtelingen. Het doel is om de integratie van vluchtelingen te bevorderen met sport.
Dit is een voorbeeld van inclusie door sport. Lokale sportverenigingen spelen een ondersteunende rol. In de andere gemeente is een initiatief gestart om fietslessen te geven aan nieuwkomers, waarbij ze ook aandacht besteden aan taallessen.
Gericht op mentale en psychische gezondheid
In verschillende gemeenten zijn er sportinitiatieven die zich richten op de verbetering van de mentale en psychische gezondheid van inwoners.
In gemeente D hebben ze zich vanuit het sportbeleid aangesloten bij een gemeentelijk maatjesproject. Dit is voor mensen die door een psychische kwetsbaarheid weinig sociale contacten hebben of moeite hebben om zelfstandig iets buitenshuis te ondernemen. Een aantal sportverenigingen doet mee aan dit project, waarbij een deelnemer met een maatje meedoet in de reguliere sportgroepen van de vereniging. De financiering van dit project komt vanuit het lokale sportakkoord.
Lhbtq+-personen
Tot slot valt op dat er binnen de gemeenten relatief weinig sportinitiatieven zijn voor inclusie van mensen uit de lhbtq+-gemeenschap. Deels kan dat komen doordat aandacht voor deze groep (meer) binnen het thema veilig sportklimaat is ondergebracht.
Minder initiatieven betekent overigens niet altijd minder aandacht. Zo is in twee bijeenkomsten voor sportaanbieders in gemeente F (onder andere) aandacht aan lhbtq+-inclusie besteed, maar zijn daar geen initiatieven uit voortgekomen.
Wel lijkt aandacht besteden aan inclusie van deze groep meer beladen geworden door bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Een uitvoeringspartner uit gemeente B merkt op dat er sinds 2018 meer aandacht is voor inclusie en diversiteit binnen sportclubs, maar dat er niet alleen positieve veranderingen zichtbaar zijn:
'Tegelijkertijd zie je ook wel dat dat het misschien vijf jaar geleden heel vanzelfsprekend was om met coming-out day een regenboogvlag op te hangen. En dat clubs met dat soort dingen dan juist nu weer wat huiveriger worden. Omdat dat ook weer zoiets is wat meer kwaad kan doen dan dat het goed doet, zeg maar.'
Deze verandering in de tijdgeest hangt volgens de geïnterviewde samen met de nasleep van de coronapandemie. Spanningen die destijds zijn ontstaan in de samenleving, zouden vandaag de dag nog steeds een rol spelen. Deze spanningen lijken in de sport ook terug te komen en leiden soms tot polarisatie, aldus de uitvoeringspartner.
Hoofdstuk 5 Lokale ontwikkelingen inclusie en diversiteit in sport en bewegen
Dit hoofdstuk gaat over de lokale ontwikkelingen rondom het bevorderen van inclusie en diversiteit in sport en bewegen. Wat heeft het sportakkoord opgeleverd en wat zijn ervaren knelpunten? We gaan achtereenvolgens in op de ervaren opbrengsten, de ervaren projectmatige en financiële impuls vanuit het sportakkoord en de afhankelijkheid van betrokken personen. We sluiten af met het zicht op de voortgang en de resultaten.
5.1 Ervaren opbrengsten: veel nieuwe initiatieven, doelgroepen en samenwerkingen
Als belangrijkste opbrengsten van aandacht voor inclusie en diversiteit vanuit het lokale sportakkoord, noemen geïnterviewden de veelheid aan nieuwe initiatieven, deels voor nieuwe doelgroepen, en een toename in en intensivering van samenwerkingen.
Veel verschillende projecten en initiatieven voor (deels) nieuwe doelgroepen
Door de financiering vanuit het sportakkoord, die in de meeste gemeenten (B, C, E en F) vooral naar de uitvoering via lokale projecten en initiatieven ging, is het (door)ontwikkelen van aanbod voor (deels) nieuwe doelgroepen een van de meest zichtbare opbrengsten van het sportakkoord.
Het gaat bijvoorbeeld om trainingen of e-learnings voor begeleiders om met specifieke doelgroepen om te gaan (zoals kinderen met autisme of jongeren die zich eenzaam voelen), aanpassingen in de (toegankelijkheid van de) fysieke omgeving, netwerkbijeenkomsten en thema-avonden. Maar vooral om heel veel sport- en beweeginitiatieven voor uiteenlopende doelgroepen (zie paragraaf 4.2).
Deels gaat het om bestaand aanbod dat met tijdelijke middelen is doorontwikkeld. Zo heeft een sportvereniging in gemeente C al bestaand G-sportaanbod – aan de start gefinancierd met middelen vanuit een loterij – verder kunnen ontwikkelen met 5.000 euro vanuit het lokale sportakkoord. Dat was vooral nuttig voor de financiering van het vervoer van de sporters, die vaak verder weg wonen. Inmiddels is de financiering gestopt, maar heeft de vereniging die ook niet meer nodig. Ze hebben dit intern financieel kunnen borgen.
Deels gaat het om het opzetten van nieuw aanbod. Zo heeft een andere aanbieder in dezelfde gemeente juist met aanbod voor een specifieke ‘kwetsbare’ doelgroep kunnen starten dankzij financiering vanuit het sportakkoord.
Meer domeinoverstijgende samenwerking en uitbreiding netwerken
In alle onderzochte gemeenten vertellen geïnterviewden dat ze meer domeinoverstijgend samenwerken en hun netwerk hebben uitgebreid om uitvoering te geven aan het bevorderen van inclusie via het lokale sportbeleid. Dit komt niet alleen door het sportakkoord (zie paragraaf 3.2). Maar doordat het akkoord vanaf het begin van meerdere partners was, heeft dit absoluut een rol gespeeld in de toenemende samenwerking. In gemeente E zien ze dit ook als belangrijkste opbrengst van het sportakkoord.
Behalve meer 'logische' samenwerkingspartners vanuit de sportsector of aanpalende domeinen (gezondheid, welzijn, sociaal domein) noemen geïnterviewden ook minder voor de hand liggende nieuwe partners, zoals een woningbouwvereniging.
Deels bestonden deze samenwerkingen al, maar heeft het sportakkoord meer (financiële) ruimte geboden om deze uit te breiden. Dat komt ook doordat (nieuwe) samenwerking vaak een pré of een expliciete voorwaarde was voor het aanvragen van uitvoeringsbudgetten.13
Volgens de geïnterviewden levert deze samenwerking veel op. Zo vertelt een beleidsmedewerker uit gemeente B dat sport altijd een relatief klein domein is en ze meer kunnen bereiken door sport als middel te zien, zodat ze andere domeinen kunnen 'meekrijgen'. Een ander in dezelfde gemeente signaleert dat de onderlinge samenwerking leidt tot betere doorverwijzingen naar en ondersteuning bij sportbeoefening.
De grootte van de gemeente kan meespelen bij de inrichting van de samenwerking tussen verschillende beleidsafdelingen. Een beleidsmedewerker noemt 'het voordeel van een kleine gemeente' (F): zij ziet dat er 'makkelijker en sneller geschakeld kan worden met afdelingen en uitvoerende organisaties'. Tegelijkertijd is de slagkracht in deze gemeente kleiner en meer afhankelijk van enkele personen (zie ook paragraaf 5.3).
Uiteenlopende belangen lastig bij domeinoverstijgende samenwerking
In een van de grote gemeenten (A) is de ervaring van een medewerker van het sportbedrijf dat elke beleidsafdeling 'een eigen kijk' heeft op een onderwerp, bijvoorbeeld vanuit een sport-, welzijns- of gezondheidsperspectief. Dat maakt samenwerking lastiger. Daarnaast is het vaak een lastig vraagstuk wie wat moet financieren. Dergelijke samenwerking kan het speelveld onduidelijker maken met een minder scherpe afbakening van wie waarover gaat (A).
