Toegankelijkheid van zaalsport-accommodaties: ervaringen van sporters met een motorische of visuele beperking
Met steun van het ministerie van VWS
Mulier Instituut
Chris Sparreboom
Renée Hoogendijk
Angelina Gómez Berns
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut.
© Mulier Instituut
Utrecht, 7 oktober 2026
Disclaimer
U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding: auteur(s), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave.
Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto's in deze publicatie. Neem foto's daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.
Over ons
Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor beleid en samenleving. Voor overheden, maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen, sportorganisaties en bedrijven onderzoeken we allerlei thema’s op het gebied van sport en sportief bewegen: van de sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.
Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.
Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid, gericht op de bevordering van sport, sportief bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen we op verschillende manieren:
We verzamelen data en monitoren de Nederlandse sportsector en beleidsprogramma’s.
We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies.
We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze naar de beleidspraktijk.
We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies.
We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van ‘kritische vriend’ van de sportsector.
We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.
Inhoudsopgave Toegankelijkheid van zaalsportaccommodaties
Samenvatting Toegankelijkheid van zaalsportaccommodaties
Inleiding
Voor mensen met een beperking is sporten nog niet zo vanzelfsprekend als voor mensen zonder beperking. Bijvoorbeeld omdat de plek waar ze willen sporten niet toegankelijk (genoeg) is. Met steun van het ministerie van VWS deden we daarom onderzoek naar wat nodig is om zaalsportaccommodaties toegankelijker te maken. We zijn daarvoor in gesprek gegaan met zaalsporters met een motorische of visuele beperking.
Doelstelling
Het doel van dit onderzoek is om meer inzichten te bieden in wat een zaalsportaccommodatie wel of niet toegankelijk maakt voor sporters met verschillende beperkingen. En wat ervoor nodig is om de toegankelijkheid te verbeteren. Met deze inzichten doen we aanbevelingen voor mensen en instanties die daar een rol bij (kunnen) hebben.
Conclusies
Toegankelijkheid in theorie, maar nog niet altijd in de praktijk
Een toegankelijke zaalsportaccommodatie gaat niet alleen over de accommodatie zelf. Een sporter moet er kunnen komen, binnen kunnen komen en er vervolgens volwaardig gebruik van kunnen maken. Een zaalsportaccommodatie kan daarbij op papier wel toegankelijk zijn, maar dat is in praktijk niet altijd zo. Bijvoorbeeld als een aangepast toilet als opslagruimte wordt gebruikt.
De omgeving heeft een rol bij toegankelijkheid
De toegankelijkheid van een zaalsportaccommodatie wordt bepaald door de fysieke en sociale omgeving. De fysieke omgeving gaat over aanpassingen op een locatie. De sociale omgeving gaat over wie zich heeft ingezet en blijft inzetten voor deze aanpassingen. Zoals het verenigingsbestuur dat met de beheerder of gemeente een werkende lift mogelijk maakt. Maar ook de medesporter met wie de zaalsporter met een visuele beperking bijvoorbeeld mee kan rijden.
Aanbevelingen
Aanbevelingen voor beleid
Beoordeel de volledige route van de sporter, van huis naar accommodatie.
Betrek mensen met een beperking bij het vormgeven van toegankelijke sportaccommodaties. Bijvoorbeeld bij beleid, toekomstplannen en verenigingsbesluiten.
Stimuleer regionale samenwerking en regel betrouwbaar vervoer.
Aanbevelingen voor beheer en onderhoud
Zorg voor goed onderhoud van (de voorzieningen op) accommodaties zodat mensen er altijd gebruik van kunnen maken.
Houd deze voorzieningen toegankelijk en bruikbaar. Zorg bijvoorbeeld dat een lift ook echt werkt. En dat een toegankelijk toilet niet als opslagruimte wordt gebruikt en niet op slot is.
Voer regelmatig een gebruikerstest uit op de accommodatie: kunnen sporters met verschillende beperkingen er komen en inderdaad van alle voorzieningen gebruik maken?
Neem toegankelijkheid op in het veiligheidsplan van de accommodatie. Bijvoorbeeld minimaal twee vluchtroutes voor sporters met verschillende beperkingen. En een plan voor als een lift niet werkt.
Geef concrete en actuele toegankelijkheidsinformatie over de accommodatie op de website van de accommodatie en de sportaanbieder. Welke voorzieningen voor sporters met verschillende beperkingen zijn er? En welke niet?
Maak alle onderdelen van deelname op de accommodatie bereikbaar. Niet alleen de sportzaal, maar ook de kantine. Zodat iedereen kan genieten van de 'derde helft'.
Aanbevelingen voor verenigingen en sportaanbieders
Zorg voor een persoonlijke en open ontvangst.
Bied hulp aan zonder de regie over te nemen.
Maak het mogelijk om een sport en sporthulpmiddel uit te proberen.
Kies toegankelijke wedstrijd- en toernooilocaties.
Maak aangepast sporten onderdeel van de hele vereniging.
Hoofdstuk 1: Inleiding
In dit rapport bespreken we wat er nodig is om zaalsportaccommodaties (zoals sporthallen en gymzalen) toegankelijker te maken voor sporters met een motorische of visuele beperking. In dit eerste hoofdstuk beschrijven we de achtergrond en de doel- en vraagstelling van het onderzoek. We lichten ook toe welke definities van beperking en toegankelijkheid we gebruiken.
1.1 Achtergrond
VN-Verdrag Handicap
Meedoen aan sport moet voor mensen met een beperking net zo makkelijk zijn als voor mensen zonder beperking. Dat staat in het VN-Verdrag Handicap, dat in 2016 is vastgelegd in de Nederlandse wet. In dat verdrag staat ook dat de fysieke omgeving, zoals gebouwen, toegankelijk moet zijn (Verenigde Naties, 2006).
Inmiddels is de regering bezig met de implementatie van het VN-verdrag Handicap via een werkagenda. Daarin is het verbeteren van de toegankelijkheid een van de maatregelen.
Het VN-Verdrag Handicap is in Nederland onder meer uitgewerkt in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz). Deze wet verbiedt direct en indirect onderscheid op grond van een handicap of chronische ziekte. Sinds 1 januari 2023 is 'handicap' bovendien opgenomen als discriminatiegrond in artikel 1 van de Grondwet. Gemeenten hebben daarmee een duidelijke verantwoordelijkheid om inclusie en toegankelijkheid te bevorderen (Van Lindert et al., 2023).
Lees hier meer over de werkagenda VN-Verdrag Handicap.
Over het gebruik van de termen 'handicap' en 'beperking'
Taal beïnvloedt hoe we mensen en hun ervaringen begrijpen en benaderen. Niet iedereen gebruikt dezelfde woorden. De ene persoon voelt zich prettig bij het woord beperking, terwijl een ander zich beter herkent in het woord handicap.
In dit rapport gebruiken we daarom beide woorden door elkaar. Waar mogelijk sluiten we aan bij de woorden die mensen zelf gebruiken. In citaten veranderen we het taalgebruik van de mensen in dit onderzoek niet.
Zie ook: Van Lindert et al., 2024.
Sportdeelnamecijfers
Het is nu tien jaar nadat het VN-Verdrag in de Nederlandse wet is vastgelegd. Mensen met een beperking sporten gemiddeld nog steeds minder vaak dan de Nederlandse bevolking als geheel.
In 2025 sportte 58 procent van de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder wekelijks. Onder mensen met een lichamelijke beperking was dit twee keer zo laag (29%). Dit zijn mensen met een beperking in bewegen, zien of horen. We noemen dit ook wel een motorische, visuele of gehoorbeperking. Van deze mensen sportten degenen met een visuele beperking het vaakst wekelijks (36%). Mensen met een motorische beperking deden dit het minst vaak (22%) (RIVM, 2025a).
De kloof in wekelijkse sportdeelname tussen mensen met een beperking en de algemene bevolking is in de afgelopen jaren niet afgenomen. Het verschil blijft dus groot (Van Lindert et al., 2024).
Lidmaatschap sportvereniging
Een van de plekken om te sporten, is de sportvereniging. In Nederland is 22 procent van de bevolking van 12 jaar en ouder lid van een sportvereniging. Mensen met een lichamelijke beperking zijn een stuk minder vaak lid van een sportvereniging (9%). Mensen met een motorische beperking zijn minder vaak lid (5%) dan mensen met een visuele beperking (12%) (RIVM, 2025b). Dit aantal neemt niet toe, mede door de ontoegankelijkheid van accommodaties. Daar is dus een strategie voor nodig.
Sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend in 2030
De cijfers laten zien dat het voor mensen met een lichamelijke beperking nog steeds minder vanzelfsprekend is om te sporten dan voor de gemiddelde Nederlander. Daarom heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) samen met Nederlandse sport- en maatschappelijke organisaties een strategie ontwikkeld. De strategie heet 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030' (Ministerie van VWS, 2025a). Deze strategie is onderdeel van de werkagenda van het VN-Verdrag Handicap van het Rijk (Ministerie van VWS, 2025b).
De ambitie van de strategie is dat iedereen met een handicap die wil sporten, moet kunnen sporten in 2030. Het ministerie van VWS en sport- en maatschappelijke organisaties hebben hiervoor doelen opgesteld. Deze zijn gericht op de breedte- en de topsport. En op de randvoorwaarden om mee te kunnen doen. Die randvoorwaarden zijn sporthulpmiddelen, vervoer, financiële toegankelijkheid en (informatie over) toegankelijke sportaccommodaties (Ministerie van VWS, 2025a).
Lees hier meer over de strategie 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030'.
Zelfscan voor toegankelijkheid van gebouwen
Een van de doelen binnen de strategie is om meer inzicht te krijgen in de toegankelijkheid van sportaccommodaties voor mensen met een beperking. Daarom is een zelfscan ontwikkeld waarmee sportaccommodaties op een praktische manier een eerste beeld krijgen van hun toegankelijkheid: Sport NL Toegankelijk.
De scan is gebaseerd op de norm voor toegankelijke gebouwen: de NEN 9120 (zie kader hieronder). De vragen kunnen zonder specifieke kennis worden ingevuld door bijvoorbeeld een bestuurder van een sportvereniging, een beheerder of de eigenaar van de accommodatie.
De zelfscan is geen officiële toetsing aan wet- en regelgeving, maar laat zien welke voorzieningen aanwezig zijn en op welke punten verbeteringen mogelijk zijn. Omdat de scan wordt ingevuld door de sportvereniging, beheerder of eigenaar, is met de zelfscan niet te zeggen hoe de toegankelijkheid van sportaccommodaties voor de sporter met een beperking zelf is.
Lees hier meer over de zelfscan Sport NL Toegankelijk.
Norm voor toegankelijke gebouwen
NEN 9120 is de Nederlandse (vrijwillige) norm voor de toegankelijkheid en bruikbaarheid van gebouwen. De norm beschrijft eisen waaraan gebouwen kunnen voldoen om deze voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk en bruikbaar te maken, waaronder mensen met verschillende soorten beperkingen. De norm kan worden gebruikt bij nieuwbouw, verbouw en renovatie, maar ook om de toegankelijkheid van bestaande gebouwen te beoordelen (NEN, z.d.).
Ongehinderd
Met het platform Ongehinderd wordt de toegankelijkheid binnen gemeenten in kaart gebracht, maar dan door mensen met een beperking of mensen die hier voldoende kennis over hebben. Dat wordt gedaan bij openbare plekken zoals restaurants, parkeerplaatsen en winkels. Maar ook sportaccommodaties toetst Ongehinderd op aanvraag van gemeenten en ondernemers op toegankelijkheid (Ongehinderd, z.d.).
Integraal Huisvestingsplan Sport en Bewegen
Het Integraal Huisvestingsplan (IHP) Sport en Bewegen is een handreiking voor gemeenten om goed uit te werken hoe ze sport- en beweegvoorzieningen nu en in de toekomst beter (willen) maken. Dat is relevant voor zaalsportaccommodaties. Bijvoorbeeld als het gaat om hoe de accommodaties zijn of worden gebouwd. Maar ook als het gaat om de indeling van de openbare ruimte bij de zaalsportaccommodaties, zoals de (beschikbaarheid van) parkeerplaatsen.
Lees hier meer over het Integraal Huisvestingsplan (IHP) Sport en Bewegen.
1.2 Doelstelling
Met dit onderzoek willen we inzicht krijgen in hoe mensen met een beperking de toegankelijkheid van zaalsportaccommodaties ervaren als zij gaan sporten. Dat zijn bijvoorbeeld sporthallen en gymzalen die door gemeenten beheerd worden en waarin je sporten zoals badminton en basketbal kunt beoefenen.
Focus op zaalsportaccommodaties
We focussen op zaalsportaccommodaties omdat daar vaak verschillende sporten worden gedaan. Voor iemand met een beperking die wil sporten, zorgt zo'n locatie daarom voor veel mogelijkheden om dat te doen. Meer dan sportlocaties waar maar één sport wordt gedaan.
Zaalsportaccommodaties zijn een belangrijke basis voor bewegingsonderwijs, (laagdrempelige) beweeggroepen en zaalsporten. Het is daarom belangrijk dat deze zaalsportaccommodaties toegankelijk zijn voor mensen met een beperking.
Typen beperkingen in dit onderzoek
Dit onderzoek gaat over sporters met een motorische of een visuele beperking. Dat zijn sporters die een beperking hebben in bewegen of die blind of slechtziend zijn. In bijlage 1 leggen we uit wat we met een 'beperking' bedoelen. In bijlage 2 gaan we uitgebreider in op de achtergrond van de deelnemers aan ons onderzoek. We noemen de deelnemers vanaf nu de zaalsporters.
Ervaringen van zaalsporters met een motorische of visuele beperking
Focus op zaalsporters
We focussen op de sporters die in zaalsportaccommodaties sporten. Zaalsportaccommodaties zijn een belangrijke plek waar mensen met een beperking kunnen sporten.
