Topsport in Nederland (TiN) 2025
Met steun van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Mulier Instituut
- Lisanne Balk
- Amilia Aarnink
- Pelle Bronkhorst
- Maaike Heerschop
- Niels Meulenbroeks
- Agnes van Suijlekom
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut.
- © Mulier Instituut
- Utrecht, september 2025
- www.mulierinstituut.nl
- info@mulierinstituut.nl
Disclaimer
U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding: auteur(s), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave. Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto’s in deze publicatie. Neem foto’s daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.
Over ons
Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor beleid en samenleving. Voor overheden, maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen, sportorganisaties en bedrijven onderzoeken we allerlei thema’s op het gebied van sport en sportief bewegen: van de sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.
Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.
Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid, gericht op de bevordering van sport, sportief bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen we op verschillende manieren:
- We verzamelen data en monitoren de Nederlandse sportsector en beleidsprogramma’s.
- We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies.
- We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze naar de beleidspraktijk.
- We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies.
- We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van ‘kritische vriend’ van de sportsector.
- We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.
Afkortingen & Begrippen
- TiN
-
Topsport in Nederland
- NSO
-
Nationaal Sportonderzoek
- VTO
-
Vrijetijdsomnibus
- TSKM
-
Topsportklimaat-meting
- TD
-
Technisch directeur
- Indicator
-
Een beschrijving van een onderwerp dat relevant is binnen de Nederlandse topsport en waarop we ontwikkelingen in kaart brengen.
Inhoudsopgave Topsport in Nederland (TiN) 2025
Samenvatting Topsport in Nederland (TiN) 2025
Monitor Topsport in Nederland (TiN)
Het Mulier Instituut heeft, in samenwerking met het ministerie van VWS, NOC*NSF en VSG, in 2023 de monitor ‘Topsport in Nederland’ (TiN) ontwikkeld. De TiN-monitor biedt structurele monitoring van de Nederlandse topsport, met als doel beter zicht te krijgen op de verschillende ontwikkelingen.
We volgen deze ontwikkelingen aan de hand van een set indicatoren. Deze omvatten de relevante thema’s voor organisaties binnen de topsport en het topsportbeleid.
Conclusies
Maatschappelijke waarde
53 procent van de volwassen Nederlandse bevolking vindt dat topsport vooral positief bijdraagt aan de maatschappij. Voor slechts 8 procent overheerst de negatieve waarde. Als positieve waarden noemen Nederlanders trots, passie, plezier en saamhorigheid, en het oranjegevoel. Veelgenoemde negatieve waarden zijn agressie en geweld, de schadelijke impact op het milieu en het vergroten van het verschil tussen arm en rijk.
Ten opzichte van 2020 vindt een iets groter aandeel dat topsport met name een positieve waarde heeft. En een iets kleiner aandeel vindt dat deze vooral negatieve waarde heeft.
Waardering van prestaties
In de afgelopen twaalf jaar is een licht dalende trend te zien in de mate van trots op de Nederlandse topsportprestaties. De groep die geen trots ervaart, is redelijk stabiel. Maar de groep die geen mening over het onderwerp heeft, groeit.
Sociale veiligheid en verantwoorde organisatie van topsport
- Sporters en coaches zijn positiever over hun sportklimaat. Van de talentvolle sporters, topsporters, coaches en technisch directeuren (TD’s) beoordeelt tussen de 80 en 90 procent de topsportomgeving met een ruime voldoende (7 of hoger). Onder sporters en coaches is de afgelopen tien jaar een duidelijke stijgende lijn zichtbaar.
- 90 procent van de talentvolle sporters en 87 procent van de topsporters voelt zich veilig in hun topsportomgeving. Toch maakt een deel van de sporters ongewenst gedrag mee. Dit gaat om verschillende typen gedragingen, van schelden tot fysiek geweld.
- Van de ondervraagde talentvolle sporters heeft 38 procent in het afgelopen jaar te maken gehad met ongewenst gedrag. De meest voorkomende vorm was schelden/pesten. Van de ondervraagde topsporters hebben twee op de vijf te maken gehad met ongewenst gedrag. Vrouwelijke topsporters hadden het meest te maken met intimidatie/machtsmisbruik. Mannelijke topsporters het vaakst met schelden of pesten.