Daaronder ligt een vaker gehoorde uitdaging van uiteenlopende belangen van betrokken partijen. Zo noemt een beleidsmedewerker uit gemeente A het een uitdaging dat gratis, tijdelijk beweegaanbod vaak een onderdeel is van interventies14. Vanuit die positie mensen toeleiden naar structureel en vaak betaald beweegaanbod, is dan heel lastig. Terwijl dat vaak wel het doel vanuit het sportbeleid is (bewegen als doel).
Mensen uit beide domeinen vinden ook wel eens dat de anderen er 'geen verstand van hebben'. Deze afbakening en houding maakt concurrerend, terwijl juist samenwerking nodig is. Haar ervaring is wel dat de samenvoeging van de budgetten van het GALA en Sportakkoord II in de Brede SPUK die samenwerking door de verplichting in 'een stroomversnelling' heeft gebracht.
Ook in de samenwerking tussen het sport- en gezondheidsbeleid spelen verschillende opvattingen en belangen, komt in gesprekken in meerdere gemeenten naar voren (B, C en F). Zo merken mensen uit de sport een verschil in houding tussen beide sectoren. Zij ervaren dat de sportsector meer aandacht heeft voor de preventieve werking van sport op de mentale en fysieke gezondheid, zeker voor mensen in een maatschappelijk 'kwetsbare' positie. Een sportbeleidsmedewerker uit gemeente B vertelt:
'We werken veel met de zorg samen: huisartsen, fysiotherapeuten, noem het allemaal maar op. Om te kijken of sport en bewegen voor mensen al een soort middel kan zijn voordat ze überhaupt in de zorg terechtkomen of dat het een antwoord kan zijn op zorgvragen.'
Zorginstellingen, zoals ziekenhuizen en huisartsen, handelen juist vanuit curatief oogpunt, is haar ervaring. Zij zijn vooral gericht op genezen en minder op het voorkomen van gezondheidsklachten, legt ze uit:
'Sport is (...) soms nog wel een beetje een vies woord voor zorg- en welzijnspartners. [Vanuit sport] willen [we] dat het vanzelfsprekend wordt om sport en bewegen als medicijn te zien.'
Dit maakt dat de zorgsector minder belang lijkt te hechten aan sport- en beweeginterventies en patiënten of cliënten hier niet altijd naar doorverwijst. Daar speelt bij mee dat de zorg vaak overbelast is, waardoor er weinig ruimte is om in preventie te investeren. Plus dat de financiering in de zorg daar niet op gericht is. In meerdere gemeenten kwam dit onderwerp in gesprekken terug.
5.2 Sportakkoord vooral (ervaren als) projectmatige, financiële impuls
Sportakkoord als financiële impuls
Hoewel het Nationaal Sportakkoord tot meer (beleids)aandacht, agendering en initiatieven heeft geleid, lijkt het vooral te zijn ingezet en ervaren als financiële impuls. Gemeenten konden uitvoeringsbudget aanvragen bij de landelijke overheid voor de uitvoering van het lokale sportakkoord, gebaseerd op het aantal inwoners.15
Dat het sportakkoord vooral als een financiële impuls is ervaren, zien we bijvoorbeeld terug in de open omschrijvingen in de vragenlijst over wat de belangrijkste bijdragen zijn van het Nationale Sportakkoord: 'financiën om het uit te kunnen voeren', 'middelen', 'beschikbare financiën', 'geld'. Maar ook in de hoeveelheid projecten die met de middelen zijn gefinancierd (paragraaf 5.1).
Geïnterviewden vertellen bijvoorbeeld dat met de gelden energie vrij kwam om 'ideeën, plannen en vooral wensen' uit te voeren (C). Of dat dit belangrijk was voor (de bereidheid van) sportverenigingen om nieuwe initiatieven te ontwikkelen of aan te passen (B, E).
Hoewel in de sportakkoorden staat dat de aanvraag voor uitvoeringsbudget zo eenvoudig en snel mogelijk moet zijn om belasting van aanvragers te voorkomen, betekent dit wel dat aanbieders de mogelijkheid moeten kennen en weten aan te vragen. In gemeente F zijn de meeste aanvragen (mede) door het sportbedrijf gedaan.
Ook klonken er kritische kanttekeningen, zoals van een lokale sportaanbieder uit gemeente F die op iets meer afstand stond:
'Het grootste stuk van de communicatie over het sportakkoord is geweest naar ons toe is: "Hier is geld. Je kunt er een beroep op doen. Vergeet dat niet, want jullie hebben altijd dingen nodig, dus organiseer iets en vraag ons om geld." Dat is een beetje de hoofdbodschap geweest van het sportakkoord. [...] Het werd een beetje gereduceerd tot één soort van subsidiepot en dan denk ik: ja, dan gaat er dus nooit gezamenlijk iets gebeuren, want dan gaat ieder voor zich denken.'
Dat sportaanbieders financiële middelen vanuit het sportakkoord kunnen krijgen voor projecten of initiatieven die bijdragen aan inclusie in sport en bewegen is mooi, vindt deze geïnterviewde, maar niet genoeg.
Tijdelijkheid financiering lastig
Financiering vanuit de gemeente is vaak eenmalig of tijdelijk. In 2023 was er bijvoorbeeld in gemeente C een project waarin mensen met een verslavingsachtergrond samen gratis konden sporten. Dit verliep succesvol, en er was hoop op voortzetting met een nieuw uitvoeringsbudget. Maar in 2024 is besloten het project te beëindigen. Positief is dat de deelnemers elders een sportactiviteit hebben gevonden, meldt de initiatiefnemer in een update per mail:
'Al met al is deze groep ongeveer 2,5 jaar in beweging geweest. Ze spreken nog steeds met elkaar af, maar sporten niet meer samen.'
De beëindiging van de financiering was de voornaamste reden dat het project niet kon worden voortgezet, ondanks de belangstelling van deelnemers en de inzet van enthousiaste medewerkers
Sommigen vinden een manier om een nieuwe subsidie te regelen (zie kader 5.1). Een enkeling, vooral geïnterviewden in de latere periode, maakt zich zorgen over 'als de potjes' opdrogen (C). Of over de algemene bezuinigingen in het kader van het 'ravijnjaar' waar gemeenten voor staan (B). Dit geeft onzekerheid over de voortzetting van al het geïnitieerde.
Kader 5.1 Innovatief omgaan met financiële middelen
Een geïnterviewde vertelt over een lokaal project dat budget kreeg uit het sportakkoord. Toen dat op was, ontstond de vraag hoe het project kon blijven bestaan. Een vervolgfinanciering vanuit het lokale sportakkoord was namelijk niet mogelijk.
De geïnterviewde zocht daarom een nieuwe subsidiemogelijkheid en verplaatste het project naar een vereniging in een andere gemeente, waar een ander subsidiepotje bleek te zijn. Door taken van vrijwilligers en dagbesteding anders in te delen werd geld bespaard. Dit bespaarde geld gaat nu naar de trainer. Bij de oorspronkelijke aanbieder leverde het project financieel niets op, maar in de nieuwe gemeente veranderde dit, omdat de sporters daar vrijwilligerstaken oppakken.
5.3 Afhankelijkheid van affiniteit, expertise en beschikbaarheid betrokkenen
Het lokale sportakkoord heeft gezorgd voor een financiële impuls op het onderwerp inclusie in sport en bewegen. Maar de mate van aandacht en de manieren waarop er invulling aan wordt gegeven in beleid en uitvoering, is erg afhankelijk van de affiniteit, expertise en beschikbaarheid van betrokkenen. Dat zien we in alle gemeenten terug.