Gemeenten spelen een belangrijke rol bij sporthallen, sportzalen en gymzalen, omdat veel van deze accommodaties in gemeentelijk eigendom of beheer zijn. Via beleid, beheer, verbouwen en nieuwbouw kunnen zij invloed uitoefenen op de toegankelijkheid ervan.
Dit sluit aan bij het VN-verdrag Handicap en de Lokale Inclusie Agenda (LIA), waarin gemeenten (verplicht zijn te) werken aan een samenleving waarin mensen met een beperking volwaardig kunnen meedoen. Toegankelijke sportaccommodaties zijn daar een onderdeel van.
Focus op motorische en visuele beperking
In dit onderzoek kozen we voor een focus op zaalsporters met een motorische of visuele beperking. Daarmee bouwen we aan de ene kant voort op eerder onderzoek naar de ervaringen van zwemmers met een visuele beperking (Hollander & Rauws, 2026).
Aan de andere kant hebben we de groep uitgebreid met mensen met een motorische beperking. Door beide groepen te betrekken begrijpen we beter hoe de inrichting en het gebruik van een zaalsportaccommodatie op verschillende manieren de toegankelijkheid ervan kunnen bevorderen of belemmeren.
We hebben bewust niet (ook) voor andere typen beperking gekozen, omdat die bijbehorende ervaringen met toegankelijk sporten minder te maken hebben met de fysieke toegankelijkheid van een accommodatie. Sporters met een gehoorbeperking ervaren bijvoorbeeld vaker belemmeringen die te maken hebben met sociale toegankelijkheid (zoals de communicatie met anderen) (Gómez Berns et al., 2026).
In dit onderzoek vragen we de zaalsporters met een motorische en/of visuele beperking wat een zaalsportaccommodatie toegankelijk voor ze maakt. En welke verbeteringen nodig zijn om ervoor te zorgen dat zij en andere sporters met een vergelijkbare beperking makkelijker gebruik kunnen maken van de zaalsportaccommodatie. Zo kunnen we beter te begrijpen wat bijvoorbeeld gemeenten kunnen doen om deze toegankelijk(er) te maken.
1.3 Vraagstelling
De onderzoeksvraag is:
Hoe ervaren zaalsporters met een motorische of visuele beperking de toegankelijkheid van de zaalsportaccommodaties waar ze gebruik van maken?
We gebruikten geen deelvragen bij deze hoofdvraag. Wel keken we gericht naar de vormen van toegankelijkheid die we in paragraaf 1.6 opsommen. We focusten in dit onderzoek vooral op de fysieke toegankelijkheid van sportaccommodaties, en daarna de op praktische toegankelijkheid. Aanvullend keken we nog naar de andere vormen van toegankelijkheid (zie bijlage 1 voor definities).
1.4 Hoe we het onderzoek deden
Om de onderzoeksvraag te beantwoorden hielden we aan de hand van een leidraad interviews met twaalf zaalsporters met een visuele en/of motorische beperking. In bijlage 2 schrijven we daar meer over.
In de gesprekken hebben we de zaalsporters ook gevraagd of zij foto's wilden maken op hun zaalsportaccommodaties als iets heel toegankelijk of juist heel ontoegankelijk was. Of maakten de onderzoekers zelf foto's als een interview al op de accommodatie was. Sommige foto's hebben we in het resultatenhoofdstuk toegevoegd. Andere staan in bijlage 3.
1.5 De zaalsporters
Voor dit onderzoek richtten we ons op mensen die:
een visuele en/of motorische beperking hebben;
een zaalsport doen of minder dan een half jaar geleden deden, zoals goalball, boccia of badminton;
18 jaar of ouder zijn.
Wie zijn de zaalsporters?
In totaal hebben we twaalf zaalsporters geïnterviewd. Het ging om mensen die op het moment van het interview of in het halfjaar ervoor aan een zaalsport deden. In tabel 1.1 staat meer informatie over de zaalsporters. Hun namen hebben wij en zij verzonnen. Zo blijven de zaalsporters in ons onderzoek anoniem.
Naam | Beperking(en) | Sport | Gender | Aantal accommodatie(s) |
|---|---|---|---|---|
Jasmijn | Motorisch | Rolstoeltennis | Vrouw | 1 |
Evi | Motorisch (en in het gehoor) | Rolstoeltafeltennis | Vrouw | 1 |
Joep | Motorisch | Rolstoeltafeltennis | Man | 1 |
Karel | Motorisch en visueel | Badminton | Man | 2 |
Ties | Motorisch (en in het gehoor) | Rolstoelbasketbal | Man | 2 |
Roos | Motorisch | Boccia | Vrouw | 2 |
Veerle | Motorisch | Boccia | Vrouw | 1 |
Stijn | Motorisch (en in het gehoor) | Rolstoelbasketbal | Man | 1 |
Tyco | Motorisch | (Rolstoel)tennis | Man | 1 |
Luuk | Visueel | Goalball | Man | 3+ |
Jurre | Visueel | Goalball | Man | 2 |
Daan | Visueel | Goalball | Man | 2 |
Vier zaalsporters geven aan vrouw te zijn, en acht zaalsporters man. De leeftijden van de zaalsporters verschillen. De jongste is 24 jaar en de oudste is 63 jaar. Alle zaalsporters zijn in Nederland geboren en opgegroeid.
Twee van de zaalsporters doen aan (rolstoel)tennis, zowel op buitenbanen als in overdekte sportaccommodaties. Omdat dit onderzoek gaat over zaalsportaccommodaties, richten we ons in dit rapport op hun ervaringen met de binnenlocaties.
Het verschilt daarnaast per zaalsporters van hoeveel accommodaties zij gebruik (moeten) maken om bij hun vereniging te sporten, zoals wanneer zij zowel trainen als wedstrijden spelen. Zes zaalsporters gebruiken daarvoor één accommodatie. Vijf zaalsporters gebruiken er twee. En één zaalsporter maakt gebruik van drie of meer accommodaties.
Typen beperkingen
Acht zaalsporters hebben een motorische beperking, waarvan drie (Evi, Ties en Stijn) ook een beperking hebben in het gehoor. Drie zaalsporters hebben een visuele beperking. Eén van hen, Daan, heeft daarnaast blijvend beenletsel na een ongeluk, maar ervaart dit niet als een (belangrijke) motorische beperking. Dit nemen we daarom niet mee in het onderzoek. Eén zaalsporter (Karel) heeft zowel een motorische als visuele beperking.
We hebben gericht gevraagd naar meer informatie over de motorische of visuele beperking van de zaalsporters. Over andere beperkingen of aandoeningen stelden we geen vragen.
In bijlage 2 vertellen we meer over de beperkingen van de zaalsporters.
Typen sporten
De drie zaalsporters met een visuele beperking (Luuk, Jurre en Daan) spelen goalball. Karel, met een visuele en motorische beperking, speelt badminton. Evi en Joep hebben ervaring met rolstoeltafeltennis, en Ties en Stijn spelen rolstoelbasketbal. Roos en Veerle spelen boccia, en Jasmijn en Tyco hebben ervaring met rolstoeltennis.
Tyco doet dit samen met sporters zonder beperking (vroeger ook met andere rolstoeltennissers). Net als Karel, die badminton in dubbelspel speelt, zodat hij minder speelruimte hoeft te overbruggen. De andere tien zaalsporters beoefenen een sport die is aangepast aan de mogelijkheden van mensen met een beperking, samen met andere sporters met een beperking.
Sommige zaalsporters doen naast hun zaalsport ook andere (sport)activiteiten op hun sportaccommodatie, zoals zwemmen, fitness en fysiotherapie.
Goalball
Goalball is een sport die is ontwikkeld voor mensen met een visuele beperking. Twee teams proberen een bal met belletjes in het doel van de tegenstander te werpen, terwijl de verdedigers zich op hun gehoor oriënteren om de bal tegen te houden. Alle spelers dragen een afgeplakte bril, waardoor de sport ook door mensen zonder visuele beperking kan worden gedaan (Goalball, z.d.).
Boccia
Boccia is een sport die is ontwikkeld voor mensen met een motorische beperking. Twee spelers of teams proberen hun rode of blauwe ballen zo dicht mogelijk bij een witte bal te plaatsen. De bal kan met de hand of voet worden gespeeld of met een hulpmiddel worden voortbewogen, waardoor ook mensen met weinig spierkracht kunnen meedoen (Gehandicaptensport Nederland, z.d.).
In bijlage 2 vertellen we meer over hoe en hoe vaak de zaalsporters hun sport beoefenen.
1.6 Wat betekent toegankelijkheid?
Toegankelijkheid is een van de basisonderdelen van het VN-Verdrag Handicap. Het verdrag omschrijft toegankelijkheid als volgt:
'Personen met een handicap [zijn] in staat [...] zelfstandig te leven en volledig deel te nemen aan alle facetten van het leven.'
VN-Verdrag Handicap
Om dit te bereiken, moet de overheid volgens het VN-Verdrag, artikel 9, het volgende doen:
‘de toegang garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor, of verleend worden aan het publiek, in zowel stedelijke als landelijke gebieden.’
VN-Verdrag Handicap
Wat is een toegankelijke sportaccommodatie?
We beschouwen een zaalsportaccommodatie als toegankelijk wanneer iedereen het gebouw binnen kan komen en alle voorzieningen op de locatie kan gebruiken. Niet alleen de zaal zelf om in te sporten, maar ook bijvoorbeeld de kleedkamer, het toilet, de kantine en de parkeerplaats. Het gaat naast toegankelijkheid dus ook om bruikbaarheid van het gebouw.
Een toegankelijke zaalsportaccommodatie gaat daarnaast ook over de bereikbaarheid ervan (Stichting Onbeperkt Sportief, 2014). En over of iemand zich op de locatie welkom voelt er te sporten en van de voorzieningen gebruik te maken (Vermeij & Hamelink, 2021). Dat sluit aan op het Nationaal Sportakkoord: dat iedereen zonder obstakels bij een bestemming kan komen, er toegang tot heeft en er op een prettige manier kan zijn en activiteiten doen (Ministerie van VWS, 2022).
Vormen van toegankelijkheid
Naast de fysieke vorm van toegankelijkheid bij accommodaties zijn er dus andere manieren van toegankelijkheid. In eerder onderzoek onderscheiden we vier vormen van toegankelijkheid (Van Lindert et al., 2023):
Fysieke toegankelijkheid: kunnen mensen makkelijk naar binnen en gebruikmaken van de verschillende ruimtes?
Sociale toegankelijkheid: hoe worden mensen ontvangen en hoe is het contact met anderen?
Praktische toegankelijkheid: hoe zijn zaken geregeld die nodig zijn voor het gebruik van de accommodatie (zoals bereikbaarheid en betaalbaarheid)?
Informatietoegankelijkheid (of digitale toegankelijkheid): kan iedereen de benodigde informatie over de accommodatie vinden en begrijpen?
In de (beleids)praktijk heeft de financiële toegankelijkheid van sport veel aandacht (Tielen, 2025). Bijvoorbeeld in het Nationaal Sportakkoord II en in de strategie ‘Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030’ (Ministerie van VWS, 2022, 2025a). Daarin staan doelen om deelname aan sport betaalbaarder te maken. Financiële toegankelijkheid wordt daarom soms als een vijfde vorm van toegankelijkheid beschouwd. Maar in dit onderzoek scharen we deze vorm van toegankelijkheid onder ‘praktische toegankelijkheid’.
In bijlage 1 staat een uitgebreidere beschrijving van de vormen van toegankelijkheid.
De vormen van toegankelijkheid in dit rapport
In dit rapport beschrijven we hoe zaalsporters met een motorische of visuele beperking de accommodaties ervaren waar ze gebruik van maken. Dit gaat vooral over de fysieke toegankelijkheid van zaalsportaccommodaties. Andere vormen van toegankelijkheid komen ook aan bod, maar daar gaan we minder uitgebreid op in.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 beschrijven we de ervaringen van zaalsporters met een motorische en/of visuele beperking met de toegankelijkheid van de zaalsportaccommodaties waar ze gebruik van maken.
Daarna reflecteren we op de resultaten, waarbij we kort bespreken hoe we validisme1 terugzien in de (on)toegankelijkheid van zaalsportaccommodaties.
In hoofdstuk 3 staan de conclusies van het onderzoek en de aanbevelingen die we doen voor gemeenten, beheerders en verenigingen.
Hoofdstuk 2: Resultaten
In dit hoofdstuk beschrijven we de ervaringen van de zaalsporters met een visuele of motorische beperking met de toegankelijkheid van hun zaalsportaccommodaties.
We benoemen in dit hoofdstuk de ervaringen van mensen met een motorische beperking en van mensen met een visuele beperking steeds apart. Hun ervaringen zijn namelijk verschillend.
We omschrijven eerst wat sport voor hen betekent. Daarna volgen de ervaringen met fysieke, praktische, sociale en informatietoegankelijkheid. Vervolgens bespreken we vanuit het perspectief van de zaalsporters de inzet van verenigingen, beheerders en gemeenten. Aan het einde staat wat de sporters zelf belangrijk vinden voor een toegankelijke sportaccommodatie. In dat laatste deel beschrijven we persoonlijke behoeften van de mensen in ons onderzoek, hun wensen, en mogelijke oplossingen.
2.1 De betekenis van sport
Verschillende betekenissen
Sport is voor de mensen in dit onderzoek belangrijk om verschillende redenen. Ze noemen bewegen, gezelligheid, ontspanning en het opbouwen of behouden van lichamelijke kracht en conditie. Sport kan ook afleiding bieden en helpen om met frustratie of negatieve gevoelens om te gaan. Jasmijn vertelt: 'Ik krijg er heel veel energie van en het is een fijne uitlaatklep waar ik gewoon ook frustratie en dat soort negatieve gevoelens in kwijt kan. En het is een fijne afleiding.'
Daarnaast heeft sport een sterke sociale betekenis. Mensen ontmoeten andere mensen, maken grappen, drinken samen koffie en praten na een training of wedstrijd. Voor sommigen is het contact met mensen die vergelijkbare ervaringen hebben belangrijk. Ze wisselen bijvoorbeeld kennis uit over het leven met een visuele of motorische beperking. Ook samen reizen naar de sportaccommodatie kan onderdeel zijn van het teamgevoel.
