Jaarrapport Ruimte voor sport en bewegen 2025: overzicht van beleidsrelevante kennis over de sport- en beweeginfrastructuur
Met ondersteuning van het ministerie van VWS
Mulier Instituut
Redactie:
- Karin Wezenberg-Hoenderkamp
- Björn Schadenberg
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut.
- © Mulier Instituut
- Utrecht, 19 december 2025
- www.mulierinstituut.nl
- info@mulierinstituut.nl
Disclaimer
U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding: auteur(s), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave.
Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto’s in deze publicatie. Neem foto’s daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.
Over ons
Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor beleid en samenleving. Voor overheden, maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen, sportorganisaties en bedrijven onderzoeken we allerlei thema’s op het gebied van sport en sportief bewegen: van de sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.
Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.
Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid, gericht op de bevordering van sport, sportief bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen we op verschillende manieren:
- We verzamelen data en monitoren de Nederlandse sportsector en beleidsprogramma’s.
- We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies.
- We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze naar de beleidspraktijk.
- We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies.
- We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van ‘kritische vriend’ van de sportsector.
- We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.
Afkortingen & Begrippen
- DSA
-
Database SportAanbod
- KBO
-
Kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving
- NSO
-
Nationaal Sportonderzoek
- VTO
-
Vrijetijdsomnibus
- Sport- en beweeginfrastructuur
-
Alle ‘formele’ sportaccommodaties en sport- en beweegmogelijkheden in de openbare ruimte.
- Sportvoorziening
-
Een afgebakend object in de fysieke ruimte, beheerd voor sportuitoefening. Een sportvoorziening moet herkenbaar, tastbaar, afgebakend en niet verder deelbaar zijn en heeft een oppervlakte. Voorbeelden zijn een voetbalveld en een bassin.
- Randvoorziening
-
Voorziening die sportbeoefening mogelijk maakt (bijvoorbeeld kantine, kleedkamers).
- Sportaccommodatie
-
Verzameling van nabijgelegen sport- en randvoorzieningen.
- Sport- en beweegmogelijkheden in de openbare ruimte
-
Voorzieningen in de openbare ruimte die specifiek zijn ingericht voor sportbeoefening (bijvoorbeeld calisthenicsparken en ruiterpaden) en sport- en beweegmogelijkheden die niet primair voor sport zijn ingericht (bijvoorbeeld wegen, fietspaden en parken).
Inhoudsopgave Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025
Hoofdstuk 1 Inleiding
In dit jaarrapport brengen we de recente beleidsrelevante kennis en data over de Nederlandse sport- en beweeginfrastructuur bij elkaar. In dit eerste hoofdstuk beschrijven we het doel en de afbakening van het rapport.
Deze editie is de zesde in zijn reeks. In 2019, 2020, 2021, 2022 en 2024 verscheen eerder een jaarrapport.1 In 2023 publiceerden we het rapport ‘Sportaccommodaties in Nederland 2023’ (Van der Poel & Hoekman, 2023) en het jaarrapport ‘Sporten en bewegen in de openbare ruimte’ (Rauws et al., 2023).
1.1 Aanleiding
De sportinfrastructuur krijgt beleidsmatig aandacht binnen het Nationaal Sportakkoord 2.0 en de Routekaart Verduurzaming Sport. Daarnaast speelt deze een rol in discussies over de wettelijke verankering van sport. Een belangrijk thema is de ruimte voor sport en de opgave die er ligt voor de overheid en sportaanbieders bij vervanging en verduurzaming van bestaande sportaccommodaties.
Daarnaast is de onderbenutting van sportaccommodaties benoemd als wicked problem binnen het ZonMw-programma ‘MOOI in beweging’ (ZonMw, z.d.). Hieraan zijn vragen gekoppeld als: wat is de maatschappelijke en financiële waarde van sportaccommodaties en hoe kunnen we die vergroten?
1.2 Doelstelling
Het jaarrapport heeft als doel om recente beleidsrelevante kennis over de sport- en beweeginfrastructuur bij elkaar brengen. Daarmee willen we bijdragen aan goed onderbouwd beleid, gericht op de bevordering van een toekomstbestendige infrastructuur om te sporten en te bewegen.
1.3 Scope van het onderzoek
Sportaccommodaties en openbare ruimte
In dit jaarrapport focussen we op de sport- en beweeginfrastructuur in Nederland. We kijken hierbij zowel naar sportaccommodaties, als naar sport- en beweegmogelijkheden en sportevenementen in de openbare ruimte.
Een sportaccommodatie bestaat uit sportvoorzieningen voor sportbeoefening (zoals het voetbalveld of de gymzaal) en uit randvoorzieningen die in meer of mindere mate aanwezig zijn om de sportbeoefening mogelijk te maken (zoals kleedkamers, kantines en verlichting).
Sport- en beweegmogelijkheden in de openbare ruimte zijn heel divers. Sommige voorzieningen zijn specifiek ingericht voor sportbeoefening, zoals calisthenicsparken, ruiterpaden en mountainbikeroutes. Andere voorzieningen zijn niet primair aangelegd voor sporten of bewegen, maar kunnen daarvoor wel gebruikt worden (zoals fietspaden, wegen en parken).
Een sportevenement is een georganiseerde, verplaatsbare gebeurtenis, bijgewoond door minstens 5.000 bezoekers en/of deelnemers, die zich daarvoor in een bepaald tijdvak en in een inrichting of op een terrein bevindt of beweegt (Respons, 2025). Sportevenementen kunnen op uiteenlopende locaties plaatsvinden. We maken onderscheid tussen sportevenementen die binnen (in een overdekte sportaccommodatie), buiten (in de openbare ruimte of op een buitenterrein) of op een combinatie van beide locaties plaatsvinden.
Databronnen
In het jaarrapport maken we gebruik van databronnen van het Mulier Instituut, zoals het Nationaal Sportonderzoek (NSO) en het Verenigingspanel. En van databronnen van andere partijen, zoals de Vrijetijdsomnibus (VTO) van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Een korte beschrijving van deze meest gebruikte bronnen staat in bijlage 1.
In tegenstelling tot eerdere jaarrapporten hebben we dit jaar geen nieuwe analyses op de Database SportAanbod (DSA) uitgevoerd. In 2025 ontwikkelen we de DSA verder door, waarbij de nadruk op de applicatie, toekomstbestendigheid en kwaliteit van data van de DSA ligt. We wachten met de analyses tot de doorontwikkeling naar DSA 2.0 klaar is.
In dit jaarrapport staan daarom geen nieuwe cijfers over bijvoorbeeld aantallen en afstanden tot sportaccommodaties. Wel rapporteren we hiervan de meest recente beschikbare cijfers.
Beleid
We besteden in de afzonderlijke hoofdstukken aandacht aan (nationaal) beleid, zoals het Nationaal Sportakkoord 2.0, de Nota Ruimte, de Routekaart Verduurzaming Sport en het Integraal Huisvestingsplan Sport en Bewegen (IHP-Sport).
Internationaal perspectief
Waar mogelijk kijken we naar ontwikkelingen en trends uit andere landen die beleidsmatig interessant zijn voor de Nederlandse context. We benoemen waar data- en kennisuitwisseling met andere landen heeft plaatsgevonden.
1.4 Opbouw rapport
Aansluitend bij de thema’s uit het Nationaal Sportakkoord 2.0 en de Routekaart Verduurzaming Sport hebben we het jaarrapport opgedeeld in vijf inhoudelijke hoofdstukken:
- aanbod en gebruik van sportaccommodaties;
- exploitatie en financiering;
- duurzaamheid;
- toegankelijkheid;
- sport en bewegen in de openbare ruimte.
De hoofdstukken hebben we zoveel mogelijk hetzelfde opgebouwd. Toch verschillen ze in bijvoorbeeld wetenschappelijke onderbouwing, verdeling in aandacht tussen sportaccommodaties en openbare ruimte, en internationale context. Dit komt vooral door de vraagstukken die op de verschillende thema’s spelen.
Leeswijzer
- In hoofdstuk 2 bieden we een overzicht van het landschap van sportaccommodaties en richten we ons op het gebruik van de sportruimte voor sport en bewegingsonderwijs. Om meer ruimte voor sport te kunnen ‘verantwoorden’ is de maatschappelijke waarde van belang. In het hoofdstuk is te lezen wat de bevolking en beleidsambtenaren vinden van deze maatschappelijke waarde.
- In hoofdstuk 3 staan exploitatie en financiering van sportaccommodaties en de ontwikkelingen hierin centraal. Verder besteden we aandacht aan de landelijke subsidieregelingen (zoals de SPUK Sport en de BOSA) en borgstellingen die de Stichting Waarborgfonds Sport (SWS) toekende.
- In hoofdstuk 4 hebben we aandacht voor diverse aspecten van duurzaamheid, zoals energieverbruik, milieuvriendelijk beheer van sportvelden en subsidies voor en inspiratie-effecten van duurzaamheidsmaatregelen.
- In hoofdstuk 5 staat de toegankelijkheid van sport en bewegen voor mensen met een beperking centraal. We gaan in op beleid en regelgeving, sportaanbod voor mensen met een beperking en ervaringen met wandelen en zwemmen van mensen met een beperking.
- In hoofdstuk 6 bespreken we de openbare ruimte als plek om te sporten en bewegen. We hebben aandacht voor de Kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving (KBO), belemmeringen om te sporten en bewegen in de openbare ruimte, sportevenementen en gemeentelijk beleid.
- Tot slot brengen we in hoofdstuk 7 alles samen in de slotbeschouwing.
Hoofdstuk 2 Aanbod en gebruik van sportaccommodaties
Björn Schadenberg & Karin Wezenberg-Hoenderkamp
Sporten en bewegen vraagt om fysieke ruimte. In dit hoofdstuk gaan we in op de sportaccommodaties als plek om te sporten en te bewegen. In paragraaf 2.2 bespreken we een aantal (nationale) beleidsplannen die relevant zijn voor de ruimte voor de sport en bewegen. Paragraaf 2.3 en 2.4 gaan over het aanbod en het gebruik van sportaccommodaties.
2.1 Inleiding
Sportinfrastructuur en veranderingen
Nederland heeft een goede sport- en beweeginfrastructuur. Het aantal sportaccommodaties is het afgelopen decennium redelijk stabiel gebleven. Het aanbod is landelijk in dezelfde mate gegroeid als de bevolking. Wel zien we dat het aanbod diverser is geworden. Nieuwe voorzieningen – zoals padelbanen en boulderhallen – zijn onderdeel geworden van de infrastructuur (ten koste van traditionelere voorzieningen zoals voetbalvelden).
Door onder andere demografische ontwikkelingen (groei en krimp, vergrijzing) verandert de behoefte aan sportaccommodaties. In stedelijke regio’s leidt dit tot uitdagingen om het sportaanbod met de bevolkingsgroei mee te laten groeien, met onder andere wachtlijsten tot gevolg. In plattelandsgebieden wordt de maatschappelijke waarde van sportaccommodaties steeds belangrijker om het aanbod aan sportaccommodaties op peil te houden.
Kengetallen
In totaal staan er bijna 22.000 sportaccommodaties met in totaal bijna 56.000 sportvoorzieningen in de Database SportAanbod (DSA; peildatum 1 augustus 20232).3 Gemiddeld kunnen mensen binnen een halve kilometer een sportaccommodatie bereiken (tabel 2.1).
| Type accommodatie | Aantal accommodaties | Aantal accommodaties per 25.000 inwoners | Gemiddelde afstand in kilometers |
|---|---|---|---|
| Sport totaal | 21.892 | 30,7 | 0,5 |
| Fitness | 2.762 | 3,9 | 1,3 |
| Voetbal | 2.286 | 3,2 | 1,5 |
| Tennis | 1.968 | 2,8 | 1,5 |
| Sporthallen | 1.582 | 2,2 | 1,6 |
| Zwembaden | 807 | 1,1 | 2,3 |
| Hockey | 331 | 0,5 | 4,2 |
| Golf | 275 | 0,4 | 6,1 |
| Korfbal | 585 | 0,8 | 4,0 |
De meest recente cijfers over aantallen accommodaties, de gemiddelde afstand tot verschillende typen sportaccommodaties en de bezetting van sportaccommodaties staan op www.sportenbewegenincijfers.nl.
De Kernindicator Sportaccommodaties – een van de twintig Kernindicatoren Sport en Bewegen – geeft het gemiddelde sportvoorzieningenniveau weer. De kernindicator ligt landelijk in 2023 op 21,7 en is sinds 2015 vrij constant. In dezelfde periode is het aantal inwoners in Nederland gegroeid. Dit betekent dat het voorzieningenniveau in ongeveer gelijke mate is meegegroeid.
Het meest actuele cijfer en uitsplitsingen zijn te vinden via www.sportenbewegenincijfers.nl. De Kernindicator Sportaccommodaties wordt in 2026 doorontwikkeld en opnieuw berekend.
2.2 Beleid
Sportakkoord II (SAII)
Het hoofdlijnen Sportakkoord II (2023-2026) is een akkoord tussen het ministerie van VWS, VSG/VNG, NOC*NSF en POS. Het akkoord heeft als doel om sport en bewegen voor iedereen toegankelijk, leuk en veilig te maken.
De strategische partners hebben drie overkoepelende ambities vastgesteld:
- het versterken van het fundament van de sport: dit gaat over de voorwaarden om te kunnen sporten en daar plezier aan te beleven;
- het vergroten van het bereik van de sport: dit betekent dat meer mensen zich aangesproken en uitgenodigd voelen te gaan sporten en sport te beleven;
- meer (zichtbare) betekenis geven aan sport: dit gaat over de waarde van sport, topsport en sportief bewegen voor de hele maatschappij.
Om deze ambities te realiseren staan in SAII zes inhoudelijke thema’s centraal:
- inclusie en diversiteit;
- sociaal veilige sport;
- vitale sportaanbieders;
- vaardig in bewegen;
- ruimte voor sport en bewegen;
- strategisch kader topsport.
Het thema ‘ruimte voor sport en bewegen’ sluit aan bij dit hoofdstuk, bij het hoofdstuk over toegankelijkheid (hoofdstuk 5) en bij het hoofdstuk over de openbare ruimte (hoofdstuk 6). Elk thema bestaat uit meerdere opgaven. Voor ruimte voor sport en bewegen zijn dit:
- betere toegankelijkheid en efficiënter gebruik van de sportinfrastructuur;
- verdere versterking van een beweegvriendelijke leefomgeving.
Eind 2024 publiceerde het Mulier Instituut een voortgangsrapportage over de monitoring van SAII. De focus van deze publicatie was de ambitie ‘versterken van het fundament’ (Hoogendam et al., 2024). De belangrijkste conclusies op het thema ‘ruimte voor sport en bewegen’ zijn:
- Sportbonden en sportondernemers onderschrijven een betere toegankelijkheid en efficiënter gebruik van ruimte/accommodaties en hebben ideeën om dit (verder) te verbeteren. De volgende stap is op basis van de ideeën die er zijn acties en veranderingen breed uit te rollen.
- Er lijken nog meerdere hindernissen, zoals relatief hoge verhuurprijzen, voor ondernemende sportaanbieders te zijn om te kunnen bijdragen aan efficiënter gebruik van accommodaties.
- Daadwerkelijke (gedrags)veranderingen kosten tijd – vooral als het gaat om ruimtelijke aanpassingen en plannen – en beginnen met bewustwording. De focus en inspanningen lijken in eerste instantie meer gericht op de sportaccommodaties en in mindere mate op (voorzieningen in) de openbare ruimte.
In de zomer van 20254 bracht het Mulier Instituut de voortgang van SAII bij achttien partnergemeenten in kaart (Baggen et al., 2025). De belangrijkste conclusies voor het thema ‘ruimte voor sport en bewegen’ zijn:
- Er wordt vanuit Sportakkoord II nauwelijks uitvoering gegeven aan het thema Ruimte voor sport en bewegen. Dit vindt voornamelijk plaats vanuit andere gemeentelijke beleidsdomeinen.
- Er liggen wel degelijk kansen om de doelen van Sportakkoord II op dit thema te vervlechten met andere beleidsthema’s binnen gemeenten. Sport moet structureel aan tafel komen bij vraagstukken omtrent ruimtelijke ordening.
- Landelijke inspanningen zijn erop gericht om sport meer onderdeel te laten zijn van gebiedsontwikkeling, maar dit heeft vaak meer tijd nodig.
Nota Ruimte
In september van dit jaar heeft het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (2025) de Ontwerp Nota Ruimte gepresenteerd. Deze nota geeft richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. In de nota is aandacht voor de rol van sport en bewegen in relatie tot ruimtelijke ontwikkeling. We benoemen een aantal belangrijke ontwikkelingen rond dit thema.
Opgaven voor de ruimtelijke ordening in Nederland
Een van de ruimtelijke opgaven waarmee Nederland volgens de nota te maken krijgt, is het creëren van ‘genoeg mogelijkheden […] om je te ontwikkelen en te sporten en ontspannen’ (p.29).
In de nota is ook aandacht voor de verschillende functies die de leefomgeving heeft. Sport en bewegen worden hier expliciet benoemd: ‘We kunnen de leefomgeving gebruiken voor sporten, bewegen, werken, eten, ontspannen en ontmoeten’. (p.31).
De opgave om voldoende ruimte voor sport en bewegen te creëren, komt ook in hoofdstuk 9 van de nota terug (Wonen, werken en bereikbaarheid). ‘De groei van de bevolking betekent ook een vraag naar meer ruimte voor […] sport en groene, toegankelijke plekken voor recreatie en natuurbeleving’ (p.184).
De volgende ambitie wordt hieraan gekoppeld: ‘Daarbij willen we de ontwikkeling zo vormgeven dat deze bijdraagt aan een goede leefomgevingskwaliteit. […] Dat betekent dat we niet alleen maar woningen bouwen, maar dat […] nutsvoorzieningen, groen en ruimte voor sport en ontspanning meegroeien.’ (p.185).
Toekomstperspectieven en beleidskeuzes
In hoofdstuk 9 van de nota wordt een beeld geschetst van Nederland in 2050. Verdichting, inbreiding en functiecombinaties moeten zorgen voor een aantrekkelijk vestigingsmilieu in de vier grote steden. Om dit te bereiken, en bestaande buurten mee te laten profiteren, is er aandacht nodig ‘voor een veilige en gezonde inrichting van straten en pleinen, met meer ruimte voor lopen, fietsen, ontmoeten, spelen en sporten.’ (p.193).
Als inleiding bij de beleidskeuzes op het thema wonen, wijken en voorzieningen wordt het belang van maatschappelijke voorzieningen, zoals sport, nog eens extra benadrukt: ‘Maatschappelijke voorzieningen voor zorg, onderwijs, sport, cultuur en welzijn zijn essentieel voor de kwaliteit van leven. De nabijheid van bijvoorbeeld […] sportverenigingen […] draagt bij aan de fysieke en mentale gezondheid van mensen.’ (p.293).
Verderop in dit hoofdstuk wordt de gewenste spreiding van deze voorzieningen besproken. Voorzieningen voor sport in binnen- en openbare ruimte bevinden zich ‘waar mogelijk […] dichtbij huis en zijn […] lopend of met de fiets bereikbaar.’ (p. 297). Functiecombinaties zijn nodig om voorzieningen bereikbaar te houden. Een van de genoemde voorbeelden is ‘een park dat tevens dienst doet als schoolplein of sportplek’.
De Ontwerp Nota Ruimte ligt nu ter inzage (samen met het planMER en de passende beoordeling). Hierop kunnen zienswijzen ingediend worden. Nadat alle ingediende zienswijzen behandeld zijn, wordt de Nota Ruimte definitief vastgesteld.
Integraal Huisvestingsplan Sport en bewegen (IHP Sport en bewegen)
De druk op de fysieke ruimte in Nederland neemt toe, wat betekent dat het realiseren of uitbreiden van sportvoorzieningen niet overal eenvoudig is. Gemeenten staan voor strategische keuzes: hoe blijven sport en bewegen beschikbaar en toegankelijk, binnen een speelveld dat ook te maken heeft met grote maatschappelijke opgaven zoals woningbouw, klimaatadaptatie en stikstofreductie?
Vanuit Sportakkoord II is er de opgave te werken aan een toekomstbestendige sportinfrastructuur. Een sterke sportinfrastructuur vraagt om een integrale benadering. Gemeenten hebben vitale sportaanbieders en voldoende kwalitatief goede sportvoorzieningen nodig om inwoners structureel de kans te bieden te sporten en bewegen. Tegelijk is sport en bewegen steeds vaker een middel om bredere maatschappelijke doelen te realiseren, zoals gezondheid, participatie en leefbaarheid.
Veel gemeenten investeren daarom in duurzame en toekomstbestendige sportvoorzieningen – van multifunctionele sporthallen en sportparken tot een beweegvriendelijke openbare ruimte. Deze investeringen vragen om langetermijnvisie en slimme afwegingen binnen de beschikbare fysieke en financiële ruimte.
Een Integraal Huisvestingsplan (IHP) Sport en bewegen richt zich specifiek op de deze langetermijnontwikkeling van sportvoorzieningen. Het heeft vaak een strategische en infrastructurele focus, waarbij initiatiefnemers kijken naar planning, renovatie, nieuwbouw of verduurzaming van sportaccommodaties voor de langere termijn.
Binnen het Sportakkoord II en in opdracht van het Kenniscentrum Sport & Bewegen heeft Synarchis een handreiking voor het opstellen van het Integraal Huisvestingsplan Sport (IHP sport) opgesteld. De handreiking ondersteunt gemeenten met een stappenplan om gestructureerd vorm te geven aan een langetermijnvisie op de sportinfrastructuur (Kenniscentrum Sport & Bewegen, 2025b).
2.3 Aanbod sportaccommodaties
Tevredenheid
De meeste Nederlanders vinden dat er voldoende sport- en beweegmogelijkheden in hun omgeving zijn (82%). Ook vinden ze dat er voldoende keuze is uit verschillende sporten die ze in hun buurt kunnen beoefenen (80%). Wel ligt dit aandeel in 2024-2025 lager dan vijf en tien jaar geleden. Dit blijkt uit de Vrijetijdsomnibus (VTO) van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS; figuur 2.1).
Een dalende tevredenheid over het sport- en beweegaanbod is in lijn met de verwachting uit de Sport Toekomstverkenning van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het SCP uit 2016. Zij verwachtten dit omdat het tijd kost om het aanbod aan te passen aan de veranderende vraag die ontstaat door vergrijzing, toename van het aantal niet-westerse migranten en individualisering.