Affiniteit met inclusie belangrijk voor precieze invullingen
In alle gemeenten blijkt affiniteit met inclusie belangrijk voor de agendering en invulling ervan. Zo was er in gemeente C ruim voor de komst van het sportakkoord een wethouder die inclusie heel belangrijk vond, waardoor het onderdeel werd van beleid en uitvoering. Bij wisseling van het college hebben betrokkenen bij dit thema ervaren dat die aandacht minder werd. In gemeente E is er juist een wethouder inclusie actief geworden, waardoor het thema gemeentebreed is ingebed.
Ook zien we sterk terug dat vanuit het Sportakkoord gefinancierde sportinitiatieven vaak vanuit een eigen affiniteit met een specifieke doelgroep ontstaan. Dat vertellen zowel de aanbieders van enkele sportinitiatieven als andere lokale betrokkenen. Of verenigingen met inclusie aan de slag willen, is vaak 'persoonsafhankelijk', ziet bijvoorbeeld een medewerker van een sportbedrijf in gemeente C.
Een medewerker van een sportbedrijf in gemeente D erkent dat je 'ook gewoon geluk' moet hebben met welke mensen je een samenwerking opbouwt. Zij heeft een aantal 'fantastische' mensen om zich heen, die bijvoorbeeld heel goed een specifieke doelgroep aanspreken.
Dit is ook het geval bij de buurtsportcoach die vanuit sportakkoordgelden is aangesteld in gemeente F en zich, behalve vanuit zijn expertise op sporten voor mensen met een beperking, ook is gaan richten op sport- en beweegprojecten voor ouderen en vluchtelingen en op lhbtiq+-inclusie bij sportclubs.
Wel geven betrokkenen in meerdere gemeenten (C, D en E) aan dat het lastig is dat vooral 'sportminded' mensen betrokken zijn, zowel bij het vormgeven van het beleid als bij de uitvoering. Dat maakt het lastig om niet-sporters te bereiken, ervaren ze. Daarom is het welzijnsdomein in meerdere gemeenten een belangrijke partner, omdat zij vaak wel beter in staat zijn (groepen) niet-sporters te bereiken.
Beschikbaarheid: vertraging door vertrek of kleinere aanstelling betrokkenen
Uit zowel het documentonderzoek als de interviews met lokale betrokkenen blijkt dat er vooral binnen gemeenten sprake is van verloop onder medewerkers die bij inclusie en diversiteit in sport en bewegen betrokken zijn (in gemeente A en C het sterkst). Dit heeft gevolgen voor de agendering en uitvoering van inclusief sporten en bewegen.
Betrokkenen, vanuit zowel beleid als praktijk, geven aan dat wisselingen binnen de gemeente kunnen leiden tot vertraging in de uitvoering en vermindering van contact. Dit geldt ook voor wisselingen bij andere betrokken organisaties, zoals het lokale sportbedrijf.
In gemeente C noemt de betrokken beleidsmedewerker, die begin 2024 startte, het verloop onder medewerkers ‘de grootste moeilijkheid’ waar ze tegenaan lopen bij de uitvoering van het lokale sportakkoord. Door de wisselingen van medewerkers en de personeelsomvang is er lange tijd geen consistent beleid geweest. Hierdoor lopen ze op een aantal plannen achter, zoals een langer gekoesterde wens om een sportloket te openen.
Vertraging of minder aandacht voor inclusie komt overigens niet alleen door verloop onder beleidsmedewerkers, maar ook onder andere lokale betrokkenen. Zo is bij het sportbedrijf in gemeente C het vertrek van de medewerker die zich met inclusie bezighield de reden dat inclusie niet meer expliciet op de agenda staat, maar overal in verweven is of zou moeten zijn. Een andere medewerker van het sportbedrijf erkent enige tijd later dat dit heel lastig is en dat inclusie ‘echt een specialisme’ is.
In gemeente F is de aanstelling van de uitvoerende buurtsportcoach, met inclusie in het takenpakket voor 8 uur per week, teruggebracht van 38 naar 32 uur. Dat betekent dat hij keuzes moest maken en de focus vooral heeft gelegd op de jongste en oudste inwoners in de gemeente. Projecten heeft hij vooral proberen te borgen via de inzet van vrijwilligers. Inmiddels is deze buurtsportcoach vertrokken en niet vervangen. Het aantal buurtsportcoaches in deze gemeente ligt net als voor het sportakkoord weer op twee, terwijl dat er met middelen vanuit het sportakkoord tijdelijk vier waren. Dat heeft in de gemeente concrete gevolgen voor het praktische handelen, zoals het opzetten van initiatieven en het begeleiden van mensen naar en tijdens sportactiviteiten.
Gemeente E heeft bij de overgang van het eerste naar het tweede sportakkoord juist expliciet gekozen voor continuïteit in mensen, door leden in de kerngroep te behouden en door te gaan met het lopende beleid en de inzet vanuit het eerste sportakkoord.
Dit laat zien dat personele continuïteit en voldoende capaciteit binnen gemeenten en andere betrokken organisaties cruciaal zijn om inclusie in sport en bewegen structureel en consistent te kunnen vormgeven en uitvoeren. Nieuwe medewerkers moeten gevonden en ingewerkt worden, wat voor vertraging in de uitvoering zorgt. Daarnaast beïnvloeden de wisselingen de onderlinge samenwerking en de opbouwde relaties. En zijn ze nadelig voor het ‘geheugen’ van de gemeente of uitvoeringsorganisaties, omdat er veel kennis en expertise verloren gaat.
5.4 Zicht op voortgang en opbrengsten lastig door versnippering
In twee gemeenten (B en E) zijn de opbrengsten van het (hele) sportakkoord in kaart gebracht, door de gemeente zelf of door een externe partij. In twee andere gemeenten (A en C) hebben de beleidsmedewerkers dit wel geopperd als wens, maar is dit (ten tijde van onze dataverzameling) nog niet gedaan.
Het blijkt lastig voor betrokkenen om goed zicht te hebben op de voortgang en opbrengsten. Dat komt vooral doordat de onderwerpen en opgaven van het sportakkoord verspreid zijn over verschillende beleidsdomeinen en organisaties: 'de koek is verdeeld', ervaren sportbeleidsmedewerkers in een grote stad (B). Maar ook doordat de uitvoering lokaal vooral vorm krijgt via (uitvoeringsgelden voor) vele sport- en beweeginitiatieven.
Zo zijn sportbeleidsmedewerkers niet van alles op de hoogte. Daar zien we in alle gemeenten voorbeelden van. Bijvoorbeeld bij de inrichting van financiële ondersteuning voor sportdeelname. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt (mede) bij het armoedebeleid, het sociaal domein of een lokale stichting (zie paragraaf 4.2). Dat maakt het in gemeente B bijvoorbeeld lastig om de wens voor een eenvoudiger systeem van regelingen te realiseren.
Maar ook voor de inrichting van de openbare ruimte of het toegankelijk maken van sportaccommodatie ligt de (eind)verantwoordelijkheid niet bij het sportbeleid. Zo vertelt een medewerker van een sportbedrijf in gemeente D dat zij niet actief betrokken zijn bij de inrichting van een beweegvriendelijke omgeving, terwijl ze daar wel afhankelijk van zijn.
Een aanbieder van een sportinitiatief in gemeente C ervaart het sportakkoord als 'heel gefragmenteerd'. Buiten haar eigen initiatief heeft ze eigenlijk geen idee wat er verder gebeurt. Meer op de hoogte zijn zou kunnen helpen, geeft ze aan. Bijvoorbeeld om haar netwerk te versterken voor het sportinitiatief. Ook in gemeente F noemt een sportaanbieder de communicatie 'minimaal':
'We hebben nog nooit iets van een nieuwsbrief gekregen of zo. Of hoe gaat het met het sportakkoord, of liggen we op koers? Niemand weet of je op koers ligt.'