- Coaches ervaren een grijs gebied tussen grensverleggend en grensoverschrijdend gedrag. Een derde van de coaches voelt zich beperkt in hun werk door de grote aandacht voor sociale veiligheid in de topsport. Vergeleken met sporters en TD’s hebben coaches relatief weinig vertrouwen in een goede afhandeling van meldingen van grensoverschrijdend gedrag. Ze geven aan dat de coach zelden ‘beschermd’ wordt bij meldingen van misstanden, zeker ten opzichte van sporters.
Platformfunctie
Twee op de drie topsporters zetten hun bekendheid als topsporter wel eens in voor maatschappelijke doeleinden, zoals clinics of presentaties. Ze doen dit vooral omdat ze het belangrijk vinden en ervaren dat ze een rolmodel (kunnen) zijn. Ook TD’s zien dit belang: zij vinden allemaal dat maatschappelijke inzet hoort bij de positie die je als topsporter hebt.
Zichtbaarheid en bereik
Het aandeel mensen dat sport volgt via media of door evenementen te bezoeken, is de afgelopen twaalf jaar redelijk stabiel. Iets minder dan 60 procent van de Nederlanders volgt minimaal wekelijks sport via de media. In 2024 bezocht 17 procent van de Nederlanders van 12 jaar en ouder maandelijks of vaker een sportwedstrijd of sportevenement. Dit is vergelijkbaar met 2022, maar minder dan in de jaren voor de coronapandemie.
Tot slot
Voor het Strategisch Kader Topsport 2032 zijn enkele positieve ontwikkelingen zichtbaar. Bijvoorbeeld de toename in maatschappelijke waardering van topsport, de grotere aandacht voor mentale gezondheid en het verbeterde sportklimaat. Andere ambities laten minder ontwikkeling zien: de zichtbaarheid van topsport via media en evenementen lijkt redelijk stabiel.
De ambities uit het Strategisch Kader realiseren vereist blijvende inzet op cultuurverandering, beleidsmatige borging en structurele ondersteuning. Met een nauwe samenwerking tussen sportorganisaties, overheid, en sporters en coaches zelf.
Hoofdstuk 1: Inleiding
In dit hoofdstuk schetsen we beknopt het doel en de opzet van deze tweede rapportage van de monitor Topsport in Nederland (TiN).
Het onderzoek naar de Nederlandse topsport was de afgelopen jaren versnipperd. Onder beleidsmakers bestond behoefte aan structurele monitoring. Daarom hebben we in 2023, in samenwerking met het ministerie van VWS, NOC*NSF en VSG, de monitor ‘Topsport in Nederland’ (TiN) ontwikkeld.
De TiN-monitor biedt structurele monitoring van de Nederlandse topsport, met als doel beter zicht te krijgen op de verschillende ontwikkelingen. We volgen deze ontwikkelingen aan de hand van een set indicatoren. Deze omvatten de relevante thema’s voor organisaties binnen de topsport en het topsportbeleid. We beschrijven de indicatoren in paragraaf 2.1.
In het najaar van 2024 publiceerden we de eerste TiN rapportage (Balk et al, 2024). Daarin beschreven we de opzet van de TiN-monitor en gaven we inzicht in de stand van zaken in de Nederlandse topsport. Dit rapport is de tweede TiN-rapportage en is te zien als de 1-meting.
We beschrijven de voortgang voor alle indicatoren waarvoor (nieuwe) gegevens voorhanden zijn. Doordat we in 2024 grootschalig data hebben opgehaald onder talentvolle sporters, topsporters, coaches en technisch directeuren (TD’s) van bonden, ligt de nadruk in deze rapportage op de indicatoren over de directe topsportomgeving van deze groepen.
Verder geven we een overzicht van andere onderzoeken naar de Nederlandse topsport die in 2025 worden uitgevoerd of recent zijn afgerond.
Het Mulier Instituut voert de TiN-monitor uit met financiële ondersteuning van het ministerie van VWS.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 beschrijven we de onderzoeksaanpak van de TiN, waaronder de indicatoren en de dataverzameling onder de topsportdoelgroepen. In de hoofdstukken 3 tot en met 8 staat de voortgang op de indicatoren centraal. In hoofdstuk 9 gaan we in op andere lopende of recent afgeronde onderzoeken binnen de Nederlandse topsport. Tot slot beschrijven we de belangrijkste conclusies in hoofdstuk 10.