Omschrijving van de figuur
Deze figuur laat zien hoe tevreden Nederlanders van 12 jaar en ouder zijn over het sport- en beweegaanbod in hun buurt. En hoe dit zich ontwikkelt vanaf 2012-2013 tot en met 2024-2025. De twee stellingen zijn: ‘In mijn omgeving zijn voldoende sportaccommodaties aanwezig’ en ‘Ik heb voldoende keuze uit verschillende sporten in mijn buurt’. Met beide stellingen is in alle jaren ruim 80% het (helemaal) eens, zo’n 10% niet eens en niet oneens, en zo’n 10% (helemaal) oneens.
Daarnaast blijkt uit de VTO en het Nationaal Sportonderzoek (NSO) van het Mulier Instituut dat Nederlanders:
- vaker tevreden zijn over de sport- en beweegmogelijkheden in de buurt voor hun thuiswonende kinder(en) dan voor zichzelf;
- het meest tevreden zijn over de bereikbaarheid en het minst tevreden over de betaalbaarheid van sportaccommodaties in de buurt;
- ten opzichte van 2022 minder tevreden zijn over de bereikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de sportaccommodaties in de buurt.
Meer informatie staat in het factsheet ‘Sportaccommodaties in de buurt‘ (Aarnink & Wezenberg-Hoenderkamp, 2025).
Introductie nieuwe sporten
Het Nederlandse sportlandschap is continu in ontwikkeling. Beachvolleybal, boulderen en padel zijn relatief nieuwe sporten – met accommodaties – die inmiddels in het landschap zijn verankerd. Airsoft, calisthenics, freerunning en pickeball zijn opkomende sporten. Voldoende accommodaties zijn een belangrijke randvoorwaarde voor deze sporten om zich te kunnen ontwikkelen naar een volwassen sport. Dit blijkt uit het rapport ‘Nieuwe sporten in Nederland’ van het Mulier Instituut.
Beachvolleybal
Het aantal beachaccommodaties is tussen 2017 en 2023 bijna verdubbeld tot ongeveer 500. Op het merendeel van deze indoor en outdoor beachaccommodaties wordt, naast bijvoorbeeld beachtennis of beachsoccer, beachvolleybal aangeboden. In totaal zijn er 1.358 velden, waarvan 77 procent (1.045 velden) voor beachvolleybal wordt gebruikt. Daarmee is beachvolleybal de grootste beachsport in Nederland.
De indooraccommodaties – in aantallen beperkt – zijn veelal commerciële centra. De buitenaccommodaties komen voornamelijk in verenigingsverband tot stand doordat zaalvolleybalverenigingen met beachvolleybal beginnen.
Doordat beachaccommodaties makkelijk aan te leggen zijn, worden naast bovengenoemde permanente locaties regelmatig tijdelijke velden geplaatst op bijvoorbeeld de markt of een lokaal strandje. Daarnaast wordt beachvolleybal op het strand gespeeld.
Boulderen
Boulderen is een sport die voorheen voornamelijk buiten in de natuur werd beoefend. Tegenwoordig wordt het vooral in indooraccommodaties gedaan.
Nederland telde in 2024 meer dan vijftig boulderhallen. Daarnaast is er een onbekend aantal boulderwanden te vinden op andere locaties, zoals sporthallen en fitnesscentra. In 2024 waren alle boulderhallen in handen van commerciële partijen. De boulderhallen zijn vooral in steden te vinden. Het aantal neemt de laatste jaren nauwelijks toe door hoge kosten en een gebrek aan geschikte locaties.
Boulderhallen op bedrijventerreinen
Vier op de tien boulderhallen in Nederland liggen in een gebied waarvan het CBS in zijn Bestand Bodemgebruik aangeeft dat in 2020 het dominante bodemgebruik ‘bedrijventerrein’ is (42%). Dit volgt uit een analyse op basis van de Database SportAccommodaties (DSA). Dit duidt erop dat bijvoorbeeld oude loodsen en fabriekshallen zijn omgebouwd tot hallen met (onder andere) boulderwanden. Voorbeelden zijn Boulderstation Enschede en Boulderhal De Fabriek in Haarlem.
Padel
Het aantal padelbanen in Nederland blijft toenemen. In 2024 waren er bijna 3.000 banen in Nederland bij ruim 675 aanbieders, terwijl de sport pas in 2006 in Nederland werd geïntroduceerd met een eerste baan (EY, 2025). Ruim 400 aanbieders zijn verenigingen, de overige aanbieders zijn commerciële centra. De meeste banen en verenigingen zijn in Noord-Brabant te vinden, de meeste commerciële centra in Noord-Holland.
Momenteel zijn er gemiddeld 4,2 banen per aanbieder. Zelfstandige aanbieders leggen meer banen per locatie aan. Verenigingen starten met meer dan de gebruikelijke twee banen vanwege de sterke aanloop van spelers en breiden waar het kan sterk uit op de locaties die al padel aanbieden (EY, 2025).
(Vrees voor) geluidsoverlast vormt een belangrijke belemmering voor de verdere uitbreiding van het aantal padelbanen in de buitenlucht.
Padelhallen op bedrijventerreinen
Een kwart van de padelhallen in Nederland ligt in een gebied waarvan het CBS in zijn Bestand Bodemgebruik aangeeft dat in 2020 het dominante bodemgebruik ‘bedrijventerrein’ is (26%). Dit volgt uit een analyse op basis van de DSA. Dit duidt erop dat bijvoorbeeld oude loodsen en fabriekshallen zijn omgebouwd tot hallen met (onder andere) padelbanen. Voorbeelden zijn Padel Nijverdal en Peakz Padel Atoomweg in Groningen.
Airsoft
Het beoefenen van airsoft is alleen toegestaan op gecertificeerde airsoftlocaties. De eerste locatie in Nederland is geopend in 2013. In 2023 waren er 33 locaties. Deze zijn veelal in handen van commerciële partijen.
Het aantal airsoftlocaties is de laatste jaren stabiel, ondanks een toenemende populariteit van de sport. Wet- en regelgeving en hoge investeringskosten beperken verdere groei.
Calisthenics
Er waren in 2024 ongeveer 400 calisthenicsparken. Dit aantal is verdubbeld ten opzichte van 2022. Deze parken zijn veelal in de openbare ruimte, vrij toegankelijk en gefinancierd door gemeenten. Het aantal calisthenicslocaties groeit gestaag. Dit geldt ook voor het aantal indoorlocaties, die vooral in handen zijn van commerciële partijen.
Freerunning
Freerunnen wordt beoefend op verschillende locaties, waaronder openbare parken, stedelijke omgevingen met obstakels, speciaal ontworpen freerunningparken en binnenfaciliteiten zoals gymnastiekzalen en speciale freerunning-sporthallen.
Voorheen werd vooral in de openbare ruimte, dus in de open lucht, gebruik gemaakt van bestaande obstakels zoals taluds, trottoirs en ander straatmeubilair. Maar inmiddels worden steeds meer locaties ingericht speciaal voor freerunning: de ‘freerunningparken’/’urban freerunning-sportplekken’. Er zijn ook speciale freerunningzalen/freerunhallen, en dit aantal groeit.
Pickleball
Nederland telde in 2024 zestig plekken die specifiek waren ingericht voor pickleball. Ongeveer een derde daarvan ligt bij tennisverenigingen. Er zijn ook enkele commerciële racketsportcentra die over pickleballbanen beschikken. Maar pickleball wordt vooral gespeeld op andere plekken dan de officiële banen. In sporthallen kun je pickleball spelen met de badmintonbelijning, en met een stuk krijt en een net kun je overal een veld uitzetten.
Zwembaden
Zwembaden worden in Nederland gezien als een belangrijke basisvoorziening. Vanuit zwemveiligheid ziet de overheid een rol voor zichzelf weggelegd bij het voorzien in zwembaden. Toch zijn er zorgen over het aantal zwembaden, en of deze wel voldoende in publieke handen zijn (Ministerie van VWS, 2024, 2025e).
In 2024 zijn er 621 openbare zwembaden in Nederland. Dit zijn er 39 minder dan in 2013. In deze periode zijn 66 zwembaden permanent gesloten en 27 nieuwe zwembaden (exclusief herbouw) gerealiseerd. Dit blijkt uit de infographic ‘Verandering openbare zwembaden in de periode van 2013 tot 2024‘ van het Mulier Instituut.
Enkele bevindingen uit het achterliggende onderzoek:
- In Nederland is de gemiddelde afstand tot een openbaar zwembad 2,6 kilometer in 2024. Dit is vergelijkbaar met 2013.
- In niet-stedelijke gemeenten is de gemiddelde afstand toegenomen van 3,7 naar 4,1 kilometer.
- De meeste nieuwe openbare zwembaden zijn gebouwd in (zeer) sterk stedelijke gemeenten.
- In weinig stedelijke gemeenten zijn meer sluitingen van zwembaden dan nieuwbouw.
- 26 van de 27 nieuwe zwembaden zijn overdekte zwembaden of combizwembaden.
Sportaccommodaties voor topsport en talentontwikkeling
TeamNL-centra
In Nederland zijn er in 2025 vijf TeamNL-centra, officieel erkend door NOC*NSF. Deze centra maken het mogelijk om opleidings- en topsportprogramma’s uit te voeren in nauwe samenwerking met de sportbonden. De centra bevinden zich in Amsterdam, Arnhem, de Metropoolregio (Den Haag, Rotterdam, Dordrecht), Eindhoven en Heerenveen (Balk et al., 2025). In tabel 2.2 staan de sportaccommodaties van de TeamNL-centra.
| Sportcentrum Papendal | Topsport Noord | Metropoolregio | BrabantSport | Topsport Amsterdam |
|---|---|---|---|---|
| Arnhemhal | Thialf Heerenveen | Nationaal Topzeilcentrum | (zwemmen) | Sportpark Ookmeer |
| Multihal | Sportstad Heerenveen | Sportcampus Den Haag | (schoonspringen) | Sporthallen Zuid |
| Sporthal West | Zwembad de Welle Drachten | Zwemcentrum Rotterdam | (turnen) | Velodrome |
| Atletiekbaan | Niet van toepassing | IJsbaan de Uithof Den Haag | (skateboarden) | Accommodatie van Amsterdam Pirates |
| Handboogaccommodatie | Niet van toepassing | IJsbaan de Sportboulevard Dordrecht | (triatlon) | Sloterparkbad |
| BMX-baan | Niet van toepassing | Vechtsportcentrum Rotterdam | (para-triatlon) | IJsbanen in Alkmaar en Haarlem |
| Niet van toepassing | Niet van toepassing | Topsportcentrum Rotterdam | Niet van toepassing | Olympisch Trainingscentrum Bosbaan |
| Niet van toepassing | Niet van toepassing | Niet van toepassing | Niet van toepassing | Turnaccommodatie Hoofddorp |
Naast deze centra bestaan er in Nederland meerdere nationale en regionale trainingscentra die zich richten op specifieke sportdisciplines. Een volledig overzicht daarvan ontbreekt momenteel.
Topsport Talentscholen (TT’s)
Nederland heeft in 2025 31 TT’s (figuur 2.2). Dit is één TT meer dan halverwege 2023. Het Mendelcollege in Haarlem heeft eind 2023 een licentie gekregen.
TT’s hebben een licentie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om voor leerlingen met een NOC*NSF-status/KNVB-beloftestatus school en topsport te combineren. Het lesrooster stemmen ze hierbij zoveel mogelijk af op de wensen en behoeften en het trainings- en wedstrijdprogramma van de talentvolle sporter.

TT’s die te zien zijn op de kaart:
- OSG Willem Blaeu
- Topsport Talentschool Groningen
- OSG Sevenwolden
- Carmelcollege Emmen
- Tabor College
- Thomas a Kempis College
- CSG Het Noordik
- OSG Echnaton
- Het Calandlyceum
- Mendelcollege
- Haarlemmermeer Lyceum
- CVO ’t Gooi
- Het Stedelijk Lyceum
- Veluws College
- Leonardo College
- Scala College
- Segbroek College
- NUOVO Scholen
- Beekdal Lyceum
- Thorbecke Voortgezet Onderwijs
- SSgN
- Rodenborch College
- Graaf Engelbrecht
- Koning Willem II College
- RSG ’t Rijks
- Scheldemond College
- Sint-Joris College
- College Den Hulster
- LVO Weert
- Trevianum
- DaCapo College
Beoordeling topsportaccommodaties
Topsporters, talentvolle sporters, coaches en technisch directeuren zijn over het algemeen tevreden over de kwaliteit, beschikbaarheid en bereikbaarheid van de trainingsaccommodaties en krachttrainingsruimtes (Balk et al., 2025). De topsporters zijn het positiefst. Het positiefst zijn de topsporters over de bereikbaarheid van trainingsaccommodaties (73% (zeer) goed).
De technisch directeuren beoordelen de kwaliteit en de beschikbaarheid van de trainingsaccommodaties vaker als onvoldoende (resp. 22% en 33%) dan de topsporters, talentvolle sporters en coaches.
Meer informatie over topsport in Nederland staat in het rapport ‘Topsport in Nederland 2025‘ (Balk et al., 2025).
Woningbouw op sportparken
De druk op de ruimte in Nederland is hoog. Veel ruimtelijke opgaven komen samen op het beperkte grondgebied van Nederland. Soms moet de ruimte voor sport en bewegen plaatsmaken voor concurrerende ruimtevragen, zoals woningbouw.
Woningbouw heeft in één op de vijf gemeenten de afgelopen tien jaar op één of meerdere sportparken plaatsgevonden. In de meeste gevallen werd het verlies aan ruimte voor sport gecompenseerd (figuur 2.3). Dat blijkt uit een peiling onder de beleidsambtenaren Sport van het VSG-gemeentepanel.

Omschrijving van de afbeelding
Deze figuur geeft weer in hoeveel procent van de gemeenten woninggbouw heeft plaatsgevonden op sportparken: 71% niet, 9% onbekend en 20% wel. Van die 20% waar woningbouw heeft plaatsgevonden, is dit in het grootste deel gecompenseerd (ongeveer drie kwart). Rond de 15% is gedeeltelijk gecompenseerd en de rest niet gecompenseerd.
Daarnaast blijkt uit dezelfde peiling onder het gemeentepanel:
- Compensatie van het ruimteverlies vond met name plaats door aanleg van nieuwe sportparken (46%), aanleg van extra velden elders (38%) en het omzetten van natuurgras- in kunstgrasvelden (36%).
- Eén op de tien gemeenten heeft concrete plannen voor woningbouw op sportparken. Nog eens drie op de tien gemeenten denken hierover na (31%).
Overig onderzoek
Ruimtelijke ordening
Urhahn, Platform31 en Urban Dynamics hebben een rapport geschreven over hoe sport, bewegen en spelen worden meegenomen in de ruimtelijke ordening (De Bont et al., 2025). Zij tonen aan dat de sport- en beweegruimte onder druk staat. Zonder extra aandacht zal de ruimte voor sport en bewegen eerder af- dan toenemen. Gemeenten hebben meer ondersteuning nodig, zodat zij beter in staat zijn de nationale ambities waar te maken en in te spelen op de groeiende behoefte aan ruimte voor sport, bewegen en spelen.
Geluid op gymlocaties
Fontys heeft zijn eindrapport van het project Grip op Geluid gepubliceerd (Tuinder, 2025). Hierin concluderen ze dat een goede akoestische omgeving in de gymaccommodatie noodzakelijk is voor een goede leer- en werkomgeving. Maar hiervan is in veel accommodaties die worden gebruikt voor het bewegingsonderwijs geen sprake.
Beweegwijsheid
Het ministerie van VWS heeft in samenwerking met en mede uit naam van de partners van het Sportakkoord en de kennisinstellingen Mulier Instituut en Kenniscentrum Sport & Bewegen een plan opgesteld om de Nederlandse jeugd meer te laten sporten en bewegen (NOC*NSF et al., 2025; Ministerie van VWS, 2025a). Het concept beweegwijsheid staat centraal in dit plan. Ook de Nederlandse Sportraad heeft beweegwijsheid opgenomen in haar werkprogramma voor 2026 (Nederlandse Sportraad, 2025).
Beweegwijsheid draait om de bundeling van de componenten die van belang zijn om aan te leren als het gaat om sporten en bewegen. Voldoende, toegankelijke en geschikte sport- en beweegvoorzieningen in de verschillende contexten waarin kinderen en jongeren bewegen (de openbare ruimte en de sport-, thuis- en schoolomgeving) is hierbij een belangrijke randvoorwaarde (figuur 2.4) (Singh et al., 2025).

Omschrijving van de afbeelding
De weergave van het model bestaat uit drie cirkels. In de binnenste staat Beweegwijsheid. Daaromheen staan de vier componenten ervan: Willen (psychologische component), Kunnen (fysieke component), Verhouden (sociale component) en Weten (cognitieve component). In de buitenste cirkel staan de vier omgevingen waar dit plaatsvindt: Sport, Openbare ruimte, Schoolomgeving en Thuisomgeving.
Spreiding accommodaties in Europa
Dit jaar verscheen een internationale publicatie van het Mulier Instituut over de ligging en spreiding van sportaccommodaties in Europese landen (Hoekman, 2025). In de publicatie staan vier elementen van sportaccommodaties die kunnen bijdragen aan de sociale duurzaamheid5 van een gemeenschap:
- de toegankelijkheid van een sportaccommodatie;
- het gebruik en de exploitatie van een sportaccommodatie;
- aspecten van duurzaamheid, zoals verminderd energieverbruik of
- getroffen maatregelen voor klimaatadaptatie.
Data uit Europese landen over de ligging en kenmerken van sportaccommodaties laten zien dat de spreiding overwegend goed is. Aanbevelingen zijn om meer in te zetten op dataverzameling, toegankelijkheid en duurzaamheid, om sport zo een bijdrage te kunnen laten leveren aan het bewerkstelligen van sociale duurzaamheid.
Overige ontwikkelingen
Het Kenniscentrum Sport & Bewegen heeft een Afwegingskader Binnensportaccommodaties laten ontwikkelen. Dit ondersteunt gemeenten bij de besluitvorming rond verouderde sporthallen (behouden, nieuwbouw of renovatie). Het afwegingskader is vanaf 1 december 2025 beschikbaar via Duurzame Sportsector.
De HAN University of Applied Sciences (HAN) heeft een MKBA-instrument voor sportparken ontwikkeld. Met het instrument is de brede maatschappelijke waarde van sportparken in kaart te brengen (Schoemaker et al., 2025).
NOC*NSF, Sportinnovator, de KNLTB, de NBB, de KNHB, Sportbedrijf Arnhem, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en Starthubs hebben een challenge uitgeschreven voor veldoverkappingen. Ze vragen marktpartijen te komen met duurzame, energiezuinige en circulaire overkappingen die sporten het hele jaar door mogelijk maken.
ShellterWOOD en de Athletic Skills Company hebben een nieuw bouwconcept geïntroduceerd. Met het concept zouden snel en duurzaam nieuwe (tijdelijke) binnensportaccommodaties gerealiseerd kunnen worden. De bedrijven verwachten in 2026 de eerste accommodaties op te leveren.
2.4 Gebruik sportaccommodaties
Locatie van sportbeoefening
Vier op de tien Nederlanders sporten in 2025 in de openbare ruimte. Van sportaccommodaties zoals sportparken en sporthallen/-zalen maken minder Nederlanders gebruik (respectievelijk 16% en 8%). Dit blijkt uit de VTO van het SCP en CBS (figuur 2.5).
Daarnaast blijkt uit de VTO dat:
- het gebruik van sporthallen/-zalen de afgelopen tien jaar geleidelijk is afgenomen;
- het aandeel Nederlanders dat sport in een overdekt zwembad na een periode van daling lijkt te stabiliseren;
- het aandeel kinderen dat sport op een sportpark is afgenomen (niet in figuur);
- het gebruik van sportparken buiten verenigingsverband de laatste jaren is toegenomen (niet in figuur). Nederlanders sporten vaker alleen op een sportpark (bv. op een open sportpark) of via een ondernemende sportaanbieder (bv. een hockeyschool of voetbalcompetitieplatform).

Omschrijving van de afbeelding
Deze figuur toont waar mensen sporten in de periode van 2012-2013 tot en met 2024-2025. In alle jaren sport het grootste deel in de openbare ruimte (steeds ruim 40%, met een uitschieter naar 50% in 2020-2021. De andere categorieën zitten allemaal steeds tussen de 10 en 20%. Dit zijn Thuis of in de tuin, Sportpark, Overdekt zwembad, en Sporthal-zaal. Thuis of in de tuin stijgt alleen in 2020-2021 tot boven de 20%.
Indeling sportlocatie
We hebben een aangepaste indeling van de sportlocatie gemaakt op basis van de antwoorden die Nederlanders geven op de vraag welke sport zij doen en waar ze dit doen. Zo veronderstellen we dat iemand die in de VTO aangeeft te hockeyen op ‘een sportaccommodatie in de open lucht’, dit doet op een sportpark. En dat iemand die aangeeft te zwemmen in ‘een overdekte sportaccommodatie’, dit doet in een overdekt zwembad.
Wachtlijsten
Eén op de acht sportverenigingen in Nederland heeft een wachtlijst of ledenstop (12%). Dat blijkt uit een peiling onder het Verenigingspanel van het Mulier Instituut. Ruimtegebrek is de meest genoemde oorzaak voor wachtlijsten en ledenstops. Verenigingen met een wachtlijst of ledenstop geven met name aan dat ze een tekort hebben voor trainingen of lessen (figuur 2.6).

Omschrijving van de afbeelding
Deze figuur geeft weer hoeveel procent van de verenigingen met een wachtlijst of ledenstop hiervoor verschillende redenen hebben. De percentages zijn als volgt. Te weinig ruimte beschikbaar voor trainingen/lessen/recreatie: 54%; Te weinig kader/vrijwilligers beschikbaar om leden te begeleiden/trainen: 40%; Te weinig ruimte beschikbaar op gewenste, bruikbare tijdstippen: 25%; Te weinig ruimte beschikbaar voor wedstrijden/competitie: 19%; We willen als vereniging niet verder groeien: 19%; Onvoldoende financiële mogelijkheden: 11%; De bestaande teams zijn vol en er zijn niet genoeg aanmeldingen voor een nieuw team: 8%; We willen ruimte beschikbaar houden voor bepaalde groepen: 7%; Andere reden(en): 9%.
Daarnaast blijkt uit de peiling dat:
- Grote verenigingen (met 250 leden of meer), verenigingen met een eigen accommodatie en verenigingen in stedelijke gemeenten vaker een wachtlijst of ledenstop hebben;
- Met name zaalsport- en veldsportverenigingen een wachtlijst of ledenstop hebben als gevolg van ruimtetekort, waarbij zaalsportverenigingen vaker dan veldsportverenigingen, en;
- Een wachtlijst of ledenstop vaker voorkomt bij verenigingen met jeugdleden, en dat vooral veel zaalsportverenigingen een wachtlijst of ledenstop hebben voor de (jongst) jeugd.
Meer informatie over wachtlijsten bij sportverenigingen staat in het factsheet ‘Wachtlijsten en ledenstops bij sportverenigingen‘ (Meulenbroeks et al., 2025).
Maatschappelijke waarde
De maatschappelijke waarde van sportaccommodaties komt steeds vaker centraal te staan. En hierbij gaat niet alleen aandacht naar economische waarde, maar ook naar ‘zachtere’ waarde die slecht of niet in geld of getallen uit te drukken is. Zoals sociale, culturele, persoonlijke of gezondheidswaarde.
Door de grote druk op de ruimte wordt er kritisch gekeken naar de ruimte die wordt ingenomen voor sport, waaronder sportaccommodaties. Het optimaliseren van de maatschappelijke waarde van sportaccommodaties kan helpen ruimte voor sport ‘veilig te stellen’.
Wat vindt de Nederlandse bevolking?
Het merendeel van de Nederlanders vindt dat sportaccommodaties belangrijk zijn voor de leefbaarheid van hun buurt (68%), een belangrijke ontmoetingsplek voor de buurtgenoten zijn (61%) en het gemeenschapsgevoel in de buurt versterken (63%) (figuur 2.7). Dit blijkt uit een peiling onder de Nederlandse bevolking (NSO, september 2025). Inwoners van kleinschalige gemeenten en welvarende woongemeenten vinden dat vaker dan inwoners van (klein)stedelijke gemeenten.

Omschrijving van de afbeelding
Met de stelling ‘Sportaccommodaties zijn belangrijk voor de leefbaarheid van mijn buurt’ is 25% het helemaal eens, 43% is het ermee eens, 20% is neutraal, 4% is het ermee oneens, 2% is het er helemaal mee oneens en 6% weet het niet of heeft geen mening. Met de stelling ‘Sportaccommodaties versterken het gemeenschapsgevoel in mijn buurt’ is 21% het helemaal eens, 42% is het ermee eens, 23% is neutraal, 5% is het ermee oneens, 2% is het er helemaal mee oneens en 7% weet het niet of heeft geen mening. Met de stelling ‘Sportaccommodaties zijn een belangrijke ontmoetingsplek voor buurtgenoten’ is 20% het helemaal eens, 42% is het ermee eens, 24% is neutraal, 6% is het ermee oneens, 3% is het er helemaal mee oneens en 6% weet het niet of heeft geen mening.
Daarnaast blijkt uit het bevolkingsonderzoek:
- Meer dan de helft van de Nederlanders in 2025 heeft wel eens een sportaccommodatie bezocht (55%). Een derde daarvan sportte niet op de sportaccommodatie, maar bezocht deze om andere redenen (bv. om kinderen te brengen of voor vrijwilligerswerk).
- Zes op de tien bezoekers geven aan dat er – naast het sporten – andere activiteiten plaatsvinden op de accommodatie. Het vaakst noemen ze (buurt)borrels en (buurt)vergaderingen. Maar ze zien ook dat er (kinder)feestjes, workshops en cursussen en koffie- en inloopochtenden zijn.
Meer informatie over de maatschappelijke waarde van sportaccommodaties staat in de literatuurstudie ‘Maatschappelijke waarde sportaccommodaties’ (Ruikes & Meulenbroeks, nog te verschijnen).
Wat vinden de beleidsambtenaren?
De meeste ambtenaren sport vinden dat de sportaccommodaties in de gemeente belangrijk zijn voor de sociale cohesie, onmisbaar zijn voor de leefbaarheid, en (daarmee) onderdeel zijn van de gemeentelijke basisvoorzieningen (figuur 2.8). Dat blijkt uit een peiling onder de beleidsambtenaren Sport van het VSG-gemeentepanel.

Omschrijving van de afbeelding
De eerste stelling is ‘Sportaccommodaties hebben een belangrijke functie voor de sociale cohesie in de gemeente’. 64% vindt dit helemaal , 32% grotendeels en 4% enigszins. De tweede stelling is ‘Sportaccommodaties zijn onmisbaar voor de leefbaarheid in de gemeente’. 63% vindt dit helemaal , 28% grotendeels en 9% enigszins. De derde stelling is ‘Sportaccommodaties zijn onderdeel van de gemeentelijke basisvoorzieningen’. 56% vindt dit helemaal , 39% grotendeels, 4% enigszins en 1% nauwelijks.
Daarnaast blijkt uit de peiling dat:
- in gemeenten met minder inwoners vaker beleidsmatig aandacht is om de rol van sportaccommodaties voor de leefbaarheid en sociale cohesie te vergroten;
- in gemeenten met meer inwoners vaker ingezet wordt op functiemenging op sportaccommodaties en multifunctioneel gebruik.
Bewegingsonderwijs De meeste scholen voor primair onderwijs maken – naast de (inpandige) speelzaal – gebruik van een gymzaal voor het bewegingsonderwijs (figuur 2.9). Dit blijkt uit een peiling onder schoolleiders door het Mulier Instituut.
Meer informatie staat in de recentste publicatie in de reeks over het bewegingsonderwijs in het primair onderwijs: ‘Bewegingsonderwijs en sport in het primair onderwijs 2025: 3-meting’ (nog te verschijnen).
Het aantal scholen dat gymt op (sport)accommodaties in de buitenlucht, is de afgelopen tien jaar toegenomen. De scholen die het schoolplein inzetten voor het bewegingsonderwijs, doen dit het hele schooljaar. Sportvelden en openbare grasvelden gebruiken ze vaak alleen in de lente en zomer.