Die koers is door de globale ambitie dat iedereen in de gemeente moet kunnen sporten en bewegen (zie paragraaf 4.1) ook lastig te bepalen. Hier komen we in hoofdstuk 6 op terug.
Hoofdstuk 6 Conclusies & aanbevelingen
Dit onderzoek geeft inzicht in lokale ontwikkelingen gericht op het bevorderen van inclusie en diversiteit via (de uitvoering van) het sportbeleid. En in de rol van het landelijke sportakkoord. We analyseerden (beleids)documenten en voerden gesprekken met uiteenlopende betrokkenen in zes verschillende gemeenten gedurende enkele jaren. In dit hoofdstuk volgen onze conclusies en aanbevelingen.
6.1 Conclusies
Gebaseerd op de resultaten komen we tot vier overkoepelende, deels samenhangende, conclusies.
1. Sportakkoord is een belangrijke (financiële) aanjager en richtinggever voor het bevorderen van inclusie in sport en bewegen, vooral gericht op deelname van mensen met een beperking en ouderen
In de zes onderzochte gemeenten is de afgelopen jaren meer aandacht voor het bevorderen van inclusie en diversiteit in sport en bewegen. Het landelijke sportakkoord is daarvoor een belangrijke aanjager en richtinggever.
Zo komt de term ‘inclusie’ in lokale sportbeleidsdocumenten (waaronder de akkoorden) voor sinds de komst van het landelijke sportakkoord. En ‘diversiteit’ komt in de herijkte (tweede) lokale sportakkoorden terug. Dat is een gevolg van de landelijke aanpassing van het deelakkoord ‘Inclusief sporten en bewegen’ in het eerste Nationaal Sportakkoord naar ‘Inclusie en diversiteit’ in Sportakkoord II.
Expliciete aandacht voor (meer) inclusie en diversiteit in uitvoerende en besluitvormende functies in sportbeleid en sportorganisaties zien we maar heel beperkt. In de lokale vertaalslag en uitvoering is vooral aandacht voor inclusie en diversiteit in deelname aan sporten en bewegen (zie conclusie 2).
Inclusie geen nieuw aandachtsgebied
Hoewel de noemer ‘inclusie’ nieuw was, sloot die wel goed aan op de bestaande lokale aandachtsgebieden. Namelijk het stimuleren van (specifieke groepen) mensen die niet of weinig sporten en bewegen, of het wegnemen van belemmeringen voor deelname. Daarmee paste het bevorderen van inclusie in de zes gemeenten relatief gemakkelijk bij het al lopende sportbeleid. De voornaamste invullingen van inclusie komen ook overeen met deze ‘oude’ aanpak: sportstimulering van specifieke doelgroepen (zie conclusie 2).
Dit aandachtsgebied is overigens verre van nieuw (zie ook Van Lindert & De Jonge, 2022). Al in 1974 was er in de landelijke Nota Sportbeleid aandacht voor ‘bepaalde bevolkingscategorieën’ die vanuit ‘het streven naar gelijke kansen voor iedereen’ specifieke benaderingen of speciale voorzieningen nodig hadden (Ministerie van CRM, 1974, p. 32-33). Behalve mensen die vanuit 'het oogpunt van gezondheid' te weinig bewegen, werden drie categorieën benoemd: 'jeugd', 'gehandicapten' en 'bejaarden'. De laatste twee komen in de lokale uitwerkingen van het sportakkoord nadrukkelijk als beoogde doelgroepen terug.
Vooral aanjager door financiële middelen en opgave om samen te werken
Door de financiële middelen vanuit het landelijke sportakkoord en de opgave om lokaal samen te werken konden gemeenten de afgelopen jaren meer doen om inclusie in sport en bewegen te bevorderen. Lokale betrokkenen zien de veelheid aan nieuwe sportinitiatieven voor uiteenlopende (nieuwe) doelgroepen en een intensivering van lokale, domeinoverstijgende samenwerkingen als belangrijkste opbrengsten.
De toegenomen samenwerking levert veel op, vertellen betrokkenen. Bijvoorbeeld betere doorverwijzingen naar en ondersteuning bij sportbeoefening. Wel kunnen uiteenlopende belangen het samenwerken lastig maken. Bijvoorbeeld bij afspraken over wie waarover gaat, wie wat betaalt en wat het precieze doel is (zie ook Waardenburg, 2025).
Betrokkenen lijken het lokale sportakkoord vooral te ervaren als een financiële, projectmatige impuls, die 'energie' gaf om aan de slag te kunnen met het thema. Wel maakt de tijdelijkheid van de financiering de projecten en samenwerkingen kwetsbaar: aanbieders van sportinitiatieven moeten na afloop andere financiering vinden, het project op een andere manier borgen, bijvoorbeeld met vrijwilligers, of het aanbod stopzetten.
De inzet van betrokken medewerkers op dit thema, bijvoorbeeld vanuit de gemeente of het sportbedrijf, is daardoor ook niet verzekerd. In zeker twee gemeenten zijn medewerkers met veel expertise op inclusie niet behouden en ook niet vervangen.
Een peiling in september 2024 laat zien dat gemeentelijke sportafdelingen met het aangekondigde 'ravijnjaar' financiën het vaakst als belangrijkste uitdaging noemen. Met bezuinigingen op buurtsportcoaches en andere vormen van sportstimulering van 'kwetsbare' groepen als risico (Geurink et al., 2025). Een kwetsbaar punt van de tijdelijke financiën vanuit het sportakkoord is daarmee dat aandacht voor inclusie en diversiteit ook weer van de agenda kan verdwijnen.
Vooral gericht op sportdeelname mensen met een beperking en ouderen
In (de uitvoering van) het lokale sportbeleid zien we in alle gemeenten aandacht voor verschillende groepen inwoners. Ook het aanbod dat vanuit het lokale sportakkoord is (door)ontwikkeld, is voor diverse groepen. Wel lijken de lokale sportakkoorden vooral een (financiële) impuls te hebben gegeven aan aanbod voor mensen met een beperking en ouderen. Dit zijn in geen van de gemeenten 'nieuwe' doelgroepen van het sportbeleid, maar wel groepen waar voorheen minder middelen voor leken te zijn.
Andere ontwikkelingen dragen bij aan deze impuls. Bijvoorbeeld het VN-Verdrag Handicap, waardoor gemeenten sinds 2016 in hun beleidsplannen moeten aangeven hoe zij inclusie van inwoners met een beperking willen bevorderen. En bij ouderen bleek de toegenomen (beleids)aandacht voor valpreventie, gezondheid en eenzaamheid extra reden om sport en bewegen als middel in te zetten.
Aandacht voor mensen met een 'lage' sociaaleconomische positie zien we lokaal maar beperkt (expliciet) in de lokaal ontwikkelde sport- en beweeginitiatieven. Dit lijkt vooral onderdeel gebleven van het (overige) lokale sportbeleid dat naast het sportakkoord loopt, in de vorm van wijkgericht aanbod en de inzet van buurtsportcoaches.
Wel is er, zeker in de tweede ronde lokale sportakkoorden, meer aandacht voor financiële ondersteuning voor sportdeelname van mensen met geldzorgen. Ook dit sluit aan bij het landelijke sportakkoord: financiële toegankelijkheid vergroten is een expliciete opgave (Ministerie van VWS et al., 2022).