Effect van de beperking op het dagelijkse leven
Voor de ene zaalsporter heeft hun beperking een grotere impact en betekenis dan de ander. Zo heeft de een er minder moeite mee, terwijl het voor de ander soms confronterend blijft. Op een dag de dingen doen die ze willen doen gaat minder vanzelfsprekend en kost veel meer energie.
Een paar zaalsporters hebben te maken met een progressieve beperking of kregen de beperking überhaupt later in het leven. Zij kregen of krijgen ook te maken met het verwerken van deze verandering(en).
Het belang van toegankelijkheid
Toegankelijkheid bepaalt mede in hoeverre sporters gebruik kunnen maken van de verschillende voorzieningen en activiteiten rond het sporten. Wanneer iemand de sportzaal wel kan bereiken, maar niet in de kleedkamer, in de kantine of op de tribune kan komen, kan diegene slechts gedeeltelijk deelnemen. Tyco vertelt dat hij zelf niet kan deelnemen aan uitwedstrijden, omdat die locatie niet toegankelijk is. Hij gaat soms wel als toeschouwer:
‘Ik ga soms wel (naar uitwedstrijden), alleen maar om te kijken. Dan hoef ik niet te sporten en dan ga ik wel even een statement maken, zo van; jongens, ik zit ook in het team. Ik kom nu alleen maar even kijken. Als ik straks naar het toilet moet, ben ik weer weg.’
Tyco – motorische beperking
Meer dan alleen het gebouw waar de zaalsporters gebruik van maken moet dus toegankelijk zijn voor de sporters. Ook de reis naar de accommodatie kan invloed hebben op de mogelijkheid om regelmatig te sporten. Wanneer die reis veel tijd of energie kost, kan dat een extra drempel vormen. De resultaten hieronder laten zien dat fysieke, praktische en sociale toegankelijkheid met elkaar samenhangen.
2.2 Fysieke toegankelijkheid voor mensen met een motorische beperking
We vroegen de zaalsporters met een motorische beperking hoe makkelijk zij hun zaalsportaccommodatie kunnen bereiken, betreden en gebruiken. Zij beschreven de route vanaf het moment dat zij naar de accommodatie reizen tot aan het sporten. In paragraaf 2.4 volgen we de route vanaf het vertrek thuis tot aankomst bij de accommodatie. In deze paragraaf volgen we de route vanaf de aankomst. Soms voegen we foto’s toe die de zaalsporters zelf hebben gemaakt.
De zaalsportaccommodatie bereiken
De meeste zaalsporters met een motorische beperking komen zelfstandig met een (aangepaste) auto naar hun sportlocatie. Veel van hen rijden zelf. Anderen reizen (soms) met het openbaar vervoer of een (regio)taxi, of worden gebracht door naasten.
Parkeren
De ervaringen met parkeren verschillen sterk per accommodatie. Sommige accommodaties hebben meerdere brede gehandicaptenparkeerplaatsen, terwijl andere volgens de respondenten geen speciale parkeerplaatsen hebben. Het aantal gehandicaptenparkeerplaatsen alleen zegt niet alles. Voor sporters die hun rolstoel via een zijdeur uit de auto halen, is bijvoorbeeld vooral de ruimte naast de auto belangrijk. Op sommige gewone parkeerplaatsen is daarvoor voldoende ruimte, maar dit geldt niet voor iedere auto of rolstoelbus.
Ook hangt de benodigde parkeerruimte af van de sportactiviteit. Tijdens een gewone training zijn soms maar enkele rolstoelgebruikers aanwezig. Bij een toernooi kunnen veel sporters met een sportrolstoel en aangepast voertuig tegelijk komen. Geschikte parkeerplaatsen kunnen dan snel vol zijn. Dit geldt ook wanneer bezoekers van meerdere accommodaties hetzelfde parkeerterrein gebruiken, bijvoorbeeld bij een sporthal en een naastgelegen zwembad. Veerle vertelt dat hier bij haar sportaccommodatie rekening mee wordt gehouden: 'Als er in de sporthal in het weekend wat te doen is, dan staat het parkeertrein vol. Dan spreken (de vereniging en beheerder) af (...) dat de invalidenparkeerplaatsen vrij moeten blijven.'
Route van de parkeerplaats naar de ingang
Ook de route tussen de parkeerplaats en de ingang kan obstakels bevatten. De zaalsporters noemen onder andere ongelijke bestrating, stoepranden en steile hellingen. Hierdoor hebben zij soms hulp nodig of kost het bereiken van de ingang extra lichamelijke inspanning.
Joep noemt bijvoorbeeld een hobbelige parkeerplaats en een klein hoogteverschil naar de stoep. Bij Evi was een nieuwe accommodatie binnen bijna volledig aangepast, maar vormden de stoep en een te steile helling buiten nog steeds een probleem. Een goed aangepast gebouw is daarmee niet automatisch ook goed bereikbaar.
De zaalsportaccommodatie betreden
De ingangen van de zaalsportaccommodaties waar de mensen in ons onderzoek sporten, zijn verschillend. De ene heeft bijvoorbeeld automatische schuifdeuren met sensor of knop, en de andere heeft zware of juist lichte handmatige deuren.
Of iemand een deur kan gebruiken, hangt ook af van andere zaken. Bijvoorbeeld de kracht van de sporter, wat iemand met de handen en vingers kan doen, de breedte van de rolstoel en de richting waarin de deur opent. Karel kan door zijn motorische beperking bijvoorbeeld maar één hand goed gebruiken, waardoor zware deuren een belemmering zijn. Dubbele deuren zijn breed genoeg voor rolstoelen, maar enkele deuren zijn dat niet altijd. In ieder geval niet voor sportrolstoelen, ervaart Ties, omdat deze wielen in een gekantelde en dus bredere stand staan.
Binnen het gebouw komen dezelfde problemen terug. Deuren naar een hal, kleedkamer of sportzaal zijn niet altijd automatisch en moeten zelf open worden gedaan. Soms kan een deur worden vastgezet, maar kan de sporter het haakje niet bereiken. Sporters zijn dan afhankelijk van een medesporter, trainer of beheerder om voorbij de deuren te komen.

Andere objecten op de route naar binnen kunnen ook obstakels vormen. Zo beschrijft Jasmijn, die een tennisrolstoel gebruikt, dat de buitendeur van haar sportlocatie niet zelfstandig te openen is, onder andere door de mat die daar ligt:
'Ze hebben zeg maar een mat voor de deur liggen, maar die mat is zo hoog dat ik mijn tennisrolstoel daar niet op kan duwen. Dus dan moet ik ernaast staan en het soort van optillen, terwijl ik tegelijkertijd de deur open hou. Dat is echt een gedoe. Dus daar moet eigenlijk wel een andere mat. Dat hadden ze eerst, maar die vonden ze ook niet goed. En nu hebben ze een nog slechtere mat neergelegd, dus het probleem is niet opgelost. En die deur die moet eigenlijk gewoon of openstaan of met een knop opengaan. Want dat hebben ze binnen wel, dat de deuren met knoppen opengaan, maar de buitendeur niet.'
Jasmijn
Jasmijn zegt dat het betreden van haar zaalsportaccommodatie haar soms zo veel moeite kost dat haar energie om te sporten eigenlijk al weg is: 'Ik ben eigenlijk gewoon al heel veel energie kwijt aan het binnenkomen. En (...) die energie (wil ik) gewoon gebruiken om te sporten, maar dat (al) weg is.'
Voor sportrolstoelen speelt ook de breedte van de doorgang een rol. De wielen van deze stoelen staan vaak schuin en maken de stoel breder. Ties vertelt dat op een van de locaties waar hij sport, de deur te smal bleek voor zijn rolstoel:
'De reden was blijkbaar dat ze, toen dat verbouwd werd of herbouwd werd, is er gezegd van: wij bieden geen rolstoelsport aan. Vervolgens is die zaal klaar en we gaan rolstoelsport aanbieden. Dan moeten die wielen eraf, moet je op je rolstoel leggen en dan komt die rolstoel wel binnen en dan kun je die wielen er weer terug op.'
Ties
Dit voorbeeld laat zien dat het toekomstige gebruik van een gebouw al bij het ontwerp moet worden meegenomen. Een deur achteraf verbreden is ingewikkelder en duurder dan vanaf het begin voldoende ruimte plannen.
Hellingen, liften en hoogteverschillen
Hellingen zijn niet op iedere locatie makkelijk te gebruiken. Flauwe hellingen kunnen mensen met een beperking zelfstandig gebruiken. Een korte maar steile helling kan juist veel kracht vragen of hulp noodzakelijk maken. Ook de aanloop naar en het oppervlak van de helling zijn belangrijk. Een drempel of goot onderaan een helling maakt het oprijden moeilijker.
Liften maken verdiepingen bereikbaar, maar alleen als ze groot genoeg en betrouwbaar zijn. Mensen noemen verschillende redenen waarom liften onvoldoende toegankelijk zijn: ze zijn te klein voor meerdere rolstoelen, de knop moet voortdurend worden ingedrukt of de lift is regelmatig kapot. Een stoellift is minder bruikbaar voor iemand die een rolstoel of sportmateriaal moet meenemen.
Gebruik nevenruimten (kantines, tribunes)
Ook de bruikbaarheid van nevenruimten in het gebouw, anders dan de sportzaal zelf, beïnvloeden hoe mensen met een motorische beperking hun deelname aan sport ervaren. Soms ligt de sportzaal gelijkvloers, maar is de kantine of tribune niet bereikbaar. Dan kan iemand wel sporten, maar niet volledig deelnemen aan het verenigingsleven.
Een vaste tribune is niet altijd toegankelijk voor mensen die geen trap kunnen lopen. Stijn beschrijft een locatie waar de tribune alleen via een trap bereikbaar is. Bij wedstrijden met publiek worden daarom verplaatsbare tribunes in de sportzaal neergezet. Rolstoelgebruikers kunnen daarnaast plaatsnemen en zo de wedstrijd vanuit de zaal volgen.
Tyco beschrijft een club waar hij kon tennissen en naar het toilet kon, maar niet bij zijn teamgenoten in de kantine kon komen: 'Maar als de kantine ontbreekt, ja, dat is voor mij gewoon een no-go. Dan doe ik daar gewoon niet mee. Daar heb ik geen zin in. Daar voel ik me niet thuis, voel ik me niet welkom.'
De toegankelijkheid van kantines en tribunes is daarom zowel een fysiek als een sociaal vraagstuk.

Kleedkamers, douches en toiletten
Een deel van de zaalsporters gebruikt de kleedkamer of douche niet. Zij komen in sportkleding, kleden zich in de zaal om of douchen thuis. Dat kan een persoonlijke voorkeur zijn, maar ook een manier om een krappe of ongeschikte ruimte te vermijden.
In kleedkamers is vooral voldoende ruimte nodig voor gewone rolstoelen en sportrolstoelen. Ook de zitplekken moeten passen bij de gebruiker. Karel heeft een brede en stevige zitplaats met rugleuning nodig. De smalle bankjes in zijn kleedkamer bieden die steun niet. Daarom kleedt hij zich thuis om.

Voor douchen kan een douchestoel of opklapbaar zitje nodig zijn. Op sommige locaties is één aangepaste douche aanwezig. Als meerdere rolstoelgebruikers willen douchen, moeten zij op elkaar wachten. Ties beschrijft ook een positieve ervaring: nadat vanuit de groep om een zitplek werd gevraagd, regelde de vereniging binnen twee weken een klapstoel. Dit laat zien dat een concrete vraag soms snel kan worden opgelost.

Veel accommodaties hebben volgens de mensen in dit onderzoek een aangepast toilet. Maar de bruikbaarheid hiervan verschilt. Toiletten worden soms als opslagruimte of verschoonruimte gebruikt, zijn afgesloten of liggen in een kleedkamer die door een ander team bezet kan zijn. In die situaties moet een sporter eerst om hulp of een sleutel vragen.

Ook de inrichting is niet altijd passend. Ties geeft nog een voorbeeld:
‘En als je dan zegt: een invalidentoilet, dan moet de wc-pot aan de rechterkant (staan), want dan kan je met een rolstoel ernaast draaien en een transfer maken. (...) En dan komt die uitvoerder die zegt: “Ja, wacht even, maar dit ziet er toch niet uit. We gaan die wc-pot gewoon in het midden zetten.” Daardoor kun je dus niet links én niet rechts (naast de wc komen) om die transfer te maken. En dan denk ik: wij verzinnen dat niet, dat is wel met een reden.’
Ties
Verder hebben de zaalsporters met een motorische beperking ook vaak toiletbeugels en een bereikbare wastafel nodig. Een label ‘aangepast toilet’ zegt dus niet genoeg. De ligging, indeling en dagelijkse beschikbaarheid bepalen of iemand het toilet daadwerkelijk zelfstandig kan gebruiken.
Opslag en sportmaterialen
Vijf van de zaalsporters met een motorische beperking gebruiken een sportrolstoel. Sportrolstoelen zijn groot en worden niet op iedere zaalsportaccommodatie op dezelfde manier bewaard. Sommige mensen vervoeren hun stoel steeds in de auto. Anderen kunnen deze op de accommodatie achterlaten. Maar opslagruimtes kunnen te klein zijn, ver van de sportzaal liggen of alleen met een sleutel of code te openen zijn. Soms heeft alleen de trainer toegang. Mensen met een motorische beperking moeten dus soms meer moeite doen om hun sport te kunnen beoefenen.
Opvallend is dat de meeste zaalsporters met een motorische beperking die een (aangepaste) auto hebben, deze als opslag gebruiken voor hun sportrolstoel. Dit is een mogelijk gevolg van een gebrek aan opslagruimte op hun zaalsportaccommodatie, maar zij ervaren dit niet als een belemmering. Wel laat het zien dat het hebben van een auto niet alleen nuttig is voor vervoer. Het biedt meerdere voordelen om toegankelijk en vooral zelfstandig te kunnen sporten.