Hoofdstuk 2: TiN-aanpak
In dit hoofdstuk leggen we uit hoe we indicatoren gebruiken om ontwikkelingen in de topsport te volgen. Daarnaast beschrijven we de werving en dataverzameling onder de topsportdoelgroepen.
2.1 Indicatoren
In de TiN-monitor volgen we de ontwikkelingen in de Nederlandse topsport aan de hand van een set indicatoren. Deze omvatten de relevante thema’s voor het topsportbeleid. De indicatoren hebben we in 2023 en 2024 opgesteld aan de hand van (de monitoring van) het Nationaal Sportakkoord I en II, het Strategisch Kader Topsport 2032 en de Sportagenda 2032 van NOC*NSF.
In de monitoring bewegen we mee met de veranderingen in de topsport en het topsportbeleid. Dit betekent dat we mogelijk nieuwe indicatoren toevoegen aan de hand van actuele ontwikkelingen in de topsport.
De complete set aan indicatoren die we als relevant zien, is groot en uiteenlopend. Om hier structuur in aan te brengen en de set overzichtelijk te houden, maken we gebruik van de doelen uit het Strategisch Kader Topsport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2023).
De overkoepelende ambitie binnen het strategisch kader is het vergroten van de maatschappelijke waarde van topsport. Dit wil men bereiken door in te zetten op vier doelen:
- breder palet aan topsportprestaties realiseren;
- beter maatschappelijk verantwoord organiseren van topsport;
- beter benutten van het platform van de topsport door publieke en private organisaties;
- vergroten van de zichtbaarheid en het bereik van de topsport.
De indicatoren hebben we ingedeeld naar deze vier doelen en de overkoepelende ambitie. In bijlage 1 geven we een overzicht van alle indicatoren.
De indicatoren zijn voornamelijk kwantitatief van aard en bestaan in sommige gevallen uit meerdere variabelen of cijfers. In enkele gevallen geven we de voortgang op indicatoren weer met kwalitatieve data.
Wat is een indicator?
Een indicator voor de TiN is een beschrijving van een onderwerp dat relevant is binnen de Nederlandse topsport en waarop we ontwikkelingen in kaart brengen. Een indicator is meestal een overkoepelend onderwerp (bv. welzijn van topsporters) dat bestaat uit meerdere variabelen of cijfers (o.a. lichamelijke en mentale gezondheid en tevredenheid over het topsportklimaat).
2.2 Dataverzameling
Vormen van dataverzameling en doelgroepen
Om de voortgang op de indicatoren te meten halen we op verschillende manieren data op. Dit kunnen we opdelen in twee categorieën:
- data die we verzamelen in het kader van de TiN (via vragenlijsten en interviews onder verschillende doelgroepen);
- data die al beschikbaar zijn en die we kunnen gebruiken om de voortgang op indicatoren te beschrijven (zoals kijkcijfers of data die zijn verzameld in het kader van andere onderzoeken).
Bij de dataverzameling in het kader van de TiN bevragen we niet ieder jaar alle doelgroepen. In de even jaren staan de doelgroepen uit de topsport centraal (zoals topsporters, talentvolle sporters en coaches). In de oneven jaren verzamelen we data onder doelgroepen die de topsportomgeving vormen (zoals de Nederlandse bevolking of gemeenten). In 2024 hebben we data opgehaald onder de topsportdoelgroepen. In deze paragraaf beschrijven de gebruikte onderzoeksmethoden.
TiN dataverzameling 2024 – topsportdoelgroepen
Voor de dataverzameling onder de topsportdoelgroepen hebben we gebruik gemaakt van vragenlijsten. We hebben vragenlijsten uitgezet onder vijf doelgroepen:
- talentvolle sporters;
- topsporters;
- voormalig topsporters;
- topsport- en talentcoaches;
- technisch directeuren (TD’s).