Maar het blijkt voor lokale betrokkenen vanuit de sport lastig hier goed van op de hoogte te zijn en veranderingen (zoals een vereenvoudiging) te bewerkstelligen. Dat komt doordat deze regelingen (vooral) onder een ander beleidsdomein of een andere organisatie vallen. Deze lokale versnippering van kennis en expertise over inkomensondersteuning én sportdeelname maakt het lastig om goed zicht op (de vindbaarheid en het bereik van) deze steun te hebben (Stuij et al., 2024).
Tot slot zien we in de zes gemeenten relatief weinig (beleids)aandacht voor andere mogelijke doelgroepen van sportinclusiebeleid, zoals inwoners met een migratieachtergrond (waaronder vluchtelingen) en lhbtiq+-personen.
Voor beide groepen was soms extra aandacht voor sociale toegankelijkheid in het kader van de antidiscriminatieprogramma's OVIVI (2020-2025) en OCIVI (2023-2025), deels in samenhang met het sportakkoordthema 'veilig sportklimaat' (Cremers, Anselma et al., 2025; De Kwaasteniet et al., 2025). Maar aandacht voor de thema's migratie, gender en seksuele diversiteit staat ook onder druk door politiek-maatschappelijke weerstand (zie conclusie 4).
Ook andere politieke ontwikkelingen maken inclusieambities belangrijker
Verschillende andere politieke ontwikkelingen zorgen voor extra urgentie van de ambities uit het sportakkoord op het gebied van inclusie en diversiteit. Daarbij gaat het vooral om het 'verknopen' van ambities en middelen vanuit het lokale sportakkoord met het lopende sportbeleid, andere beleidsdomeinen en andere akkoorden, zoals het preventieakkoord en GALA. In de herijkte sportakkoorden is dit nog sterker terug te vinden, vooral door de verbinding met GALA.
Het gaat daarbij om ambities die bij elkaar passen, deels gericht op dezelfde doelgroepen. En wederzijdse afhankelijkheid van de betrokken domeinen om deze ambities te kunnen realiseren. Dat is vooral ingegeven door de wens om vanuit sport bij te dragen aan gezondheidswinst, maar ook door de groeiende lokale opgaven van het sociaal domein sinds de WMO (2007) en decentralisaties van overheidstaken (2015).
Op de achtergrond speelt een veranderende rol van de gemeente in het sportbeleid mee. Daarbij ligt de uitvoering, anders dan voorheen, vooral bij andere lokale organisaties. Het sportakkoord sluit hier goed op aan: gemeenten zien dit als een aanvulling op het bestaande sportbeleid, waarin afspraken met alle betrokken partijen staan om samen de ambities te realiseren.
Daarmee zijn de verantwoordelijkheid en het eigenaarschap (op papier) meer gedeeld. In praktijk blijkt dit voor diverse betrokkenen wel zoeken of lastig te zijn. Bijvoorbeeld door onduidelijkheid over waar de gemeente wel of niet over gaat en wie (eind)verantwoordelijk is.
Als achterliggende reden voor deze veranderende rol, het opzoeken van ‘integrale’ samenwerking met andere domeinen en het verknopen van ambities en middelen uit verschillende akkoorden, zien we ook bezuinigingen terugkomen. Deze dwingen de gemeenten om ‘efficiënter’ te werken, om zo grote(re) maatschappelijke ambities met minder middelen te kunnen realiseren. Sport is dan aantrekkelijk als ‘goedkope oplossing’ voor maatschappelijke problemen (Breedveld et al., 2016), vooral door mensen die weinig actief zijn te bereiken en betrekken.
2. Inclusie is vooral een globaal ideaal: iedereen moet ergens in de gemeente kunnen sporten of bewegen
Het bevorderen van inclusie in sport en bewegen is in alle zes gemeenten sterk gericht op ‘deelname’ van ‘iedereen’ in een inclusief ‘totaalaanbod’ in de gemeente: er moet voor elke inwoner een passende sport- of beweegplek zijn. Inclusie is daarmee, zeker in het beleid, vooral een heel globaal ideaal. Het geeft een richting, maar er lijken maar beperkt concrete doelen aan gekoppeld te zijn.
Dit globale ideaal heeft als voordeel dat andere beleidsdomeinen en organisaties relatief makkelijk kunnen aanhaken, omdat deze invulling goed bij de idealen en ambities van andere partijen kan passen of daarop kan worden toegespitst. Ook zien we in de praktische uitvoering veel vrijheid, bijvoorbeeld in voor wie initiatieven zijn.
Maar het globale ideaal heeft ook nadelen. Zo kan ‘inclusie’ makkelijker klinken dan het is (zie conclusie 3), of lastig zijn om specifiek te maken waar het over gaat. Verschillende betrokkenen kunnen dan verschillende invullingen en betekenissen aan inclusie geven.
Het globale ideaal laat ook niet zien dat verschillende groepen inwoners uiteenlopende (structurele) belemmeringen en vormen van uitsluiting kunnen ondervinden om te sporten en bewegen. En dat meer inclusie van de ene groep (zoals mensen met beperkingen) niet meteen ook meer inclusie van andere groepen (o.a. mensen met geldzorgen of een migratieachtergrond) betekent.
Ook kunnen bepaalde belemmeringen soms juist te veel aan één groep worden toegeschreven, terwijl verschillende groepen hierin kunnen overlappen ('intersectionaliteit'). Zo is er voor mensen met een 'lage' sociaaleconomische status vooral aandacht voor belemmeringen door geldzorgen. Maar mensen met migratieachtergrond en mensen met (een kind met) een beperking hebben ook relatief vaak geldzorgen (CBS, 2023; Bos et al., 2024).
Het globale ideaal krijgt in de praktische uitvoering via sportinitiatieven overigens wel (noodzakelijkerwijs) concretere invullingen, doordat deze op (deels heel) specifieke groepen zijn gericht.
Vooral gericht op deelname en (vrijwel) niet op vertegenwoordiging en medezeggenschap
Het bevorderen van inclusie en diversiteit in sport en bewegen gaat lokaal vrijwel alleen over (meer) deelname aan sport en bewegen. Twee gemeenten maken daarbij een onderscheid tussen 'inclusief' en 'aangepast' sportaanbod. Dat impliceert dat zij inclusie invullen als 'meedoen' met het reguliere aanbod.
Dit is een visie die, zeker in de (beleids)aandacht voor mensen met een beperking, sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw in meer of mindere mate gestimuleerd wordt (Van Lindert & De Jonge, 2022). Deze opvatting kan bijdragen aan inclusie, maar kan er ook toe leiden dat specifieke kennis en aandacht verdwijnen en bestaande machtsverhoudingen en normen blijven bestaan (Van Lindert & De Jonge, 2022; Kastelein, 2021).
Opvallend is dat er vrijwel geen aandacht lijkt voor meer sociale diversiteit onder beleidsmakers en bij uitvoerings- en sportorganisaties. Ander onderzoek laat zien dat het streven naar diversiteit in kaderfuncties bij verenigingen nauwelijks op de agenda staat en als een 'luxeprobleem' wordt beschouwd (Elling & Cremers, 2022). Ook speelt mee dat wervings- en selectieprocessen bij sportorganisaties veelal informeel en via gesloten netwerken plaatsvinden. En dat vrouwen en mensen met een beperking of migratieachtergrond zich meer moeten bewijzen om in aanmerking te komen (De Kwaasteniet et al., 2023; Sparreboom et al., 2025).
Daarbij erkennen betrokkenen in verschillende onderzochte gemeenten dat mensen die in de sport werken door hun 'sportmindedness' een grotere afstand hebben te overbruggen tot mensen die niet of weinig sporten en bewegen. Dat maakt het lastig om sport en bewegen inclusiever te maken.