De opslag bij Joep is nu groot genoeg, maar zou te klein zijn als alle spelers een eigen sportrolstoel krijgen. Dit maakt duidelijk dat je niet alleen naar de huidige situatie moet kijken. Groei van het team of beoefening van meer rolstoelsporten in de zaal kan nieuwe knelpunten op een locatie veroorzaken.
Veiligheid
Bij een ontruiming moeten rolstoelgebruikers het gebouw zelfstandig of met passende hulp kunnen verlaten. De ervaringen daarmee verschillen. Op sommige zaalsportaccommodaties hebben nooduitgangen drempels of ontbreekt een goede route naar buiten. Andere locaties hebben meerdere bereikbare nooduitgangen met slechts kleine hoogteverschillen.
De zaalsporters noemen het belang van meer dan één toegankelijke route. Als één uitgang door brand, rook of materiaal is geblokkeerd, moet een alternatief beschikbaar zijn. Nooduitgangen en ontruimingsplannen moeten daarom vanuit verschillende gebruikers worden getest.
2.3 Fysieke toegankelijkheid voor mensen met een visuele beperking
We vroegen ook de zaalsporters met een visuele beperking hoe toegankelijk het voor ze is om bij hun zaalsportaccommodatie(s) naar binnen te komen en er gebruik van te maken. Deze zaalsporters hebben de route beschreven die ze afleggen vanaf het moment dat ze op hun locatie aankomen tot wanneer ze sporten. Ook hier lichten we dat op een vergelijkbare manier toe in de tekst.
Betreedbaarheid van de zaalsportaccommodatie
Voor mensen met een visuele beperking begint fysieke toegankelijkheid bij het herkennen van de ingang en het begrijpen van de indeling. Daan komt voor goalballwedstrijden op verschillende zaalsportaccommodaties. Hij vertelt dat hij moeite heeft met het vinden van de ingang vanwege draaideuren en onduidelijk contrast:
'Als je binnenkomt, is er een draaideur en (een gewone deur) ernaast die gewoon opengaat. Maar dat [zijn] ook allemaal glaswanden. Ik ben daar wel eens, toen ik met de stok aankwam, echt wel aan het zoeken geweest, want er zit totaal niks, geen contrast. Die stoepen daarvoor zijn grijs. Ik was echt aan het zoeken, toen de taxi mij daar afzette, van: waar zit die deur?'
Daan
Wanneer hij met een taxi komt, laat hij zich daarom bij voorkeur tot binnen brengen. Vanaf een andere hoofdingang was de route naar de sportzaal zo ingewikkeld dat hij mobiliteitstraining nodig had om deze zelfstandig te leren.
Luuk noemt een gelijkvloerse gymzaal met kleedkamers en een materiaalhok op een vaste plaats een 'simpele locatie'. Zo'n locatie is makkelijker aan te leren. Een andere sportzaal ligt in een school en vraagt een route via een trap en meerdere bochten. Wanneer hij de route eenmaal kent, kan hij deze gebruiken. Maar het eerste bezoek vraagt meer zoekwerk en uitleg.
Daan vertelt dat tactiele informatie hem helpt om voorzieningen zoals de toiletten binnen een zaalsportlocatie te vinden. Tactiele informatie is informatie die iemand kan voelen. Bij een toilet kan een voelbaar symbool of tekst in braille duidelijk maken of het om het (dames- of heren)toilet gaat. Deze informatie hangt op of naast de deur en kan met de vingers worden gelezen.
Mobiliteitstraining
Mobiliteitstraining is een training voor mensen met een visuele beperking. Zij leren dan hoe ze zich veilig en zo zelfstandig mogelijk kunnen verplaatsen van A naar B. Bijvoorbeeld met een taststok, een geleidehond of een navigatie-app.
Een sporter kan tijdens de mobiliteitstraining een vaste route naar en door de sportaccommodatie oefenen. De sporter leert waar de ingang, de kleedkamer, het toilet en de sportzaal zijn. Ook leert de sporter herkenningspunten en obstakels op de route kennen. Denk aan deuren, trappen en drempels. Door de route vaker te oefenen, kan de sporter deze later makkelijker zelfstandig afleggen (Koninklijke Visio, z.d.).
Contrast en verlichting
Contrast helpt sporters met een visuele beperking om deuren, glaswanden, vloeren, pilaren en trappen van elkaar te onderscheiden. Jurre had moeite met traptreden die vroeger dezelfde kleur hadden als de vloer. Na een melding werden de eerste en laatste trede gemarkeerd. Daan noemt een andere wedstrijdlocatie als positief voorbeeld, omdat daar duidelijke contrasten, goed vindbare ruimtes en voelbare knoppen aanwezig zijn.
Ook verlichting vraagt maatwerk. Karel vindt de verlichting in zijn huidige sportzaal prettig. In een nieuwere accommodatie waren de gangen goed verlicht, maar stonden de lampen in de zaal dwars op de speelrichting. Bij het opslaan van de badmintonshuttle keek hij daardoor in het licht. Daardoor was de nieuwere accommodatie voor hem niet vanzelfsprekend beter. Dit laat zien dat toegankelijkheid niet alleen afhangt van de hoeveelheid licht. De plaatsing, gelijkmatigheid en mogelijke verblinding zijn ook belangrijk.
Geleidelijnen en vindbare routes
Geleidelijnen ontbreken op sommige locaties of stoppen voordat een belangrijke bestemming is bereikt. Een doorlopende route vanaf de ingang of afzetplek naar de zaal, de kleedkamer en het toilet helpt sporters om zelfstandig te bewegen. Ook een vrije muur, plint of overgang tussen twee vloermaterialen kan als voelbare lijn worden gebruikt.
Voelbare knoppen en herkenbare automatische deuren maken voorzieningen makkelijker te gebruiken. De werking moet wel eenduidig zijn. Jurre ervaart verwarring doordat automatische deuren op dezelfde locatie niet allemaal op dezelfde manier of even snel openen.
Verder moet de inrichting voorspelbaar blijven. Materialen op de vloer kunnen gevaarlijk zijn. Luuk vertelt dat toegankelijkheid binnen zijn team vaak wordt besproken wanneer een zaal niet is opgeruimd. Om te kunnen sporten heeft hij op zijn minst nodig dat materialen op hun vaste plek staan en een aangeleerde route vrij blijft. Zodat hij weet waar materialen staan en waar de looproute veilig is.
Sportspecifieke omstandigheden
Voor goalball zijn stilte, akoestiek, voelbare lijnen en geschikte doelen nodig. De spelers volgen de bal aan de hand van belletjes. Geluid uit de zaal of van aanwezige bezoekers kan het spel verstoren. De vereniging moet daarom soms een volledige zaal huren, ook wanneer ze maar de helft ervan nodig hebben.
Voor Karel geldt bij badminton dat de shuttle zichtbaar moet zijn (deze zijn voor hem daarom geel in plaats van wit), en de verlichting niet mag verblinden. Deze voorbeelden laten zien dat een gebouw in het algemeen toegankelijk kan lijken, maar dan toch niet altijd geschikt is voor de activiteit die er plaatsvindt.
Ruimte voor geleidehonden
Daan gebruikt een geleidehond. Het meenemen van de hond naar een sporttraining is niet altijd praktisch, omdat een geschikte verblijfsplek ontbreekt.
De hond moet tijdens het sporten veilig kunnen rusten zonder andere sporters te hinderen. Dit is een voorbeeld van een behoefte die niet voor alle mensen met een visuele beperking geldt. Maar voor de betreffende sporter bepaalt dit wel hoe zelfstandig deze kan reizen en kan deelnemen aan sport.
Geleidehonden
Een geleidehond is speciaal getraind om mensen die blind of slechtziend zijn veilig te begeleiden. De hond leidt de gebruiker langs obstakels en stopt bijvoorbeeld bij een stoeprand of trap. Op commando kan de hond ook bepaalde plekken vinden, zoals de ingang van een gebouw, een zebrapad of een vrije zitplaats in het openbaar vervoer. Een geleidehond helpt iemand zo om zich veiliger en zelfstandiger te verplaatsen (Oogvereniging, z.d.).
2.4 Praktische toegankelijkheid van de zaalsportaccommodaties
In deze paragraaf beschrijven we hoe zaalsporters met een motorische of visuele beperking de ligging en bereikbaarheid van hun zaalsportaccommodatie(s) en de reis ernaartoe ervaren. Ook gaan we in op de kosten van sport.
Reizen met een motorische beperking
De meeste mensen met een motorische beperking in dit onderzoek reizen met een aangepaste auto. De reistijden naar de vaste locatie lopen uiteen van ongeveer tien minuten tot ruim anderhalf uur.
Passend sportaanbod is niet altijd in de eigen woonplaats beschikbaar. Evi vond uiteindelijk een geschikte paratafeltennis-vereniging, maar deze lag op grote afstand. De lange reis, in combinatie met de training en toernooien, werd haar te zwaar, dus ze is weer gestopt. De lokale club was dichterbij, maar stond niet open voor een rolstoelspeler.
Voor sporters die hun sportrolstoel meenemen, vraagt reizen extra handelingen en bagageruimte. Een verenigingsbus kan helpen. Joep reist naar toernooien met een bus met een elektrische laadklep. Hiervoor betaalt hij een 'relatief schappelijk bedrag'. De chauffeur helpt bij het instappen en het vastzetten van de rolstoel. Dit bespaart hem kracht en maakt deelname aan verder gelegen wedstrijden mogelijk.
Mensen met een motorische beperking ervaren reizen met het openbaar vervoer niet per se als een goed alternatief. Ties kiest ervoor om, als hij met het openbaar vervoer reist, krukken te gebruiken in plaats van zijn rolstoel. Hij beschrijft waarom hij met zijn rolstoel niet afhankelijk wil zijn van vooraf geregelde assistentie:
'Als je (in de trein) met rolstoel reist, dan moet je binnen 24 uur van tevoren aangeven waar je opstapt, waar je overstapt, waar je uitstapt. Want dan is er zo'n plank en personeel. (...) Weet jij hoe vaak dat verkeerd gaat? Dat er dus niemand is. (...) Dan sta ik in [plaats 1], de deuren gaan open. Ik kan er niet uit, de deuren gaan dicht, het volgende station is [plaats 2]. Ik zeg: dat wil ik niet. Ik ga gewoon met de stokken. Iedereen gaat opzij, dus dat was geen probleem. Ik denk, dan ben ik zelf in charge. Dan ben ik niet afhankelijk van de trein.'
Ties
Dit laat zien dat de toegankelijkheid van een zaalsportaccommodatie al thuis begint, voordat een sporter het gebouw bereikt.
Reizen met een visuele beperking
De drie zaalsporters met een visuele beperking reizen met het openbaar vervoer of worden met de auto gebracht. Geen van hen rijdt zelf. Eén reist grotendeels zelfstandig met trein, tram of bus. De anderen worden vaak door een partner, teamgenoot of taxi gebracht of opgehaald. Deze hulp kan deelname mogelijk maken, maar zorgt ook voor afhankelijkheid. Als een vaste chauffeur wegvalt, kan het moeilijk worden om te blijven sporten.
De bereikbaarheid van de zaalsportaccommodatie met het openbaar vervoer speelt mee bij de keuze van een trainingslocatie. Luuk vertelt dat zijn (gehandicapten)sportvereniging naar een andere stad verhuisde omdat die locatie beter bereikbaar was met het openbaar vervoer.
Een goede verbinding betekent niet dat de hele reis eenvoudig is. Stations kunnen druk zijn en overstappen kan lastig zijn. Sommige teamleden spreken daarom op het station af en lopen samen verder. Daan reist een deel met de bus en wordt daarna door een ziende medesporter opgehaald. Zonder deze hulp gebruikt hij de regiotaxi. Een zelfstandige reis naar de training duurt voor hem minimaal een uur en 's avonds soms anderhalf uur.
Karel stopte bij een eerdere club toen het vervoer door een vriend wegviel. Met het openbaar vervoer zou hij voor twee uur sporten in totaal (heen- en terugreis) ongeveer drie uur reizen. Bovendien moest hij 's avonds in het donker wachten. Zijn huidige deelname is mogelijk doordat vrienden hem ophalen en terugbrengen.
Wedstrijden en toernooien
Bij wedstrijden komen sporters op meer locaties dan hun eigen sportzaal. Hierdoor worden verschillen tussen de toegankelijkheid van zaalsportaccommodaties duidelijker. Mensen met een motorische beperking komen smalle deuren, ongeschikte banen, kapotte liften en ontoegankelijke toiletten tegen. Mensen met een visuele beperking moeten op iedere onbekende locatie opnieuw de ingang, de kleedkamer, de zaal en het toilet vinden.
Tyco speelt in een rolstoel in een regulier tennisteam, maar gaat vanwege ontoegankelijke uitclubs niet altijd mee. Daarmee heeft de toegankelijkheid van de locatie van de tegenstander gevolgen voor het hele team:
'Vaak bij (reguliere) uitwedstrijden zeg ik tegen mijn teamgenoten (zonder beperking): 'gaan jullie maar, want die uitclubs zijn niet toegankelijk voor mij'. Dus dan kan ik niet naar uitwedstrijden. En dan moeten de teamgenoten (zonder mij) spelen.'
Tyco – Motorische beperking
Voor de goalballers zijn vooral afstand en vervoer belastend. Daan was voor één uitwedstrijd zowel heen als terug ongeveer tweeënhalf uur onderweg. Een internationaal toernooi ging niet door omdat de kosten voor enkele leden te hoog waren. Toegankelijkheid van wedstrijden gaat dus over de combinatie van gebouw, vervoer, tijd en geld.
Betaalbaarheid van sport
De interviews laten zien dat geld invloed kan hebben op de mogelijkheid om te sporten. Het gaat onder meer om sporthulpmiddelen, lessen, contributie, wedstrijden en vervoer. Sporters betalen deze kosten zelf of krijgen ondersteuning. Via bijvoorbeeld de Wmo, de gemeente, Uniek Sporten, hun vereniging, sponsoring of familie. Welke ondersteuning beschikbaar is, verschilt per gemeente, regeling en persoonlijke situatie. Niet in alle gesprekken hebben we financiële toegankelijkheid uitgebreid besproken.