Omschrijving van de afbeelding
In deze figuur staat hoeveel procent van de basisscholen bepaalde typen locaties structureel gebruikt voor de lessen bewegingsonderwijs, in verschillende schooljaren. Het percentage scholen dat structureel een speelzaal gebruikt voor de gymlessen, is 81% in 2012/2013, 82% in 2016/2017, 83% in 2020/2021 en 84% in 2024/2025. Voor gymzalen is dat 79% in 2012/2013, 71% in 2016/2017, 63% in 2020/2021 en 66% in 2024/2025. Voor schoolpleinen is dat 32% in 2012/2013, 46% in 2016/2017, 41% in 2020/2021 en 49% in 2024/2025. Voor sporthallen/sportzalen is dat 36% in 2012/2013, 39% in 2016/2017, 45% in 2020/2021 en 46% in 2024/2025. Voor openbare grasvelden is dat 9% in 2012/2013, 19% in 2016/2017, 22% in 2020/2021 en 27% in 2024/2025. Voor sportvelden is dat 7% in 2012/2013, 9% in 2016/2017, 13% in 2020/2021 en 14% in 2024/2025.
Daarnaast blijkt uit de peiling:
- Schoolleiders beoordelen de (sport)accommodaties voor het bewegingsonderwijs vaak als voldoende (48%) of goed (43%). Ook over het aanwezige materiaal zijn zij tevreden, net als over de reistijd naar de (sport)accommodatie.
- Schoolleiders vinden vaker dat er te weinig accommodaties beschikbaar zijn (19% in 2025) en dat de afstand tot de accommodatie te groot is (24%). Een accommodatietekort ervaren vooral schoolleiders in stedelijke gemeenten.
Overig onderzoek
Uit onderzoek van het Mulier Instituut blijkt dat sportparkmanagers zorgen voor beter gebruik van de faciliteiten van de sportparken, nieuwe samenwerkingen en extra inkomsten (Bronkhorst & Van Suijlekom, 2025). Ze zorgen vooral voor een betere benutting van sportaccommodaties. Dat is ook hun belangrijkste doel. Ze brengen partijen samen en leggen verbindingen met bedrijven, scholen en wijkinitiatieven. Dit leidt tot meer samenwerking en extra activiteiten op het sportpark.
De inzet van een sportpark- of verenigingsmanager levert op alle onderzochte locaties extra inkomsten op. Dat komt door een efficiënter gebruik van de sportfaciliteiten en door nieuwe sponsors. Vooral sportparkmanagers zorgen vaak voor extra inkomsten. Het is onduidelijk of deze inkomsten de kosten van hun inzet volledig dekken.
Meer informatie over sportpark- en verenigingsmanagers staat in het rapport ‘Professionalisering bij sportverenigingen en sportparken’ (Bronkhorst & Van Suijlekom, 2025).
Het Kenniscentrum Sport & Bewegen heeft het Stappenplan Open Sportparken opgesteld om gemeenten, sportverenigingen, sportparkmanagers en verenigingsondersteuners te ondersteunen in het proces om sportparken open te stellen voor nieuwe initiatieven (Kenniscentrum Sport & Bewegen, 2025a).
Hoofdstuk 3 Exploitatie en financiering
Peter van Eldert & Björn Schadenberg
In dit hoofdstuk beschrijven we de ontwikkelingen rondom de exploitatie en financiering van sportaccommodaties. In paragraaf 3.2 gaan we in op de eigendom en exploitatie van sportaccommodaties. Vervolgens bespreken we in paragraaf 3.3 de financiering van sportaccommodaties.
3.1 Inleiding
Voorheen lag de rol van eigenaar en exploitant van sportaccommodaties vaak bij gemeenten. Tegenwoordig bestaan er tal van (gemeentelijke) sportbedrijven, stichtingen en marktpartijen die een rol spelen bij de exploitatie van sportaccommodaties. Daarnaast zijn er (steeds meer) sportaccommodaties waarvan een private organisatie de eigenaar en exploitant is.
In de afgelopen jaren staat, mede door prijs- en kostenstijgingen, de exploitatie van sportaccommodaties onder druk (Hoekman & Schadenberg, 2023). Ook in bredere zin vraagt de betaalbaarheid van sport aandacht (Hover & Van Eldert, 2023).
Hierdoor neemt de (beleidsmatige) aandacht voor exploitatie- en financieringsvraagstukken van sportaccommodaties toe. Zo komen onderbenutting van sportaccommodaties en betaalbaarheid van sport ook terug in het programma ‘Missiegedreven Ontwikkeling van Onderzoek en Innovatie sport en bewegen’ (MOOI in Beweging) van ZonMw (ZonMw, z.d.).
Onderzoek naar sportaccommodaties die optimaal worden benut (SPOT ON-project – MOOI in Beweging)
De sportinfrastructuur in Nederland wordt op veel plekken onvoldoende gebruikt. Maar er zijn opvallende uitzonderingen: plekken waar de openbare ruimte of sportaccommodaties wél optimaal wordt benut. Het SPOT ON-project onderzoekt deze succesvolle sportlocaties en deelt de geleerde lessen met andere sportaanbieders, gemeenten en professionals.
Vanuit het MOOI-programma startte in 2024 een consortium met medewerkers van de Universiteit Utrecht, Haagse Hogeschool, Hogeschool van Amsterdam en het Mulier Instituut met het onderzoek ‘Spot On’. Hierbinnen onderzoeken de onderzoekers 28 sportaccommodaties (hotspots) verspreid over Nederland die opvallen doordat ze beter financieel en maatschappelijk rendement lijken te hebben dan vergelijkbare locaties.
Het doel van dit onderzoek is te ontdekken welke principes bijdragen aan het succesvolle gebruik van sportaccommodaties en de openbare ruimte. Met deze inzichten worden praktische oplossingen ontwikkeld om deze plekken beter te benutten. De resultaten van het onderzoek worden via www.spotonderzoek.nl/ gepubliceerd gedurende de looptijd van het onderzoek (tot zomer 2027).
3.2 Eigendom en exploitatie
Exploitatievormen van sportaccommodaties
De exploitatie van sportaccommodaties omvat alle taken van het uitbaten van een sportaccommodatie. Deze taken raken zowel de software (planning, communicatie met gebruikers, etc.) als de hardware (beheer, onderhoud, etc.) van sportaccommodaties (Hoekman et al., 2019).
Het type eigenaar en exploitant verschilt sterk tussen sportaccommodaties. Daarbij zijn de eigenaar en de exploitant niet altijd dezelfde organisatie. Grofweg samengevat onderscheiden we vier exploitatievormen die de verschillende constructies van eigendom en exploitatie beschrijven (Hoekman et al., 2019; tabel 3.1).
| Exploitatievorm | Eigenaar | Exploitant |
|---|---|---|
| Gemeentelijke sportaccommodatie | Gemeente | Gemeente |
| Intern verzelfstandigde sportaccommodatie | Gemeente | Zelfstandig onderdeel gemeente |
| Extern verzelfstandigde sportaccommodatie | Gemeente | Organisatie of bedrijf6 |
| Private sportaccommodatie | Private organisatie | Private organisatie |
Binnen gemeenten kan de exploitatievorm per sportaccommodatie (bijv. per sportpark) of zelfs per sportvoorziening (bijv. per veld binnen hetzelfde sportpark) verschillen.
Daarnaast kan de vormgeving van de vier exploitatievormen verschillen. Deze variatie kan zitten in het takenpakket van de niet-gemeentelijke exploitatie of in afspraken over grond (erfpacht, etc.) en opstallen (tribunes, kantines, etc.). De verschillen in de vormgeving van de exploitatievormen beïnvloeden de exploitatie en kostendekkendheid van de sportaccommodaties.
Eigendom en exploitatie
De gemeente is eigenaar van 54 tot 65 procent van de sporthallen, sportzalen en gymzalen (Van Eldert & Hertogs, 2024). Bij de meeste typen buitensportvoorzieningen geldt dit voor ruim 90 procent. Uitzonderingen hierop zijn hockeyvelden (65%) en tennisbanen (32%). Van de openbare zwembaden is 66 procent in gemeentelijke eigendom.
Gemeenten exploiteren ongeveer de helft van de gymzalen en sporthallen en 41 procent van de sportzalen (Van Eldert & Hertogs, 2024). In de meeste gevallen ligt de exploitatie van buitensportvoorzieningen bij gemeenten, met uitzondering van tennisbanen (14%). Gemeentelijke exploitatie komt bij 18 procent van de openbare zwembaden voor.
Verzelfstandigen en privatiseren
Verzelfstandiging is het proces van overdragen van (een aantal) gemeentelijke exploitatietaken naar een intern organisatieonderdeel of een externe organisatie (Hoekman et al., 2019). De gemeente besteedt daarmee een deel van het gemeentelijke sportbeleid uit.
Bij privatisering draagt de gemeente de exploitatietaken risicodragend over aan een externe partij. Hierbij gaat ook de eigendom van de sportaccommodatie naar de externe partij. De privatisering is het omgekeerde proces, waarbij de gemeente de exploitatie of eigendom terugneemt.
In de collegeperiode 2014-2018 privatiseerde of verzelfstandigde 25 procent van de gemeenten minstens één binnensportaccommodatie en 26 procent minstens één buitensportaccommodatie (Van Eldert & Van der Heijden, 2023). In de collegeperiode erna (2018-2022) lag dit aandeel op respectievelijk 18 en 15 procent.
In mei 2023 verwachtte 13 procent van de gemeenten dat er in de (huidige) collegeperiode (2022-2026) sprake zou zijn van verzelfstandiging of privatisering van één of meerdere binnensportaccommodaties in de gemeente (Van Eldert & Van der Heijden, 2023). Voor buitensportaccommodaties verwachtte een vergelijkbaar aandeel (14%) verzelfstandiging of privatisering.
Reden voor verzelfstandiging of privatisering
Gemeenten verzelfstandigen of privatiseren sportaccommodaties het vaakst omdat ze hopen zo de effectiviteit van de exploitatie te verbeteren (Geurink et al., 2025). Verder noemen ze kostenbesparing of dat de gemeente het niet meer als haar taak ziet. Deze twee redenen noemden ze in 2024 minder vaak dan in 2020.
Externe uitvoeringsorganisaties
In 2025 besteedde 77 procent van de gemeenten (een deel van) het gemeentelijke sportbeleid uit aan minstens één externe uitvoeringsorganisatie (Van Eldert & Schadenberg, nog te verschijnen). In 2021 lag dit aandeel lager (68%).
63 procent van de externe uitvoeringsorganisaties was in 2025 alleen verantwoordelijk voor (een deel van) het sportstimuleringsbeleid (figuur 3.1).
18 procent was alleen verantwoordelijk voor (een deel van) het sportaccommodatiebeleid. De overige 20 procent had (een deel van) beide onderdelen in hun takenpakket. In 2021 lag het aandeel externe uitvoeringorganisaties met alleen sportstimuleringstaken lager (48%).

Externe uitvoeringsorganisaties met alleen sportaccommodatietaken (66%) of zowel sportaccommodatie- als sportstimuleringstaken (48%) leggen de afspraken met de gemeente het vaakst vast in een exploitatieovereenkomst (Van Eldert & Schadenberg, nog te verschijnen). Respectievelijk 66 en 80 procent van deze externe uitvoeringsorganisaties maakte ook prestatieafspraken met de gemeente.
Over het functioneren leggen de meeste organisaties via het jaarverslag verantwoording af (respectievelijk 83% en 91%). Voor de meeste externe uitvoeringsorganisaties met alleen sportaccommodatietaken (80%) of zowel sportaccommodatie- als sportstimuleringstaken (98%) vindt (structureel of incidenteel) monitoring en evaluatie plaats.
Verantwoordelijkheid voor groot onderhoud
Het groot onderhoud van gemeentelijke sportaccommodaties regelen gemeenten op verschillende manieren (Geurink et al., 2025). Voor binnensportaccommodaties regelt de gemeente al het onderhoud het vaakst zelf (47% in 2024). Bij buitensportaccommodaties doet de gemeente het vaakst het groot onderhoud, maar is de gebruiker verantwoordelijk voor dagelijks klein onderhoud.
In de verantwoordelijkheid voor groot onderhoud zien we weinig verschuivingen. Alleen voor gemeentelijke buitensportaccommodaties regelen gemeenten in 2024 minder vaak al het onderhoud zelf (18%) dan in 2020 (29%).
Overigens houden de meeste gemeenten wel rekening met het onderhoud, aangezien 72 procent van de gemeenten (in 2024) een meerjarenonderhoudsplan heeft (Geurink et al., 2025). Dit aandeel was in 2020 69 procent.
Verhuur buitensport aan andere gebruikers dan hoofdgebruiker
Bij buitensportvoorzieningen zijn sportverenigingen doorgaans de hoofdgebruiker; de gebruiker die de meeste uren gebruik maakt van de voorziening. De buitensportverenigingen betalen in veel gevallen een seizoens- of jaartarief (Schots & Schadenberg, 2020).
Losse verhuur aan andere gebruikers is dan wel mogelijk, maar met een seizoens- of jaartarief krijgt de hoofdgebruiker in zekere mate autonomie over de voorziening. Dit geeft gemeenten minder flexibiliteit om te sturen op breder gebruik van het sportpark, terwijl verhuur aan andere gebruikers dan de hoofdgebruiker juist kan helpen in de strijd tegen onderbenutting.
Toch verhuurde 55 procent van de gemeenten in 2024 buitensportvoorzieningen ook aan andere gebruikers dan de hoofdgebruiker (Hollander & Van Eldert, 2025). Dit aandeel neemt eerder toe dan af. De andere gebruikers komen wel vooral vanuit het onderwijs. Mogelijk is hier nog winst te behalen door verhuur aan andere typen organisaties te faciliteren. Bijvoorbeeld door de sportparken meer te gaan zien als een ontmoetingsplek waar diverse functies samenkomen (Hoekman & Schadenberg, 2023).
3.3 Financiering en ondersteuning
Gemeentelijke sportuitgaven
Uitgaven, inkomsten en netto-uitgaven
Gemeenten spelen een grote rol in de financiering van de Nederlandse breedtesport. Ze investeren in de sport- en beweegparticipatie, onder andere door (co)financiering van buurtsportcoaches en door subsidies voor sportstimulering. Daarnaast investeren ze in de sportinfrastructuur en dragen ze als exploitant bij aan het betaalbaar houden van de sport.
Het Mulier Instituut volgt sinds 2015 de ontwikkelingen in de gemeentelijke sportuitgaven en rapporteert hier jaarlijks over in de Monitor sportuitgaven gemeenten.7 Hiervoor gebruiken we de Iv3-data (informatie voor derden) van het CBS.
In 2023 bedroegen de uitgaven aan sport 2,3 procent van de totale gemeentelijke uitgaven (Van Eldert, 2025). In voorgaande jaren lag dit aandeel op een vergelijkbaar niveau. In totaal gaven gemeenten in 2023 bijna 2 miljard euro uit aan sport. Hiertegenover stond zo’n 727 miljoen euro aan inkomsten.
De netto-uitgaven aan sport door gemeenten kwamen daarmee in totaal uit op ruim 1,2 miljard euro (Van Eldert, 2025). Drie kwart (75%) van deze netto-uitgaven kwam voor de rekening van het taakveld Sportaccommodaties8, de rest voor Sportbeleid en activering9. In 2023 bedroegen de gemeentelijke netto-uitgaven aan sportaccommodaties daarmee 950 miljoen euro (figuur 3.2).
Tussen 2022 en 2023 stegen de gemeentelijke uitgaven aan sportaccommodaties met 197 miljoen euro en de gemeentelijke inkomsten van dit taakveld met 115 miljoen euro (figuur 3.2). Hierdoor stegen de netto-uitgaven van gemeenten aan sportaccommodaties met 83 miljoen euro.

Omschrijving van de afbeelding
De uitgaven van gemeenten aan sportaccommodaties stijgen tussen 2017 en 2023 van 1,1 miljard euro naar 1,5 miljard euro. De inkomsten stijgen met wat schommelingen van 351 naar 587 miljoen euro. Daarmee stijgen de netto-uitgaven van 753 naar 950 miljoen euro.
De stijging van de gemeentelijke uitgaven aan en inkomsten van sportaccommodaties laat zien dat van grootschalige gemeentelijke bezuinigingen op sport vooralsnog geen sprake is. Wel speelden de gestegen bouw- en onderhoudskosten en energieprijzen in 2023 een rol bij de hogere gemeentelijke sportuitgaven. Gemeenten konden de gevolgen van de gestegen energieprijzen wel (deels) opvangen met inkomsten uit energiesteunmaatregelen vanuit de overheid.
Toch zijn er zorgen bij gemeenten of bezuinigingen op sport op de lange termijn ook uitblijven. Gemeenten voorzagen voor 2026 een financieel ravijnjaar (Binnenlands Bestuur, 2022), wat mogelijk ook een weerslag op de gemeentelijke sportbegroting heeft. Extra middelen vanuit het Rijk zorgen inmiddels voor minder negatieve vooruitzichten voor 2026 en 2027, maar volgens sommigen zorgt dit slechts voor een verschuiving van het ravijnjaar naar 2028 (Binnenlands Bestuur, 2025).
Verwachte gemeentelijke bezuinigingen en investeringen vanaf 2026
In 2024 verwachtte 31 procent van de gemeenten dat de uitgaven aan sport in 2026 hoger zijn dan in 2024 (Geurink et al., 2025). 35 procent verwachtte juist een daling.
De meeste gemeenten verwachten vanaf 2026 te bezuinigen op subsidies aan verenigingen, nieuwbouw van sportaccommodaties en sportstimuleringsprojecten (Geurink et al., 2025). Onderhoud en renovatie van sportaccommodaties is het onderdeel waarin de meeste gemeenten verwachten te investeren.
Belang van gemeentelijke sportuitgaven
Over het algemeen hecht de Nederlandse bevolking waarde aan de gemeentelijke sportuitgaven. Uit de Vrijetijdsomnibus (VTO) uit 2024 blijkt dat 87 procent van de Nederlanders van 12 jaar en ouder het belangrijk vindt dat de gemeente geld uitgeeft aan sportstimulering (figuur 3.3). Verder vindt 90 procent het belangrijk dat de gemeente sportclubs ondersteunt door sportaccommodaties te beheren en te onderhouden. Beide percentage stegen sinds 2012 licht (niet in figuur).

Huurtarieven gemeentelijke sportaccommodaties
Een deel van de gemeentelijke inkomsten vanuit sportaccommodaties komt voort uit verhuur. Die inkomsten worden deels bepaald door de hoogte van de huurtarieven die gemeenten rekenen voor de verhuur van de sportaccommodaties.
Gemeenten en exploitanten geven het huurtarievenstelsel voor gemeentelijke sporthallen, sportzalen en gymzalen verschillend vorm. Ze hanteren het vaakst een verenigings- en/of een commercieel tarief (Van Eldert et al., 2025). 21 tot 25 procent van de gemeenten en exploitanten maakt geen onderscheid naar type huurder en rekent voor alle gebruikers hetzelfde huurtarief.
In gemeenten waar in het huurtarievenstelsel onderscheid wordt gemaakt naar type huurder, betaalden sportverenigingen in 2024 voor alle typen gemeentelijke binnensportaccommodaties het laagste gemiddelde huurtarief (figuur 3.4). Voor een sporthal betaalden ze gemiddeld 44,43 euro per uur, voor sportzalen en gymzalen gemiddeld respectievelijk 24,64 en 14,01 euro per uur. Andere typen gebruikers betaalden meer, met name organisaties met een winstoogmerk.
Sportverenigingen in gemeenten waar geen onderscheid wordt gemaakt naar type gebruiker, betaalden in 2024 gemiddeld meer voor de huur van een binnensportaccommodatie dan in gemeenten met een specifiek verenigingstarief (figuur 3.4). Dit gemiddelde huurtarief was wel lager dan het gemiddelde maatschappelijke, particuliere en commerciële tarief.

De gemiddelde huurtarieven voor binnensportaccommodaties waren in 2024 hoger in stedelijke gemeenten dan in niet-stedelijke gemeenten (Van Eldert et al., 2025). In gemeenten die de exploitatie van binnensportaccommodaties hebben uitbesteed, waren de gemiddelde huurtarieven hoger dan in gemeenten die de binnensportaccommodaties zelf exploiteren.
Tussen 2023 en 2024 stegen het gemiddelde verenigings- en commerciële tarief voor gemeentelijke sporthallen met respectievelijk 4,3 en 4,4 procent (Van Eldert et al., 2025). Voor gymzalen zien we een vergelijkbare stijging van het gemiddelde verenigings- en commerciële tarief (4,4% en 4,8%). De stijging van het gemiddelde verenigings- en commerciële tarief voor sportzalen lag iets lager: respectievelijk 3,2 en 3,7 procent.
In grote lijnen lijkt de stijging van de huurtarieven voor gemeentelijke sporthallen en gymzalen in 2024 iets hoger de inflatie (Van Eldert et al., 2025).
Huisvestingskosten sportverenigingen
Gemeenten haalden in 2023 ongeveer 42 procent van de totale sportinkomsten uit huurinkomsten (Van Eldert, 2025). Daarmee vormen huurinkomsten binnen de sportbegroting een belangrijke inkomstenbron. Toch is dit voor veel gemeenten niet genoeg om de kosten van binnensportaccommodaties te dekken (Van Eldert & Van der Heijden, 2023).
Gemeenten kunnen de kostendekkendheid van binnensportaccommodaties verhogen door de huurtarieven te verhogen. Maar dit stelt gemeenten ook voor lastige keuzes, omdat ze daarmee zwaarder op de kosten van sportaanbieders drukken. Zeker voor binnensportverenigingen, aangezien huur hun grootste uitgavenpost is (49% in 2023; figuur 3.5).
Voor buitensportverenigingen is de relatieve omvang van deze uitgavenpost lager (19%), omdat deze verenigingen vaker eigenaar en/of exploitant zijn van randvoorzieningen zoals een kantine of clubgebouw. Dit zorgt voor andere uitgavenposten, waardoor de relatieve omvang van de uitgaven aan huur lager zijn. Uitgavenposten zoals onderhoud en beheer (16%) en overige huisvestingskosten (13%) zijn relatief gezien hoger voor buitensportverenigingen.

Sportverenigingen kunnen kostenstijgingen, zoals huurverhogingen, onder andere opvangen door kantineprijzen te verhogen of in te zetten op financiële acties en loterijen. Maar vergeleken met contributies vormen deze inkomstenbronnen slechts een klein aandeel van de totale inkomsten (Van Eldert et al., 2024). Contributies zijn daarmee aan de inkomstenkant een belangrijke knop om aan te draaien.
In de Contributiemonitor van het Mulier Instituut zien we voor een deel van de sporttakken dat de contributies sterker stegen dan de inflatie (Hertogs et al., 2025). Dit kan een vertraagde reactie zijn op de hoge inflatie in voorgaande jaren. Of nog een na-ijleffect van de corona- of energiecrisis.
Landelijke subsidieregelingen
De Rijksoverheid stelt subsidies beschikbaar voor organisaties in de sportsector. We beschrijven hier de subsidies die (deels) betrekking hebben op sportaccommodaties.10
Gemeenten en sportorganisaties kunnen sinds 1 januari 2019 de btw die hun in rekening wordt gebracht voor investeringen in sport niet meer in aftrek brengen. Maar de overheid wil de ontwikkeling en instandhouding van sportaccommodaties en de aanschaf van sportmaterialen wel stimuleren. Daarom stelde ze twee regelingen op ter compensatie van de weggevallen btw-aftrek:
- Specifieke uitkering stimulering Sport (SPUK Sport);
- Stimulering bouw en onderhoud van sportaccommodaties (BOSA).
Specifieke uitkering stimulering Sport (SPUK Sport)
Gemeenten kunnen sinds 2019 gebruikmaken van de subsidieregeling SPUK Sport. Via de SPUK Sport kunnen ze een aanvraag indienen voor compensatie van de btw die aan hen in rekening is gebracht voor investeringen in de hardware van sportaccommodaties en voor exploitatie van sportaccommodaties.
2019 tot en met 2023
Tussen 2019 en 2023 lag het beschikbare budget voor de SPUK Sport jaarlijks op ongeveer 185 miljoen euro (DUS-I, z.d.-b). Dit budget bleef jaarlijks ongeveer hetzelfde, terwijl de regeling elk jaar werd overvraagd door gemeenten en het totale aangevraagde budget jaarlijks steeg. Met name voor nieuwbouw (+40%; figuur 3.6) en renovatie (+81%) vroegen gemeenten in 2023 meer subsidie aan dan in 2019.

Omschrijving van de afbeelding
Het aangevraagde bedrag voor nieuwbouw steeg tussen 2019 en 2023 van 72 naar 100 miljoen euro en dat voor renovatie van 30 naar 54 miljoen euro. De bedragen voor onderhoud bleven op 41 miljoen, die voor beheer en exploitatie stegen van 27 na een dip weer naar 31 miljoen. Het bedrag voor overige roerende zaken daalde licht van 18 naar 16 miljoen en dat vppr overige kosten van 42 naar 36 miljoen.
Omdat het totale aangevraagde bedrag elk jaar hoger lag dan het beschikbare budget, werden de bedragen naar rato verdeeld bij verlening. Bij de vaststelling bleek vervolgens dat er minder gerealiseerd werd dan toegekend. Het verschil tussen het beschikbare budget en het vastgestelde bedrag vloeide vervolgens terug naar de staatskas.
2024 en 2025
De SPUK Sport kreeg in 2024 een vervolg, tot en met 2025. De insteek van de regeling bleef hetzelfde, maar met name in de procedure werden wijzigingen doorgevoerd.
De verdeelsleutel11 bepaalt de hoogte van het voorschot waar een gemeente recht op heeft, maar de gemeente moet wel een aanvraag indien om hier aanspraak op te maken (VSG, z.d.). De uitkering voor 2024 konden gemeenten tot 15 juli 2024 verantwoorden. Vervolgens stelt de Dienst Uitvoering Subsidie aan Instellingen (DUS-I) uiterlijk in het voorjaar van 2026 de uitkering over 2024 vast (DUS-I, z.d.-a).
Voornaamste wijzigingen SPUK Sport 2024-2025
- Gemeenten hoeven geen aanvraag meer te doen op basis van een specificatie of begroting. Het voorschot wordt bepaald op basis van een verdeelsleutel waarmee het volledige beschikbare budget over de gemeenten wordt verdeeld. Deze verdeelsleutel is berekend op basis van het gemiddelde van de gerealiseerde bestedingen van de vorige SPUK-verantwoordingen en afgezet tegen het beschikbare budget. Gemeenten moeten nog wel verantwoording afleggen over de besteding van de uitkering.
- Het uitkeringspercentage12 wijzigde van 17,5 procent naar 18 procent.
- Het beschikbare budget voor de jaren 2024 en 2025 is jaarlijks 189 miljoen euro.
Na 2025
Op 6 oktober 2025 meldde de demissionair staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport dat de SPUK Sport wordt verlengd tot en met 1 september 2027 (Tielen, 2025). Daarmee loopt de regeling in ieder geval tot en met 2026 door.
Stimulering bouw en onderhoud van sportaccommodaties (BOSA)
Amateursportorganisaties kunnen sinds 2019 gebruikmaken van de subsidieregeling BOSA. Via de BOSA kunnen ze een aanvraag indienen voor de bouw- en onderhoudskosten van sportaccommodaties en voor de aanschaf van sportmaterialen.
Alleen stichtingen en verenigingen die kwalificeren als amateursportorganisaties kunnen de BOSA aanvragen. Dit kan op twee manieren:
- De organisatie biedt zelf amateursport aan en is aangesloten bij een sportbond die op de ledenlijst van NOC*NSF staat of bij een van de deelnemende organisaties van het Platform Ondernemende Sportaanbieders (POS).
- De organisatie biedt een sportaccommodatie aan. De locatie van de accommodatie moet in het omgevingsplan de enkelbestemming ‘sport’ hebben of voor minimaal de helft van de ruimte en tijd beschikbaar zijn voor amateursport. Daarnaast moet minimaal één van de gebruikers aangesloten zijn bij NOC*NSF of het POS.
De kosten voor de bouw en het onderhoud van een sportaccommodatie en voor de aanschaf van sportmaterialen zijn subsidiabel. Van deze kosten vergoedt de BOSA-regeling 20 procent. Daarnaast geldt een aanvullende subsidie van 10 procent13 voor activiteiten gericht op energiebesparing, toegankelijkheid, circulariteit en klimaatadaptie.
Subsidieplafond
Tussen 2019 en 2023 bedroeg het subsidieplafond maximaal 94 miljoen euro (in 2020; figuur 3.7) en minimaal 75,5 miljoen euro (in 2022). Voor 2024 was er in eerste instantie 79 miljoen euro beschikbaar, maar omdat de aanvragen in dat jaar erg snel gingen (Rijksoverheid, 2024), verhoogde het ministerie van VWS het subsidieplafond in twee stappen naar uiteindelijk 113,7 miljoen euro.14 Voor 2025 bedraagt het subsidieplafond 74 miljoen euro.

Voor de jaren 2026 tot en met 2028 verlaagt de overheid stapsgewijs het subsidieplafond voor de BOSA-regeling, vanwege bezuinigingen uit het Hoofdlijnenakkoord. Hierdoor blijft er voor 2026 en 2027 jaarlijks 43,5 miljoen euro over en voor 2028 nog 26 miljoen euro (figuur 3.7).
Toegekende subsidie
In de periode 2019 tot en met 2023 kende DUS-I in totaal 336 miljoen euro BOSA-subsidie toe aan amateursportorganisaties (figuur 3.8). In 2020 en 2021 lag het totaal toegekende subsidiebedrag nog wat lager, mogelijk vanwege de coronacrisis, maar in de jaren erna zien we een stijging.

Omschrijving van de afbeelding
Staafdiagram. Het bedrag daalt van 70 miljoen in 2019 naar 51,6 en 54,1 miljoen in 2020 en 2021 en stijgt dan naar 75,1 en 84,9 miljoen in 2022 en 2023
Cijfers over het toegekende subsidiebedrag voor 2024 zijn momenteel (oktober 2025) nog niet beschikbaar. Maar de BOSA-regeling werd in 2024 al snel overvraagd en de aanvragen werden per 1 augustus 2024 stopgezet (Rijksoverheid, 2024). De kans is daarom groot dat de stijging van de totale toegekende subsidie van de voorgaande jaren zich ook in 2024 voortzet. Ook de aanvragen voor de BOSA-regeling in 2025 zijn vroegtijdig gestopt, aangezien op 15 april 2025 al meer dan 155 procent van het budget was aangevraagd (DUS-I, z.d.-c).
BOSA en DUMAVA
Om de bezuinigingen op de BOSA-regeling voor een deel op te vangen, stelt de overheid de Subsidieregeling voor verduurzaming van maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) sinds 2025 open voor amateursportorganisaties. 2025 is daarbij een overgangsjaar, waarin amateursportorganisaties voor verduurzamingsmaatregelen nog kunnen kiezen tussen de BOSA of de DUMAVA.
Om de bezuinigingen op de BOSA-regeling voor een deel op te vangen, stelt de overheid de Subsidieregeling voor verduurzaming van maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) sinds 2025 open voor amateursportorganisaties. 2025 is daarbij een overgangsjaar, waarin amateursportorganisaties voor verduurzamingsmaatregelen nog kunnen kiezen tussen de BOSA of de DUMAVA.
De regelingen verschillen op een aantal punten, zoals het subsidiepercentage, het aantal aanvragen per jaar en of de regeling alleen vooraf of ook na uitvoeren van de maatregelen is aan te vragen.
Op de website van DUS-I staat een overzicht met de belangrijkste verschillen tussen de BOSA en DUMAVA: https://www.dus-i.nl/subsidies/stimulering-bouw-en-onderhoud-sportaccommodaties/bosa-en-dumava.
In september 2025 is een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht de regels voor de DUMAVA aan te passen, zodat deze meer gelijk gaat lopen met de oorspronkelijke BOSA (Van Dijk & Van Nispen, 2025). Door de aanpassing van de regels moet de DUMAVA ook voor nieuwbouw van sportaccommodaties in te zetten zijn.
Borgstelling investeringen sportaccommodaties
Stichting Waarborgfonds Sport (SWS) speelt een grote rol in de financiële ondersteuning van sportorganisaties die amateursport aanbieden. De stichting verstrekt borgstellingen aan sportorganisaties wanneer deze een bancaire lening willen aanvragen voor investeringen in sportaccommodaties. Sportorganisaties zijn voor de investeringen vaak afhankelijk van zo’n lening en banken zijn vaak terughoudend deze te verstrekken zonder voldoende zekerheid. Met de borgstellingen biedt SWS deze zekerheid.
In 2024 kende SWS 116 borgstellingen toe (Stichting Waarborgfonds, 2025). Dit is minder dan in de voorgaande vier jaar. SWS noemt deze afname in haar jaarverslag verklaarbaar. Volgens SWS stelden sportorganisaties investeringen uit of af, met als belangrijkste oorzaken de hogere rentetarieven en de uitputting van de BOSA-subsidie.
Voor de 116 toekenningen door SWS in 2024 bedroeg het totale borgstellingskapitaal 12 miljoen euro (figuur 3.9). Hiermee konden sportorganisaties in totaal 31,9 miljoen euro lenen bij banken. Dit maakte 73,8 miljoen euro aan investeringen mogelijk.