Tot slot zien we weinig tot geen aandacht voor het betrekken van inwoners die tot de doelgroepen behoren bij beleidsvorming en de organisatie en inrichting van sportaanbod. Hen meer zeggenschap geven kan bijdragen aan het toegankelijker en inclusiever maken van dat aanbod (zie bijvoorbeeld Dopheide et al., 2023; Erdoğan et al., 2024; Sparreboom et al., 2025).
Vanuit ervaringskennis of -deskundigheid, bijvoorbeeld over leven met een beperking of geldzorgen, kunnen zij bijdragen aan het concreter en zichtbaarder maken van wat inclusie betekent en vraagt en welke vanzelfsprekendheden vanuit de sport- en beweegsector in dit proces tegenwerken (Hiemstra et al., 2022; Stuij & Van Gorp, 2025).
Streven naar inclusief totaalaanbod van sport en bewegen
Het globale ideaal van inclusie gaat in de onderzochte gemeenten vooral over het hele sport- en beweegaanbod en niet over inclusief aanbod bij elke aanbieder. Dit komt voort uit de realisatie dat niet elke aanbieder 'inclusief' aanbod voor iedereen kan bieden én dat vooral veel sportverenigingen lastig bij dit ideaal te betrekken zijn. Sportverenigingen die aanhaken, doen dat vooral vanuit persoonlijke affiniteit of ervaringen met een specifieke doelgroep, vertellen lokale betrokkenen.
Dit sluit aan bij landelijke bevindingen. Een peiling onder sportverenigingen in de winter van 2024/2025 laat zien dat 60 procent van de verenigingen niet bekend is met het deelakkoord 'Inclusie en diversiteit' van het sportakkoord (Gómez Berns, Hoogendijk et al., 2025). Slechts 1 procent van de verenigingen is bij het thema betrokken geweest (idem).
Vanuit dit streven naar een inclusief totaalaanbod is het logisch dat er in de uitvoering vooral veel ruimte is voor het (door)ontwikkelen van sport- en beweeginitiatieven voor diverse doelgroepen die onder het inclusiebeleid vallen. Verschillende elementen in het sportakkoord en de uitvoering maken het echter lastig de voortgang en opbrengsten in kaart te brengen én te beoordelen in hoeverre het streven behaald is.
Zo maakt de veelheid aan projecten het lastig om goed zicht te houden op of de lokale sport- en beweegsector inclusief voor 'iedereen' is. Zeker door de vele (domeinoverstijgende) samenwerkingen en het (gewenste) gedeelde eigenaarschap van het lokale sportakkoord als set van afspraken tussen verschillende betrokken partijen. Ook ontbreekt aandacht voor en inzicht in de mate waarin verschillende groepen burgers mogelijk nog wel uitsluiting of negatieve bejegening ervaren op basis van bepaalde persoonskenmerken of discriminatiegronden als ze wel actief sporten.
Verschillende betrokkenen ervaren de lokale situatie als 'versnipperd'. Goed zicht krijgen op de voortgang en opbrengsten blijkt in de onderzochte gemeenten lastig of nog een vraagstuk. Dat roept de vraag op wie lokaal verantwoordelijk is of kan zijn voor (het overzicht over) of het hele sport- en beweegaanbod in de gemeente voldoende inclusief is. Of waar en voor wie welke extra aandacht nodig is. Inclusie en het tegengaan van sociale ongelijkheid is eigenlijk nooit af, maar een proces dat voortdurend aandacht en inzet behoeft.
3. De precieze invullingen en voortgang zijn sterk afhankelijk van (beschikbaarheid van) betrokkenen, met vaak specifieke expertise en persoonlijke affiniteit
Het globale ideaal van wat inclusie en diversiteit in de sport is, laat nog niet zien hoe dat bereikt kan worden. In praktijk blijken de gegeven invullingen sterk afhankelijk van de beschikbaarheid, expertises en persoonlijke affiniteit van betrokkenen. Daarbij gaat het zowel om invullingen van wat (geen) inclusie is, als om de vormen van diversiteit en sociale ongelijkheid waar het (vooral) om gaat.
Een sterk stimulerende factor is bijvoorbeeld een breder draagvlak in de gemeente, zoals een wethouder die inclusie als aandachtsgebied heeft. Of kartrekkers bij sportaanbieders, zoals vrijwilligers bij een sportvereniging, die vanuit persoonlijke affiniteit sportaanbod voor specifieke groepen willen opzetten.
Belangrijk zijn ook beleidsambtenaren en uitvoerende sportprofessionals die affiniteit met en expertise in inclusief sporten en bewegen hebben. Zij hebben veelal kennis van en zicht op (groepsspecifieke) mechanismen van in- en uitsluiting van sociale groepen in sport en bewegen. En kunnen van daaruit handelen én zorgen dat inclusie continu als aandachtspunt 'op de agenda' blijft staan.
De (h)erkenning dat inclusie om bepaalde expertise vraagt, is belangrijk. Daarbij gaat het om algemene kernwaarden van inclusie, zoals gelijkwaardigheid en (h)erkenning van verschillen. En om specifieke (ervarings)kennis over verschillende sociale ongelijkheden en discriminatiegronden in sport en samenleving.
Inclusie komt uiteindelijk vooral tot uiting in het praktische handelen: het begeleiden van mensen naar en tijdens sportactiviteiten, het opzetten en aanbieden van toegankelijke activiteiten en het verbinden van relevante domeinen. Dit zijn bij uitstek taken die een buurtsportcoach kan vervullen. In 2024 hebben meer gemeenten een buurtsportcoach gericht op mensen met een beperking en mensen met een 'lage' sociaaleconomische status dan in 2023. Maar het gemiddelde aantal fte dat ze op deze groepen inzetten, is gedaald (Gómez Berns, Bronkhorst et al., 2025).
In zeker vier van de zes onderzochte gemeenten heeft het vertrek of het verkleinen van een aanstelling van een betrokkene met expertise negatieve gevolgen gehad voor de voortgang van het beleid en de uitvoering op het gebied van inclusie. Dit laat zien dat personele continuïteit (in expertise) en voldoende capaciteit belangrijk is.
Dat geldt zeker als samenwerking tussen organisaties en het onderhouden van netwerken een belangrijk element voor de uitvoering is. Wisselingen beïnvloeden de onderlinge samenwerkingen en zijn nadelig voor het 'geheugen' van de gemeente of organisatie, omdat daarmee (inclusie)kennis en expertise verloren gaat.
4. Inclusie in sporten bewegen is lokaal een veranderlijk ideaal: nadruk en invullingen wisselend over tijd
Dit onderzoek laat zien dat het bevorderen van inclusie en diversiteit in sport een bewegen lokaal een veranderlijk ideaal is. Het sportakkoord/-beleid, aangejaagd en gestuurd vanuit het landelijke sportakkoord, zijn medebepalend voor de focus: welke groepen krijgen meer of minder (financiële) aandacht dan andere? Welke expertise is beschikbaar en welke niet (meer)?
Tegelijkertijd spelen bredere politiek-maatschappelijke ontwikkelingen mee, die twee kanten op kunnen werken. Zo kreeg inclusie van diverse sociale groepen in de samenleving meer urgentie door bijvoorbeeld zorgen over 'kwetsbare' groepen in en na de coronacrisis, en door de opkomst van de Black Lives Matter-beweging.
Momenteel staat de acceptatie van diverse minderheidsgroepen (migranten, lhbtiq+-personen) juist onder druk, onder andere vanwege toenemende publieke weerstand uit (extreem)rechtse, religieuze en conservatieve politieke partijen en maatschappelijke bewegingen (zie bijvoorbeeld Van Dijk et al., 2023, Butler, 2024; Braat & Van Tubergen, 2025; Kester, 2025).