Wmo
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bepaalt dat gemeenten mensen moeten helpen om zo zelfstandig mogelijk te leven en mee te doen in de samenleving. Vanuit de Wmo kan een gemeente soms bijdragen aan een sporthulpmiddel, zoals een sportrolstoel, of aan vervoer naar de sportlocatie. Welke ondersteuning iemand krijgt, hangt af van de persoonlijke situatie en de regels van de gemeente (Ministerie van VWS, z.d.).
Kosten van hulpmiddelen, sport en vervoer
Sportrolstoelen en andere hulpmiddelen worden op verschillende manieren betaald. Sommige sporters kunnen eerst een hulpmiddel lenen en uitproberen. Dit maakt een proeftraining mogelijk en helpt hen om te bepalen welk hulpmiddel bij hen past.
Ook lessen en vervoer kunnen een financiële drempel vormen. Jasmijn vond rolstoeltennis eerder duur, omdat de lessen via een commerciële tennisschool werden aangeboden. Daan betaalt per training meer dan 10 euro aan vervoer. Joep kan juist tegen een relatief laag bedrag met een verenigingsbus naar toernooien. Gezamenlijk vervoer kan sporten daarmee betaalbaarder maken.
Verenigingen kunnen ook met extra kosten te maken krijgen. Voor goalball is een stille zaal nodig, waardoor ze soms een volledige sportzaal moeten huren. De vereniging van Jurre gebruikt sponsoring om materialen en een busje te betalen. Als leden niet kunnen carpoolen, kan de vereniging een vergoeding voor de reiskosten geven.
Subsidies voor aanpassingen
Subsidies2 kunnen aanpassingen aan zaalsportaccommodaties mogelijk maken, maar mensen zien ook belemmeringen. Een gedeeltelijke vergoeding is voor een kleine vereniging of ondernemer soms onvoldoende. Bovendien heeft een losse aanpassing weinig meerwaarde als andere noodzakelijke voorzieningen ontbreken. Automatische deuren helpen bijvoorbeeld niet volledig wanneer iemand daarna niet naar het toilet of de kantine kan.
Tyco vertelt dat een toegankelijkheidssubsidie bij zijn club is gebruikt voor automatische schuifdeuren. Daarbij gaf hij zelf advies aan de eigenaar. Dit voorbeeld laat zien dat financiering en ervaringskennis elkaar kunnen versterken.
2.5 Toegankelijkheid in andere vormen
In deze paragraaf vertellen we over andere onderwerpen die maken dat iemand met een motorische of visuele beperking zich wel of niet prettig voelt in een zaalsportaccommodatie.
Sociale toegankelijkheid
Eerste bezoek/ontvangst
De aanwezigheid van medewerkers of beheerders verschilt sterk per sportaccommodatie. Op sommige locaties is er een medewerker op een vaste en herkenbare plek. Roos heeft bijvoorbeeld hulp nodig om een rolstoellift te gebruiken. Zij hoeft daarvoor niet naar een medewerker te zoeken: 'die zit eigenlijk altijd achter de balie.'
Op andere locaties is hulp niet altijd beschikbaar. Jasmijn heeft een motorische beperking en vraagt soms hulp aan mensen die toevallig langslopen. Maar tijdens haar training is het niet altijd druk: 'Als er mensen langs lopen of zo, dan vraag ik dat altijd wel. Maar het is niet altijd even druk op de tijden dat ik training heb.'
Voor sommige sporters met een visuele beperking is het belangrijk dat een aanwezige medewerker zich kenbaar maakt. Een begroeting kan al duidelijk maken dat er iemand in de buurt is aan wie de sporter hulp kan vragen, zo vertelt Luuk: '[Iemand die] hallo zegt is al genoeg, want dan kan degene die slechtziend is denken van: o, hij ziet mij staan of zij ziet mij staan en ik kan even om hulp vragen, want ik kom er niet uit.'
Daan vertelt dat er op zijn sportlocatie iemand aanwezig is, maar dat hij hier liever niet van uitgaat: 'Ik werd en kan wel opgevangen worden door iemand van de vereniging. Maar wil dit zelf zo min mogelijk, (want ik) hou niet van die afhankelijkheid.'
De aanwezigheid van een medewerker helpt dus vooral wanneer deze persoon goed vindbaar en aanspreekbaar is en passende hulp kan bieden.
Joep werd bij zijn eerste bezoek persoonlijk ontvangen door een trainer. Hij ervoer vooral de open en luisterende houding van de trainer als positief:
'Nou, het is wel goed dat ze gewoon een open houding hebben. Gewoon echt luisteren van: "he, nou, vertel eens, wat kom je hier doen? Wat heb je precies? Heb je ergens hulp bij nodig?" Gewoon heel luisterend en gewoon mijn verhaal laten doen. Nou, dat ze ook gewoon het aanmeldformulier van de vereniging ook gewoon meegeven. Ook met bijvoorbeeld SOS-contactpersonen ook kan doorgeven. Dat ze daar ook recent nog actief achteraan zijn geweest bij iedereen nog even te checken van: “hé, laten we het met z’n allen even compleet maken. Lever dat aan.” (En) een appgroep hebben we ook waar je wordt toegevoegd. Wat kan er beter (aan)? Nou, niks eigenlijk.'
Joep – Motorische beperking
Evi had tegengestelde ervaringen. Bij sommige clubs werd zij welkom geheten en werd gevraagd welke hulp zij nodig had. Bij de club in haar woonplaats werd niet gereageerd op haar e-mail en kon zij pas na bemiddeling door de tafeltennisbond een keer meespelen. Zij vertelt:
‘Die [club] was het (sporten met een beperking) echt niet gewend, en die stonden daar ook niet voor open. Want (in) [woonplaats] was natuurlijk het allermakkelijkste geweest om te sporten. Ik heb dat toen gevraagd van: “Goh, mag ik een keertje komen tafeltennissen?” En dat was eerst via mailcontact, maar (daar) werd gewoon helemaal niet op gereageerd. Toen ben ik naar de tafeltennisbond gegaan, en die hebben toen uiteindelijk ervoor gezorgd dat ik daar (bij de club) een keer mocht komen spelen. En dat was eigenlijk een beetje onder druk van de tafeltennisbond, dat [de club] dat (heeft) gedaan.’
Evi – Motorische beperking
Bij de sporters met een visuele beperking is persoonlijk contact vaak de ingang tot de sport. Jurre maakte kennis met goalball tijdens een multisportdag en werd daarna meerdere keren door de voorzitter benaderd. Daan kwam via Jurre en een vriendentoernooi bij dezelfde vereniging. Actieve uitnodiging en begeleiding verlagen zo de drempel om een onbekende aangepaste sport te proberen.
Zelfstandigheid en hulp
De mensen in dit onderzoek willen waar mogelijk zelfstandig meedoen. Voor mensen met een motorische beperking gaat dat bijvoorbeeld over een deur openen, een tafel klaarzetten, een drankje bestellen of naar het toilet gaan. Voor mensen met een visuele beperking gaat het ook over zelfstandig de route vinden.
Hulp is niet altijd ongewenst. Ties vertelt dat medesporters zijn sportrolstoel na de training helpen opbergen. Veerle noemt mensen die deuren openen en materiaal klaarzetten als belangrijke ondersteuning. Joep vindt een prettig sociaal contact soms belangrijker dan volledige fysieke zelfstandigheid, zolang hulp beschikbaar is. De manier waarop hulp wordt aangeboden, blijft belangrijk. Evi wil niet dat anderen zonder te vragen alles overnemen. Luuk vindt het prettig wanneer iemand hem begroet of hulp aanbiedt als zichtbaar is dat hij zoekt. Een goede benadering bestaat daarom uit contact maken, vragen wat nodig is en het antwoord respecteren.
Erbij horen
Verschillende mensen ervaren dat het uitmaakt of aangepast sporten onderdeel is van de hele vereniging. Jasmijn voelt zich meer welkom op een locatie waar rolstoeltennissers zichtbaar onderdeel zijn van de club en contact hebben met leden zonder beperking. Op een andere locatie ervaart zij de rolstoelsport meer als een losstaand deel.
Veerle zegt dat het haar helpt om contact te hebben met andere sporters met een beperking en dat zij elkaar steunen: 'Allemaal leven ze met mij mee. En met anderen.'
Ook sportregels en prestatieniveau beïnvloeden het gevoel erbij te horen. Evi merkte bij dubbelspel dat sommige fanatieke spelers moeite hadden met afwijkende pararegels. Karel vertelt nieuwe spelers zelf dat hij slechtziend is. De meeste mensen reageren begripvol, maar hij merkt het ook wanneer sterkere spelers liever met iemand anders spelen.
Sociale toegankelijkheid betekent daarmee meer dan vriendelijk ontvangen worden. Het gaat ook om kunnen deelnemen aan trainingen, wedstrijden en informele contacten.
Informatie- en digitale toegankelijkheid
Informatie over het sportaanbod
Mensen vinden hun sport via familie, vrienden, medesporters, sportbonden, buurtsportcoaches, multisportdagen en de website Uniek Sporten. De ervaringen met informatie verschillen. Joep vond via Uniek Sporten zijn huidige sport rolstoeltafeltennis en is daar heel tevreden mee:
'Toen uiteindelijk op de website van Uniek Sporten heb ik ook een soort vragenlijstje ingevuld en toen kwam ik ook uit bij een van de opties was dus rolstoeltafeltennis. En toen zag ik dat er ook in [woonplaats] werd aangeboden. En toen heb ik contact opgenomen met de contactpersoon en ben ik daar gaan kijken. Dat vond ik het superleuk en ben ik lid geworden van de vereniging, en ben ik daar gaan trainen.'
Joep – Motorische beperking
Evi vertelde dat ze best even moest zoeken naar een geschikte vereniging, maar dit uiteindelijk goed is gelukt via de website Uniek Sporten en een buurtsportcoach:
'Heel toevallig ben ik toen op internet gaan zoeken. En toen ben ik op de site van aangepaste sporten gekomen. En in [woonplaats] heb je een coach die mensen dan helpt. En met hem ben ik in gesprek gegaan. En hij heeft mij geholpen met zoeken van een club. Ik heb uiteindelijk een rolstoel uitgeprobeerd.'
Evi – Motorische beperking
Jasmijn vond op de website van Uniek Sporten vooral informatie over G-tennis (voor mensen met een verstandelijke beperking) en kreeg pas na meerdere pogingen contact met de vereniging:
‘(Ik ben) via de website van Uniek Sporten (bij rolstoeltennis gekomen). (En) dat was echt een gedoe. Want er stond dan alleen een link naar een website en op die website kon ik alleen maar informatie vinden over G-tennis en niet over rolstoeltennis. Maar er blijkt bij ergens onderin één kopje rolstoeltennis en dan een e-mailadres erbij. En die ging ik mailen en toen kreeg ik geen reactie. Toen ging ik een maand later nog een keer mailen. Toen kreeg ik nog steeds geen reactie. En toen had ik gewoon de club gebeld om te vragen en toen kreeg ik uiteindelijk reactie.’
Jasmijn – Motorische beperking
Voor sporten die specifiek voor een bepaald type beperking zijn ontwikkeld, blijft persoonlijke werving belangrijk. Jurre speelt goalball en geeft aan dat veel mensen met een visuele beperking niet weten dat sporten mogelijk is. De goalballvereniging organiseert daarom activiteiten en probeert zelf nieuwe spelers te werven.
Informatie over de accommodatie
Vooraf weten wat iemand kan verwachten, vermindert onzekerheid en bespaart energie. Mensen met een motorische beperking willen bijvoorbeeld weten of er brede parkeerplaatsen, automatische deuren, een lift en aangepaste toiletten zijn. Voor mensen met een visuele beperking is informatie over de indeling van het gebouw en de looproute belangrijk.
De algemene mededeling dat een gebouw ‘toegankelijk’ is, is vaak onvoldoende. Roos legt uit:
‘(Als ik) ergens heen (zou) moeten gaan, naar een sporthal of iets dergelijks, dan zou ik echt wel van tevoren bellen van: “zijn jullie toegankelijk? Hoe is dit en dat geregeld?” En die vragen zou je eigenlijk niet moeten hoeven stellen, omdat dat al heel veel energie kost. Wat zonde is, want die energie kan je dan dus niet meer in andere belangrijke zaken stoppen.’
Roos – Motorische beperking
De interviews laten zien dat dezelfde locatie voor de ene sporter bruikbaar kan zijn en voor de andere niet. Concrete, actuele informatie is daarom nodig. Ook moet duidelijk zijn bij wie mensen vragen kunnen stellen en welke hulp beschikbaar is.
2.6 Verantwoordelijkheid en verandering
We vroegen de zaalsporters wat verenigingen, trainers, beheerders en gemeenten (beter kunnen) doen om de toegankelijkheid van zaalsportaccommodaties te vergroten. Hun ervaringen en ideeën bespreken we in deze paragraaf.
Verenigingen en trainers
Verenigingen en trainers kunnen praktische problemen snel signaleren. Zij kunnen deuren openen, materiaal klaarzetten, leenhulpmiddelen aanbieden en vragen doorspelen aan bestuur of beheerder. Bij Ties werd een douchestoel na een concrete vraag snel geregeld. Bij Joep nam de trainer tijd voor een veilige en persoonlijke kennismaking.
Niet iedere vereniging reageert hetzelfde. Sommige sporters moeten herhaaldelijk contact opnemen of ervaren dat een oplossing lang duurt. Ook kan een vereniging regels hanteren die een bruikbare route blokkeren. Bijvoorbeeld door sporters niet via een toegankelijke nooddeur binnen te laten.