Omschrijving van de afbeelding
De borgstellingen stijgen van 12,3 miljoen euro in 2020 naar 18,2 miljoen in 2022 en dalen dan naar 12 miljoen in 2024. De leningen stijgen van 23,4 miljoen euro in 2020 naar 50 miljoen in 2022 en dalen dan naar 31,9 miljoen in 2024. De investeringen stijgen van 58,5 miljoen euro in 2020 naar 105 miljoen in 2022 en dalen dan naar 73,8 miljoen in 2024.
Hoofdstuk 4 Duurzaamheid
Chris Dalhuisen, Vieve Jaspers, Remco Hoekman & Karin Wezenberg-Hoenderkamp
In dit hoofdstuk bespreken we de beleidsmatige inbedding van de aandacht voor duurzame sportaccommodaties en de voortgang op de verduurzaming van de sportinfrastructuur in Nederland.
We gaan in op:
- de energieafname en energielabels van sportaccommodaties en de getroffen duurzaamheidsmaatregelen;
- de voortgang op het milieuvriendelijk beheer van grassportvelden;
- andere onderzoeken op het thema sport en duurzaamheid, zoals naar de inspiratiewaarde van duurzaamheidsmaatregelen in de sport.
4.1 Inleiding
Om de sportinfrastructuur te verduurzamen werken partners uit de sportsector samen via de Routekaart Verduurzaming Sport. Hierin staan vier thema’s centraal:
- energie;
- milieuvriendelijk beheer;
- circulariteit;
- klimaatadaptatie.
Op deze thema’s zijn doelstellingen geformuleerd en worden verschillende activiteiten ingezet (zie kader). In 2025 waren de activiteiten waarnaar we onderzoek doen voor de Routekaart, gelijk gebleven aan eerdere jaren. Dit houdt in dat we gegevens verzamelen over energieverbruik en het milieuvriendelijk beheer van sportvelden. En dat we gebruik maken van de ingediende BOSA-aanvragen. Er is vanuit de Routekaart geen specifieke monitoring van circulariteit en klimaatadaptatie.
Routekaart Verduurzaming Sport
Over de Routekaart
De Routekaart Verduurzaming Sport is een gezamenlijk stuk van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), NOC*NSF, Vereniging Sport en Gemeenten (VSG), het Platform Ondernemende Sportaanbieders (POS), de Branchevereniging Sport en Cultuurtechniek (BSNC), en het Kenniscentrum Sport & Bewegen.
In de Routekaart staan doelen voor verschillende dimensies van duurzaamheid. Dit gaat om de COâ‚‚-uitstoot van sportaccommodaties, gewasbeschermingsmiddelen op sportvelden, circulair materiaalgebruik en klimaatadaptieve sportaccommodaties (weerbaar maken tegen het veranderende klimaat).
Doelstellingen
Elk van de vier onderdelen van de Routekaart heeft een eigen aanloop. Zo komt de reductiedoelstelling voor sportaccommodaties voort uit het Nationaal Klimaatakkoord uit 2019, de Nederlandse aanpak om te voldoen aan het Parijs-akkoord uit 2015 (internationaal klimaatakkoord). Hierin staat dat maatschappelijk vastgoed, waaronder sport, vanaf 2050 95 procent minder COâ‚‚ moet uitstoten, met een tussendoelstelling van 55 procent minder in 2030.
De tweede doelstelling, over gewasbeschermingsmiddelen, was een al bestaande ambitie vanuit de Greendeal Sportvelden. Toen deze in 2020 afliep, werd de doelstelling om geen gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen opgenomen in de Routekaart.
De derde doelstelling, gebruik maken van circulaire materialen, is opgenomen vanwege een groeiende berg oude kunstgrasvelden en bouwmaterialen van sportaccommodaties.
Tot slot is vanuit het vertrekpunt van een veilige en gezonde sportomgeving besloten klimaatadaptatie als laatste doelstelling mee te nemen. De ambitie is ervoor te zorgen dat sportaccommodaties beter bestand zijn tegen extreme regenval, droogte of hitte als gevolg van klimaatverandering.
4.2 Energieafname
De sportsector heeft als doel haar COâ‚‚-uitstoot met 50 procent te verminderen in 2030 ten opzichte van 2018 (Duurzame Sportsector, 2022). Om de voortgang op deze doelstellingen te volgen, onderzoekt het Mulier Instituut data over de werkelijke energieafname van het CBS en het Kadaster, data vanuit aanvragen voor BOSA-subsidie, en data uit vragenlijsten onder sportverenigingen en gemeenten.
Er zijn ten opzichte van de vorige publicatie (Ruikes & Schadenberg, 2024) geen nieuwe data beschikbaar uit vragenlijsten onder sportverenigingen en gemeenten. Hierover rapporteert het Mulier Instituut in 2026.
In het afgelopen jaar is duidelijk geworden dat het vanuit de CBS-data niet mogelijk was de huidige energieafname op een goede manier te vergelijken met de energieafname uit 2018. Daarom besteden we alleen aandacht aan de recente jaren waarvoor een vergelijking wél mogelijk is.
Hiervoor hebben we gegevens over maatschappelijk vastgoed en energieafname vanaf 2022 aan elkaar gekoppeld. Sportaccommodaties is één van de typen maatschappelijk vastgoed die het CBS en het Kadaster hierbij meenemen. Daarbij maken we gebruik van de gegevens van sportaccommodaties uit de Database SportAanbod (DSA). Op basis van deze koppeling presenteren we in figuur 4.1 de energieafname van sportaccommodaties voor de jaren 2022 en 2023.
Het is goed te zien dat de aardgasafname afneemt tussen 2022 en 2023. Alleen bij buitenzwembaden is een stijging te zien. Die zien we ook terug bij de elektriciteitsafname bij buitenzwembaden. Bij binnenzwembaden is wel een daling van zowel gas- als elektriciteitsafname zichtbaar. De elektriciteitsafname laat in de breedte een wisselend beeld zien. Bij diverse accommodatietypen is die licht toegenomen, terwijl bij andere typen een lichte daling te zien is.
In 2022 bedroeg de totale elektriciteitsafname van sportaccommodaties 897.910.000 kWh, terwijl dit in 2023 905.670.000 kWh was. Dat is een lichte stijging van ongeveer 0,9 procent. De totale gasafname nam juist af: van 224.185.000 m³ in 2022 naar 201.155.000 m³ in 2023, een daling van circa 10 procent. Hiermee neemt de elektriciteitsafname (nog) niet af, terwijl de gasafname duidelijk verder terugloopt.

Omschrijving van de afbeelding
Bij binnenzwembaden en fitnessaccommodaties nam het elektriciteitsgebruik licht af tussen 2022 en 2023. Bij buitenzwembaden nam het sterk toe en bij binnensport overig, overige breedtesportaccommodaties en alle sportaccommodaties samen licht. Het bleef gelijk bij ijsbanen en topsport/stadions. Het aardgasgebruik nam licht af bij binnenzwembaden, ijsbanen, topsport/stadions, binnensport overig, fitness, overige breedtesport en alle sportaccommodaties. Het nam licht toe bij buitenzwembaden.
4.3 Energielabels
Sinds 2021 maakt het Mulier Instituut een overzicht van de energielabels bij sportaccommodaties. De beschikbare data over energielabels vanuit EP-online (zie kader) hebben we gekoppeld aan de sportaccommodaties uit de DSA. Sinds 2021 gebruiken we dezelfde dataset van sportaccommodaties, zodat ontwikkelingen zichtbaar zijn. De energielabels zijn onafhankelijke evaluaties van de gebouwen en geven inzicht in de energiezuinigheid.
Landelijk worden alle energielabels en energieprestatie-indicatoren van gebouwen vastgelegd in EP-online. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beheert deze database. De openbare informatie is door iedereen te raadplegen.
Het aantal sportaccommodaties waarvoor een energielabel via EP-online beschikbaar is, is sterk toegenomen. In 2021 waren van 288 sportaccommodaties energielabels beschikbaar, in 2025 zijn dat er 5.257. Dit vertegenwoordigt nog altijd een klein deel van de 18.720 sportaccommodaties in Nederland die we hebben meegenomen in de analyse. In figuur 4.2 is de verdeling van de energielabels te zien.

Omschrijving van de afbeelding
Verreweg de meeste accommodaties hebben label A (1.721). Daarna volgen C (602), A+ (528) en G (493). Het minst vaak komen A++++ (34), A+++ (70) en F (163) voor.
Ten opzichte van eerdere jaren is de verdeling tussen de energielabels niet veel veranderd (tabel 4.1). Bijna een kwart van de sportaccommodaties met een energielabel heeft een energielabel van D of lager.
| Energielabel | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 |
|---|---|---|---|---|---|
| A+++++ | – | 0 | 0 | 0 | 1 |
| A++++ | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
| A+++ | 5 | 5 | 5 | 5 | 4 |
| A++ | 12 | 12 | 11 | 11 | 7 |
| A+ | 22 | 19 | 18 | 18 | 10 |
| A | 16 | 15 | 17 | 16 | 33 |
| B | 11 | 9 | 10 | 10 | 9 |
| C | 11 | 12 | 14 | 14 | 11 |
| D | 6 | 7 | 6 | 7 | 7 |
| E | 3 | 5 | 5 | 5 | 5 |
| F | 2 | 3 | 3 | 3 | 3 |
| G | 11 | 13 | 10 | 10 | 9 |
Recenter gebouwde sportaccommodaties hebben vaker een hoger energielabel
(figuur 4.3).

Omschrijving van de afbeelding
Van de accommodaties die voor 1950 zijn gebouwd, heeft 27 procent label A of beter. 52 procent heeft label D of slechter. Hoe nieuwer de accommodatie, hoe vaker deze een label A of beter heeft en hoe minder vaak een label D of slechter. 100% van de accommodaties die vanaf 2020 zijn gebouwd, heeft label A of beter.
4.4 BOSA-subsidieaanvragen voor duurzaamheidsmaatregelen
Over de BOSA (en DUMAVA)
Sportverenigingen met een eigen accommodatie kunnen voor duurzaamheidsmaatregelen subsidie aanvragen via de subsidie bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA). Hieronder vallen maatregelen die energie besparen en duurzaam opwekken.
Bij elkaar geven deze aanvragen een indicatie van de mate waarin sportverenigingen hun accommodaties aan het verduurzamen zijn. Dit is geen volledig overzicht, omdat niet alle sportverenigingen deze subsidie weten te vinden. Ook was het beschikbare budget in 2024 en 2025 ontoereikend voor alle aanvragen.
Sportverenigingen konden vanaf dit jaar naast de BOSA als alternatief gebruik maken van de subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA, zie paragraaf 3.3). Op dit moment is geen informatie beschikbaar over deze aanvragen. Daarom richten we ons in dit deel alleen op de BOSA subsidie.
Sluiting aanvraagloket
In de BOSA-regeling staat dat het aanvraagloket gesloten wordt op het moment dat het totale aangevraagde subsidiebedrag 155 procent van het subsidieplafond voor dat kalenderjaar bedraagt. Het subsidieplafond van de BOSA voor 2025 is 74 miljoen euro. Op 16 april was er voor 155 procent aangevraagd en is het aanvraagloket gesloten (Ministerie van VWS, 2025d). In 2024 werd het loket op 1 augustus gesloten.
In 2025 is de BOSA compleet benut en konden sportverenigingen voor het eerst gebruik maken van de DUMAVA-subsidie. Er zijn nog geen data beschikbaar van de aangevraagde DUMAVA-subsidies, maar in werkelijkheid ligt hiermee het investeringsbedrag in duurzaamheidsmaatregelen met landelijke subsidie dus mogelijk hoger dan we hier weergeven.
Piek investeringen voorbij
Sportverenigingen blijven investeren in vergaande duurzaamheidsmaatregelen, maar de piek sinds de sterk stijgende energieprijzen in 2022 is voorbij. Hierover kunnen we betere uitspraken doen wanneer de RVO de resultaten deelt van de DUMAVA-aanvragen vanuit sportverenigingen (verwacht in 2026).
Vooral energiebesparende maatregelen
Het gros van de investeringen gaat naar energiebesparende maatregelen (tabel 4.2). Dit is niet anders dan eerdere jaren (Ruikes & Schadenberg, 2024). Wel zijn voor alle categorieën de bedragen lager dan in 2023.
| Maatregel | Aantal aangevraagd | Aantal goedgekeurd | Bedrag aangevraagd | Bedrag goedgekeurd |
|---|---|---|---|---|
| Energiebesparing16 | 965 | 492 | 64.360 | 36.055 |
| Circulair17 | 19 | 2 | 1.664 | 214 |
| Klimaatadaptatie18 | 21 | 13 | 1.046 | 679 |
De meeste van de vijf meest aangevraagde energiebesparende maatregelen zijn minder vaak aangevraagd dan in de twee jaar hiervoor (tabel 4.3). Vooral de aanvragen voor zonnepanelen en ledverlichting zakken ver terug, terwijl warmtepompen en isolatie relatief hoog blijven.
Dit komt mede doordat het subsidiebudget in 2025 lager is. Ook was in 2024 een subsidie van 40 procent beschikbaar voor duurzaamheidsmaatregelen, tegenover 30 procent in 2025. Mogelijk hebben hierdoor in 2024 meer verenigingen de stap gezet om subsidie aan te vragen of hebben ze toen meer maatregelen genomen, waardoor het totale investeringsbedrag in dat jaar hoger uitvalt.
| Maatregel | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 202519 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Sportveldverlichting | 10.808 | 11.743 | 16.490 | 17.128 | 16.772 | 13.668 |
| Ledverlichting | 9.643 | 9.469 | 11.797 | 12.882 | 11.602 | 5.305 |
| Zonnepanelen | 7.149 | 6.773 | 9.402 | 21.754 | 17.865 | 10.150 |
| Warmtepomp | 3.508 | 2.362 | 5.924 | 9.463 | 20.914 | 14.893 |
| Isolatie voor bestaande accommodaties | 3.495 | 3.270 | 4.129 | 10.970 | 10.175 | 8.893 |
4.5 Milieuvriendelijk beheer van sportvelden
(Kunst)grassportvelden hebben onderhoud nodig om geschikt te blijven voor sportbeoefening. Bij dit onderhoud wordt in sommige gevallen gebruik gemaakt van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen. De sportsector heeft in de Routekaart Verduurzaming Sport de ambitie gesteld het gebruik van deze middelen te stoppen. Maar uit de Monitor milieuvriendelijk beheer sportvelden blijkt dat nog altijd een deel van de velden onderhouden wordt met gewasbeschermingsmiddelen.
Uit vragenlijsten onder gemeenten en interviews met groenbeheerders blijkt dat een klein deel van de gemeenten deze middelen nog wel eens gebruikt. Groenbeheerders passen ze in uitzonderlijke situaties toe. Deze situatie lijkt in de afgelopen jaren weinig te veranderen. Gemeenten en groenbeheerders hebben behoefte aan regionale kennisuitwisseling om beter in te kunnen spelen op lokale omstandigheden en de schadelijke middelen geheel los te laten.
Om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen objectiever vast te stellen en beter te kwantificeren, denken we na over mogelijkheden om gebruik te maken van grondmonsters voor de monitoring. Zo kunnen we vaststellen welke gewasbeschermingsmiddelen in de afgelopen periode gebruikt zijn op de grassportvelden. Eerste pilots zijn hiervoor opgestart.
Meer informatie over milieuvriendelijk beheer van sportvelden staat in het rapport ‘Monitor milieuvriendelijk beheer sportvelden 2024’ (Dalhuisen & Hoekman, 2024).
4.6 Duurzaamheid in sportonderzoek
In 2025 hebben het Mulier Instituut en het lectoraat ‘Bewegen, school en sport’ (Hogeschool Windesheim) een verkennend onderzoek uitgevoerd op het thema duurzaamheid. Hierin keken we naar de aanpak vanuit beleid, naar sportorganisaties in de praktijk, en naar onderzoeken rondom dit thema.
Uit het onderzoek blijkt dat de Nederlandse sportsector op het gebied van duurzaamheid vooral bezig is met energieverbruik. Andere onderdelen, zoals biodiversiteit en landgebruik, blijven grotendeels buiten beeld.
Onderzoek kan op drie manieren bijdragen aan het thema duurzaamheid in de sport:
- Onderzoekers kunnen de impact van Nederlandse sporters en sportorganisaties op de natuur en andersom in kaart brengen, zodat relevante ontwikkelingen voor beleid door de tijd heen te volgen zijn.
- Sportbeleid en duurzaamheidsbeleid kruisen elkaar soms. Denk aan fietsen als oplossing voor beweeg- én klimaatdoelen. Er is diepgaand onderzoek nodig naar deze overlap.
- De financiering van sport is een belangrijk knelpunt voor verduurzaming. Onderzoek kan helpen alternatieve financieringvormen te verkennen.
Sportopleidingen kunnen studenten beter voorbereiden op de rol van duurzaamheid in het werkveld:
- Vergroot de basiskennis over duurzaamheid. Alumni geven namelijk aan dat ze in de praktijk te weinig weten over zaken zoals circulariteit.
- Bereid studenten voor op keuzes waarin ze ecologische, sociale en economische belangen afwegen.
- Erken dat er een grens is aan de kennis over duurzaamheid die je van sportprofessionals mag verwachten. Leer studenten hun eigen grenzen te herkennen en samen te werken met deskundigen uit andere disciplines.
Meer bevindingen uit deze verkenning staan in het rapport ‘Duurzaamheid in de sportsector’ (Dalhuisen et al., 2025).
4.7 Inspiratie-effect duurzaamheidsmaatregelen
Mogelijk effect
Duurzame sportaccommodaties kunnen sporters en bezoekers mogelijk inspireren om zelf duurzamer te handelen. Dit zogenaamde inspiratie-effect is nog niet definitief vastgesteld, maar vormt wel een interessant aandachtspunt voor onderzoek.
Er zijn verschillende Nederlandse en Europese regelingen die verenigingen ondersteunen bij verduurzaming van hun accommodaties. Voorbeelden zijn de genoemde BOSA en DUMAVA en de Europese financiële regeling Sport for People and Planet uit 2023 (Europese Commissie, z.d.). Deze regelingen maken het mogelijk dat verenigingen zichtbaar duurzame maatregelen nemen, zoals zonnepanelen, isolatie of waterbesparing, die een mogelijke rol kunnen spelen in het inspireren van hun sporters en bezoekers.
Nationaal Sportonderzoek
In het Nationaal Sportonderzoek (NSO) zijn in 2023 en 2025 vragen gesteld over duurzaamheidsmaatregelen. De belangrijkste resultaten zijn:
- 20 procent van de bevraagden in 2025 gaf aan dat hun sportvereniging of andere sportaanbieder in de afgelopen vijf jaar heeft geïnvesteerd in energiebesparende maatregelen of duurzame energieopwekking. Dit is 3 procentpunten meer dan in 2023 (NSO voorjaar 2023 en voorjaar 2025).
- Leden van een sportvereniging hebben in de afgelopen vijf jaar vaker geïnvesteerd in energiebesparende maatregelen dan niet-leden (58% vs. 36%) (NSO voorjaar 2025).
- Het aandeel mensen dat is aangezet tot energiebesparing thuis doordat ze duurzame maatregelingen hebben gezien bij hun sportvereniging of andere sportaanbieder, was in 2025 hoger dan in 2023 (16% vs. 12% ‘helemaal’; figuur 4.4). Het aandeel dat aangeeft dat dit helemaal niet het geval is, bleef nagenoeg stabiel (31% vs. 30%). Dit laat zien dat een kleine groep mensen mogelijk wordt geïnspireerd en dat deze groep in de afgelopen jaren iets lijkt te zijn gegroeid.