Deze ontwikkelingen hebben invloed op de invullingen van het beleid en de uitvoering. Bijvoorbeeld welke doelgroepen meer of minder aandacht ('mogen') krijgen (Cremers, Van Lienden et al., 2025; Greeven et al., 2025; Visser et al., 2025).
Een andere ontwikkeling is dat het sportakkoordthema 'inclusie en diversiteit' lokaal gaandeweg meer verweven raakte met andere sportambities. In drie van de zes gemeenten is 'inclusie' in het herijkte (tweede) sportakkoord minder een 'eigen' onderwerp dan in de eerste ronde. Het is vooral samengevoegd met andere sportakkoordthema's 'vaardig in bewegen' en 'veilig sportakkoord', of, via GALA en het preventieakkoord, ondergebracht onder 'gezond leven'. In twee van deze gemeenten is dit mede ingegeven door het vertrek van mensen met expertise.
Vanuit de onderlinge samenhang tussen de ambities uit deze (deel)akkoorden is dat een logische ontwikkeling. Wel is het risico, mede door de noodzaak tot lokale bezuinigingen en daardoor tot 'efficiënter' werken met minder middelen, dat specifieke kennis over en aandacht voor inclusie en diversiteit naar de achtergrond verschuift (vgl. Elling, 2025). Deze ontwikkelingen laten zien dat invullingen van inclusie niet eenduidig zijn, niet vast over tijd, maar ook zeker niet vanzelfsprekend.
6.2 Aanbevelingen
We doen enkele aanbevelingen om inclusie en diversiteit in sport en bewegen via het sportbeleid lokaal te bevorderen:
(H)erken inclusie als expertise. Weet dat welke expertise (niet) beschikbaar is, bepalend is voor richtingen en doelgroepen bij de invulling van beleid en uitvoering. Inclusie van de ene groep inwoners vraagt wat anders dan inclusie van de andere groep. Investeer in de borging van kennis en continuïteit in expertise. Zorg dat deze structureel is.
Formuleer een gedeelde inhoudelijke visie op inclusie en diversiteit in sport en bewegen. Denk daarbij aan algemene kernelementen zoals gelijkwaardigheid, maar ook aan groepsspecifieke mechanismen van in- en uitsluiting. En waar en hoe belemmeringen van verschillende groepen overeen kunnen komen. Waak ervoor dat sport- en beweegstimulering voor 'kwetsbare doelgroepen' alleen of vooral legitiem is om (goedkoop) maatschappelijke problemen op te lossen. Bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid en integratie.
Besteed aandacht aan (meer kennis over) sociale ongelijkheden in sport én samenleving. De noodzaak tot inclusie bestaat immers niet zonder exclusie. Richt je daarmee ook op de veelal onzichtbare normen en privileges van (groepen) individuen met uitvoerende en besluitvormende macht.
Stel doelen voor vertegenwoordiging en medezeggenschap: kijk niet alleen naar deelname, maar ook naar sociale diversiteit in beleids- en uitvoeringsfuncties en bij sportaanbieders. En betrek ervaringskennis of -deskundigheid bij beleidsvorming en uitvoering om behoeften, knelpunten en vanzelfsprekendheden beter zichtbaar te maken.
Zorg bij globale inclusieambities en gedeelde lokale verantwoordelijkheden voor overzicht en zicht op de voortgang. Dat is nodig om te kunnen beoordelen in hoeverre ambities gehaald zijn, en om bij te kunnen sturen.
Expliciteer belangen van verschillende betrokken domeinen en organisaties om inclusie in sport te bevorderen. Bijvoorbeeld bij domeinoverstijgend samenwerken.
Bronnenlijst: bronnen
Bassot, B. (2022). Doing qualitative desk-based research: A practical guide to writing an excellent dissertation. Bristol University Press.
Bos, J., Groen, A., Warnaar, M., & Wieman, G. (2024). Meerkosten van het leven met een beperking. Voorbeeldsituaties van huishoudens met meerkosten. Nibud.
Braat, M., & Van Tubergen, F. (2025). De integratieparadox in Nederland. Demos, 41(1), 1-4.
Breedveld, K., Elling, A., Hoekman, R. H. A., & Schaars, D. (2016). Maatschappelijke betekenissen van sport: wetenschappelijke onderbouwing en weerslag in lokaal beleid. Mulier Instituut.
Butler, J. (2024). Wie is er bang voor gender? Uitgeverij Ten Have.
CBS (2023). Armoede en sociale uitsluiting 2023.
Cremers, R., Anselma, M., Visser, T., & De Kwaasteniet, R. (2025). Monitor OVIVI 2024: aanvalsplan tegen racisme en discriminatie in het voetbal. Mulier Instituut.
Cremers, R., Van Lienden, A., Elling, A., & Van Sterkenburg, J. (2025). The Netherlands: Racism and policy responses in Dutch football: A critical evaluation. In U. Merkel (Red.), Racism, Xenophobia, Antisemitism, and Islamophobia in European Football. Symptoms, Sources and Solutions (pp. 108-124). Routledge.
De Kwaasteniet, R., Cremers, R., & Elling, A. (2023). Ons-kent-ons-mentaliteit viert hoogtij: mechanismen van sociale in- en uitsluiting in het technisch topkader van sportorganisaties. Mulier Instituut.
De Kwaasteniet, R., Aydoğan, G. N., Visser, T., Cremers, R., & Elling, A. (2025). Monitor OCIVI 2024: beleidsprogramma gericht op anti-discriminatie en inclusie. Mulier Instituut.
Dopheide, M., Dellas, V., & Stuij, M. (2023). Bi-culturele tienermeiden en hun ouders over geldzorgen en niet sporten: een verdiepend kwalitatief onderzoek. Mulier Instituut.
Elling, A., & Cremers, R. (2022). Diversiteit in kaderfuncties sportbonden en clubs. Mulier Instituut.
Elling, A. (2025). In/exclusionary mechanisms of gendered bodies in sport and the degendering of sport policy. In S. Günter, & A. Schwark, A. (Reds.), Diversität und Sport. Intersektionale Perspektiven der sportwissenschaftlichen Geschlechter- und Diversitätsforschung (pp.103-118). Nomos. doi.org/10.5771/9783748962588
Erdoğan, G. N., Stuij, M., Van Strijen, C., & Dellas, V. (2024). Inclusie in het publieke zwembad: ervaringen van islamitische vrouwen uit Amsterdam-West. Mulier Instituut.
Geurink, N., Van Vugt, H., Kools, M., & Hoekman, R. H. A. (2025). Monitor lokaal sportbeleid 2024. Mulier Instituut.
Gómez Berns, A., Hoogendijk, R., Kersbergen, S., & Van Lindert, C. (2025). Sportaanbod voor mensen met een beperking. Aandacht van sportverenigingen voor mensen met een beperking [Factsheet 2025/44]. Mulier Instituut.
Gómez Berns, A., Bronkhorst, P., Wessels, W., & Van Stam, W. (2025). Monitor Brede Regeling Combinatiefuncties 2024. Mulier Instituut.
Greeven, A., Cremers, R., Visser, T., & Elling, A. (2025). Sportdeelname en -ervaringen van transgender en intersekse personen. Mulier Instituut.
Hiemstra, M., De Jonge, M., & Van Lindert, C. (2022, juli). Hoe ervaringsdeskundigheid bijdraagt aan inclusie van mensen met een beperking in de sport. Sport & Strategie, 16, 30-31.
Hoogendam, A., Reitsma, M., Pulles, I., & Van der Poel, H. (2021). Voortgang uitvoering lokale sportakkoorden: zesde voortgangsrapportage Monitor Nationaal Sportakkoord, november 2021. Mulier Instituut.