Beheerders
Beheerders bepalen mede of voorzieningen dagelijks bruikbaar blijven. Zij beheren sleutels, repareren liften en houden routes en toiletten vrij. Een aangepast gebouw kan door dagelijks gebruik opnieuw ontoegankelijk worden. Bijvoorbeeld wanneer er spullen in het toilet staan of materiaal op een looproute blijft liggen.
De zaalsporters noemen zowel positieve als negatieve reacties op feedback die ze terugkoppelen aan de beheerder. Jurres melding over onvoldoende contrast op een trap leidde tot gekleurde markeringen. Bij andere meldingen ervaren sporters dat organisaties traag reageren of zelf een oplossing kiezen zonder deze met gebruikers te testen.
Gemeenten, ontwerpers en ervaringsdeskundigen
Gemeenten hebben volgens de mensen in dit onderzoek een rol bij bouw, onderhoud, subsidies en controle. Vooral bij verbouwing of nieuwbouw moet vooraf worden bepaald welke sporten en gebruikers in het gebouw terechtkunnen. Het voorbeeld van Ties laat zien wat er gebeurt wanneer bij de bouw wordt aangenomen dat er geen rolstoelsport wordt aangeboden en dat later verandert.
Daan is betrokken bij een lokaal platform voor mensen met een beperking. Hij noemt een positief voorbeeld waarbij het platform al tijdens het ontwerp van een multifunctioneel centrum met de architect en gemeente meekeek. Hierdoor konden ze contrasten, pilaren en de afmetingen van toegankelijke toiletten vooraf beoordelen.
Dat sporters worden geraadpleegd, betekent nog niet dat hun ervaringen en adviezen meewegen in een besluit. Tyco beschrijft hoe hij meedacht over de geschiktheid van de ondergrond voor (rolstoel)tennis. Maar de keuze voor een andere ondergrond was al gemaakt voordat zijn advies was besproken. Het is daarom belangrijk om mensen met een beperking vroeg te betrekken, hun adviezen in de praktijk te testen en terug te koppelen wat ermee gebeurt.
2.7 Samenvattend: wat is belangrijk voor een toegankelijke sportaccommodatie?
De interviews laten zien welke belemmeringen en werkende oplossingen de zaalsporters ervaren. We vroegen ze aan het einde van de interviews wat voor hen belangrijk is voor een toegankelijke sportaccommodatie. De sporters benoemden daar persoonlijke wensen en ideeën. Deze verschillen per beperking, sport, hulpmiddel en persoonlijke voorkeur.
Zaalsporters met een motorische beperking
Voor sporters met een motorische beperking is vooral een zelfstandig bruikbare route belangrijk: van het vervoer en de parkeerplaats tot de sportzaal en andere voorzieningen. Dit vraagt onder meer om brede doorgangen, lichte of automatische deuren, geschikte hellingen, betrouwbare liften en voldoende ruimte. Ook bereikbare en bruikbare toiletten, kleedkamers, tribunes, kantines, sportmaterialen en opslagruimtes dragen bij aan zelfstandigheid.
Zaalsporters met een visuele beperking
Voor sporters met een visuele beperking zijn herkenbaarheid, vindbaarheid en voorspelbaarheid belangrijk. Contrast, passende verlichting, voelbare aanwijzingen, logische routes en een vaste plek voor materialen helpen hen zelfstandig en veilig te bewegen. De accommodatie moet ook passen bij de sport. Bijvoorbeeld met voldoende stilte voor goalball.
Beide groepen
Beide groepen noemen daarnaast een open houding (zoals luisteren naar wat iemand nodig heeft) bij ontvangst, duidelijke informatie en passende hulp. Sporters willen serieus worden genomen en zelf kunnen aangeven wat zij nodig hebben. Toegankelijkheid ontstaat daarom door een combinatie van een bruikbaar gebouw, bereikbaarheid, passende voorzieningen en een sociale omgeving waarin mensen kunnen meedoen.
Reflectie op resultaten: validisme in zaalsportaccommodaties
Wat betekent validisme?
Met validisme bedoelen we het denken en handelen waarbij mensen zonder beperking als de norm worden gezien. Hierdoor kunnen mensen met een beperking, vaak onbewust, als minder zelfstandig of minder bekwaam worden benaderd.
Validisme zit niet alleen in houding en gedrag, maar ook in de manier waarop beleid, regels en voorzieningen zijn ingericht. Als daarbij onvoldoende rekening wordt gehouden met de behoeften van mensen met een beperking, kan dit leiden tot ongelijke kansen en belemmeringen in bijvoorbeeld de sport (Van Lindert, Gómez Berns, & Ruikes, 2023).
Validisme bij (on)toegankelijke zaalsportaccommodaties
Een ontoegankelijke zaalsportaccommodatie is een voorbeeld van validisme: mensen met een beperking worden beperkt in het zelfstandig naar binnen gaan en gebruiken van het gebouw. Zij kunnen dat dan óf helemaal niet, óf alleen met ondersteuning.
Validisme in een zaalsportaccommodatie zien we in de verhalen van de zaalsporters terug in directe en indirecte vorm. In indirecte vorm bijvoorbeeld doordat er binnen geen geschikte verblijfplek is voor een geleidehond. Of geen toegankelijk toilet, of een toegankelijk toilet dat als opslagruimte wordt gebruikt.
In directe vorm, de menselijke kant, zien we dat veel meer terug in het contact tussen de zaalsporters met hun verenigingsbestuur, de beheerder of de eigenaar van de zaalsportaccommodatie. Ze worden niet betrokken bij de bouwplannen, ook wanneer op een later moment wel een rolstoelsport op de locatie wordt aangeboden. Of het openzetten van een nooddeur om toegankelijk binnen te komen in het gebouw wordt geweigerd. Terwijl diezelfde ingang wel altijd openstaat voor de schoonmaak voor het gebouw, of als het warm is.
Een gebrek aan begrip, kennis en bereidheid om mee te denken over aanpassingen kan worden gezien als een uiting van validisme. Dat geldt ook wanneer bij de inrichting of het gebruik van sportaccommodaties onvoldoende rekening wordt gehouden met toegankelijkheid voor mensen met een beperking.
Hoofdstuk 3: Conclusies & aanbevelingen
In dit hoofdstuk beantwoorden we de hoofdvraag van het onderzoek. Eerst beschrijven we de belangrijkste conclusies en beperkingen van het onderzoek. Vervolgens doen we aanbevelingen voor het beleid, beheer en onderhoud bij sportaccommodaties, en voor sportverenigingen.
3.1 Conclusies
In dit onderzoek gingen we in gesprek met zaalsporters met een motorische of met een visuele beperking. We bespraken hoe zij de toegankelijkheid ervaren van de zaalsportaccommodaties waar ze gebruik van maken.
Waardevolle inzichten, kleine respondentgroep
De resultaten zijn niet volledig representatief voor alle zaalsporters met een motorische en/of visuele beperking in Nederland. Dat is omdat we er maar twaalf spraken, ze allemaal in Nederland zijn geboren en opgegroeid, en de meeste van hen man zijn en een motorische beperking hebben. Bovendien doen de meesten een rolstoelsport in een aangepast team met andere sporters met een beperking. Dat is ook van invloed op hoe zij de toegankelijkheid van hun zaalsportaccommodatie(s) ervaren.
De resultaten bieden wel inzichten in hoe gemeenten en andere eigenaren hun zaalsportaccommodatie toegankelijker kunnen maken. Zodat deze mensen met een beperking er net zo vanzelfsprekend kunnen sporten als mensen zonder beperking.
Daarnaast zijn de resultaten waardevol voor de verdere uitvoering van de strategie 'Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030'. En bieden ze aanvullend perspectief voor de toegankelijkheidsscans ontwikkeld door Ongehinderd en NOC*NSF.
Toegankelijkheid is een combinatie van factoren
Of iemand een zaalsportaccommodatie als toegankelijk ervaart, hangt niet af van één voorziening of alleen het gebouw. De ervaring van toegankelijkheid wordt gevormd door verschillende dingen.
Het begint bij het zoekenaar informatie en het reizenaar de accommodatie.
Daarna volgen onder meer het binnengaan, de weg maar de kleedkamer en de sportzaal vinden, omkleden, en sporten. Maar ook het gebruik van nevenruimtes op de sportaccommodatie, zoals het toilet en de kantine.
Ook beschikbare hulp en de organiseatie van de sport spelen een rol.
Een aanpassing aan het ene aspect heeft weinig effect als een ander aspect van deze keten niet toegankelijk is. Een automatische voordeur voegt voor een sporter met een sportrolstoel bijvoorbeeld weinig toe als de deur naar de sportzaal zelf vervolgens te smal is om doorheen te rijden. Dan kan de sporter in de praktijk alleen als toeschouwer van de accommodatie gebruik maken.
Maar ook dat is niet altijd vanzelfsprekend: een toegankelijk toilet op de begane grond is bijvoorbeeld niet voldoende als iemand met een beperking de kantine op een andere verdieping niet kan bereiken. Een accommodatie kan daardoor aan bepaalde richtlijnen voldoen, maar in de praktijk toch nog letterlijke en figuurlijke drempels behouden.
De omgeving bepaalt hoe zelfstandig iemand mee kan doen
We gebruiken het ICF-model om een beperking te definiëren. Dit model laat de samenhang zien tussen de beperking en de omgeving. En wat dat betekent voor de zelfstandigheid van het individu. Dat zien we ook terug in de resultaten van ons onderzoek naar zelfstandig sporten op een zaalsportaccommodatie.
De inrichting en organisatie van de omgeving zorgen ervoor dat iemand zich wel of niet zelfstandig kan voortbewegen in een gebouw. Voor sporters met een motorische beperking gaat het vooral om een ononderbroken en bruikbare route. Voor sporters met een visuele beperking gaat het vooral om herkenbaarheid, voorspelbaarheid en oriëntatie. Een goed ingerichte omgeving vermindert de noodzaak om hulp te vragen en geeft sporters meer eigen regie.
Voldoen aan richtlijnen voor gebouwen is niet genoeg
Een sportaccommodatie kan voorzieningen zoals een aangepast toilet of een lift hebben en toch niet goed toegankelijk zijn. De werking in de dagelijkse praktijk is doorslaggevend. Onderhoud, beheer en het gedrag van medewerkers en andere gebruikers bepalen mede of voorzieningen beschikbaar en bruikbaar blijven.
Ervaringskennis van sporters is daarom nodig bij het ontwerp en de verbouwing van een locatie. Maar ook bij het testen en beheren. Een accommodatie fysiek toegankelijk maken en houden vraagt continu inspanning. In de praktijk wordt vooral gedacht aan eenmalige investeringen of aanpassingen. Daarmee wordt op papier de toegankelijkheid beter, maar dit is in de praktijk nog lang niet altijd genoeg.
Volwaardige deelname gaat verder dan toegang tot de sportzaal
Sporters willen niet alleen het gebouw binnenkomen, maar volwaardig en gelijkwaardig kunnen sporten en deelnemen aan het verenigingsleven. Bereikbaarheid, betaalbaarheid, duidelijke informatie, een open ontvangst en toegang tot sociale ruimtes horen daar ook bij.
Wanneer deze voorwaarden ontbreken, moeten sporters zelf veel organiseren of oplossen. Daarmee verschuift de verantwoordelijkheid voor toegankelijkheid van organisaties naar de sporter zelf. En voelen mensen met een motorische of visuele beperking zich minder welkom.
Hoe verhoudt dit zich tot eerder onderzoek?
Eerder in dit rapport beschreven we dat dit onderzoek een opvolging is van een van onze onderzoeken van eerder dit jaar. Dat onderzoek ging over de ervaringen van zwemmers met een visuele beperking met de toegankelijkheid van zwembaden (Hollander & Rauws, 2026).
Tussen de resultaten van beide onderzoeken zien we een aantal opvallende overeenkomsten, zoals:
waarom mensen met een beperking willen sporten (ontspanning en sociale contacten);
wat een belangrijke factor kan zijn (het reizen naar de accommodatie);
de inzet en houding van anderen, zoals medesporters, de beheerder of de vereniging (vaak onwetend).
Dat laat zien dat de toegankelijkheid van de sport en van accommodaties op bepaalde punten nog niet vanzelfsprekend is.
3.2 Aanbevelingen
Aanbevelingen voor beleid
Beoordeel de volledige route van de sporter
Neem in beleid, aanbestedingen en bouwplannen niet alleen de sportzaal mee. Beoordeel de route vanaf openbaar vervoer, afzetplek en parkeerplaats tot ingang, sportvloer, kleedkamer, douche, toilet, kantine, tribune, opslag voor sporthulpmiddelen en nooduitgang.
Vraag mensen met verschillende beperkingen om mee te denken over toegankelijkheid
Doe dit vóór de ontwikkeling van nieuwe accommodaties en tijdens het onderhoud van bestaande accommodaties, ook wanneer er (nog) geen aangepaste sport op de locatie wordt aangeboden. Bespreek met de mensen met een beperking wat zij nodig hebben om (de voorzieningen van) de accommodatie te gebruiken, en er zelfstandig en prettig te kunnen sporten. Neem hun ervaringen en adviezen serieus en laat weten wat je ermee doet. Leg ook uit waarom je een advies eventueel niet overneemt.
Stimuleer regionale samenwerking en regel betrouwbaar vervoer
Niet iedere aangepaste sport kan in elke gemeente worden aangeboden. Werk daarom regionaal samen aan bereikbare locaties, passend openbaar vervoer, carpoolmogelijkheden en betaalbaar groepsvervoer. Voorkom dat de reis een grotere drempel wordt dan het sporten zelf.
Bied waar mogelijk betalingsregelingen, aangepast vervoer of ondersteuning bij reiskosten. En ondersteun lokale (reguliere) sportaanbieders die nog geen ervaring hebben met aangepast sporten en mensen met een beperking. Bied ze handvatten voor hoe ze deze (potentiële) leden wel kunnen verwelkomen en vanzelfsprekend kunnen laten sporten.