Inclusiecriteria
In afstemming met NOC*NSF en een aantal TD’s hebben we inclusiecriteria opgesteld voor de verschillende doelgroepen. Deze staan in tabel 2.1.
| Doelgroep | Inclusiecriteria |
|---|---|
| Talentvolle sporters | Sporters met een talentstatus (Belofte-, NT- of IT-status) van een sportbond met een erkende topsport- en internationale wedstrijdsportdiscipline. |
| Topsporters | Sporters die voldoen aan één van deze criteria: in het bezit van een topsportstatus van NOC*NSF (A-, HP- of Selectiestatus); deelgenomen aan de Olympische of Paralympische Zomerspelen in 2024; uitkomend in een topteamcompetitie (handbal, hockey, korfbal, volleybal en waterpolo); actief in een commerciële topsport op het hoogste (inter)nationale niveau (wielrennen, voetbal, schaatsen, tennis en golf). |
| Voormalig topsporters | Sporters met een X-status van NOC*NSF en die zijn gestopt met het beoefenen van hun sport. Zij hadden tot twee jaar geleden een topsportstatus, maar nu niet meer. |
| Coaches | (Assistant-)bondscoaches, privécoaches, talentcoaches S-1 en S-2, hoofdcoaches van topsportprogramma’s en coaches van topteamcompetitieteams en uit de commerciële sport op hoog niveau. |
| TD’s | TD’s die actief zijn bij een sportbond met een erkende topsport- en internationale wedstrijdsportdiscipline. |
Werving
De werving verliep via verschillende kanalen, waaronder NOC*NSF, sportbonden, commerciële teams en topsportverenigingen. De vragenlijsten stonden twaalf weken open, van eind augustus tot half november 2024. Onderzoekers van het Mulier Instituut hebben de deelnemers benaderd. Bij de sporters met een topsport- of talentstatus, coaches en TD’s gebeurde dit via NOC*NSF. NOC*NSF heeft geen inzage gehad in de ingevulde vragenlijsten.
Om de respons te optimaliseren hebben we drie reminders gestuurd en de TiN via nieuwsbrieven en (digitale) flyers bij de TeamNL-centra onder de aandacht gebracht. Onder talentvolle sporters en topsporters hebben we 25 cadeaubonnen ter waarde van 100 euro verloot.
Vragenlijsten
In tabel 2.2 laten we per doelgroep zien over welke thema’s we vragen hebben gesteld. Naast de inhoudelijke thema’s hebben we een vragenblok opgenomen over sociaal-demografische gegevens (leeftijd, genderidentiteit, opleiding, etnische afkomst) en achtergrondvragen over sport (bv. sportdiscipline, startleeftijd en status). Respondenten jonger dan 16 jaar oud vroegen we toestemming van een ouder/verzorger te vragen voor deelname aan het onderzoek.
| Onderwerp | Coach | TD | Topsporter | Voormalig topsporter | Talentvolle sporter |
|---|---|---|---|---|---|
| Achtergrond | Ja | Ja | Ja | Ja | Ja |
| Organisatie en structuur (beleid, evaluatie) | Nee | Ja | Nee | Nee | Nee |
| Financiële situatie/carrièreperspectief | Ja | Nee | Ja | Nee | Nee |
| Trainingssituatie/voorzieningen | Ja | Ja | Ja | Ja | Ja |
| Begeleiding (coaches/specialistisch) | Ja | Ja | Ja | Ja | Ja |
| Talentontwikkeling/opleiding | Ja | Ja | Nee | Nee | Nee |
| Inzet maatschappelijke doeleinden | Nee | Ja | Ja | Ja | Nee |
| Veilige topsportomgeving | Ja | Ja | Ja | Ja | Ja |
| Duale carrière | Ja | Ja | Ja | Nee | Ja |
| Transitie naar maatschappelijke carrière | Nee | Nee | Nee | Ja | Nee |
| Mentale en lichamelijke gezondheid | Nee | Nee | Ja | Ja | Ja |
| Vertegenwoordiging en voorlichting | Ja | Nee | Ja | Ja | Ja |
Data-analyse
We hebben gesloten vragen van de vragenlijst geanalyseerd via beschrijvende statistiek, met aanvullend vergelijkingen tussen en binnen verschillende groepen. De open vragen hebben we thematisch geanalyseerd.
2.3 Respondenten TiN-vragenlijst
In totaal vulden 1.565 talentvolle sporters (respons van 26%), 565 topsporters (respons van 38%), 22 voormalig topsporters (respons van 9%), 173 coaches (respons van 45%) en 18 TD’s (respons van 50%) de vragenlijst volledig of gedeeltelijk in.
We presenteren de resultaten van alle respondenten die een vraag of stelling ingevuld hebben. Uitzondering hierop zijn de voormalig topsporters. Deze groep is te klein om een representatief beeld te geven van deze doelgroep. Daarom nemen we de resultaten niet mee in hoofdstuk 3 t/m 8.