Hoofdstuk 5 Toegankelijkheid
Robin Rauws & Karin Wezenberg-Hoenderkamp
In dit hoofdstuk beschrijven we beleid, onderzoeken en ontwikkelingen op het gebied van de toegankelijkheid van sport en bewegen voor mensen met een beperking. In paragraaf 5.2 gaan we in op beleid en regelgeving. In paragraaf 5.3 beschrijven we wat er bekend is over sportaanbod voor mensen met een beperking. Paragraaf 5.4 gaat over de ervaringen met wandelen en zwemmen van mensen met een beperking.
5.1 Inleiding
Iets meer dan de helft van alle Nederlanders sport wekelijks. Maar de sportdeelname onder mensen met een beperking, een laag inkomen en een migratieachtergrond is veel lager. Ook voelt niet iedereen zich welkom bij bijvoorbeeld sportverenigingen, bijvoorbeeld vanwege hun culturele achtergrond of seksuele geaardheid.
De partners van Sportakkoord II zetten bij het thema Inclusie en Diversiteit in op een toegankelijke en laagdrempelige sector, waarin iedereen die mee wil doen daadwerkelijk mee kan doen. En waarin sprake is van kansengelijkheid in en door sport- en beweegdeelname.
In het sportakkoord wordt onderscheid gemaakt in de financiële, sociale en praktische toegankelijkheid. In dit hoofdstuk richten we ons vooral op praktische toegankelijkheid. Of specifieker: fysieke toegankelijkheid.
In het jaarrapport van vorig jaar (Ruikes & Schadenberg, 2024) constateerden we dat lang niet alle sportaccommodaties in Nederland toegankelijk zijn voor iedereen, hoewel gemeenten hier al wel mee aan de slag zijn. Veel gemeenten ervaren belemmeringen bij het toegankelijk(er) maken van sportaccommodaties, zoals een gebrek aan geld, tijd en kennis over of zicht op welke accommodaties ze toegankelijk moeten maken en welke aanpassingen er nodig zijn.
5.2 Beleid en regelgeving
Nationaal
In 2016 bekrachtigde Nederland het VN-verdrag Handicap. Sindsdien is er (meer) aandacht gekomen voor sporten en bewegen voor mensen met een beperking in verschillende landelijke visies, strategieën en kaders. We bespreken de belangrijkste.
Sportakkoord II
Het Sportakkoord stelt dat gemeenten, uitvoeringsorganisaties en sportaanbieders samen kunnen werken om de praktische toegankelijkheid van sportieve activiteiten en locaties te waarborgen. Gemeenten hebben hierin een beleidsuitvoerende rol, waarin zij samenwerken met inwoners met een beperking.
Voor sportaanbieders is er slechts de rol om zich bewust te zijn ‘van het belang van praktische toegankelijkheid voor hun huidige sporters en mogelijke toekomstige sporters’ en ‘van de bestaande ondersteuning en regelingen om de praktische toegankelijkheid te vergroten’, aldus het werkplan Sportakkoord (Ministerie van VWS et al., 2024, p. 7).
Strategie ‘Sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend in 2030’
De praktische toegankelijkheid van sportieve activiteiten en locaties staat in de Strategie 2030, tot stand gekomen onder leiding van het ministerie van VWS. 57 verschillende partijen hebben zich gecommitteerd aan de Strategie.
De Strategie bestaat uit verschillende pijlers. De pijler Randvoorwaarden richt zich onder meer op de toegang tot sporthulpmiddelen, sportvervoer en de toegankelijkheid van sportaccommodaties. Eén van de vier doelen van de pijler is: ‘In 2030 is het van alle sportaccommodaties inzichtelijk of deze wel of niet toegankelijk zijn voor mensen met een handicap (zowel sporters, vrijwilligers, als toeschouwers).’
Eerder dit jaar vond onder leiding van NOCNSF een bijeenkomst plaats over de toegankelijkheid van sportaccommodaties met de partijen die dit doel hebben ondertekend. Op basis van de inzichten daaruit stelt NOCNSF een plan van aanpak op.
Ook gaat NOCNSF, samen met andere partijen, een zelfscan ontwikkelen. Deze kunnen accommodatiebeheerders gebruiken om te controleren of hun accommodatie voldoende toegankelijk is voor mensen met een beperking. NOCNSF zoekt nog naar aanvullende financiële middelen om de zelfscan te ontwikkelen (Van Lindert et al., 2025). Hierbij moeten ze nog vaststellen op basis van welke criteria ze bepalen wanneer een sportaccommodatie ‘toegankelijk’ is.
Werkagenda VN-verdrag Handicap
In de werkagenda van het Rijk voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap staan vooral maatregelen die overeenkomen met de acties uit de Strategie 2030. Bijvoorbeeld over de toegang tot sporthulpmiddelen en sportaccommodaties.
Toegankelijke openbare ruimte
Anders dan in het Sportakkoord en de Strategie 2030 staan in de werkagenda maatregelen die moeten bijdragen aan een toegankelijke openbare ruimte voor mensen met een beperking. Zo moeten uit de City Deal Toekomstbestendige Gebiedsontwikkeling randvoorwaarden en ontwerpprincipes komen voor de inrichting van de openbare ruimte, met toegankelijkheid als een belangrijk thema.
In de werkagenda constateert het ministerie van VWS dat er al veel kennis is over toegankelijkheid, maar dat deze nog niet altijd wordt toegepast. Hoe gemeenten en andere partijen bestaande kennis kunnen toepassen, gaan de ministeries van VRO en VWS komend jaar uitwerken samen met gemeenten, VNG en kennispartijen (Ministerie van VWS, 2025b, pp. 43-44).
Daarmee geeft de werkagenda nog geen duidelijke kaders. Ook noemt de werkagenda niet de ambitie om ruimtelijke toegankelijkheidsnormen in wetgeving vast te leggen.
Toegankelijke sportaccommodaties
In de werkagenda voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap staat dat het ministerie van VWS investeringen in sportaccommodaties stimuleert voor onder andere toegankelijkheid via de BOSA (Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties). Met deze regeling subsidieert het ministerie:
- 20 procent van de investeringen in de bouw en het onderhoud van sportaccommodaties en sportmaterialen;
- 30 procent van de investeringen in toegankelijkheid en verduurzaming (Ministerie van VWS, 2025b, p. 86).
Sinds 2020 zijn er 535 BOSA-subsidies voor toegankelijkheidsmaatregelen aangevraagd, waarvan er 229 zijn goedgekeurd (43%) (tabel 5.1). In totaal is er een bedrag van bijna 6 miljoen euro mee gemoeid.
| Jaar | Aantal aangevraagd | Aantal goedgekeurd | Bedrag aangevraagd | Bedrag goedgekeurd |
|---|---|---|---|---|
| 2020 | 78 | 23 | 1.328 | 758 |
| 2021 | 84 | 46 | 1.592 | 589 |
| 2022 | 101 | 47 | 1.576 | 894 |
| 2023 | 107 | 59 | 3.863 | 2.145 |
| 202420 | 110 | 31 | 2.877 | 809 |
| 202521 | 55 | 23 | 1.860 | 687 |
Voor de jaren 2026-2028 verlaagt de overheid stapsgewijs het subsidieplafond voor de BOSA-regeling, vanwege bezuinigingen uit het Hoofdlijnenakkoord. Om de bezuinigingen op de BOSA-regeling voor een deel op te vangen, stelt de overheid de Subsidieregeling voor verduurzaming van maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) sinds 2025 open voor amateursportorganisaties.
Het is nog niet zeker of amateursportorganisaties subsidie kunnen aanvragen voor het verbeteren van de toegankelijkheid. In september 2025 is wel een motie aangenomen die de regering verzoekt de regels voor de DUMAVA aan te passen, zodat deze meer gelijk loopt met de oorspronkelijke BOSA (Van Dijk & Van Nispen, 2025).
Het is ons niet bekend wat voor maatregelen met BOSA-subsidie zijn uitgevoerd en of de toegankelijkheid daarmee daadwerkelijk is verbeterd. Een belangrijke actie uit de pijler Randvoorwaarden (Strategie 2030) is dan ook een ‘verkenning [uitvoeren] over maatregelen om accommodaties toegankelijk te maken en beter benutten’ (Van Lindert et al., 2025).
Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025 Het Mulier Instituut, koepelorganisaties (NOC*NSF, POS, MOS, VSG), sportbonden, brancheorganisaties, eigenaren en exploitanten moeten deze verkenning uitvoeren, aldus de Strategie 2030 en de werkagenda van het VN-verdrag (Ministerie van VWS, 2025b, p. 89).
Toegankelijkheidsmaatregelen die in aanmerking komen voor BOSA-subsidie
Samen met de sportsector, vertegenwoordigers van de betreffende doelgroepen en bouwkundig experts zijn maatregelen vastgesteld die voor BOSA-subsidie in aanmerking komen. Voor deze maatregelen is gekozen omdat zij tot verregaande verbetering van de toegankelijkheid van de sportaccommodatie voor de doelgroepen leiden. Het kan bij alle maatregelen gaan om nieuwbouw of renovatie van bestaande accommodaties. Daarnaast zijn onderstaande maatregelen omvangrijk in kosten. De investering in deze maatregelen is, zeker voor kleinere verenigingen en stichtingen, nu vaak een drempel. Door subsidie te verstrekken voor deze maatregelen hoopt het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een extra stimulans te geven om onderstaande investeringen in toegankelijkheid te doen (DUS-I, z.d.-d).
Toegankelijkheidsmaatregelen worden enkel aanvullend gesubsidieerd als deze voor het eerst worden gerealiseerd. Onderhoud aan of vervangen van bestaande voorzieningen wordt niet aanvullend gesubsidieerd.
De maatregelen:
- automatische deur;
- toegang sportrolstoelen;
- lift;
- integraal toegankelijk toilet;
- tillift voor personen;
- luie zwembadtrap;
- akoestiek;
- voorziening voor slechthorenden;
- klok;
- toegang sportrolstoelen voor buitensportvelden, banen, -terreinen
Instructieregel Rijk over toegankelijkheid openbare ruimte
De inrichting en het beheer van de openbare ruimte is voornamelijk de bevoegdheid van gemeenten. Onder meer de Omgevingswet vormt het wettelijke kader waarbinnen gemeenten (en provincies) opereren. Visies en beleid geven concrete invulling aan de kwaliteitseisen die de gemeente stelt aan de openbare ruimte.
Wanneer het gaat om de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor mensen met een beperking, zijn de kaders minder duidelijk. Er is de Instructieregel Rijk over toegankelijkheid openbare ruimte (IPLO, z.d.). Maar deze stelt slechts dat toegankelijkheid een ‘verplichte afweging’ moet zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het is voor gemeenten en provincies dus ook mogelijk om de openbare ruimte niet toegankelijk in te richten.
Waarom is toegankelijke openbare ruimte belangrijk?
Belang van toegankelijkheid
Je (zo) zelfstandig (mogelijk) kunnen verplaatsen is een mensenrecht volgens het VN-verdrag Handicap (VN/VN-comité handicap, 2006, artikel 9). Bovendien is persoonlijke mobiliteit belangrijk voor de fysieke en mentale gezondheid (o.a. Clayton et al., 2017; Emerson et al., 2021; Inckle, 2019). Dat de openbare ruimte toegankelijk is, is een voorwaarde om buitenshuis van A naar B te kunnen komen. Toegankelijke openbare ruimte kan mensen dus in staat stellen zelfstandig te reizen.
Ongeveer 2 miljoen Nederlanders hebben een beperking (Rijksoverheid, z.d.). De verwachting is dat dit aandeel door vergrijzing en een toename in chronische aandoeningen toeneemt (WHO, 2023). Omdat het om een grote en groeiende groep Nederlanders gaat, is het belangrijk dat diensten, producten en locaties zijn ingericht op mensen met een beperking. Kortom: Nederland moet voor deze groep toegankelijk zijn.
Belang van (actieve) mobiliteit
Onderdeel van diensten, producten en locaties die toegankelijk moeten zijn, zijn onder meer de openbare ruimte en vervoer (VN/VN-comité handicap, 2006, artikel 9 en artikel 20). Toegang tot vervoer, waarbij toegang tot de openbare ruimte een voorwaarde is, is voor mensen met een beperking belangrijk om verschillende redenen:
- Mobiliteit is belangrijk voor (sociale) inclusie en om te kunnen meedoen in de samenleving. Bijvoorbeeld vrienden en familie bezoeken, een uitje in de vrije tijd of zelfstandig naar winkels en je Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025 werk gaan (Bigonnesse et al., 2018; Magasi et al., 2018). Als je deze mogelijkheden niet hebt, kan dat leiden tot isolatie en eenzaamheid, met een negatieve impact op je welzijn (Emerson et al., 2021).
- Specifiek actieve mobiliteit (zoals wandelen en fietsen) is van belang voor de fysieke gezondheid van mensen met een beperking. Kiezen voor actief vervoer is een effectieve manier om te voldoen aan de WHO-beweegrichtlijnen. Uit een onderzoek van het Kennisinstituut voor mobiliteitsbeleid (KiM) bleek dat een Nederlander al grotendeels aan de beweegrichtlijnen voldoet door actieve mobiliteit alleen (De Haas & Van den Berg, 2019).
- Verder kan (zelfstandige) actieve mobiliteit bijdragen aan een gevoel van toegankelijkheid, zelfverzekerdheid en vrijheid, zeker wanneer het mogelijk is om spontaan op pad te gaan (Clayton et al., 2017; Inckle, 2019).
Provincies
De inrichting en het beheer van de openbare ruimte zijn vooral de verantwoordelijkheid van gemeenten, maar dat geldt in mindere mate wanneer die openbare ruimte zich buiten de bebouwde kom bevindt. Dan is vaak de provincie verantwoordelijk. Ook voor provincies is de Instructieregel Rijk over toegankelijkheid openbare ruimte van toepassing.
Provincies richten zich hierbij onder meer op de toegankelijkheid van het regionale openbaar vervoer (tram en bus). Dat valt onder hun takenpakket. Het gaat dan om de toegankelijkheid van het materieel, de haltes, de reisinformatie en de openbare ruimte rondom de haltes. Zo kunnen ook mensen met een beperking met het openbaar vervoer sportieve voorzieningen en andere bestemmingen bereiken.
Gemeenten
Verantwoordelijkheden en beleid
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de fysieke toegankelijkheid van de openbare ruimte, sportieve voorzieningen en sportaccommodaties (wanneer de gemeente deze beheert/exploiteert). Landelijke wettelijke kaders en regelingen, zoals het Bouwbesluit en NEN 9120, geven óf geen duidelijkheid over toegankelijk ontwerp óf verplichten er niet toe. Gemeenten moeten zich dus met eigen regels of beleid willen en kunnen inspannen voor toegankelijke sportaccommodaties en sportieve voorzieningen.
In 2025 zette het Mulier Instituut een vragenlijst uit onder het gemeentepanel van Vereniging Sport en Gemeenten (VSG). De resultaten van de vragenlijst geven inzicht in de manier waarop gemeenten zich momenteel inzetten om de toegankelijkheid van de openbare ruimte te waarborgen voor mensen met een beperking.22
Iets minder dan de helft van de respondenten (57%) gaf aan beleidsdoelstellingen over de toegankelijkheid van de openbare ruimte te hebben. 85 procent daarvan heeft de doelstellingen vastgelegd in een nota of plan. Gemeenten met relatief veel inwoners (≥75.000; 67%) en een (zeer) sterke stedelijkheidsgraad (66%) hebben vaker al beleidsdoelstellingen.
Dit komt grotendeels overeen met het hebben van beleidsdoelstellingen over de toegankelijkheid van sportaccommodaties (54%). Daarvan heeft ongeveer drie kwart ze vastgelegd in een nota of plan (Ruikes & Schadenberg, 2024).
Volgens de respondenten leggen de gemeenten mét beleidsdoelstellingen die in verschillende documenten vast (figuur 5.1).
- Voor iets minder dan de helft van de gemeenten met beleidsdoelstellingen zijn dit de omgevingsvisie of het omgevingsplan (47%) en de beleidsvisie over buitenspelen/bewegen, ontmoeten, spelen en sporten’ (BOSS) (45%).
- Ruim een derde van de gemeenten brengt hun toegankelijkheidsbeleid onder in de lokale inclusieagenda (LIA, zie kader; 38%).
- Gemeenten die de beleidsdoelstellingen (ook) elders hebben belegd (32%), hebben dit in de meeste gevallen gedaan in hun sportnota of gezondheidsbeleid.

De Lokale Inclusieagenda (LIA)
Wat is een LIA?
Met de ratificatie van het VN-verdrag Handicap in 2016 is het voor gemeenten verplicht geworden een lokale inclusieagenda (LIA) op te stellen. Hierin leggen ze afspraken vast over de uitvoering van het VN-verdrag Handicap. Movisie peilt elk jaar hoeveel gemeenten een LIA hebben en in welke fase van de opstelling en uitvoering van de LIA zij zitten.
Hoeveel gemeenten hebben een LIA?
In de tweede helft van 2023 had 30 procent van de gemeenten die deelnamen aan de peiling (n=201 gemeenten) een LIA in uitvoering. Dat waren vooral de gemeenten met meer dan 25.000 inwoners. Inmiddels heeft een bredere groep van in totaal 126 gemeenten (37%) een LIA. 15 procent werkt nog aan een LIA (Harnacke, 10 december 2024).
Belemmeringen
In 2023 had 47 procent van de gemeenten nog geen LIA. En gemeenten die deze wel hebben, ervaren belemmeringen bij de uitvoering ervan. Zo is bij meer dan drie kwart van de gemeenten de uitvoeringscapaciteit een probleem en ervaart een derde problemen bij het betrekken van stakeholders buiten de gemeentelijke organisatie (Harnacke & Fitzpatrick, 2023).
De praktijk: vooral maatregelen fysieke toegankelijkheid
Een deel van de gemeenten heeft dus al beleid en een ander deel (nog) niet. Maar wat doen gemeenten in de praktijk om de toegankelijkheid van de openbare ruimte te bevorderen? 13 procent geeft bij elke maatregel in figuur 5.2 aan niet te weten of ze deze treffen. 7 procent voert alle maatregelen al uit. Onder gemeenten met beleid over de toegankelijkheid van de openbare ruimte is dit 12 procent. Ook het aandeel gemeenten dat al specifieke maatregelen treft, is hoger onder gemeenten met beleid (figuur 5.2).

Omschrijving van de afbeelding
In de categorie bereikbaarheid en fysieke toegankelijkheidzorgen veel gemeenten voor obstakelvrije fiets- en wandelroutes (74%), voldoende bankjes langs fiets- en wandelpaden (63%) en toegankelijke sport- en speelplekken voor mensen met een beperking (60%). Parkeerplekken voor aangepaste fietsen heeft maar 20%; een groot deel (54%) weet dit niet. In de categorie ervaringsdeskundigheid betrekt 59% van de gemeenten inwoners met een beperking bij aanleg of aanpassingen in de openbare ruimte en betrekt 49% partijen met verstand van toegankelijkheid hierbij. De meeste andere gemeenten weten dit niet.
De populairste maatregelen die gemeenten al uitvoeren, hebben te maken met bereikbaarheid en fysieke toegankelijkheid (figuur 5.3). 59 procent van de gemeenten zorgt voor obstakelvrije wandel- en fietsroutes. Eenzelfde aandeel zet zich in om in voldoende bankjes langs wandel- en fietspaden te voorzien.
Ongeveer de helft van de gemeenten (53%) legt daarnaast toegankelijke sport- en speelplekken aan, of past deze aan om ze toegankelijk te maken voor inwoners met een beperking. Een vijfde van de gemeenten (22%) is van plan met deze maatregel aan de slag te gaan.
Met ervaringsdeskundigheid zijn gemeenten minder bezig. Ze geven ook vaker aan niet te weten of ze ermee bezig zijn. Toch geeft bijna de helft van de gemeenten (47%) aan inwoners met een beperking te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare ruimte. Relatief meer grote (57%) en (zeer) sterk stedelijke gemeenten (63%) zetten ervaringsdeskundigheid op deze manier in.
Het minst zijn gemeenten bezig met voorzien in fietsparkeerplekken die geschikt zijn voor aangepaste fietsen, zoals driewielfietsen. Deze fietsen zijn breder dan een reguliere fiets en passen daardoor niet in een fietsenrek. 14 procent is hiermee bezig (geweest). 61 procent weet dit niet. Dit zijn vaker grote (72%) en (zeer) sterk stedelijke gemeenten (70%). Een gebrek aan (geschikte) fietsparkeerplekken is wel een belangrijke belemmering voor mensen met een beperking (Rauws et al., 2024).

Omschrijving van de afbeelding
In de categorie bereikbaarheid en fysieke toegankelijkheidzorgen veel gemeenten voor obstakelvrije fiets- en wandelroutes (59%), voldoende bankjes langs fiets- en wandelpaden (59%) en toegankelijke sport- en speelplekken voor mensen met een beperking (53%). Parkeerplekken voor aangepaste fietsen heeft maar 14%; een groot deel (61%) weet dit niet. In de categorie ervaringsdeskundigheid betrekt 47% van de gemeenten inwoners met een beperking bij aanleg of aanpassingen in de openbare ruimte en betrekt 38% partijen met verstand van toegankelijkheid hierbij. De meeste andere gemeenten weten dit niet.
Belemmeringen: geld, tijd en verantwoordelijkheid
Meer dan de helft van de gemeenten (53%) ervaart één of meerdere belemmeringen bij het verbeteren van de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor mensen met een beperking. Dit percentage is lager dan het aantal gemeenten dat belemmeringen ervaart met het verbeteren van de toegankelijkheid van sportaccommodaties (78%; Ruikes & Schadenberg).
Knelpunten zijn vooral geld (38%), tijd (18%) en bij wie de verantwoordelijkheid ligt (16%). De opgave om de toegankelijkheid van de gemeente voor mensen met een beperking te bevorderen, ligt vaak bij meerdere teams van de gemeentelijke organisatie. Gedeelde verantwoordelijkheid betekent soms geen verantwoordelijkheid, waardoor de opgave blijft liggen.
Geld, tijd en bij wie de verantwoordelijkheid ligt zijn ook de drie knelpunten bij het toegankelijk maken van sportaccommodaties die gemeenten het meest noemen (Ruikes & Schadenberg). De percentages liggen daarbij wel hoger (47%; 36%; 17%).
Belang van beleid en ontwerp van gemeenten
Wat is de rol van gemeenteambtenaren uit het ruimtelijk domein in het waarborgen van openbare ruimte die toegankelijk is voor mensen met een beperking? En op welke manier heeft hun inzet invloed op gemeentelijk beleid over toegankelijkheid?
Hiernaar doen het Mulier Instituut en de Universiteit Utrecht momenteel uitgebreid onderzoek. We spreken hiervoor met ambtenaren uit het ruimtelijk domein van 36 verschillende gemeenten. Dit onderzoek resulteert in een wetenschappelijk artikel dat onderdeel wordt van een proefschrift over de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor mensen met een beperking.
Voor het onderzoek ‘Onbeperkt wandelen’ (Rauws et al., 2025a) sprak het Mulier Instituut alvast met vijf gemeenten. Uit de focusgroep met deze gemeente bleek dat enkele gemeenten iets van beleid of richtlijnen hebben op het gebied van toegankelijkheid, maar slechts in een enkel geval beleid specifiek over de toegankelijkheid van de openbare ruimte. Structurele belemmeringen bij het realiseren van openbare ruimte toegankelijk voor mensen met een beperking zijn volgens de gemeenten onder meer:
- onvoldoende samenwerking tussen het sociaal en ruimtelijk domein;
- geen duidelijke wet- en regelgeving over hoe toegankelijk de openbare ruimte moet zijn (en waar die daarvoor aan moet voldoen), wie daarvoor verantwoordelijk is, of wat de consequenties zijn als je de openbare ruimte niet toegankelijk inricht;
- beperkte politieke/bestuurlijke prioriteit voor toegankelijkheid.
De deelnemers gaven dan ook de volgende aanbevelingen mee:
- Werk beter samen met het sociaal domein en combineer waar mogelijk budget.
- De Rijksoverheid moet zorgen voor uniforme, verplichte regelgeving.
- Betrek mensen met een beperking actief via bijvoorbeeld een toegankelijkheidscommissie.
Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of meer gemeenten in Nederland deze belemmeringen ervaren. En of deze gemeenten vergelijkbare oplossingen aandragen.
Sociaal veilige sportaccommodaties
Naast fysieke toegankelijkheid is het voor toegankelijke sportaccommodaties belangrijk dat ze sociaal veilig zijn. Het Mulier Instituut heeft in 2024 gegevens verzameld over de implementatie van de vier V’s (vastgestelde gedragscode, vertrouwenscontactpersoon, Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) bij vrijwilligers, vakkundige trainer-coaches) bij zwembaden en vechtsportscholen.
Deze twee typen ondernemingen hebben de vier V’s aanzienlijk vaker ingevoerd dan verenigingen. Vakkundig geschoold personeel blijkt de belangrijkste factor bij zwembaden en vechtsportscholen voor het tegengaan van ongewenst gedrag. Dit lijkt het belang van een kwalitatief beter/professioneler kader bij sportverenigingen voor een sociaal veiliger sportklimaat te onderstrepen.
Daarnaast is het voor vechtsportscholen met sporters die aan wedstrijden deel willen nemen, een vereiste om een keurmerk te hebben. Daarvoor gelden ook eisen voor sociale veiligheid.
Uit de monitoring van SAII blijkt verder:
- Er is veel aandacht voor het thema sociaal veilige sport.
- De meeste gemeenten zijn aan de slag met de vier V’s, maar de implementatie blijft nog achter.
- Signaleren, melden en opvolgen van incidenten (keten voor sociale veiligheid) vraagt aandacht.
- Sociale veiligheid is bij ondernemende sportaanbieders meer in beeld.
- Er is betere monitoring nodig.
5.3 Sportaanbod voor mensen met een beperking
In 2016 bekrachtigde Nederland het VN-verdrag Handicap. Bijna tien jaar later zijn er voor mensen met een beperking nog steeds barrières om te sporten en bewegen. De stichting Uniek Sporten werkt met regionale verbanden samen om het sportaanbod voor mensen met een beperking te bevorderen.
Van 329 gemeenten is het sportaanbod inzichtelijk op de website van Uniek Sporten. In totaal kunnen mensen met een beperking in deze gemeenten 7.490 sport- en beweegactiviteiten doen (Uniek Sporten, 2025). In 2022 en 2023 stonden respectievelijk 7.226 en 7.379 sport- en beweegactiviteiten geregistreerd bij Uniek Sporten (Hoekman et al., 2022; Van der Poel & Hoekman, 2023).
Het is hierbij belangrijk dat het gaat om het sportaanbod en niet om sportaccommodaties. Als mensen met een beperking op één locatie meerdere sporten kunnen doen, wordt deze locatie meerdere keren meegenomen in het aanbod. Daarnaast zegt een aantal niets over de frequentie van het aanbod: als een sport er één keer per week voor één uur wordt aangeboden, telt dit evenveel mee als meerdere keren per week, meerdere uren per dag.
Dat ergens sportaanbod is voor mensen met een beperking, zegt overigens niet per definitie dat de sportaccommodatie ook voor iedereen toegankelijk is. Sporters met een beperking ervaren diverse belemmeringen, veelal persoonlijk van aard (zoals te weinig energie of te veel pijn), maar ook door de toegankelijkheid van sportaccommodaties (Gómez Berns & Van Lindert, 2025).
| Type beperking | Aanbod | Percentage van aanbod |
|---|---|---|
| Lichamelijk | 4.542 | 61 |
| Chronische aandoening | 4.455 | 59 |
| Verstandelijk | 3.756 | 50 |
| Autisme Spectrum Stoornis | 3.417 | 46 |
| Niet aangeboren hersenletsel | 2.913 | 39 |
| Gedragsproblematiek | 2.562 | 34 |
| Auditief (doof/slechthorend) | 2.438 | 33 |
| Psychisch | 2.073 | 28 |
| Visueel (blind/slechtziend) | 1.897 | 25 |
| Meervoudig | 1.729 | 23 |
| Kinderen | 3.071 | 41 |
| Jongeren | 4.611 | 62 |
| Volwassenen | 5.743 | 77 |
| Senioren | 4.805 | 64 |
De vijf meest voorkomende sport- en beweegactiviteiten op de website van Uniek Sporten zijn:
- (medisch/fysio)fitness;
- sport, spel en bewegen;
- zwemmen;
- voetbal;
- dansen.
Naast Uniek Sporten bieden de website en app Ongehinderd inzicht in de toegankelijkheid van sportaccommodaties. Ongehinderd biedt inzicht in de toegankelijkheid van publieke locaties, waaronder sportaccommodaties. Zowel gebruikers als een Inspecteur Toegankelijkheid kunnen deze accommodaties beoordelen.
In de database van Ongehinderd staan in november 2025 1.187 sportaccommodaties. In 2022 waren dit er 1.045. In tegenstelling tot de informatie bij Uniek Sporten is van deze sportaccommodaties niet bekend of er ook sportaanbod is voor mensen met een beperking.
5.4 Ervaringen van gebruikers
Tevredenheid over toegankelijkheid
Bijna drie kwart van de Nederlanders vindt het belangrijk dat de overheid zorgt voor toegankelijke sportaccommodaties (Aarnink & Wezenberg-Hoenderkamp, 2025). Vooral sporters en mensen ouder dan 35 jaar vinden dit belangrijk.
Bijna 60 procent van de Nederlanders is tevreden over de toegankelijkheid van sportaccommodaties. Vooral mensen die meer dan 60 keer per jaar sporten zijn hierover (zeer) tevreden. Eén op de drie mensen die niet sporten, geeft aan geen mening te hebben over de toegankelijkheid van sportaccommodaties.
Meer informatie staat in het factsheet ‘Sportaccommodaties in de buurt’ (Aarnink & Wezenberg-Hoenderkamp, 2025).
Wandeltoegankelijkheid
Beoordeling
In een vragenlijst onder 51 wandelaars met een beperking vroeg het Mulier Instituut hoe zij de toegankelijkheid van de openbare ruimte van bepaalde plekken in hun buurt beoordelen. Het gaat dan om de openbare ruimte direct rond bijvoorbeeld de supermarkt of de bibliotheek, of om een openbaar park als geheel.24 De respondenten waren met name mensen met een motorische beperking (n=33) of chronische aandoening (n=20).
Op een schaal van 1 (zeer slecht) tot 5 (zeer goed) beoordeelden de respondenten de toegankelijkheid van de openbare ruimte in hun buurt met een score van 3,1 (niet in figuur). De scores liepen uiteen van ongeveer 1,9 tot 4,7. Veertien respondenten gaven de toegankelijkheid gemiddeld een onvoldoende (score lager dan 2,5). Onder deze mensen gaf de meerderheid (n=11) aan zelden of soms zelfstandig zonder belemmeringen te kunnen wandelen of lopen.
In figuur 5.4 is te zien hoe de respondenten oordelen over de toegankelijkheid van de openbare ruimte binnen of rondom specifieke locaties in hun buurt. Gemiddeld zijn ze het positiefst over de toegankelijkheid van de omgeving rondom de supermarkt. 30 respondenten zijn hierover tevreden, tegenover maximaal 22 bij de andere locaties.
De openbare ruimte rondom horecagelegenheden beoordelen respondenten als het slechtst toegankelijk om er te wandelen: 23 respondenten oordelen hierover negatief. Daarnaast beschouwen ‘slechts’ acht respondenten de omgeving rondom hun bibliotheek als onvoldoende toegankelijk.

Omschrijving van de afbeelding
Horeca in de buurt beoordelen 23 respondenten als slecht toegankelijk en 14 als goed. De toegankelijkheid van de dichtsbijzijnde bushalte of het station vinden 18 respondenten slecht en 22 goed. Die van het dichtsbijzijnde winkelcentrum vinden 13 respondenten slecht en 22 goed. Die van wandelen in de vrije tijd vinden 22 respondenten slecht en 12 goed. Die van wandelen met een bepaald doel vinden 25 respondenten slecht en 17 goed. De toegankelijkheid van bezienswaardigheden in de buurt vinden 13 respondenten slecht en 18 goed. Die van een park/groen gebied in de buurt vinden 11 respondenten slecht en 22 goed. Die van de supermarkt vinden 8 respondenten slecht en 30 goed. En die van een bibliotheek in de buurt vinden 18 respondenten slecht en 20 goed. De rest van de mensen antwoordt met neutraal of (minder vaak) met weet ik niet/niet van toepassing.
Ervaren belemmeringen
De respondenten vinden elementen uit de openbare ruimte in hun buurt die mogelijk belemmerend kunnen zijn voor de wandeltoegankelijkheid, gemiddeld grote belemmeringen. Ze beoordelen de mate waarin aanwezige elementen in hun buurt belemmerend werken met een 3,7 op een schaal van 1 (helemaal geen belemmering) tot 5 (zeer grote belemmering).
Verkeerd geparkeerde auto’s of fietsen op de stoep vindt het merendeel van de respondenten een grote belemmering (n=36). Andere grote belemmeringen zijn volgens de respondenten terrassen van horecagelegenheden (n=33), andere obstakels op de stoep (n=36) en onder meer te smalle stoepen of wandelpaden (n=31). Onveiligheid en ongemak (n=7), slechte of geen verlichting op straat (n=7) en onduidelijke wegbewijzering (n=6) noemen de respondenten het vaakst als nÃét belemmerend.
Vooral verschillende soorten obstakels op de stoep of het voetpad blijken dus belangrijke belemmeringen. Obstakels op de weg en kwalitatief slecht wegdek kwamen ook uit het onderzoek naar fietsen met een beperking naar voren als belangrijke belemmeringen (Rauws et al., 2024). Voor fietsers zijn de ingewikkelde en niet-eenduidige Wmo-procedures om een vergoeding aan te vragen voor een aangepaste fiets daarnaast een belemmering.
Verbeteringen
In figuur 5.5 is te zien wat volgens de respondenten zou helpen om de wandeltoegankelijkheid te verbeteren. Bijna alle respondenten (n=46) geven aan dat stoepen beter kunnen, bijvoorbeeld door ze vlakker te maken. Daarnaast heeft meer dan de helft van de respondenten (n=32) behoefte aan meer en betere wandelpaden en meer scheiding tussen voetgangers en voertuigen (n=26).
Veertien respondenten zien nog andere mogelijkheden om de wandeltoegankelijkheid te verbeteren. Bijvoorbeeld meer openbare toiletten langs wandelroutes (n=2), en de stoepen vrij houden van objecten die er niet horen (n=6),