Hoogendam, A., Ruikes, D., & Hoekman, R. H. A. (2021). Monitor lokaal sportbeleid 2020: de gemeente als coproducent. Mulier Instituut.
Hoogendam, A., Geurink, N., De Kwaasteniet, R., Van der Poel, H., Pulles, I., & Venneker, E. (2022). Voortgang uitvoering lokale sportakkoorden: een goede basis voor vervolg: achtste voortgangsrapportage Monitor Nationaal Sportakkoord, november 2022. Mulier Instituut.
Hoogendam, A., Kusters, A., De Kwaasteniet, R., Van Vugt, H., & Geurink, N. (2023). De lokale sportakkoorden herijkt: monitor Sportakkoord II: voortgangsrapportage december 2023. Mulier Instituut.
Hoogendam, A., Kusters, A., & Gutter, K. (2024). Werken aan het fundament. Monitor Sportakkoord II: Voortgangsrapportage juni 2024. Mulier Instituut.
Kastelein, C. (2021). Inclusie en diversiteit. Wat, waarom en hoe? Movisie.
Kester, J. (2025). Weer gaat het volgens lhbt+’ers slechter met de acceptatie: intolerantie vaker geuit door familie, vrienden en collega’s. Opiniepanel EenVandaag, 2 augustus 2025. https://eenvandaag.avrotros.nl/opiniepanel/uitslagen/weer-gaat-het-volgens-lhbtters-slechter-met-de-acceptatie-intolerantie-vaker-geuit-door-familie-vrienden-en-collegas-160923
Ministerie van CRM (1974). Nota sportbeleid. http://resolver.kb.nl/resolve?urn=sgd%3Ampeg21%3A19731974%3A0005944
Ministerie van VWS, VSG, VNG, & NOC*NSF (2018). Nationaal Sportakkoord. Sport verenigt Nederland.
Ministerie van VWS, VNG, VSG, NOC*NSF, & POS (2022). Hoofdlijnen Sportakkoord II. Sport versterkt.
Reitsma, M., & Van der Poel, H. (2019). Monitoring sportakkoord: start lokale sportakkoorden. Mulier Instituut.
Sparreboom, C., Aydoğan, G. N., & Elling, A. (2025). Niet altijd serieus genomen. Sportkaderleden met een beperking over inclusie en diversiteit. Mulier Instituut.
Stuij, M., Pulles, I., Hoogendijk, R., Dalhuisen, C., & Prent, J. (2024). Sport- en zwemlesregelingen voor mensen met een laag inkomen: onderzoek naar lokale aanwezigheid en aanvragen. Mulier Instituut.
Stuij, M., & Van Gorp, M. (2024). Over (meer) bewegen: of waarom we het over ongelijkheid en macht moeten hebben. Mulier Instituut.
Van der Meijde, L., De Kwaasteniet, R., Elling, A., & Van Lindert, C. (2022). Hoofdstuk 3. Inclusief sporten en bewegen. In M. Reitsma, A. Hoogendam, R. De Kwaasteniet, & H. Van der Poel (Reds.). Sport verenigt Nederland. De oogst van het sportakkoord. Voortgangsrapportage juni 2022 (pp. 8-27). Mulier Instituut.
Van Dijk, R., Hofman, E., Ruiter, S., & Veerbeek, J. (2023). 'Tijd voor geweld tegen deze lui'. Onderzoek De toenemende online lhbt+-haat. De Groene, 36, 20-25.
Van Lindert, C., & De Jonge, M. (2022). Inclusief sporten en bewegen voor mensen met een beperking: landschap en betekenissen. Mulier Instituut.
Visser, T., Greeven, A., Cremers, R., & Elling, A. (2025). Sportverhalen van jonge lhbt+-personen: een bundel met dertien unieke verhalen. Mulier Instituut.
Vrieswijk, S., Van Stam, W., & Slob, J. (2023). De rol van buurtsportcoaches in het Sportakkoord II en bij onderdelen van GALA. Mulier Instituut.
Waardenburg, M. (2025). De belofte van sport als middel. Sport & Strategie, 19(3), 20-21.
Auteurs
Mirjam Stuij, m.stuij@mulierinstituut.nl
Tessa Visser, t.visser@mulierinstituut.nl
Renée Hoogendijk, r.hoogendijk@mulierinstituut.nl
Ine Pulles, i.pulles@mulierinstituut.nl
Kai Sheombar
Agnes Elling, a.elling@mulierinstituut.nl
Mulier Instituut | 2025
Voetnoten
Het Mulier Instituut monitort de voortgang van het Nationaal Sportakkoord. In dat kader verschijnt in het eerste kwartaal van 2026 een rapportage over de lokale voortgang op het thema Inclusie en diversiteit. Die rapportage gaat over voortgang op de vooraf geformuleerde veranderopgaven voor het thema Inclusie en diversiteit. Het huidige rapport gaat meer verdiepend in op hoe beleid en uitvoering rondom inclusie en diversiteit in sport en bewegen lokaal vorm krijgen. Terug naar voetnoot-referentie 1
Uitgebreide citaten in dit rapport komen alleen uit de gesprekken waar we een volledige uitwerking van maakten. Terug naar voetnoot-referentie 2
Het gaat bij deze decentralisatie om verantwoordelijkheden en taken op het gebied van jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurige zieken en ouderen. Terug naar voetnoot-referentie 3
https://www.dus-i.nl/subsidies/specifieke-uitkering-preventieakkoord Terug naar voetnoot-referentie 4
De BRC is voor de inzet van functionarissen binnen het sport- beweeg- en cultuurdomein. Meer informatie staat in de bestuurlijke afspraken. Terug naar voetnoot-referentie 5
Vereniging Sport en Gemeenten, geraadpleegd op 25 juli 2025. Terug naar voetnoot-referentie 6
Bronnen: Actieprogramma Eén tegen Eenzaamheid; Eén tegen Eenzaamheid 2022-2025; IZA: samenwerken aan gezonde zorg; GALA, geraadpleegd op 25 juli 2025. Terug naar voetnoot-referentie 7
In februari 2020 ging het landelijke actieplan Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) van start, een ‘aanvalsplan’ van de Rijksoverheid en voetbalbond KNVB. Het doel is discriminatie en racisme in het voetbal aan te pakken. In 2023 ging OVIVI 2 van start en startte Onze Club Is Van Iedereen (OCIVI) van sportkoepel NOC*NSF. Het doel is de aanpak te verbreden naar andere sporten. Terug naar voetnoot-referentie 8
Zo komt in de herijkte sportakkoorden ‘inclusie en diversiteit’ als onderwerp terug. Maar wat diversiteit is, wordt minder uitgelegd dan wat inclusie inhoudt. Terug naar voetnoot-referentie 9
En doordat wij als onderzoekers hierdoor in de eerste jaren ook vooral vroegen naar ‘inclusief sporten en bewegen’ en minder naar ‘diversiteit’. Terug naar voetnoot-referentie 10
https://www.movisie.nl/vn-verdrag-handicap geraadpleegd op 25 juli 2025. Terug naar voetnoot-referentie 11
https://www.stichtinglifegoals.nl/over-ons/ Terug naar voetnoot-referentie 12
Het stimuleren van ‘lokale samenwerking en netwerkvorming’ was ook een van de opgaven die gemeenten vanuit de landelijke overheid meekregen bij de herijking van de lokale akkoorden. Terug naar voetnoot-referentie 13
Het stimuleren van 'lokale samenwerking en netwerkvorming' was ook een van de opgaven die gemeenten vanuit de landelijke overheid meekregen bij de herijking van de lokale akkoorden. Terug naar voetnoot-referentie 14
https://www.dus-i.nl/subsidies/brede-spuk-specifieke-uitkering Terug naar voetnoot-referentie 15