Aanbevelingen voor beheer en onderhoud
Zorg voor goed onderhoud van (de voorzieningen van) de accommodatie
Maak in beheer- en verhuurafspraken duidelijk wie verantwoordelijk is voor onderhoud, storingen en het vrijhouden van de voorzieningen. Controleer regelmatig of liften, automatische deuren, toiletten, geleidelijnen en nooduitgangen werken en beschikbaar zijn. Blijf bestaande gebouwen onderhouden, ook wanneer op langere termijn nieuwbouw is gepland.
Houd toegankelijke voorzieningen dagelijks bruikbaar
Gebruik aangepaste toiletten niet als opslagruimte, houd geleidelijnen en looproutes vrij en repareer defecte liften en deuren snel. Zorg dat noodzakelijke sleutels, codes en bedieningsknoppen zelfstandig bereikbaar zijn. Zorg bijvoorbeeld ook voor een meldsysteem waarbij mensen zelf melding kunnen maken van ontoegankelijke voorzieningen op een accommodatie. Zodat verantwoordelijken de meldingen op kunnen pakken. Wijs daarbij een medewerker aan die (deze) meldingen volgt en terugkoppelt aan de melder.
Neem toegankelijkheid op in het veiligheidsplan
Zorg voor minimaal één veilige toegankelijke vluchtroute. En bij voorkeur voor een alternatief wanneer de eerste route is geblokkeerd. Test de ontruiming met mensen die een rolstoel, taststok of ander hulpmiddel gebruiken. Maak duidelijk voor medewerkers wie tijdens een noodsituatie ondersteuning biedt aan de aanwezige sporters.
Voer regelmatig een gebruikerstest uit
Loop de hele locatie samen met sporters met verschillende beperkingen door. Test deuren, hellingen, liften, routes, contrast, verlichting, sanitair, opslag en nooduitgangen in de praktijk. Herhaal dit wanneer het gebruik van de accommodatie verandert.
Geef concrete en actuele toegankelijkheidsinformatie
Beschrijf op de website van de sportaanbieder en sportaccommodatie welke voorzieningen aanwezig zijn en hoe deze werken. Een gemeente kan op hun website hier dan naar doorsturen. Vermeld onder meer parkeren, de route naar binnen, deurbreedtes, liften, sanitair, opslag, zitplaatsen, contrast en beschikbare hulp. Voeg voor mensen met een visuele beperking een eenvoudige routebeschrijving of audiobeschrijving toe. Vermijd de algemene mededeling 'toegankelijk'.
Maak alle onderdelen van deelname bereikbaar
Kijk verder dan de sportvloer. Zorg dat sporters en bezoekers ook de kleedkamer, douche, kantine en tribune kunnen gebruiken. Maak ruimte voor brede sportrolstoelen, een veilige opslag en waar nodig een rustplek voor een geleidehond.
Aanbevelingen voor verenigingen en sportaanbieders
Zorg voor een persoonlijke en open ontvangst
Wijs een vast aanspreekpunt aan voor nieuwe sporters. Vraag wat iemand kan, welke ondersteuning nodig is en wat in een noodsituatie belangrijk is. Geef een rondleiding en voeg de sporter toe aan de gebruikelijke communicatiekanalen van het team of de vereniging. Help sporters ook bij contact met de gemeente, Wmo, fondsen of Uniek Sporten.
Bied hulp aan zonder de regie over te nemen
Vraag eerst of en hoe iemand geholpen wil worden. Spreek binnen het team af wie kan helpen met deuren, routes of materialen wanneer dat nodig is. Gebruik deze hulp niet als reden om noodzakelijke structurele aanpassingen uit te stellen.
Maak het uitproberen van sporthulpmiddelen mogelijk
Zorg waar mogelijk voor leenmateriaal, zoals sportrolstoelen. En geef duidelijke informatie over aanvragen en financiering.
Kies toegankelijke wedstrijd- en toernooilocaties
Controleer vooraf of spelers en bezoekers de volledige locatie kunnen gebruiken. Kijk niet alleen naar de sportvloer, maar ook naar parkeren, toiletten, douches, kantine, tribune en vindbare routes. Deel concrete toegankelijkheidsinformatie vooraf met deelnemers.
Geef sporters een vaste stem in besluiten
Bespreek toegankelijkheid regelmatig in het bestuur en met leden. Betrek sporters met een beperking bij beslissingen over accommodatie, materialen, sportvloeren en wedstrijdlocaties. Zorg dat je hun adviezen vastlegt en dat deze terugkomen in de besluitvorming.
Maak aangepast sporten onderdeel van de hele vereniging
Voorkom dat een sporter met een beperking losstaat van de rest van de club. Nodig sporters uit voor algemene activiteiten en ledenvergaderingen. En zorg dat zij ook de informele ruimtes kunnen gebruiken. Dit versterkt het gevoel dat ze erbij horen en maakt toegankelijkheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Bronnenlijst
Bronnen
Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen. (z.d.). Stimulering bouw en onderhoud van sportaccommodaties (BOSA). Geraadpleegd op 1 september 2026.
Gehandicaptensport Nederland (z.d.). Boccia. Geraadpleegd op 24 augustus 2026.
Goalball (z.d.). Goalball: De teamsport voor iedereen met en zonder visuele beperking. Geraadpleegd op 24 augustus 2026.
Gómez Berns, A., Derix, N., & Sparreboom, C. (2026). Sport- en beweegdeelname van mensen met een visuele of een gehoorbeperking. Mulier Instituut.
Hollander, E. & Rauws, R. (2026). Onbeperkt zwemmen: een kwalitatief onderzoek naar de ervaringen van zwemmers met een visuele beperking. Mulier Instituut.
Koninklijke Visio. (z.d.). Zelfstandig op pad. Geraadpleegd op 24 augustus 2026.
Ministerie van VWS (z.d.). Aangepast sporten. Regelhulp. Geraadpleegd op 24 augustus 2026.
Ministerie van VWS (2022). Hoofdlijnen Sportakkoord II: Sport versterkt. Geraadpleegd op 21 juli 2026.
Ministerie van VWS (2025a). Uitvoeringsplan strategie Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030. Geraadpleegd op 21 juli 2026.
Ministerie van VWS (2025b). Werkagenda VN-verdrag Handicap I 2025-2030. Geraadpleegd op 21 juli 2026.
NEN (z.d.). NEN 9120 – Toegankelijkheid van gebouwen. Geraadpleegd op 1 september 2026.
Ongehinderd (z.d.). Een inclusieve leefomgeving in uw gemeente. Geraadpleegd op 2 september 2026.
Oogvereniging (z.d.). Geleidehonden. Geraadpleegd op 17 augustus 2026.
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu [RIVM] (2025a). Sportdeelname wekelijks. Geraadpleegd op 21 juli 2026.
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu [RIVM] (2025b). Clublidmaatschap. Geraadpleegd op 21 juli 2026.
Stichting Onbeperkt Sportief (2014). Richtlijnen toegankelijkheid indoor sportaccommodaties.
Tielen, J. Z. C. M. (2025, 11 december). Kamerbrief sport en bewegen 2025 [Kamerbrief]. Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Van Lindert, C., Gómez Berns, A., & Ruikes, D. (2023). Toegankelijkheid. In H. van der Poel, & R. Hoekman (Reds.), Sportaccommodaties in Nederland 2023: Kengetallen en kenmerken (pp. 167-203). Mulier Instituut.
Van Lindert, C., Greeven, A., Hoogendijk, R., Rauws, R., Heerschop, M., Gómez Berns, A., & Sparreboom, C. (2024). Monitor 'sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030': voortgangsrapportage 2024. Mulier Instituut.
Verenigde Naties [VN] (2006, 13 december). Verdrag Inzake de Rechten van Personen met een Handicap. New York.
Von Heijden-Brinkman, A., Van den Dool, R., Van Lindert, C., & Breedveld, K. (2013). (On)beperkt sportief 2013: monitor sport- en beweegdeelname van mensen met een handicap. Mulier Instituut/Arko Sports Media.
Bijlage 1 - Definities
Toegankelijkheid
In dit onderzoek onderscheiden we vier vormen van toegankelijkheid. Deze zijn gebaseerd op de beschrijving die we gebruikten in hoofdstuk 6 van het rapport 'Sportaccommodaties in Nederland 2023' (Van Lindert et al., 2023).
Fysieke toegankelijkheid
Fysieke toegankelijkheid gaat over de mogelijkheid om gebruik te maken van de zaalsportaccommodatie en alle ruimten die daarbij horen. Deze vorm van toegankelijkheid bestaat uit vier onderdelen:
Betreedbaarheid: kan iedereen de accommodatie en de ruimten makkelijk binnenkomen? Zijn er bijvoorbeeld automatische en brede deuren, drempels, liften en brede gangen?
Bruikbaarheid: kan iedereen wat aangeboden wordt gebruiken? Dat gaat over zowel sportuimten (vloeren en materialen) als nevenruimten (kleed- en doucheruimten, toiletten, kantine).
Uitgankelijkheid: kan iedereen (in geval van nood) snel en veilig de accommodatie verlaten?
Toegankelijke informatie op locatie: kan iedereen de informatie ter plaatse makkelijk lezen en begrijpen?
Sociale toegankelijkheid
De sociale toegankelijkheid heeft te maken met:
hoe medewerkers van de sportaccommodatie de gebruikers ontvangen en met hen omgaan;
hoe de gebruikers in de sportaccommodatie contact kunnen hebben met andere gebruikers; en
de aanwezigheid van voldoende aanbod voor verschillende doelgroepen.
Een helpende hand bij de balie om een bezoeker met een visuele beperking wegwijs te maken vergroot bijvoorbeeld het gevoel van gastvrijheid.
Praktische toegankelijkheid
Praktische toegankelijkheid gaat niet over de sportaccommodatie zelf. Maar om de zaken die voorafgaan aan het daadwerkelijke gebruik van de sportaccommodatie:
Bereikbaarheid: kan iedereen makkelijk bij de sportaccommodatie komen?
Zijn er mogelijkheden om met het openbaar vervoer of specifieke vervoersdiensten te komen?
Zijn er voldoende geschikte parkeerplaatsen in de buurt van de sportaccommodatie?
Is de afstand naar de sportaccommodatie te overzien?
Betaalbaarheid: dit wordt ook wel financiële toegankelijkheid genoemd.
Kan iedereen het vervoer, de activiteiten op locatie en eventueel benodigde hulpmiddelen betalen?
(Voldoende) aanbod: worden op de sportaccommodatie voldoende activiteiten voor diverse doelgroepen op passende en verschillende tijden aangeboden?
Aanwezigheid van hulpmiddelen: is er de mogelijkheid om sporthulpmiddelen aan te vragen en uit te proberen?
Door persoonlijke factoren ervaren mensen de praktische toegankelijkheid op een verschillende manier. Mensen die weinig te besteden hebben, hebben bijvoorbeeld meer moeite met de betaalbaarheid van de activiteiten op een sportaccommodatie. En niet iedereen heeft een sporthulpmiddel nodig of is afhankelijk van speciaal vervoer.
Informatietoegankelijkheid
Informatietoegankelijkheid gaat over de vindbaarheid van en de communicatie over de mogelijkheden om te sporten en bewegen op sportaccommodaties. Dit gaat ook over digitale informatie. Informatie moet voor iedereen toegankelijk, vindbaar en begrijpelijk zijn.
Het gaat om de informatie ter plekke en om informatie die vooraf beschikbaar is. Zodat iemand kan kijken of de accommodatie geschikt is voor wat diegene wil gaan doen, en of diegene er makkelijk kan komen. De zelfscan Sport NL Toegankelijk die ontwikkeld wordt, moet hieraan bijdragen. Door inzichtelijk te maken of een sportaccommodatie wel of niet toegankelijk is voor iedereen.
Beperking
ICF-model: drie niveaus van beperking
We gebruiken het ICF-model van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om een beperking af te bakenen (International Classification of Functioning, Disability and Health). Dit model brengt in kaart hoe gezondheidsproblemen samenhangen met de mogelijkheden van mensen om deel te nemen aan de samenleving (WHO, 2022).
Het ICF-model onderscheidt drie niveaus van een beperking:
functies en anatomische eigenschappen;
activiteiten; en
participatie.
De functies en anatomische eigenschappen gaan over de aandoening, dus de lichamelijke diagnose die iemand heeft. Bijvoorbeeld cerebrale parese, een beenamputatie of maculadegeneratie. De activiteiten gaan over iemands functioneren. Bijvoorbeeld of iemand zelfstandig kan lopen of lezen. Participatie gaat over iemands deelname aan de maatschappij, zoals sporten.
Deze drie niveaus van een beperking hebben invloed op elkaar. En ze hangen samen met persoonlijke kenmerken (zoals leeftijd) en met kenmerken uit de omgeving (zoals toegankelijke sportaccommodatie).
Typen beperkingen
In ons onderzoek gebruiken we een indeling van typen beperkingen die gebaseerd is op het ICF-model. Het model onderscheidt lichamelijke en mentale beperkingen. Onder lichamelijke beperkingen vallen motorische, organische en zintuiglijke beperkingen. Organische beperkingen zijn chronische ziekten. Zintuiglijke beperkingen zijn een visuele of een gehoorbeperking (Von Heijden-Brinkman et al., 2013).
Zaalsportaccommodatie
Als we het in dit onderzoek hebben over een zaalsportaccommodatie, gaan we niet alleen uit van het gebouw, zoals de sporthal, sportzaal of gymzaal. Of iemand gebruik kan maken van de zaalsportaccommodatie hangt namelijk ook af van de ingang van het gebouw en van andere ruimtes en voorzieningen in het gebouw. En van de directe omgeving: wat er om de zaalsportaccommodatie zelf heen ligt, zoals parkeerplekken en bestrating bij de ingang van het gebouw.
Een zaalsportaccommodatie kan bijvoorbeeld een sporthal, gymzaal of een sportcentrum zijn.
Onder een zaalsportaccommodatie verstaan we het gebouw en de directe omgeving waarin één of meer zaalsporten (zoals badminton of goalball) worden beoefend. Hieronder vallen de zaal en de route die sporters gebruiken: van de parkeerplaats, afzetplek of halte tot de ingang en de sportzaal. De bereikbaarheid van de zaalsportaccommodatie is iets anders. Die gaat over hoe makkelijk of moeilijk het voor de sporter is om er vanuit huis naartoe te gaan. Bijvoorbeeld door de ligging van de zaalsportaccommodatie.