Omschrijving van de afbeelding
Naast de cijfers in de tekst noemen 25 mensen veilige oversteekplaatsen, 18 mensen meer rustplaatsen (zoals bankjes) en 16 mensen betere verlichting langs wandelpaden. 14 mensen kiezen de categorie Anders.
Voor het onderzoek over wandeltoegankelijkheid sprak het Mulier Instituut met zeven wandelaars met een beperking. Zij deelden onder meer de volgende suggesties om de wandeltoegankelijkheid van de openbare ruimte te verbeteren:
- betere handhaving om stoepen vrij te houden van barrières;
- meer toegankelijke toiletten op locaties waar veel wordt gewandeld en bij horecagelegenheden;
- meer bankjes om op te kunnen rusten;
- uniforme wet- en regelgeving over toegankelijkheid in Nederland;
- wandel-, fiets- en autowegen scheiden (bijvoorbeeld met een berm of vangrail);
- toegankelijke en actuele informatie beschikbaar stellen over de toegankelijkheid van wandelroutes en aanwezige voorzieningen.
Meer informatie staat in het rapport ‘Onbeperkt wandelen‘ (Rauws et al., 2025a).
Zwemmen met een visuele beperking
Het Mulier Instituut doet momenteel onderzoek naar de ervaringen van zwemmers met een visuele beperking. Hiervoor hebben we met achttien zwemmers gesproken over hun zwemactiviteiten, wat zwemmen voor hen betekent, eventuele ervaren belemmeringen en oplossingen daarvoor. De zwemmers hebben verschillende beperkingen: van zeer slechtziend tot geheel blind, en van alleen een visuele beperking tot een combinatie van een visuele beperking met bijvoorbeeld een auditieve beperking (doofblindheid).
Een belangrijke voorlopige bevinding is dat de ervaringen van zwemmers met een visuele beperking sterk uiteenlopen. De mate waarin de zwemmers belemmeringen ervaren, hangt onder meer af van (Hollander & Rauws, nog te verschijnen):
- de toegankelijkheid van de zwemaccommodatie;
- de zelfredzaamheid van de zwemmer (o.a. afhankelijk van de aard van de beperking van de zwemmer en het eventuele gebruik van hulpmiddelen);
- hoe bekend de zwemmer is met de zwemaccommodatie (en hoe bekend medewerkers van de accommodatie zijn met de zwemmer).
Meer informatie over zwemmen met een visuele beperking, staat in de publicatie ‘Onbeperkt zwemmen’ (Hollander & Rauws, nog te verschijnen).
5.5 Internationale inzichten
Buiten Nederland staat het thema toegankelijkheid van sportaccommodaties ook op de agenda. We lichten twee onderzoeken kort toe.
Wibowo, Hout en Müller (2025) analyseerden beleidsdocumenten en interviewden experts over (informatie over) toegankelijkheidscriteria en -kenmerken van sportaccommodaties. Zij constateerden dat er disproportioneel veel aandacht was voor rolstoelgebruikers en (in mindere mate) voor mensen met een visuele beperking ten opzichte van mensen met een andere beperking. De auteurs suggereren dat er meer aandacht moet komen voor de toegankelijkheid van sportaccommodaties voor mensen met andere typen beperkingen.
Elipe-Lorenzo et al. (2025) deden een systematische review naar belemmeringen om te sporten voor mensen met verschillende typen beperkingen. Het ging hierbij om deelname aan sporten die niet speciaal zijn opgezet of aangepast voor mensen met een beperking, maar waarin ze wel hulpmiddelen kunnen gebruiken.
Belemmeringen zijn bijvoorbeeld:
- een aanbod dat niet past bij de behoeften;
- een gebrek aan de nodige infrastructuur of materialen;
- een gebrek aan kennis onder coaches;
- een gebrek aan ervaring met sporters met een beperking bij sportverenigingen.
Het onderzoek benadrukt het belang van kennis en training (van coaches en trainers) en universeel ontwerp om verenigingssport toegankelijker te maken.
Hoofdstuk 6 Sport en bewegen in de openbare ruimte
Mark Noordzij, Niels Meulenbroeks, Robin Rauws, Paul Hover & Ton Leenen
In dit hoofdstuk bespreken we de belangrijkste ontwikkelingen rond het thema sport en bewegen in de openbare ruimte. In paragraaf 6.2 bespreken we de doorontwikkeling van de Kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving (KBO). In paragraaf 6.3 richten we ons op sport- en beweeggedrag in de openbare ruimte. Paragraaf 6.4 gaat over de deelname aan sportevenementen in de openbare ruimte en paragraaf 6.5 over gemeentelijk beleid rond het thema.
6.1 Inleiding
Sporten en bewegen in de openbare ruimte blijven populair. Dat concludeerden we al in 2023 in het ‘Jaarrapport Sporten en bewegen in de openbare ruimte’. Daarin brachten we de ontwikkeling van sporten en bewegen in de openbare ruimte in kaart (Rauws et al., 2023).
Niet alleen voor sportieve activiteiten blijven populair, zoals hardlopen of wielrennen, maar ook actieve mobiliteit: beweegactiviteiten met als doel verplaatsing. Bijvoorbeeld lopen of fietsen naar de supermarkt, de bushalte of het werk. Actieve mobiliteit kan een belangrijke rol spelen in het halen van beweegdoelen, zoals voldoen aan de beweegrichtlijn. En kan daarmee ook gezondheid bevorderen (Ruikes & Schadenberg, 2024).
Maar de openbare ruimte die geschikt is voor sport en bewegen staat onder druk. Nederland staat voor grote ruimtelijke opgaven, zoals de klimaat- en energietransitie en het bouwen van grote hoeveelheden woningen. Veel van deze woningen komen binnen bestaande stedelijke kernen (De Bont et al., 2025). Deze zogenoemde ‘verdichting’ leidt tot meer druk op de openbare ruimte als sport- en beweegplek, als deze niet meegroeit met het aantal inwoners.
Als we in ruimtelijke planvorming niet expliciet rekening houden met een beweegvriendelijke openbare ruimte, neemt de beschikbare ruimte per Nederlander waarschijnlijk af. Het Ministerie van VWS roept daarom in de kamerbrief ‘Beleidsplan toekomstbestendige sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen’ op om in te zetten op meer openbare ruimte die geschikt is voor sport en bewegen (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2025c).
6.2 Beweegvriendelijke omgeving
Kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving
De openbare ruimte kan een belangrijke rol spelen in het faciliteren en stimuleren van sporten en bewegen. Sinds 2015 brengt het Mulier Instituut de beweegvriendelijkheid van de openbare ruimte in kaart met de Kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving (KBO). De KBO geeft inzicht in hoe beweegvriendelijk de directe woonomgeving van mensen is.
De KBO is een van de Kernindicatoren Sport en Bewegen en is in 2015 gedefinieerd als: ‘de mate waarin de publieke ruimte in de fysieke leefomgeving scoort op de mogelijkheden voor mensen om te sporten en te bewegen’ (Van der Poel et al., 2016). De KBO bestaat uit vier deelindicatoren. Iedere deelindicator telt even zwaar mee bij het berekenen van de totaalscore.
De volgende vier deelindicatoren maken onderdeel uit van de KBO:
- recreatief groen en blauw: oppervlakte van parken en water dat geschikt is voor recreatief gebruik;
- sport- en speelplekken: aanwezigheid van openbare sport- en speelplekken;
- sportaccommodaties: nabijheid van verschillende typen sportaccommodaties;
- voorzieningen voor dagelijks gebruik: nabijheid van verschillende typen dagelijkse voorzieningen (bijv. school en supermarkt) in de buurt.
Een uitgebreide methodebeschrijving van de kernindicator en de vier deelindicatoren is te vinden op https://www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren/beweegvriendelijke-omgeving.
Scores op de KBO
In 2020 hebben we de KBO grondig herzien en inhoudelijk doorontwikkeld. De scores vanaf 2020 zijn daarom niet meer te vergelijken met eerdere scores. In 2024 hebben we de KBO opnieuw berekend. In tabel 6.1 staan de totaalscore en de scores op de vier deelindicatoren. In figuur 6.1 staat een overzicht van de KBO-scores op gemeenteniveau.
| Onderdeel | 2020 | 2022 | 2024 |
|---|---|---|---|
| Totaalscore | 60 | 65 | 68 |
| Recreatief groen en blauw | 63 | 62 | 63 |
| Sport- en speelplekken | 72 | 80 | 82 |
| Sportaccommodaties | 62 | 58 | 56 |
| Nabijheid van voorzieningen | 41 | 63 | 69 |

Omschrijving van de afbeelding
Kaart van Nederland waarop in kleuren de scores van gemeenten op de Kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving in 2024 te zien zijn, in vier categorieën: 33-55, 55-65, 65-70 en 70-80. De laagste categorie is vooral te zien in delen van Zeeland, Limburg en Drenthe. De hoogste twee categorieën komen veel voor in de Randstad en Flevoland, maar ook in delen van Brabant en Groningen. De categorie 55-65 komt het meest voor, verspreid over heel Nederland, maar vooral in het noordoosten. De gemiddelde score van alle gemeenten is 68. De hoogst scorende gemeente is Leiderdorp met 80 en de laagst scorende is Simpelveld met 33.
De totaalscore op de KBO laat een stijgende lijn zien. Sinds we de huidige rekenmethode gebruiken, is de score gestegen van 60 punten in 2020 naar 68 in 2024. Ook voor twee van de vier deelindicatoren zijn de scores toegenomen in deze periode. Alleen de score op de deelindicator ‘sportaccommodaties’ daalde licht.
Kennishiaten in onderzoek naar fysieke leefomgeving en beweeggedrag
Er vinden steeds meer literatuuronderzoeken en systematische reviews plaats naar de relatie tussen beweeggedrag en de fysieke omgeving. Deze onderzoeken verschillen van elkaar wat betreft inhoud en uitkomsten. Om te komen tot de belangrijkste ‘evidence gaps’ heeft een zestal onderzoekers uit Canada 173 van deze reviews geanalyseerd.
In een artikel publiceerden zij eerder dit jaar hun bevindingen (Prince et al., 2025). Om het onderzoek naar de relatie tussen de omgeving en bewegen verder te brengen, zien ze de volgende kansen:
- meer studies van experimentele en longitudinale aard;
- extra aandacht voor lage- en middeninkomenslanden;
- grotere generaliseerbaarheid door meer te vergelijken tussen landen;
- zowel objectieve metingen van de fysieke leefomgeving als ervaringen van mensen gebruiken;
- komen tot gestandardiseerde maten waarmee we de fysieke leefomgeving en het beweeggedrag van mensen kunnen meten;
- mobiele sensoren gebruiken om de context waarin bewegen plaatsvindt beter te begrijpen;
- wandelen en fietsen splitsen in onderzoek naar actief transport;
- aandacht voor de manier waarop de fysieke en sociale omgeving het beweeggedrag beïnvloeden.
Deze studie biedt hiermee niet alleen een goed overzicht van de kennis op het thema, maar ook een onderzoeksagenda met relevante vragen voor de komende jaren.
Veranderingen in KBO-cijfers: verklaringen
In 2023 heeft het Mulier Insitituut onderzoek gedaan naar verklaringen voor veranderingen in de KBO-cijfers (Rauws & Noordzij, 2023b). Er blijken drie belangrijke hoofdverklaringen te zijn:
- aanpassingen aan de fysieke openbare ruimte;
- een verandering in het aantal inwoners dat toegang heeft tot een beweegvriendelijke voorziening;
- veranderingen in de volledigheid/nauwkeurigheid van de data.
Deze verklaringen verklaren voor een belangrijk deel ook de veranderingen in de KBO-scores tussen 2022 en 2024.
Over de nieuwe cijfers, de bovengenoemde ontwikkeling in de scores en handvatten voor het gebruik van de KBO-cijfers schreef het Mulier Instituut dit jaar een artikel (Meulenbroeks & Noordzij, 2025) en brachten we samen met het Kenniscentrum Sport & Bewegen een infographic uit (Kenniscentrum Sport & Bewegen, 2025d).
Doorontwikkeling KBO
De ontwikkeling van de KBO is een doorlopend proces. In 2024 hebben we de rekenmethode van de KBO doorontwikkeld. Deze doorontwikkeling bespraken we in het vorige jaarrapport (Ruikes & Schadenberg, 2024). Daarnaast hebben we de richtafstanden aangepast op basis van onderzoek van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (Hamersma & Roeleven, 2024). De details van deze doorontwikkeling staan in een apart rapport over de KBO dat in 2026 verschijnt. In 2026 publiceren we ook weer nieuwe KBO-cijfers.
Objectieve en subjectieve indicatoren van een beweegvriendelijke omgeving
In 2025 heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een wetenschappelijk artikel gepubliceerd in samenwerking met het Mulier Instituut (Kuijpers et al., 2025). In dit artikel vergelijken ze objectieve met subjectieve data.
Voor de objectieve data hebben ze gebruik gemaakt van de KBO en een walkability index die ontwikkeld is binnen het GECCO-project. Deze data vergeleken ze met cijfers over hoe beweegvriendelijk inwoners van Doetinchem en omgeving hun buurt vinden.
Uit de analyse komen geen verbanden naar voren tussen de objectieve scores en de ervaringen van inwoners. En ook geen significante verschillen tussen inwoners van buurten met een hoge of lage objectieve score en de perceptie van de beweegvriendelijkheid van hun buurt.
De conclusie van dit onderzoek is dat objectieve en subjectieve cijfers over beweegvriendelijkheid verschillende dingen meten. Er is meer (kwalitatief) onderzoek nodig dat zich richt op het samenbrengen van objectieve en ervaren beweegvriendelijkheid.
6.3 Sport- en beweeggedrag in de openbare ruimte
In hoofdstuk 2 van dit rapport hebben we al besproken dat de meeste Nederlanders sporten in de openbare ruimte. In deze paragraaf richten we ons op een aantal sport- en beweegactiviteiten en belemmeringen die mensen ervaren om actief te zijn in de openbare ruimte.
Wandelen en actieve mobiliteit
Actieve mobiliteit kan een belangrijke bijdrage leveren aan dagelijks voldoende bewegen en daarmee belangrijke gezondheidswinst opleveren. Volgens het RIVM kan 40 procent van de volwassenen voldoen aan de beweegrichtlijnen door alleen wandelen en fietsen naar bestemmingen (Wendel-Vos et al., 2022). Uit onderzoek van het KiM blijkt dat één op de drie volwassenen minstens 150 minuten per week matig tot intensief beweegt door actieve mobiliteit (De Haas & Van den Berg, 2019).
46 procent van de Nederlanders fietst weleens naar een sportbestemming, zo blijkt uit onderzoek dat het Mulier Instituut deed naar reizen naar sport- en beweegbestemmingen (Rauws & Noordzij, 2025). Men fietst vooral naar een sportschool of sportpark. 56 procent van de Nederlanders loopt weleens naar een sport- of beweegplek. Het gaat dan vooral om sportlocaties die dicht bij huis zijn, zoals parken of sportvoorzieningen in de openbare ruimte. Over het algemeen geldt: hoe groter de afstand tot een sportlocatie, hoe vaker men kiest voor de auto.
Eind 2024 heeft het Mulier Instituut ook een factsheet uitgebracht met feiten en cijfers over het wandelgedrag van Nederlanders (Rauws & Ruikes, 2024). De meeste Nederlanders wandelden ten minste één keer in de twaalf maanden vóór ze de vragenlijst invulden (92%). Eén op de drie wandelde zelfs dagelijks (38%).
Nederlanders wandelden met name voor ontspanning en vertrekken meestal vanuit huis. De aanwezigheid van parken en bossen in de buurt noemen ze het vaakst als aspect dat wandelen stimuleert. Ook noemen ze andere inrichtingselementen, zoals aantrekkelijke en veilige wandelroutes en veel bomen, bloemen en struiken. De openbare ruimte wandelvriendelijk inrichten kan dus belangrijk zijn om wandelen te stimuleren.
Belemmeringen om te sporten en bewegen in de openbare ruimte
90 procent van de respondenten is in de openbare ruimte actief of wil dat zijn (Rauws et al., 2025b). Maar meer dan de helft (59%) ervaart daarbij belemmeringen:
- Belemmeringen in de persoonlijke omgeving, zoals een gebrek aan tijd of een slechte gezondheid, komen het meest voor (47%).
- Een derde van de respondenten ervaart sociale belemmeringen, zoals dat ze het niet prettig vinden als anderen ze zien tijdens het sporten (13%) of dat ze geen sportmaatje hebben (12%).
- Ook ongeveer een derde ervaart belemmeringen door de fysieke omgeving, zoals onvoldoende verlichting (12%) en geen parken of wandelpaden in de buurt (9%).
Gemiddeld ervaren meer jonge dan oudere Nederlanders belemmeringen bij het sporten of bewegen in de openbare ruimte. Bewoners van niet-, matig en (zeer) sterk stedelijke gemeenten ervaren ook relatief vaker belemmeringen dan bewoners van weinig stedelijke gebieden.
Er zijn geen kant-en-klare oplossingen om sporten en bewegen in de openbare ruimte voor alle Nederlanders aantrekkelijk te maken. Mensen die vergelijkbare belemmeringen ervaren, wonen niet per se op dezelfde plek. De belemmeringen die mensen ervaren, zijn afhankelijk van hun persoonlijke, sociale en fysieke omgeving. Sommige belemmeringen zijn bovendien lastig direct beleidsmatig op te lossen. Zoals ervaren tijdgebrek om te sporten, of een beperking of slechte gezondheid.
Het onderzoek vond plaats in het kader van het Sportakkoord II (thema Ruimte voor sport en bewegen) en is een co-productie van het Mulier Instituut en het Kenniscentrum Sport & Bewegen.
De volledige resultaten staan in het rapport ‘Zoveel mensen, zoveel wensen: een verkenning van belemmeringen om te sporten of bewegen in de openbare ruimte‘ (Rauws et al., 2025b). Het Kenniscentrum Sport & Bewegen heeft daarnaast een factsheet gepubliceerd met de belangrijkste resultaten (Kenniscentrum Sport & Bewegen, 2025c).
Verkeersveiligheid als belemmering?
In 2025 heeft de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) nieuwe prognoses opgesteld voor het aantal verkeersslachtoffers (Oude Mulders et al., 2025). Naar verwachting neemt het aantal verkeersdoden en (matig) ernstige verkeersslachtoffers tot 2060 toe. De SWOV verwacht met name een toename van het aantal slachtoffers onder fietsers en ouderen.
Fietsers zijn ook nu al de grootste groep ernstig gewonde verkeersslachtoffers (Odijk & Oude Mulders, 2025). De SWOV schrijft dit toe aan vergrijzing en meer gebruik van de (elektrische) fiets. Aanpassingen aan de fietsinfrastructuur kunnen helpen om de fietsveiligheid te verbeteren. Bijvoorbeeld betere inrichting van fietspaden (bijv. goede verharding, breed genoeg, zonder obstakels) en fietspaden scheiden van overig wegverkeer.
Geografische tegenstellingen relatief onbelangrijk voor ongelijkheid
Belemmeringen die mensen ervaren om actief te zijn in de openbare ruimte, verschillen maar beperkt naar type woonplaats. Alleen inwoners van weinig stedelijke gemeenten ervaren minder belemmeringen dan inwoners van andere typen gemeenten.
Deze uitkomst past binnen een lopende discussie over ongelijkheid in Nederland. Zo stelt het SCP in een rapport (Vrooman et al., 2025) dat geografische tegenstellingen relatief onbelangrijk zijn als het om ongelijkheid gaat. ‘Wat echt telt voor je positie in de maatschappij, is niet of je bijvoorbeeld in de Randstad woont of aan de rand van het land, maar of je voldoende hulpbronnen hebt, zoals geld, een sociaal netwerk en een goede gezondheid’ (Vrooman et al., 2025).
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PbL) stelde in 2024 ook al vast dat de toegang tot verschillende maatschappelijke voorzieningen samenhangt met allerlei sociaaleconomische indicatoren, zoals het hebben van een auto (Bastiaanssen & Breedijk, 2024). Inwoners van niet-stedelijke gemeenten hebben minder toegang tot dit soort voorzieningen, maar als je een auto hebt, kun je dat voor een belangrijk deel compenseren.
Er zijn dus wel verschillen tussen omgevingen, maar mensen met veel sociaal-maatschappelijk of sociaaleconomisch kapitaal kunnen die makkelijker overbruggen.
In een wetenschappelijk artikel van het RIVM en het Mulier Instituut komt deze vraag ook terug. Zo zijn de verschillen in KBO-scores tussen verschillende deelnemers aan de studie uit dit artikel redelijk beperkt (Kuijpers et al., 2025).
Dat heeft deels te maken met hoe we de KBO berekenen, maar het is ook een probleem dat vaak terugkomt in dit soort studies. Er zijn nou eenmaal niet zoveel buurten die extreem beweegvriendelijk zijn of juist totaal niet.
Dit blijkt ook uit de subjectieve indicatoren uit deze studie. Zo vindt 16 procent van de respondenten hun eigen buurt niet beweegvriendelijk. Wat zegt dit over de beweegvriendelijke omgeving? En heeft het dan wel nut om beleid te maken op dit thema?
Antwoord geven op die vragen is niet eenvoudig. Om dat goed te doen, zou je eigenlijk de huidige situatie moeten vergelijken met een situatie waarin er helemaal geen beleid is geweest om de omgeving beweegvriendelijk te maken. Er is natuurlijk geen tweede Nederland zonder beleid op dit thema, maar met simulatiestudies kunnen we wel proberen hier meer zicht op te krijgen.
Het Mulier Instituut voert samen met het RIVM in 2026 daarom een studie uit om zicht te krijgen op waarop je moet sturen om de omgeving beweegvriendelijker te maken. Deze studie moet resulteren in landelijke richtlijnen voor sport- en beweegruimte. Daarmee geeft de studie invulling aan een belangrijke pijler van het Beleidsplan toekomstbestendige sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen.
Samen met de uitkomsten van het onderzoek naar reisbereidheid kan dit leiden tot meer inzicht in de benodigde ruimte voor sport en bewegen. En daarmee beleid op dit thema verder op weg helpen.
Belang van goede, veilige infrastructuur voor wandelaars en fietsers
Uit het onderzoek naar belemmeringen om te sporten en bewegen (Rauws et al., 2025b) komt naar voren dat een aanzienlijk deel van de Nederlanders belemmeringen ervaart. Er is een aantal belemmeringen die zowel Nederlanders met als zonder beperking ervaren, zoals gebrekkige verkeersveiligheid en het belang van goede infrastructuur.
Ook uit eerdere onderzoeken van het Mulier Instituut blijkt dat mensen veel waarde hechten aan goede, veilige infrastructuur (Rauws et al., 2023). Het belang daarvan voor wandelaars en fietsers wordt breed gedragen en komt ook terug in nationale beleidsplannen als de Ontwerp Nota Ruimte en het Beleidsplan toekomstbestendige sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen van het ministerie van VWS. Zo gaat het in het beleidsplan over routes die veilig zijn voor dagelijks woon-werkverkeer, maar ook aantrekkelijk voor sportief en recreatief gebruik.
De zorgelijke ontwikkelingen die in de SWOV-rapportage Verkeersveiligheidprognoses 2040–2060 naar voren komen (Oude Mulders et al., 2025), benadrukken nogmaals het belang van een omgeving waarin het voor iedereen veilig is om te wandelen en fietsen. Ook voor een beweegvriendelijk Nederland is het vergroten van de verkeersveiligheid voor wandelaars en fietsers van groot belang.
6.4 Sportevenementen in de openbare ruimte
Aantal evenementen en locatie
Sportevenementen kunnen op uiteenlopende locaties plaatsvinden. We kunnen onderscheid maken tussen sportevenementen die binnen (in een overdekte sportaccommodatie), buiten (in de openbare ruimte of op een buitenterrein) of op een combinatie van beide locaties plaatsvinden (Respons, 2025).25
In 2023 vonden er in Nederland 493 sportevenementen plaats (figuur 6.2). 81 procent van die evenementen vond buiten plaats. In 2023 was het aantal sportevenementen weer bijna op het niveau van vóór corona. De coronamaatregelen hebben de evenementensector hard geraakt (o.a. Hover & Heijnen, 2022).

Omschrijving van de afbeelding
Tussen 2015 is het aantal evenementen stabiel: steeds tussen de 1 en 4 evenementen binnen, 445-473 buiten en 69-88 beide. Coronajaren 2020 kende maar 1 evenement binnen, 51 buiten en 29 beide. In 2021 was dat 4 binnen, 149 buiten en 66 beide. In 2022 en 2023 ging het weer richting het oude niveau: respectievelijk 4 en 1 evenementen binnen, 411 en 401 buiten, en 73 en 91 beide.
Aantal bezoekers en deelnemers
Bij de honderden sportevenementen die jaarlijks worden georganiseerd, zijn grote groepen mensen betrokken. Aan de vraagzijde van de markt zijn er bijvoorbeeld deelnemers, bezoekers (of toeschouwers) en mensen die evenementen volgen via de media. De aandacht gaat hier uit naar bezoekers en deelnemers.
In 2023 waren de sportevenementen samen goed voor ruim 9,8 miljoen bezoeken (figuur 6.3). 76 procent daarvan had betrekking op een sportevenement dat buiten plaatsvond.

Omschrijving van de afbeelding
Tussen 2015 en 2019 daalde het aantal bezoeken licht: bij binnenevemenenten van 41.000 naar 32.000, bij buitenevenementen van 10.982.000 naar 9.358.000, en bij combinatie-evenementen van 1.318.000 naar 1.254.000. In de coronajaren waren er veel minder bezoeken: in 2020 respectievelijk 500, 198.000 en 464.000, en in 2021 55.000, 1.564.000 en 402.000. Daarna nam het weer toe. In 2022 en 2023 waren we bij binnenevemenenten respectievelijk 60.000 en 50.000 bezoeken, bij buitenevenementen 8.734.000 en 7.491.000, en bij combinatie-evenementen 1.248.000 en 2.280.000.
In 2023 brachten de sportevenementen samen ruim 1,5 miljoen deelnemers op de been (figuur 6.4). 94 procent nam deel aan een sportevenement dat buiten plaatsvond.

Omschrijving van de afbeelding
Tussen 2015 en 2019 was het aantal deelnemers vrij stabiel: bij binnenevemenenten tussen de 0 en 6.000, bij buitenevenementen tussen de 1.449.000 en 1.573.000, en bij combinatie-evenementen tussen de 52.000 en 158.000. In de coronajaren waren er veel minder deelnemers: in 2020 respectievelijk 0, 168.000 en 15.000, en in 2021 18.000, 320.000 en 57.000. Daarna nam het weer toe. In 2022 en 2023 waren we bij binnenevemenenten respectievelijk 14.000 en 10.000 deelnemers, bij buitenevenementen 1.248.000 en 1.481.000, en bij combinatie-evenementen 56.000 en 86.000.
Deelname aan fiets-, hardloop-, en wandelevenementen
Hardlopen, wandelen en wielrennen behoren tot de meest beoefende sporten in Nederland. In 2025 doet 33 procent van de sporters tussen 15 en 80 jaar aan ten minste één van deze sporten. Dat zijn 4,8 miljoen personen (figuur 6.5). Het grootste deel van die activiteiten vindt plaats in de openbare ruimte.

Omschrijving van de afbeelding
In 2024 deden 255.000 Nederlanders aan alleen wielrennen (2% van de bevolking), 199.000 aan wielrennen én hardlopen, 184.000 aan wielrennen én wandelsport, en 120.000 aan alle drie. 1.291.000 mensen deden alleen aan harlopen (9%), 2.372.000 alleen aan wandelsport (16%) en 365.000 aan zowel hardlopen als wandelsport.
Hardloop-, wandel- en wielrevenementen vormen een belangrijk deel van het sportevenementenlandschap in Nederland. Gemeten in aantal deelnemers bestaat de top tien van grootste sportevenementen in 2022 volledig uit hardloop- en wandelevenementen (Respons, 2023). De Dam-tot-Damloop trok in 2022 volgens Respons de meeste deelnemers (73.500).
Het aantal volwassen Nederlanders dat aan deze drie typen sportevenementen deelneemt, is sinds 2017 toegenomen (Leenen et al., 2025). In 2025 deed 27 procent van de hardlopers, wielrenners en wandelaars mee aan ten minste één evenement (2017: 21%). De stijging is vooral zichtbaar bij hardlopers en wielrenners. De deelname onder wandelaars bleef nagenoeg gelijk.
Het gemiddelde aantal deelnames per deelnemer daalde licht: bij hardlopers van 3,7 naar 3,5, bij wandelaars van 4,1 naar 3,9 en bij wielrenners van 4,8 naar 3,8 (niet in figuur).
Profiel van de deelnemer
Ongeveer de helft van de deelnemers aan hardloop- en wielerevenementen is jonger dan 36 jaar (figuur 6.6). De deelnemers aan deze evenementen zijn vaker man en relatief jong. De wandelsportevenementen hebben een ouder deelnemersbestand, waarbij het aandeel 66-plussers sinds 2017 is gestegen van 15 naar 23 procent.
Figuur 6.6 Deelname aan hardloop-, wandel- en wielerevenementen naar leeftijdscategorie door hardlopers, wielrenners en wandelsporters (15–80 jaar) in 2017 en 202526 (in procenten)
Bron: Nationaal Sportonderzoek, mei 2017 en 2025. Bewerking: Mulier Instituut.
Bijna drie op de tien deelnemers zeggen minder snel mee te doen wanneer een evenement geen aandacht heeft voor het milieu (figuur 6.7). Ongeveer zeven op de tien geven aan dat deelname stimuleert om meer te bewegen. En ruim zes op de tien zeggen dat zij gezonder zijn gaan eten en drinken door het evenement.
Meer dan een derde heeft weleens afgezien van deelname vanwege hoge kosten. Daarnaast geeft 51 procent van de deelnemers aan dat ze evenementen zouden missen als deze niet meer plaatsvonden.