In tabel 2.3 staan enkele achtergrondkenmerken van de respondenten. De respondenten zijn actief binnen 44 verschillende sporten. Met name sporters actief in het betaald voetbal zijn sterk ondervertegenwoordigd. In bijlage 2 staat een overzicht van alle sporten waarin de respondenten actief zijn.
| Kenmerk | Talentvolle sporters | Topsporters | Voormalig topsporters | Coaches | TD’s |
|---|---|---|---|---|---|
| Aantal | 1.565 | 565 | 22 | 173 | 18 |
| Geslacht/gender: Man | 49 | 43 | 46 | 84 | 83 |
| Geslacht/gender: Vrouw | 50 | 57 | 55 | 15 | 17 |
| Geslacht/gender: Overig | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Geslacht/gender: Zeg ik liever niet | 0 | 0 | 0 | 1 | 0 |
| Gemiddelde leeftijd (in jaren) | 17 | 26 | 33 | 47 | 52 |
| Opleiding (hoogst afgerond): Basisschool | 37 | 2 | 5 | – | – |
| Opleiding (hoogst afgerond): Middelbare school | 46 | 34 | 18 | – | – |
| Opleiding (hoogst afgerond): Mbo | 8 | 18 | 14 | – | – |
| Opleiding (hoogst afgerond): Hbo/wo bachelor | 5 | 32 | 41 | – | – |
| Opleiding (hoogst afgerond): Hbo/wo master, doctor | 1 | 13 | 18 | – | – |
| Opleiding (hoogst afgerond): Zeg ik liever niet | 1 | 1 | 5 | – | – |
| Etnische afkomst: Geen migratieachtergrond | 86 | 91 | – | 95 | – |
| Etnische afkomst: Europese migratieachtergrond | 4 | 3 | – | 1 | – |
| Etnische afkomst: Niet-Europese migratieachtergrond | 9 | 6 | – | 3 | – |
| Etnische afkomst: Zeg ik liever niet | 1 | >1% | – | 1 | – |
| Sportdiscipline: Valide (olympisch & niet-olympisch) | 99 | 88 | 82 | 88* | – |
| Sportdiscipline: Paralympisch | 1 | 12 | 18 | 15* | – |
Een groot deel (86%) van de talentvolle sporters heeft een talentstatus van NOC*NSF (tabel 2.4).
| Status | Percentage |
|---|---|
| Beloftestatus | 49 |
| Nationaal talent (NT) | 22 |
| Internationaal talent (IT) | 15 |
| (Nog) geen talentstatus | 3 |
| Weet ik niet | 11 |
| Zeg ik liever niet | 0 |
Iets meer dan de helft van de topsporters (55%) heeft een topsportstatus van NOC*NSF (tabel 2.5).
| Status | Percentage |
|---|---|
| A-status | 34 |
| Selectiestatus | 18 |
| HP-status | 3 |
| Geen topsportstatus (nog niet of niet meer) | 24 |
| Weet ik niet | 21 |
| Zeg ik liever niet | – |
Topsporters zonder status zijn bijvoorbeeld sporters uit de commerciële topsport (wielrennen en voetbal) of sporters die actief zijn binnen de hoogste teamcompetities, zoals de hoofdklasse bij hockey of de Eredivisie bij volleybal. Zij hebben meestal geen topsportstatus, tenzij ze ook in de nationale selectie spelen.
De meeste coaches geven training aan topsporters met een status (53%) of talentvolle sporters (29%). De rest van de coaches geeft training aan topsporters zonder status (18%).
2.4 Verdiepend onderzoek op specifieke thema’s
Naast de indicatoren die we monitoren en waarop we de voortgang over de tijd beschrijven, is er een aantal thema’s waarop we verkennend of verdiepend onderzoek doen. Het doel hiervan is inzicht krijgen in vraagstukken die we niet met enkele indicatoren kunnen beantwoorden. De resultaten van dit verdiepende onderzoek dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe indicatoren.
In dit rapport verwijzen we naar onderzoeken die elders of eerder zijn gepubliceerd. Niet eerder gepubliceerde onderzoeksresultaten lichten we uitgebreider toe.