Ook bijbehorende voorzieningen horen bij de zaalsportaccommodatie. Zoals gangen, deuren, liften, kleedkamers, douches, toiletten, opslagruimtes, tribunes en kantines.
Bijlage 2 – Interviews en achtergrond van de zaalsporters
Interviews
Het zoeken van zaalsporters voor de interviews
We hebben de zaalsporters op verschillende manieren uitgenodigd voor het onderzoek.
We namen contact op met belangenorganisaties van mensen met een visuele beperking en van mensen met een motorische beperking. Deze organisaties stuurden onze oproep naar hun leden met een visuele of motorische beperking.
We plaatsten zelf een oproep op LinkedIn.
We benaderden verschillende zaalsportverenigingen met sportaanbod voor mensen met een motorische of visuele beperking.
De interviews
Vooraf kozen we voor een combinatie van online interviews en interviews op locatie. Online interviews zijn soms laagdrempelig voor deelnemers, omdat zij dan niet hoeven te reizen. Interviews op de sportaccommodatie bieden daarnaast de mogelijkheid om samen met de deelnemer de accommodatie te verkennen, situaties ter plekke te bespreken en foto's te maken van voorzieningen en mogelijke knelpunten.
De meeste interviews (acht) vonden online plaats via Microsoft Teams. Drie interviews vonden plaats op locatie, waarvan twee op de sportaccommodatie van de zaalsporter. Eén interview namen we telefonisch af. Door verschillende interviewvormen te combineren ontstond een goede balans tussen laagdrempelige deelname en verdieping op locatie.
Eén interview via MS Teams vond plaats met twee zaalsporters tegelijk. De overige interviews waren een-op-een tussen een onderzoeker en een zaalsporter.
Hoe we de interviews verwerkten
De opnames van de interviews hebben we als script (een transcript) uitgeschreven. Vervolgens lazen we deze transcripten door en sorteerden we informatie uit de interviews op basis van verschillende onderwerpen. Maar ook op basis van de vormen van toegankelijkheid (bijlage 1) en de leidraad hieronder.
Als er bijvoorbeeld werd gesproken over aangepaste liften of parkeerplaatsen, dan plaatsten we dat bij fysieke toegankelijkheid. Als een zaalsporter iets vertelde over hun ervaringen met andere sporters, dan plaatsten we dat onder sociale toegankelijkheid.
Betrouwbaarheid en validiteit
Betrouwbaarheid
Twee onderzoekers hebben de interviews afgenomen en de transcripten doorgelezen. Ze hebben zo veel mogelijk de interviews geanalyseerd die de andere onderzoeker had gedaan. Zo waren ze beiden goed op de hoogte van alle ervaringen van de zaalsporters. En konden ze samen de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek bepalen. Dit draagt bij aan de betrouwbaarheid van het onderzoek.
Validiteit
Het doel van het onderzoek is om de ervaringen met toegankelijkheid bij zaalsportaccommodaties van zaalsporters met een visuele en/of motorische beperking in kaart te brengen. Het onderzoek heeft een goede validiteit als dat is gelukt.
Het onderzoek is grotendeels valide. We zijn veel te weten gekomen over hoe deze sporters de toegankelijkheid bij zaalsportaccommodaties ervaren. Maar we kunnen niet zeggen dat dit voor iedere zaalsporter met een motorische of visuele beperking hetzelfde is. Bijvoorbeeld omdat:
we voornamelijk zaalsporters met een motorische beperking hebben gesproken, en in vergelijking weinig zaalsporters met een visuele beperking;
de zaalsporters voornamelijk man waren;
we alleen zaalsporters spraken die in Nederland zijn geboren en opgegroeid;
we alleen zaalsporters spraken die al ervaring hebben met sporten en dus in zekere zin al enekel drempels hebben 'overwonnen'.
De beschreven ervaringen zijn dus vooral van zaalsporters die een motorische beperking hebben, man zijn, en in Nederland zijn geboren. Maar alle ervaringen kunnen nog steeds herkenbaar zijn voor iedere zaalsporter met een (motorische of visuele) beperking die geen man is of niet in Nederland is geboren en opgegroeid.
Leidraad
Bij de gesprekken gebruikten we een leidraad. Daarin stonden de belangrijkste vragen die we aan de zaalsporters wilden stellen. We voerden de gesprekken semigestructureerd. Dit betekent dat we de vragen niet altijd in een vaste volgorde stelden. Er was ook ruimte om door te vragen en andere ervaringen te bespreken.
De gesprekken hadden daardoor een open karakter. We richtten ons vooral op de directe ervaringen van zaalsporters met zaalsportaccommodaties. We baseerden de vragen niet vooraf op de richtlijnen en de zelfscan uit paragraaf 1.1.
Na een aantal interviews hebben we de leidraad één keer aangepast. Op sommige plekken veranderden we de volgorde van de vragen. Ook verwijderden we vragen die tijdens de gesprekken minder relevant bleken te zijn. De definitieve versie van de leidraad is hieronder te vinden.
Definitieve leidraad toegankelijkheid van zaalsportaccommodaties
Introductie
Kan je iets over jezelf vertellen?
Hoe oud ben je, waar woon je, wat doe je graag (bijv. qua hobbies of werk)? Kan je iets vertellen over je beperking/handicap/ander label?
Kan je iets vertellen over je beperking/handicap/ander label?
Wat merk je er aan in je dagelijkse leven?
Maak je gebruik van hulpmiddelen? Zo ja welke?
Sportgedrag/ participatie
Kan je mij meer vertellen over de sport(en) die je doet?
Hoe lang al?
Hoe vaak per week?
Waar? (regulier/aangepast)
Worden op deze locatie ook andere reguliere/aangepaste (binnen)sporten gedaan? Zo ja, welke?
Hoe kwam je er terecht? Wat was de reden dat je voor deze sport(en) koos?
Maak je gebruik van sporthulpmiddelen? Zo ja, welke?
Hoe en door wie zich die gefaciliteerd?
Heb je in het verleden nog andere sporten beoefend?
Zo ja, wat maakt dat je daarmee bent gestopt?
Wat betekent sport voor jou?
Wat is belangrijk voor jou om te kunnen sporten?
Weg naar sport(accommodatie)
Waar is jouw sportlocatie (t.o.v. je woonplaats)?
Hoe zou je de ligging en bereikbaarheid beschrijven (met OV, fiets, auto)?
Hoe reis je meestal naar je sportlocatie?
Hoe ervaar je dit (zijn er belemmeringen)?
Op de locatie
Werd je (op locatie) ontvangen en begeleid (m.b.t. je [label])?
Zo ja: wat was goed en minder goed?
Zo nee: wat was fijn geweest?
Kan je beschrijven wat je tegenkomt vanaf het moment dat je op de sportlocatie aan komt, tot aan het moment dat je de zaal ingaat om te sporten? (hou hierbij rekening met de beperking/handicap)
Ingang, navigeren gebouw, kleedkamers, kluisjes, prullenbakken, deuren, verlichting, contact met anderen, hulphond
Toegankelijkheid van de locatie
Hoe zou je je sportaccommodatie omschrijven, gekeken naar de (fysieke) toegankelijkheid?
Denk bijvoorbeeld aan: omvang, verdiepingen, grootte/aantal kleedkamers, ruimtelijkheid (van de kleedkamers, kantine, hal, etc.)
Aanwezigheid toegankelijke hulpmiddelen (gehandicaptenparkeerplaatsen, opslagruimte sporthulpmiddelen, lift, toilet, etc.?)
Wie heeft deze hulpmiddelen (wonneer en voor wie) gefaciliteerd? (Sportaanbieder, gemeente,...)
Eventueel ook: sociale/praktische/informatie/financièle toegankelijkheid
Ga jij of andere leden met een (visuele/motorische) beperking weleens in gesprek met je sportlocatie/vereniging over de toegankelijkheid?
Waarom wel/niet?
Wel: in hoeverre werd dat opgepakt (door wie) en veranderingen rondom toegankelijkheid gemaakt?
Hoe ervaar je de (verschillende vormen van) toegankelijkheid van andere sportlocaties, indien je daar ook komt?
Waarom komen je ervaringen rondom de toegankelijkheid daar wel/niet overeen, denk je?
Wat is er nodig om het ook op andere sportlocaties toegankelijker te maken?
Samenvattend
In hoeverre is jouw sportlocatie op dit moment (genoeg) toegankelijk voor jou (en je specifieke beperking) om te kunnen sporten?
Wat is specifiek wel toegankelijk?
Wat is (nog) niet toegankelijk voor jou?
Welke aanpassingen zijn volgens jou nodig om de locatie toegankelijker te maken?
Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Wie zou naast jou baat hebben bij deze aanpassingen?
Aanvullende achtergrond van de zaalsporters
Verhaal achter de beperking(en)
Er waren verschillende redenen waarom de zaalsporters een visuele of motorische beperking hebben, vertelden ze. Het belangrijkste verschil was of ze met hun beperking zijn geboren (of deze bij de geboorte kregen), of hun beperking later in het leven kregen.
Aangeboren/bij de geboorte
Vier zaalsporters (Jasmijn, Joep, Jurre en Karel) hebben hun beperking sinds hun geboorte. Voor drie van hen is de beperking aangeboren;
Jasmijn heeft een bindweefselaandoening, wat betekent dat zij heel weinig kan lopen.
Jurre heeft een oogaandoening waardoor hij slechter ziet.
Joep heeft een spierziekte, waardoor hij minder goed kan bewegen.
Bij deze drie zaalsporters is hun beperking progressief. Dat betekent dat hun aandoening of ziekte erger wordt, en ze meer beperkt (kunnen) worden.
Dit geldt niet voor Karel, die een motorische en visuele beperking heeft. Hij heeft een oogziekte en een aandoening in het bewegen. Deze lichamelijke beperking ontstond bij de geboorte.
Later in hun leven
Acht zaalsporters (Evi, Roos, Veerle, Tyco, Ties, Stijn, Luuk en Daan) kregen hun beperking(en) later in hun leven. Door een situatie van buitenaf of door onderliggende lichamelijke factoren.
Evi en Roos liepen zenuwschade en/of verminderde beenfunctie op na een operatie.
Veerle raakte door een beroerte verlamd aan de rechterkant van haar lichaam.
Tyco kreeg door een ongeluk verlamming tot borsthoogte.
Stijn kan na schade aan zijn hoofd zijn rechterbeen niet meer gebruiken en heeft sindsdien ook te maken met geheugenproblemen en vermoeidheid.
Daan heeft diabetes, en had net zoals Tyco een ongeluk. Daarbij kreeg hij wel schade aan zijn benen, maar dankzij operaties die hij daarna had ervaart hij daarin geen beperkingen. Wel had de situatie effect op zijn diabetes, waardoor hij een groot gedeelte van zijn zicht verloor. Ook nu kan het soms wisselen hoeveel hij ziet, al schommelt dat maar een klein beetje.
Luuk heeft nog maar vijf procent zicht. Dit was waarschijnlijk erfelijk en werd pas later in zijn leven geactiveerd door een narcose.
Hoe (vaak) de zaalsporters sporten
Trainingen
De meeste zaalsporters trainen met hun zaalsport één keer in de week. Evi en Tyco, die op dit moment niet sporten, doen dat normaal gesproken ook.
Wedstrijden
Bij veel zaalsporters die een aangepaste sport doen en wedstrijden spelen, wordt dit als een toernooi georganiseerd. Op één dag vinden bijvoorbeeld één tot drie wedstrijden plaats, elke keer bij een andere sportaccommodatie in Nederland. Zo'n toernooi vindt bij deze zaalsporters gemiddeld één of twee keer per maand plaats. Er is een behoorlijk verschil tussen de zaalsporters, waarbij de ene twee keer zo veel wedstrijden speelt als de andere.
Karel speelt met regulier badminton geen officiële wedstrijden. Alleen binnen zijn vereniging wordt dat soms georganiseerd.
Bijlage 3 – Foto’s van (on)toegankelijkheid bij zaalsportaccommodaties
Hieronder laten we een selectie aan foto’s zien die de zaalsporters van hun zaalsportaccommodaties naar ons hebben gestuurd. We zetten ze niet op volgorde van ontoegankelijk naar toegankelijk: de ervaringen laten zien dat wat voor de één ontoegankelijk is, dat voor de ander niet hoeft te zijn. Het is daarom een willekeurige samenstelling aan foto’s.









Bron foto's: Mulier Instituut, foto's ingezonden door respondenten en (met respondent) gemaakt door onderzoeker.
Auteurs
Chris Sparreboom c.sparreboom@mulierinstituut.nl
Renée Hoogendijk r.hoogendijk@mulierinstituut.nl
Angelina Gómez Berns a.gomezberns@mulierinstituut.nl
Voetnoten
Met validisme bedoelen we het denken en handelen waarbij mensen zonder beperking als de norm worden gezien. Hierdoor kunnen mensen met een beperking, vaak onbewust, als minder zelfstandig of minder bekwaam worden benaderd.
Validisme zit niet alleen in houding en gedrag, maar ook in de manier waarop beleid, regels en voorzieningen zijn ingericht. Als daarbij onvoldoende rekening wordt gehouden met de behoeften van mensen met een beperking, kan dit leiden tot ongelijke kansen en belemmeringen in bijvoorbeeld de sport (Van Lindert, Gómez Berns, & Ruikes, 2023). Terug naar voetnoot-referentie 1
De subsidieregeling Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) is bedoeld voor amateursportorganisaties. Deze organisaties kunnen o.a. subsidie aanvragen voor bouw- en onderhoudskosten van sportaccommodaties. Als organisaties investeren in de toegankelijkheid van hun sportaccommodatie, kunnen zij daar 30 procent subsidie voor krijgen (Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen, z.d.) Terug naar voetnoot-referentie 2