Omschrijving van de afbeelding
Op alle vijf de stellingen hebben 203 mensen gereageerd. De eerste stelling is: de deelname aan hardloop-, wandelsport- en wielerevenementen en -wedstrijden stimuleert mij om (meer) te gaan sporten of bewegen. 14% van de hardlopers, wielrenners en wandelsporters die deelnamen aan evenementen is het daar zeer mee eens, 55% is het ermee eens, 19% is het er niet meer eens en niet mee oneens, 9% is het ermee oneens en 3% is het er zeer mee oneens. De tweede stelling is: de deelname aan hardloop-, wandelsport- en wielerevenementen en -wedstrijden stimuleert mij om gezonder te eten en te drinken. De reacties daarop zijn: 14% zeer meer eens, 48% mee eens, 19% niet mee eens en niet mee oneens, 14% mee oneens en 5% zeer mee oneens. De derde stelling is: als er geen hardloop-, wandelsport- en wielerevenementen en -wedstrijden georganiseerd zouden worden, zou ik die erg missen. De reacties daarop zijn: 13% zeer meer eens, 38% mee eens, 29% niet mee eens en niet mee oneens, 16% mee oneens en 3% zeer mee oneens. De vierde stelling is: als hardloop-, wandelsport- en wielerevenementen en -wedstrijden geen aandacht hebben voor het milieu, doe ik minder snel mee. De reacties daarop zijn: 6% zeer meer eens, 23% mee eens, 28% niet mee eens en niet mee oneens, 28% mee oneens en 14% zeer mee oneens. De vijfde en laatste stelling is: ik heb deel willen nemen aan hardloop-, wandelsport- en wielerevenementen en -wedstrijden, maar dat heb ik niet gedaan vanwege de hoge kosten. De reacties daarop zijn: 4% zeer meer eens, 32% mee eens, 21% niet mee eens en niet mee oneens, 32% mee oneens en 10% zeer mee oneens.
Toekomstperspectief
Van de hardlopers, wielrenners en wandelsporters die nu niet deelnemen aan evenementen, verwacht 11 procent dat in de toekomst wel te doen (figuur 6.8).


Integraal actieplan ontzorgen organisatoren route-evenementen
In het kader van Sportakkoord II werkt NOC*NSF aan een actieplan om organisatoren van sportevenementen in de openbare ruimte te ontzorgen. Vrijwillige organisatoren van route-evenementen hebben de kennis en kunde in huis om passende tochten uit te zetten voor de gewenste doelgroepen. Maar volgens onderzoek van NOC*NSF haken ze steeds vaker af door de complexiteit en kosten van aanvragen en vergunningentrajecten (NOC*NSF, 2024).
Naar schatting ervoer in 2023 ongeveer 60 procent van de vrijwillige organisatoren problemen in het traject van toestemmingsverlening. Dit percentage lag in 2024 op 75 procent.
NOC*NSF en de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) zetten zich in om dit proces vlot te trekken. Hiervoor werken ze aan een convenant, waarin alle stakeholders vastleggen dat ze zich inzetten om de toestemmingsverlening beter op elkaar aan te laten sluiten en het proces te vereenvoudigen.
Daarnaast moet er een taskforce komen die een afwegingskader stikstof opstelt. Dit kader moet het mogelijk maken met zekerheid vast te stellen dat route-evenementen binnen bepaalde voorwaarden niet aan de kritische depositiewaarde voor stikstof komen. Daarmee kunnen provincies en gemeenten een vrijstelling op de stikstofberekening verlenen.
6.5 De beweegvriendelijke omgeving in beleid
In 2025 is de Ontwerp Nota Ruimte gepubliceerd (zie hoofdstuk 2). In deze nota is expliciet aandacht voor sportvoorzieningen als maatschappelijke voorzieningen en een openbare ruimte die uitnodigt tot bewegen (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, 2025).
Sinds 2020 heeft het Mulier Instituut meerdere onderzoeken uitgevoerd naar beleid op het thema ‘sport en bewegen in de openbare ruimte’. Zo deden we in 2020 en 2023 onderzoek naar de plek van sport en bewegen in omgevingsvisies van gemeenten (Noordzij et al., 2020; Rauws & Noordzij, 2023a). Een van de conclusies was dat ongeveer een derde van de omgevingsvisies dit onderwerp nadrukkelijk behandelt (Rauws & Noordzij, 2023a).
Dit jaar voerden we een vervolganalyse uit naar beleid van gemeenten op het thema ‘beweegvriendelijke omgeving’.
Inzichten uit de Monitor Lokaal Sportbeleid
Om meer zicht te krijgen op het thema beweegvriendelijke omgeving binnen gemeentelijk beleid, heeft het Mulier Instituut een analyse uitgevoerd met data uit de Monitor Lokaal Sportbeleid (Geurink et al., 2025). Deze peiling richt zich op gemeenteambtenaren met sport in hun portefeuille.
Beweegvriendelijke omgeving als speerpunt
38 procent van de gemeenteambtenaren noemt de beweegvriendelijke omgeving als een belangrijk speerpunt van het sportaccommodatiebeleid van de gemeente. In het algemeen geldt: hoe stedelijker en groter de gemeente, hoe vaker ze de beweegvriendelijke omgeving als speerpunt noemen. Zowel gemeenten die hoog scoren als gemeenten die laag scoren op de KBO, vinden het belangrijk dat de openbare ruimte beweegvriendelijk is.
Speelruimtebeleid in de gemeente Barneveld
Volgens cijfers uit de Monitor Lokaal Sportbeleid is de beleidsmatige aandacht voor het aanleggen van speelplekken toegenomen. Een van de gemeenten die beleid opgesteld heeft op dit thema, is de gemeente Barneveld.
Deze gemeente heeft in 2015 een speelruimteplan opgesteld. Daarbij was aandacht voor de spreiding en toegankelijkheid van speelplekken, ervaringen van inwoners en burgerparticipatie in het proces. Het Mulier Instituut heeft dit beleidsplan geëvalueerd (Rauws et al, nog te verschijnen).
Opvallend is dat de gemeente in haar beleidsplan voor de nabijheid van speelplekken richtlijnen heeft opgesteld:
- minimaal één plek per 15 à 30 kinderen van 0 t/m 5 jaar binnen 100 meter;
- minimaal één plek per 55 à 75 jeugdigen van 6 t/m 11 jaar binnen 350 meter;
- minimaal één plek per 100 jongeren van 12 t/m 18 jaar binnen 1.000 meter.
Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025 Uit de evaluatie komt naar voren dat het beleid van de gemeente in de jaren 2016-2024 heeft bijgedragen aan deze doelen. Het opstellen van duidelijke richtlijnen voor buitenspeelruimte kan gemeenten helpen meer ruimte voor buitenspelen te ontwikkelen en te monitoren of de speelruimte aansluit bij de doelgroepen.
Naast de richtlijnen heeft de gemeente Barneveld in haar beleid veel aandacht voor de toegankelijkheid van speelplekken. De afgelopen jaren heeft de gemeente meerdere speelplekken aangepast, zodat deze ook geschikt zijn voor kinderen met een beperking. In bijna iedere kern van de gemeente kunnen zij samen met andere kinderen spelen op een geschikte speelplek. De gemeente kiest er daarmee voor om in zoveel mogelijk kernen een speelplek te realiseren waar kinderen met een beperking kunnen spelen.
Soorten beleidsdoelstellingen
Hoewel een beweegvriendelijke omgeving niet voor alle gemeenten een speerpunt is, heeft 83 procent wel doelstellingen in het sportbeleid staan die te maken hebben met sport en bewegen in de openbare ruimte (figuur 6.10).
De doelstelling die het vaakst voorkomt in het sportbeleid van gemeenten, is de openbare ruimte beweegvriendelijk inrichten (69%). Extra sportevenementen in de openbare ruimte organiseren komt het minst vaak voor in het sportbeleid (9%).
Ruim de helft van de gemeenten heeft in beleid vastgelegd dat er bij gebiedsontwikkeling aandacht moet zijn voor de ontwikkeling van sport-, speel- en beweegmogelijkheden (59%). Dit is aanzienlijk hoger dan vier jaar geleden (2020, 43%, niet in figuur). Ook de beleidsmatige aandacht voor het openstellen van sportparken en schoolpleinen en het aanleggen van sport- en speelplekken nam de afgelopen vier jaar toe.

Omschrijving van de afbeelding
Naast wat in de tekst beschreven staat, heeft 51% van de gemeenten beleidsdoelen voor goede openbare voorzieningen voor sport en bewegen, 42% voor het betrekken van sport, bewegen en sportieve recreatie bij het maken van de omgevingsvisie, 38% voor toegankelijkheid, bereikbaarheid en veiligheid van de openbare ruimte en buitengebied, en 24% voor de aanleg van sport- en speelplekken. 5% koos de categorie Anders, 11% heeft geen doelstellingen en 6% weet het niet.
Aantal beleidsdoelstellingen
Gemeenten met meer doelstellingen hebben in het algemeen een hogere KBO-score (figuur 6.11). Dit kan komen doordat de KBO relatief gunstig is voor grotere, stedelijke gemeenten door de nadruk op nabijheid van (sport)voorzieningen. Deze gemeenten hebben vaak ook een groter ambtelijk apparaat en meer capaciteit om beleid op dit thema op te stellen.

Omschrijving van de afbeelding
Gemeenten zonder beleidsdoelen scoren gemiddeld 63,0 op de KBO, gemeenten met 1 of 2 doelen 64,4, gemeenten met 3 of 4 doelen 64,4, en gemeenten met 5-7 doelen 66,0. Hoe meer doelen, hoe hoger dus de KBO-score.
Betrokkenheid sport bij Omgevingsvisie
In een Omgevingsvisie leggen gemeenten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving vast. Twee op de vijf gemeenten hebben in hun beleid vastgelegd dat ook beleidsambtenaren sport, bewegen en recreatie betrokken moeten worden bij het opstellen hiervan.
Organisaties of personen uit de sportsector zijn vooral bij het opstellen van de Omgevingsvisie betrokken geweest via raadpleging (26%) of als adviseur (23%). In 11 procent van de gemeenten waren ze helemaal niet betrokken bij het proces. In 51 procent van de gemeenten hadden ze een adviserende, raadgevende of medebeslissende rol bij het opstellen van de Omgevingsvisie van de gemeente.
In 2026 voert het Mulier Instituut een verdiepende analyse uit van gemeentebeleid op het thema beweegvriendelijke omgeving. Met de uitkomsten kunnen we hopelijk een beter beeld schetsen van welke doelstellingen gemeenten rond dit thema vast hebben gelegd in hun beleid en hoe ze verwachten deze te gaan halen.
Beleid om fietsen te stimuleren
Fietsen maakt onderdeel uit van de Nederlandse cultuur, maar is niet voor alle groepen in de samenleving even vanzelfsprekend. Gericht beleid kan eraan bijdragen dat fietsen haalbaar en aantrekkelijk wordt voor iedereen.
78 procent van de Nederlandse gemeenten zet in op fietsstimulering (Westerbroek, 2025). Ze richten zich daarbij vooral op ouderen (65 jaar of ouder), inwoners met een migratieachtergrond en kinderen (4-11 jaar).
Gemeenten stimuleren fietsen voornamelijk door voorlichtingen of campagnes over fietsen (75%). 47 procent probeert fietsen te stimuleren door de openbare ruimte fietsvriendelijker in te richten.
Gemeenten werken samen met welzijnsinstellingen, fietsenmakers, sportbedrijven en scholen aan fietsstimulering en betrekken partijen als Doortrappen, de Fietsersbond en Veilig Verkeer Nederland hierbij.
De Koninklijke Nederlandsche Wielrenunie (KNWU) heeft ook een stichting opgericht om fietsgebruik te stimuleren. De stichting Op de Fiets zet zich in om fietsgebruik en fietsvaardigheden te bevorderen en fietsmobilititeit te promoten (Koninklijke Nederlandsche Wielrenunie, 2025).
Afweging verschillende waarden
De druk op ruimte en de afweging van verschillende waarden komt aan bod in het rapport Falen en Opstaan van de Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur (Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur, 2025). In dit rapport stelt de raad dat problemen in de leefomgeving alleen opgelost kunnen worden door verschillende waarden tegen elkaar af te wegen. Populytics heeft in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken onderzoek gedaan naar hoe Nederlanders kijken naar de ruimtelijke verdeling en deelnemers zelf verschillende waarden af laten wegen (Beumer et al., 2024). Naast ruimte voor woningen zijn hier veel verschillen in tussen verschillende groepen. Verder blijkt uit het onderzoek dat Nederlanders veel waarde hechten aan voorzieningen in de buurt voor iedereen. Ook uit verschillende onderzoeken van het Mulier Instituut blijkt dat het hebben van voorzieningen op loop- en fietsafstand belangrijk is. Met name om bewegen te bevorderen. In samenwerking met het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid gaat het Mulier Instituut daarom in 2026 onderzoek doen naar hoelang mensen bereid zijn te reizen naar sport- en beweegplekken met verschillende modaliteiten. Deze inzichten kunnen vervolgens vertaald worden naar reisafstanden, zoals ook gedaan is voor de Kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving.
Hoofdstuk 7 Slotbeschouwing
In dit hoofdstuk beschouwen we de informatie uit de vorige hoofdstukken.
7.1 Gestage ontwikkeling
De Nederlandse sport- en beweeginfrastructuur is voortdurend in ontwikkeling, maar veranderingen gaan meestal gestaag en geleidelijk. Dat hoort bij dit landschap. Zo worden sportaccommodaties neergezet met een levensduur van tientallen jaren. Aanpassingen worden gedaan wanneer onderhoud, afschrijving of nieuwe beleidsrondes dat toestaan. Datzelfde geldt voor sport- en beweegmogelijkheden in de openbare ruimte, zoals wandel- en fietspaden.
Ook maatschappelijke trends en veranderende sportbehoeften worden vaak pas na langere tijd zichtbaar in het landschap. Zo laat de sport- en beweeginfrastructuur – met vertraging – zien welke keuzes en ontwikkelingen in de samenleving spelen.
Dat de sport- en beweeginfrastructuur belangrijk is, onderstreept de Nota Ruimte. Daarin staat onder andere dat voorzieningen voor sportbeoefening essentieel zijn voor de kwaliteit van leven. En dat de nabijheid van sportverenigingen bijdraagt aan de fysieke en mentale gezondheid van mensen.
7.2 Zorgen over de ruimte voor sport en bewegen
Meer behoefte, minder ruimte
Er zijn brede zorgen over de ruimte die beschikbaar is voor sport en bewegen, en of deze wel (voldoende) meegroeit met de veranderende en toenemende behoefte aan ruimte. Deze zorgen bevestigt het rapport ‘Ruimte geven aan sport en bewegen’. Hierin constateren de auteurs dat de ruimte voor sport zonder extra inzet eerder afneemt dan toeneemt, ook bij een groeiende bevolking.
Daarbij hebben we in dit rapport cijfers toegevoegd over sportruimte die moet wijken voor woningbouw. Woningbouw heeft in één op de vijf gemeenten de afgelopen tien jaar op één of meerdere sportparken plaatsgevonden.
De toenemende behoefte is aangetoond in het rapport ‘Benodigde ruimte voor sport in 2040’. Alleen al door de bevolkingsgroei neemt in sommige regio’s de druk op sportaccommodaties tot 2040 met 10 procent toe.
Wachtlijsten en ledenstops
Dat het aanbod ook in de huidige situatie niet altijd voorziet in de behoefte, hebben we in dit rapport zichtbaar gemaakt door wachtlijsten in beeld te brengen. Eén op de acht sportverenigingen heeft een wachtlijst of ledenstop. Ruimtekort is de meest genoemde reden hiervoor.
Meestal is het de jeugd die niet direct terecht kan bij deze verenigingen. Dit sluit aan op de boodschap van het Jongerenmanifest ‘Ruimte voor sport, energie voor jongeren’. Hierin roepen 44 jongerenorganisaties het kabinet op om meer ruimte te creëren voor sport.
Bereikbaarheid en druk op natuur
Maar er zijn ook zorgen over de bereikbaarheid van voorzieningen in landelijke gebieden. Dit komt naar voren in de achtergrondrapportage bij het kabinetsstandpunt ‘Bereikbaarheid op Peil’. Ook is er een toenemende druk op natuur- en recreatiegebieden, waardoor sport hier soms moet wijken.
Deze druk op de ruimte zien we in dit rapport terug in de problematiek rond sportevenementen in de openbare ruimte. En in de afweging tussen de belangen van natuur, sport en recreatie.
Nationale richtlijn voor sportruimte
Om voldoende en geschikte ruimte voor sport te realiseren zet de staatssecretaris in haar ‘Beleidsplan toekomstbestendige sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen’ in op een nationale richtlijn. Hierbij gaat het niet alleen om voldoende sportaccommodaties, maar bijvoorbeeld ook om fiets- en wandelpaden en buitenspeelplekken.
Het doel van de richtlijn is om gemeenten een handvat te bieden voor ruimtelijke planning, vergelijkbaar met hoe er nu al richtlijnen bestaan voor bijvoorbeeld groen, speelruimte en gezondheid. Dit moet gemeenten houvast geven bij ruimtelijke keuzes.
Veranderende behoefte
De veranderende behoefte zien we in dit rapport terug in de afname van het gebruik van traditionele sportvoorzieningen, zoals sporthallen en sportvelden. De groei in het aantal gebruikers volgt uit de bevolkingsgroei, maar relatief vaker sporten Nederlanders elders.
De oproep tot meer multifunctioneel gebruik door de staatssecretaris in haar beleidsplan is hiermee in lijn. Het ‘Stappenplan Open Sportparken’ kunnen gemeenten, sportverenigingen, sportparkmanagers en verenigingsondersteuners benutten om meer en ander gebruik te realiseren door sportparken open te stellen.
Deze veranderende behoefte – of verandering in sportvoorkeuren – leidt mogelijk tot een (nog) grotere rol van de ondernemende sportaanbieders (en hun accommodaties). Uit onderzoek blijkt dat steeds meer Nederlanders het liefst individueel zonder regels of begeleiding sporten. De laatste cijfers van het CBS laten dan ook een verdere groei van bijvoorbeeld het aantal fitnesscentra zien.
7.3 Bredere ambities en doelen
Toegankelijkheid
Er zijn ambities en (wettelijke) opgaven om de ruimte voor sport en bewegen toegankelijker te maken. In de Strategie 2030 staat bij de pijler Randvoorwaarden dat in 2030 van alle sportaccommodaties de toegankelijkheid in beeld is. We constateren dat momenteel nog slecht zicht is op deze toegankelijkheid.
In haar Kamerbrief schrijft de staatssecretaris dat zij wil dat gemeenten aandacht besteden aan toegankelijkheid van sportaccommodaties in een Integraal Huisvestingsplan (IHP). We constateren in dit rapport dat (lokaal) beleid en regelgeving over toegankelijkheid voor mensen met een beperking erg versnipperd is en zelden concreet of verplicht. Daarbij zijn nog lang niet alle sportaccommodaties toegankelijk voor iedereen. Er is veel financiering nodig om dit te realiseren.
Duurzaamheid
Ook constateren we in dit rapport dat de aandacht voor duurzaamheid wat naar achtergrond is verdwenen. Verduurzaming van het sportvastgoed stond jarenlang hoog op de (beleids)agenda. Sportverenigingen blijven wel investeren in duurzaamheidsmaatregelen, maar de piek is sinds de sterk stijgende energieprijzen in 2022 voorbij. Ook blijft het aantal sportvelden dat nog wordt onderhouden met schadelijke gewasbeschermingsmiddelen gelijk.
In ons vorige jaarrapport concludeerden we dat de stappen die binnen de Routekaart Verduurzaming Sport worden gezet, te klein zijn om de doelen te halen. Er zijn zorgen dat de DUMAVA – na het verminderen of wegvallen van de BOSA – onvoldoende is voor verdere verduurzaming, en dat meer subsidiemogelijkheden nodig zijn voor de noodzakelijke stappen. In de eerste weken na openstelling van de DUMAVA is bijna de helft van het budget al gereserveerd.
Brede aanpak
Met de oproep om een IHP op te stellen, daagt de staatssecretaris gemeenten uit accommodatievraagstukken breed op te pakken. En aspecten als multifunctionaliteit, toegankelijkheid en duurzaamheid structureel mee te nemen in de besluitvorming. In de handreiking IHP Sport en Bewegen komen deze twee laatste aspecten enkele keren naar voren, maar weinig concreet.
7.4 Toekomst financiering onzeker
Zorgen over betaalbaarheid
We blijven een grote mate van continuïteit van de ontwikkeling bij het thema financiering en exploitatie van gemeentelijke sportaccommodaties zien. Gemeenten zetten meer accommodaties op afstand, besteden vaker uitvoeringstaken uit en maken vaker verenigingen verantwoordelijk voor beheer en onderhoud.
Deze ontwikkelingen leidden onder andere tot zorgen of er wel voldoende openbaar badwater beschikbaar blijft voor leszwemmen. Maar ook of de sportaccommodaties wel financieel toegankelijk blijft. Zo blijkt uit onze tarievenmonitor dat het tarief voor een gemeentelijke binnensportaccommodatie hoger is als een andere partij deze exploiteert.
De huur voor gemeentelijke accommodaties lijkt harder te stijgen dan de inflatie, en huisvesting is de grootste kostenpost voor verenigingen. De betaalbaarheid van de sport komt hiermee – via de accommodaties – mogelijk (verder) onder druk te staan.
Subsidieregelingen en mogelijke bezuinigingen
De SPUK Sport en BOSA zijn verlengd. Maar de SPUK Sport werd de afgelopen jaren structureel overvraagd, en het budget van de BOSA gaat omlaag. De DUMAVA is opengesteld voor sportverenigingen, en er wordt gekeken naar een revolverend fonds voor sportverenigingen.
We zien nog geen bezuinigingen in de gemeentelijke uitgaven aan sport. Maar gemeenten maken zich wel degelijk zorgen of ze niet in de nabije toekomst moeten bezuinigen op sport.
7.5 Beleidstoekomst
Vervolg Sportakkoord onzeker
Sportakkoord II ‘Sport Versterkt’ is sinds begin 2023 van kracht en loopt tot eind 2026. Ook de middelen voor het Sportakkoord II eindigen dan. Naast de monitoring van Sportakkoord II door het Mulier Instituut startte medio 2025 een onafhankelijke evaluatie van het Sportakkoord als beleidsinstrument. Of en in welke vorm het Sportakkoord een vervolg krijgt als instrument, hangt mede af van bovenstaande monitoring en evaluatie.
Vooral organisatorisch resultaat
Sportakkoord II is opgezet als een breed, inclusief en strategisch beleidskader: met aandacht voor aanbieders, diversiteit, toegankelijkheid en maatschappelijke waarde van sport – naast infrastructuur en ruimte. Uit de monitoring van Mulier Instituut blijkt dat het akkoord vooral resultaat boekt op sociaal-organisatorisch vlak: gemeenten hebben regie en coördinatie opgezet, samenwerking tussen partijen is versterkt, en aanbieders (zowel verenigingen als ondernemende aanbieders) worden vaker betrokken.
Impact op sportlandschap beperkt
Het akkoord heeft tot op heden weinig impact gehad op het sportaccommodatielandschap. Dat is niet verwonderlijk: de middelen en schaal van SA II zijn beperkt, en grondige aanpassingen in het sportaccommodatielandschap vragen structurele investeringen en langdurige planvorming.
Ook waren de werkafspraken van de strategische partners voor het thema hier niet per se op toegespitst. De verwachting is dat bijvoorbeeld het stappenplan Open Sportparken, handreiking IHP Sport en de Strategie 2030 op langere termijn leidt tot veranderingen – ook na de doorlooptijd van Sportakkoord II.
Bronnenlijst: bronnen
- Aarnink, A., & Wezenberg-Hoenderkamp, K. (2025). Sportaccommodaties in de buurt: tevredenheid over sportaccommodaties en rol overheid [Factsheet 2025/45]. Mulier Instituut.
- Baggen, W., Rappange, D., Kools, M., Bronkhorst, P., Wessels, W., Van Eijk, J., & Pulles, I. (2025). Fundament in beweging: monitor Sportakkoord II: voortgang bij 18 partnergemeenten. Mulier instituut.
- Balk, L., Aarnink, A., Bronkhorst, P., Heerschop, M., Meulenbroeks, N., & Van Suijlekom, A. (2025). Topsport in Nederland (TiN) 2025. Mulier Instituut.
- Bastiaanssen J., & Breedijk, M. (2024). Beter bereikbaar? Veranderingen in de toegang tot voorzieningen en banen in Nederland tussen 2012 en 2022. Planbureau voor de Leefomgeving.
- Beumer, M., Scholma, W., Tuit, C., Vroom, R., & Spruit, S. (2024). Resultaten van een inwonersraadpleging over de ruimtelijke inrichting van Nederland. Populytics.
- Bigonnesse, C., Mahmood, A., Chaudhury, H., Mortenson, W., Miller, W., & Martin Ginis, K. (2018). The role of neighborhood physical environment on mobility and social participation among people using mobility assistive technology. Disability & Society, 33(6), 866-893.
- Binnenlands Bestuur. (2022, 6 mei). Gemeenten op rand financieel ravijn. Geraadpleegd op 1 november 2024, van https://www.binnenlandsbestuur.nl/financien/hoogte-bekostiging-door-rijk-hoogst-onzeker-na-2026
- Binnenlands Bestuur. (2025, september 19). Gemeenten bezuinigen keihard. Geraadpleegd op 29 september 2025, van https://www.binnenlandsbestuur.nl/financien/gemeenten-bezuinigen-keihard
- Bronkhorst, A., & Van Suijlekom, A. (2025). Professionalisering bij sportverenigingen en sportparken: een verkenning van de ervaren effecten van de inzet van verenigings- en sportparkmanagers in succesvolle praktijkvoorbeelden. Mulier Instituut.
- Clayton, W., Parkin, J., & Billington, C. (2017). Cycling and disability: A call for further research. Journal of Transport & Health, 6, 452-462.
- Dalhuisen, C., & Hoekman, R. (2024). Monitor milieuvriendelijk beheer sportvelden 2024. Mulier Instituut.
- Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025 Dalhuis, C., Van Stam, W., Kools, M., & Van Hilvoorde, I. (2025). Duurzaamheid in de sportsector: een verkenning van ecologische duurzaamheid voor onderzoek en onderwijs. Mulier Instituut.
- De Bont, A., Van Kessel, W., Mathijssen, L., Hartikainen, M., Baart, J., Shamsaddini, D., & Casas Valle, D. (2025). Ruimte geven aan sport en bewegen: onderzoek naar de relatie tussen ruimte voor sport, bewegen en spelen en ruimtelijke ordeningsafwegingen. Urhahn I stedenbouw & strategie.
- De Haas, M., & Van den Berg, M. (2019). De relatie tussen gezondheid en het gebruik van actieve vervoerwijzen. Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid. DUS-I. (z.d.-a). Specifieke uitkering stimulering sport. Geraadpleegd op 5 september 2025, van https://www.dus-i.nl/subsidies/specifieke-uitkering-sport
- DUS-I. (z.d.-b). Specifieke uitkering stimulering sport – Resultaten. Geraadpleegd op 5 september 2025, van https://www.dus-i.nl/subsidies/specifieke-uitkering-sport/resultaten
- DUS-I. (z.d.-c). Stimulering bouw en onderhoud van sportaccommodaties (BOSA). Geraadpleegd op 8 oktober 2025, van https://www.dus-i.nl/subsidies/stimulering-bouw-en-onderhoud-sportaccommodaties
- DUS-I. (z.d.-d). Aanvullende subsidie BOSA. Geraadpleegd op 8 oktober 2025, van https://www.dus-i.nl/subsidies/stimulering-bouw-en-onderhoud-sportaccommodaties/documenten/publicaties/2023/12/15/aanvullende-subsidie-bosa-2024#anker-2-b.-maatregelen-toegankelijkheid
- Duurzame Sportsector (2025). Afwegingskader geeft inzicht in de toekomst van binnensportaccommodaties.
- Elipe-Lorenzo, P., Diez-Fernández, P., Ruibal-Lista, B., & López-GarcÃa, S. (2025). Barriers faced by people with disabilities in mainstream sports: a systematic review. Frontiers in sports and active living, 7, 1520962.
- EY (2025). Padel in cijfers. Onderzoeksrapport 2024.
- Emerson, E., Fortune, N., Llewellyn, G., & Stancliffe, R. (2021). Loneliness, social support, social isolation and wellbeing among working age adults with and without disability: Cross-sectional study. Disability and health journal, 14(1), 100965.
- Europese Commissie (z.d.). PPP 4 People – Sport 2023: People & Planet. EC Funding & Tenders Portal.
- Geurink, N., Van Vugt, H., Kools, M., & Hoekman, R. (2025). Monitor lokaal sportbeleid 2024. Mulier Instituut.
- Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025 Gómez Berns, A., & Van Lindert, C. (2025). Sport- en beweegdeelname van mensen met een motorische beperking. Mulier Instituut.
- Hamersma, M., & Roeleven, I. (2024). Acceptabele bereikbaarheid—Een reizigersperspectief. Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid.
- Harnacke, C. (2024, 10 december). Overzichtskaart Lokale Inclusie Agenda’s in Nederland. Movisie/VNG.
- Harnacke, C., & Fitzpatrick, H. (2023). Flitspeiling 2023 VN-verdrag in gemeenten. Flitspeiling 6 (2023). Movisie/VNG.
- Hertogs, N., Van Eldert, P., Van Bezooijen, B., Schoemaker, J., & Pannen, A. (2025). Contributiemonitor 2024/2025: Contributies en bondsafdrachten Nederlandse sportverenigingen. Mulier Instituut.
- Hoeijmakers, R., & Steenbergen, J. (2024). Nieuwe sporten in Nederland: onderzoek naar succesfactoren voor de verankering van nieuwe sporten in het Nederlandse sportlandschap. Mulier Instituut.
- Hoekman, R. (2025). White Paper on Social Sustainability and Sports Facilities. Council of Europe/Mulier Instituut.
- Hoekman, R., Floor, C., & Van Stam, W. (2019). Exploitatie van sportaccommodaties. Een verkennende studie. Mulier Instituut.
- Hoekman, R., & Schadenberg, B. (2023). Onderbenutting van sportaccommodaties: kennis- en innovatiescan WP5. Mulier Instituut.
- Hoekman, R., Schots, M., & Ruikes, D. (2022). Jaarrapport Duurzame Sportinfrastructuur 2022. Mulier Instituut.
- Hollander, E., Aarnink, A., & Wezenberg-Hoenderkamp, K. (2025). Verandering openbare zwembaden in de periode van 2013 tot 2024. Mulier Instituut.
- Hollander, E., & Rauws, R. (nog te verschijnen). Onbeperkt zwemmen. Mulier Instituut.
- Hollander, E., & Van Eldert, P. (2025). Verhuur buitensportvoorzieningen aan andere gebruikers dan hoofdgebruiker [Factsheet 2025/7]. Mulier Instituut.
- Hoogendam, A., Rappange, D., Baggen, W., Pulles, I., & Kools, M. (2024). Fundament versterkt. Monitor Sportakkoord II: Perspectief vanuit sportbonden. POS en lokale sport. Mulier Instituut.
- Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025 Hover, P., & Heijnen, E. (2022). Gevolgen van de coronacrisis voor de sportevenementensector: Overleven en ondernemen in tijden van onzekerheid. Mulier Instituut.
- Hover, P., & Van Eldert, P. (2023). Betaalbaarheid van sport: kennis- en innovatiescan WP6. Mulier Instituut.
- Inckle, K. (2019). Disabled cyclists and the deficit model of disability. Disability Studies Quarterly, 39(4).
- Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) (z.d.). Instructieregel Rijk over toegankelijkheid openbare buitenruimte.
- Keijzer, M., Pieroelie, A., & Bronkhorst, A. (2025). Wat brengt urban sports Rotterdam?: een onderzoek naar de ervaren maatschappelijke impact van urban sports in Rotterdam. Mulier Instituut.
- Kenniscentrum Sport & Bewegen (2025a). Stappenplan open sportpark.
- Kenniscentrum Sport & Bewegen (2025b). Handreiking integraal huisvestingsplan (IHP) Sport en Bewegen.
- Kenniscentrum Sport & Bewegen (2025c). Belemmeringen om te sporten en bewegen in de openbare ruimte [Factsheet].
- Kenniscentrum Sport & Bewegen. (2025d). Infographic Kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving [Infographic].
- Koninklijke Nederlandsche Wielrenunie, (2025). Stichting op de fiets.
- Kuijpers, T., Picavet, H., Lakerveld, J., Noordzij, M., Wendel-Vos, W., & Snoeker, B. (2025). Physical Activity Friendliness of Neighborhoods: Do Subjective and Objective Measures Correspond Within a Mid-Sized Dutch Town? International Journal of Environmental Research and Public Health, 22(4), Article 4.
- Leenen, T., Smit, D., & Hover, P. (2025). Hardloop-, wandel- en wielerevenementen: Deelname, impact en toekomstperspectief. Mulier Instituut.
- Magasi, S., Wong, A., Miskovic, A., Tulsky, D., & Heinemann, A. W. (2018). Mobility device quality affects participation outcomes for people with disabilities: a structural equation modeling analysis. Archives of physical medicine and rehabilitation, 99(1), 1-8.
- Manifest Ruimte voor sport, energie voor jongeren. (2025).
- Meulenbroeks, N., & Noordzij, M. (2025). Is Nederland beweegvriendelijker geworden? Allesoversport.
- Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025
- Meulenbroeks, N., Van Kalmthout, J., & Schadenberg, B. (2025). Wachtlijsten en ledenstops bij sportverenigingen [Factsheet 2025/50]. Mulier Instituut.
- Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2024). Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Schriftelijke toelichting opvolging moties meerjarige strategie sportverenigingen en openbare zwembaden in publieke handen houden.
- Ministerie van VWS, NOC*NSF, VNG/VSG, & Platform Ondernemende Sportaanbieders (POS) (2024). Werkplan Sportakkoord II. Van Hoofdlijnen naar uitvoering.
- Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2025a). Kamerbrief Commissiedebat Sport en Bewegen 2025.
- Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2025b). WerkagendaVN-verdrag Handicap I 2025-2030.
- Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2025c). Kamerbrief beleidsplan toekomstbestendige sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen.
- Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2025d). Brief van staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport 18 april 2025. Sluiten BOSA-aanvraagloket.
- Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2025e). Brief van staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Toekomstig sportbeleid.
- Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (2025). Ontwerp Nota Ruimte 2025.
- Nederlandse Sportraad (2025). Werkprogramma 2026.
- NOC*NSF, Ministerie van VWS, POS, VSG, Mulier Instituut, & Kenniscentrum Sport & Bewegen (2025). Plan van aanpak Jeugdsport en talentontwikkeling. Bijlage bij Kamerbrief Commissiedebat Sport en Bewegen 2025.
- NOC*NSF (2024). Integraal actieplan Ontzorgen organisatoren route-evenementen.
- Noordzij, M., Schots, M., Prins, R., & Stevens, V. (2020, december). Mist de sportsector de aansluiting bij de Omgevingswet? Sport & Gemeenten, 68, 34-37.
- Odijk, M., & Oude Mulders, J. (2025). Achtergronden bij De Staat van de Fietsveiligheid 2025 (No. R-2025-7A; p. 79). Stichting Wetenschappelijk Onderzoek verkeersveiligheid.
- Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025 Oude Mulders, J., De Winkel, K., & Bijleveld, F. (2025). Verkeersveiligheidsprognoses 2040-2060 (No. R-2025-6; p. 37). Stichting Wetenschappelijk Onderzoek verkeersveiligheid.
- Prince, S., Enns, A., Lang, J., Lancione, S., De Groh, M., & Geneau, R. (2025). Built Environment and Physical Activity Evidence Gaps: A Content Analysis of Published Systematic Reviews. International Journal of Community Well-Being, 8(3), 797-831.
- Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur. (2025). Falen en opstaan: Naar een doeltreffende aanpak van problemen in de leefomgeving. Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur.
- Rappange, D., De Kwaasteniet, R., Baggen, W., Bronkhorst, P., Koekkoek, M., Pulles, I., Wessels, W., & Hoekman, R. (2025). Monitor Sportakkoord II: voortgangsrapport ‘een groter bereik’. Mulier Instituut.
- Rauws, R., Groen, R., & Noordzij, M. (2025a). Onbeperkt wandelen. Mulier Instituut.
- Rauws, R., Meulenbroeks, N., Wessels, W., & Noordzij, M. (nog te verschijnen). Buitenspelen in Barneveld: een evaluatie van de uitvoering van het speelruimteplan van de gemeente Barneveld. Mulier Instituut.
- Rauws, R., & Noordzij, M. (2023a, september). Gemiste of gegrepen kans? Sporten en bewegen in gemeentelijke omgevingsvisies. Sport & Gemeenten, 71, 34-39.
- Rauws, R., & Noordzij, M. (2023b). Wordt Nederland Beweegvriendelijker? Een analyse van de cijfers van de Kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving in 2020 en 2022. Mulier Instituut.
- Rauws, R., & Noordzij, M. (2025). Hoe reizen Nederlanders naar sport- en beweegbestemmingen? [Infographic]. Mulier Instituut.
- Rauws, R., Noordzij, M., Ruikes, D., & Wezenberg-Hoenderkamp, K. (2023). Sporten en bewegen in de openbare ruimte: jaarrapport 2023. Mulier Instituut.
- Rauws, R., Noordzij, M., & Van Lindert, C. (2024). Onbeperkt fietsen. Mulier Instituut.
- Rauws, R., & Ruikes, D. (2024). Nederlanders aan de wandel—Feiten en cijfers over wandelgedrag van Nederlanders [Factsheet 2024/52]. Mulier Instituut.
- Rauws, R., Ruikes, D., & Noordzij, M. (2025b). Zoveel mensen, zoveel wensen. Een verkenning van belemmeringen om te sporten of bewegen in de openbare ruimte. Mulier Instituut.
- Respons (2025). Evenementen definities en aantallen.
- Respons. (2024). Monitor Sportevenementen 2024.
- Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025 Respons (2023). Monitor Sportevenementen 2023.
- Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), & Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) (2016). Sport Toekomst Verkenning (STV): de toekomst van sport in Nederland.
- Rijksoverheid (z.d.). Zorg voor mensen met een beperking. Geraadpleegd op 1 september 2025.
- Rijksoverheid (2024). Aanvragen BOSA-subsidie in 2024 wordt per 1 augustus stopgezet. Geraadpleegd op 8 oktober 2025, van https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/06/13/aanvragen-bosa-subsidie-in-2024-wordt-per-1-augustus-stopgezet.
- Ruikes, D., & Meulenbroeks, N. (nog te verschijnen). Maatschappelijke waarde van sportaccommodaties. Een eerste verkenning. Mulier Instituut.
- Ruikes, D., & Schadenberg, B. (Reds.) (2024). Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen: overzicht van beleidsrelevante kennis over de sport- en beweegstructuur. Mulier Instituut.
- Schoemaker, J., Mouter, N., Scholma, W., Munyasya, A., & De Boer, W. (2025). De waarde van sociale en ecologische effecten van sportaccommodaties. Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.
- Schotanus, F. (2020a). Routekaart verduurzamen sport voor gemeenten. Kenniscentrum Sport & Bewegen.
- Schotanus, F. (2020b). Routekaart verduurzamen sport voor verenigingen. Kenniscentrum Sport & Bewegen.
- Schots, M., & Schadenberg, B. (2020). Open sportparken in Nederland [Factsheet 2020/44]. Mulier Instituut.
- Shelterwood (2025). ShellterWOOD.ASM modulaire en ronde sportbehuizing.
- Singh, A., Plompen, E., Veldman, S., & Heerschop, M. (2025). Beweegwijsheid: de basis voor een leven lang bewegen: visiedocument. Mulier Instituut.
- Starthubs (2025). Gezocht: modulaire, energiezuinige en circulaire overkappingen om buitensporten het hele jaar mogelijk te maken.
- Stichting Waarborgfonds Sport. (2025). Jaarverslag en Jaarrekening 2024.
- Tielen, J. (2025). Voorhangprocedure wijzigingsregeling SPUK Stimulering Sport. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
- Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025 Tuinder, S. (2025). Grip op Geluid. Fontys Paramedische Hogeschool Eindhoven in samenwerking met de KVLO.
- Uniek Sporten (2025). Sport zoeken. https://www.unieksporten.nl/sport-zoeken.
- Van der Heijden, J., & Dool, R. van den (2025). Hoe sporten mensen het liefst?; inspelen op voorkeuren bij het ontwikkelen van sportieve activiteiten [Factsheet 2025/3]. Mulier Instituut.
- Van der Poel, H., & Hoekman, R. (Reds.) (2023). Sportaccommodaties in Nederland 2023: Kengetallen en kenmerken. Mulier Instituut.
- Van der Poel, H., Wezenberg-Hoenderkamp, K., & Hoekman, R. (Reds.) (2016). Sportaccommodaties in Nederland: Kaarten en kengetallen. Mulier Instituut.
- Van Dijk, I., & Van Nispen, M. (2025). Motie van de leden Inge van Dijk en Van Nispen over de DUMAVA meer gelijk laten lopen met de oorspronkelijke BOSA.
- Van Eldert, P. (2025). Monitor sportuitgaven gemeenten 2023; gemeentelijke uitgaven aan sport in de periode 2017 tot en met 2023. Mulier Instituut.
- Van Eldert, P., & Hertogs, N. (2024). Exploitatie en financiering. In D. Ruikes, & B. Schadenberg (Reds.), Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen. Overzicht van beleidsrelevante kennis over de sport- en beweeginfrastructuur (pp. 48-71). Mulier Instituut.
- Van Eldert, P., & Schadenberg, B. (nog te verschijnen). Rol externe uitvoeringsorganisaties in uitvoering gemeentelijk sportbeleid. Mulier Instituut.
- Van Eldert, P., & Van der Heijden, J. (2023). Exploitatie en financiering. In H. Van der Poel, & R. Hoekman (Reds.), Sportaccommodaties in Nederland 2023 (pp. 209-250). Mulier Instituut.
- Van Eldert, P., Hertogs, N., Van Kalmthout, J., & Baans, P. (2024). Financiële weerbaarheid sportverenigingen; voorstudie naar objectief beeld over financiën sportverenigingen. Mulier Instituut.
- Van Eldert, P., Hollander, E., & Hertogs, N. (2025). Huurtarievenmonitor binnensport 2024: huurtarieven van gemeentelijke sporthallen, sportzalen en gymzalen. Mulier Instituut.
- Van Lindert, C., Derix, N., Heerschop, M., Hoogendijk, R., Rauws, R., & Sparreboom, C. (2025). Monitor, ‘sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030’. Voortgangsrapportage 2025. Mulier Instituut.
- Verenigde Naties (2006). Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Geraadpleegd op 16 juli 2025.
- Mulier Instituut | Jaarrapport ruimte voor sport en bewegen 2025 Vrooman, C., Iedema, J., & Boelhouwer, J. (2025). Ongelijkheid, leefwerelden en maatschappelijke overtuigingen in provincies, regio’s en gemeenten. Verschil in Nederland 2025, Sociaal en Cultureel Planbureau.
- VSG. (z.d.). Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2025 gepubliceerd in Staatscourant. Geraadpleegd op 5 september 2025, van https://sportengemeenten.nl/regeling-specifieke-uitkering-stimulering-sport-2024-2025-gepubliceerd-in-staatscourant/
- Wendel-Vos, W., Duijvestijn, M., & Kruize, H. (2022). De rol van wandelen en fietsen in het beweeggedrag van de Nederlandse bevolking. Tijdschrift Vervoerswetenschap, jaargang 58, nummer 2.
- Westerbroek, M. (2025). Fietsstimulering in de praktijk. Mulier Instituut.
- Wezenberg-Hoenderkamp, K., Rauws, R., & Aarnink, A. (2023). Aanbod aan sportaccommodaties. In H. van der Poel, & R. Hoekman (Reds.), Sportaccommodaties in Nederland 2023: Kengetallen en kenmerken (pp. 22-69). Mulier Instituut.
- Wibowo, J., Haut, J., & Müller, L. (2025). What Kind of Information About the Accessibility of Sports Facilities Is Useful? Adapted Physical Activity Quarterly, 1, 1-23.
- World Health Organization [WHO] (2023, 7 maart). Disability. Geraadpleegd op 26 november 2024, van https://www.who.int/news-room/fact-sheets/detail/disability-and-health
- ZonMw (z.d.). MOOI in Beweging. Geraadpleegd op 28 augustus 2025, van https://www.zonmw.nl/nl/programma/mooi-beweging-1
Bijlage 1 – Databronnen
Database SportAanbod (DSA)
De Database SportAanbod (DSA) is een landelijk databestand met gegevens over ongeveer 22.000 sportaccommodaties in Nederland. Het Mulier Instituut beheert de DSA en ontwikkelt deze door.
Elke accommodatie bestaat uit één of meer voorzieningen. Denk hierbij aan verschillende soorten velden, baden of zalen. Voor elke voorziening bevat de DSA gegevens over de sporten die er te beoefenen zijn, de geometrische omlijning en of de voorziening binnen of buiten ligt. Afhankelijk van het type voorziening kunnen er aanvullende gegevens aanwezig zijn, zoals de diepte van een zwembad of het aantal holes van een golfbaan.
De DSA is een registratie waarin op elk moment wijzigingen kunnen worden doorgevoerd. Die wijzigingen kunnen aanvullende informatie betreffen, bijvoorbeeld omdat de verlichting bij sportvelden voor het eerst geregistreerd wordt of door de toevoeging van een nieuw voorzieningstype, zoals padelbanen of boulderhallen.
Daarnaast kunnen wijzigingen betrekking hebben op de toevoeging van nieuwe accommodaties (ofwel omdat ze nieuw gebouwd zijn, ofwel omdat ze voor het eerst in de DSA worden geregistreerd) of sluiting of functieverandering van een accommodatie.
De DSA bevat open data en valt onder een Creative Commons Naamsvermelding GelijkDelen 4.0 Internationaal-licentie. Kort betekent dat dat het gebruik van data voor niet-commerciële en commerciële doeleinden is toegestaan, zolang je verwijst naar het databestand. Daarnaast is het toegestaan om de data door te ontwikkelen of te transformeren en producten te bouwen op basis van de data, zolang deze
producten onder dezelfde voorwaarden beschikbaar zijn.
Bron: Mulier Instituut – DSA
Gemeentepanel Vereniging Sport en Gemeenten (VSG)
Via het gemeentepanel van de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) verzamelt het Mulier Instituut informatie van alle gemeenten in Nederland. Meerdere keren per jaar we een vragenlijst naar dit panel. Hierin komen verschillende thema’s rondom het sportbeleid terug, zoals de verbinding tussen sport- en gezondheidsbeleid, de exploitatie van sportaccommodaties of financiële regelingen voor mensen met een laag inkomen. Dit biedt de kans om specifieke aspecten van het sportbeleid of de
context te belichten.
Bron: VSG-gemeentepanel
Nationaal Sportonderzoek (NSO)
Via het Nationaal Sportonderzoek (NSO) verzamelt het Mulier Instituut data over allerlei onderwerpen die met sport te maken hebben. Het onderzoek vindt plaats onder de Nederlandse bevolking. De onderzoeken voeren we uit als voor een aantal onderwerpen behoefte is aan veldwerk.
Het NSO is een initiatief van het Mulier Instituut. Het veldwerk van alle genoemde onderzoeken voeren landelijke onderzoeksbureaus uit. Bij een steekproef van de Nederlandse bevolking zetten ze een vragenlijst uit over diverse sportgerelateerde onderwerpen. Opdrachtgevers kunnen in het Nationaal Sportonderzoek een eigen vragenblok laten meelopen.
De NSO-data deponeren we na afloop van het onderzoek bij Dans.KNAW. Op deze website zijn ook alle vragenlijsten te vinden.
Bron: Mulier Instituut – NSO
Verenigingspanel
Het Verenigingspanel is in 1998 opgestart. Tot 2015 werkten het Mulier Instituut en NOC*NSF samen aan de uitbouw en beheer ervan. Vanaf 2015 is het Verenigingspanel geheel bij het Mulier Instituut in beheer. Momenteel maken meer dan 2.200 verenigingen deel uit van het Verenigingspanel. We werken continu aan verdere uitbreiding van dit aantal om de uitkomsten op betrouwbare wijze nog verder te kunnen uitsplitsen. De deelnemende verenigingen bieden zeventig verschillende takken van sport aan en zijn afkomstig uit ongeveer 300 gemeenten.
In het panel zijn allerlei categorieën sportverenigingen zo goed mogelijk naar evenredigheid vertegenwoordigd: grote en kleine verenigingen, clubs met teamsporten en (semi-)individuele sporten, clubs uit kleine en grote gemeenten, clubs met en zonder eigen accommodatie, enzovoort. Het panel is daarmee representatief voor de georganiseerde breedtesport in Nederland.
De respons op een vragenlijst is gemiddeld 30 procent. Bij de analyse wegen we deze respons altijd eerst op het totale bestand van sportverenigingen in Nederland, zodat ook de uitkomsten representatief zijn. Omdat we dit ook in voorgaande jaren altijd hebben gedaan, zijn de uitkomsten in de tijd goed vergelijkbaar.
Deelnemende verenigingen bevragen we jaarlijks één tot drie keer, via een webenquête. De vragenlijsten bevatten terugkerende vragen voor de monitoring van verenigingen, en thematische vragenblokken. Zo zijn er peilingen op thema’s als organisatiekracht, maatschappelijke oriëntatie, vitaliteit, gezonde sportkantine, veilig sportklimaat, energiemaatregelen, sportgezondheidszorg, rookbeleid, accommodatiebeleid en leden- en kaderbeleid.
Bron: Mulier Instituut – Verenigingspanel
VrijetijdsOmnibus (VTO)
Dit is een vanaf 2012 om de twee jaar gehouden uitvraag bij de Nederlandse bevolking van 6 jaar en ouder, met vragen over cultuurparticipatie en sportbeoefening. De ministeries van VWS en OCW financieren het onderzoek, het CBS voert het uit.
De sportvragen van de VTO zijn vanaf de meting van 2020 in beheer bij het Mulier Instituut. Dit betekent dat het Mulier Instituut de kernindicatoren vaststelt die hieruit voortkomen, de vraagstelling vormgeeft en specifieke data-analyses uitvoert.
Bron: Mulier Instituut – VTO
Voetnoten
- De eerste vier edities van het jaarrapport publiceerden we onder de noemer ‘Duurzame sportinfrastructuur’. ↩︎
- Zoals in hoofdstuk 1 vermeld, herzien we de DSA en vindt onder andere nog kwaliteitscontrole plaats,
waardoor nog geen nieuwe cijfers beschikbaar zijn. ↩︎ - Dit is exclusief accommodaties die geen reguliere sportaccommodatie voor amateurs zijn (zoals
voetbalstadions of open-zwemwaterlocaties), accommodaties waarvoor de landelijke dekking nog te
beperkt is (zoals vechtsportaccommodaties en danszalen) en oefenvelden (sportvelden met afwijkende
afmetingen). ↩︎ - In oktober 2025 publiceerde het Mulier Instituut de voortgangsrapportage ‘een groter bereik’
(Rappange et al., 2025). Het thema ‘ruimte voor sport en bewegen’ was geen onderdeel van deze
rapportage. ↩︎ - Sociale duurzaamheid is binnen dit onderzoek: gezondheid, welzijn en de kwaliteit van leven binnen een
gemeenschap en het aanpassingsvermogen en het vermogen goed te functioneren in de toekomst van
deze gemeenschap. ↩︎ - Met eigen rechtspersoonlijkheid. ↩︎
- De recentste publicatie van deze monitor is de Monitor sportuitgaven gemeenten 2023 (Van Eldert,
2025). ↩︎ - Dit taakveld omvat alle uitgaven en inkomsten aan sportaccommodaties voor sportbeoefening. ↩︎
- Dit taakveld omvat alle uitgaven en inkomsten voor de niet-fysieke maatregelen ter stimulering van
professionele en amateursport. ↩︎ - Daarnaast zijn er andere subsidieregelingen die niet direct met sportaccommodaties te maken hebben,
zoals de Brede SPUK-regeling (met onder meer de onderdelen Lokaal Sportakkoord en Brede Regeling
Combinatiefuncties). ↩︎ - Deze verdeelsleutel staat in de bijlage van de regeling zoals gepubliceerd in de Staatscourant. ↩︎
- Het uitkeringspercentage is het percentage van de in aanmerking komende bestedingen van een
kalenderjaar dat de gemeente als subsidie ontvangt. ↩︎ - In 2019 was dit nog 15 procent, maar dit percentage is sinds 2020 verlaagd naar 10 procent. ↩︎
- Daarnaast is in 2024 het percentage van de subsidie voor verduurzamingsmaatregelen eenmalig
verhoogd van 30 naar 40 procent. ↩︎ - Sportaccommodaties die in 2021 in de DSA aanwezig waren. ↩︎
- Maatregelen die hieronder vallen zijn bijvoorbeeld: ledverlichting, warmtepompen en HR-glas. ↩︎
- Maatregelen die hieronder vallen zijn bijvoorbeeld: gerecyclede sportvloeren in sporthal en hergebruikt infillzand voor kunstgrasvelden. ↩︎
- Maatregelen die hieronder vallen zijn bijvoorbeeld: Regenwateropslagsystemen en vegetatiedaken. ↩︎
- In 2025 zijn mogelijk meer investeringen gedaan via de DUMAVA-subsidie. ↩︎
- De subsidies konden tot 1 augustus worden aangevraagd. Toen was het subsidieplafond bereikt. ↩︎
- De subsidies konden tot 16 april worden aangevraagd. Toen was het subsidieplafond bereikt. ↩︎
- Medewerkers van 125 gemeenten vulden de vragenlijst in. De respondenten waren
beleidsmedewerkers Sport, maar ook beleidsmedewerkers die zich bezighouden met de inrichting van de
openbare ruimte of met toegankelijkheid. ↩︎ - Dit gaat om sport- en beweegactiviteiten. Deze kunnen plaatsvinden in eenzelfde accommodatie. De
meeste sport- en beweegactiviteiten zijn geschikt voor mensen met diverse beperkingen. ↩︎ - Vanwege de lage respons en de oververtegenwoordiging van onder meer vrouwen en hoger
opgeleiden in de steekproef, kunnen we deze niet als representatief beschouwen. De bevindingen uit de
vragenlijst vertegenwoordigen dus niet alle Nederlanders met een beperking. ↩︎ - De definitie die Respons voor een evenement hanteert is: een georganiseerde, verplaatsbare
gebeurtenis, bijgewoond door een verzameling mensen, die zich daarvoor in een bepaald tijdvak en in een
inrichting of op een terrein bevindt of beweegt. Alleen sportevenementen die minstens 5.000 bezoeken
en/of deelnemers trekken worden meegeteld. Voor een EK of WK gelden er geen ondergrenzen, die
evenementen worden allemaal meegeteld (Respons, 2025). ↩︎ - Als het aantal respondenten (n) bij een deelgroep beperkt is, moeten we de uitkomsten als indicatief interpreteren. ↩︎
Gegevens
Informatie over de PDF.
Download
Download PDF-bestand met verwijzing naar deze pagina.
Toegankelijk
Navigatie
Terug naar alle documenten.