2.5 Programmaraad
In 2023 is een TiN-programmaraad samengesteld. Deze bestaat uit tien leden, die verschillende organisaties en partijen uit de topsport vertegenwoordigen. Bijvoorbeeld het ministerie van VWS, NOC*NSF, gemeenten, provincies, commerciële topsportorganisaties, kennisinstellingen, coaches en sporters.
De programmaraad heeft een adviserende rol bij het opstellen en selecteren van indicatoren en bij de dataverzameling, rapportage en valorisatie. De leden van de programmaraad nodigen we tweemaal per jaar uit voor een bijeenkomst.
Hoofdstuk 3: Maatschappelijke waarde
In dit hoofdstuk beschrijven we de voortgang op de verschillende indicatoren voor het thema maatschappelijke waarde. Als er eerdere gegevens beschikbaar zijn, beschrijven we ook de ontwikkelingen over de tijd.
3.1 Perceptie maatschappelijke waarde van topsport
Visie op maatschappelijke waarde topsport
De Nederlandse bevolking is overwegend positief over de maatschappelijke waarde van de Nederlandse topsport. 53 procent geeft aan dat topsport vooral op een positieve manier bijdraagt aan de maatschappij (figuur 3.1). Voor slechts 8 procent overheerste de negatieve waarde. Nederlanders die wekelijks sporten, zijn aanzienlijk positiever over de maatschappelijke waarde van topsport dan degenen die minder vaak sporten (niet in figuur).

Omschrijving van de afbeelding
In totaal is in 2025 53% positief over topsport, 40% neutraal en 8% negatief. In 2020 was dat 50%, 38% en 12%. Van de andere aspecten zijn mensen in 2025 het positiefst over collectieve identiteit en trots**, Geluk en passie**, Sponsor en commerciële activiteit**, en Aantrekkingskracht, fans en media** (allemaal meer dan 60%). Daarna volgen Sportparticipatie en gezondheid*, Internationale prestige en imago, Levenskwaliteit en vaardigheden topsporters, en Socials gelijkheid en inclusie (allemaal 40-60%). Onderaan staan Ethiek en fair play*, en Lokale consumptie en leefbaarheid (36-37%). In 202 was de volgorde nagenoeg hetzelfde en waren de percentages vergelijkbaar.
Veranderingen ten opzichte van 2020
Ten opzichte van 2020 is het aandeel dat vindt dat topsport positief bijdraagt aan de samenleving licht gestegen. Het aandeel dat vooral negatieve effecten ziet, is licht gedaald. Wel is het aandeel Nederlanders dat een negatieve bijdrage van topsport ziet op de dimensie ‘ethiek en fair play’ licht toegenomen.
MESSI-model
We hebben de perceptie van de maatschappelijke waarde van de Nederlandse topsport gemeten aan de hand van het MESSI-model (De Rycke & De Bosscher, 2019). Meer over de maatschappelijke waarde van topsport lees je in het factsheet ‘Topsport: meer dan medailles’ (Meulenbroeks & Balk, 2025).
3.2 Ervaren waarde van topsport
Het MESSI-model meet de perceptie van de maatschappelijke waarde van topsport voor de gehele samenleving. Dit zegt echter niets over de ervaringen van een individu. In een onderzoek onder de Nederlandse bevolking hebben we daarom een aantal stellingen voorgelegd over de waarde die topsport voor een individu kan hebben.
Verbondenheid door topsport
De helft van de Nederlandse bevolking geeft aan zich door topsport verbonden te voelen met hun land, streek of club en zich verbonden te voelen met anderen als ze samen naar topsport kijken (resp. 54% en 48%, zie figuur 3.2). De positieve verbindende waarde die men toeschrijft aan topsport (figuur 3.1), is dus ook op individueel niveau terug te zien.

Omschrijving van de afbeelding
Stelling: topsport zorgt ervoor dat ik me verbonden voel met bijv. mijn land, streek of favoriete club. Antwoorden: 54% eens, 20% neutraal, 24% oneens en 2% weet het niet. Stelling: Ik beleef plezier aan het volgen van topsport. Antwoorden: 53% eens, 20% neutraal, 25% oneens en 3% weet het niet. Stelling: topsportevenementen dragen bij aan een levendige sfeer in mijn omgeving. Antwoorden: 51% eens, 21% neutraal, 22% oneens en 6% weet het niet. Stelling: het gebruik van doping zorgt dat ik minder geniet van topsport. Antwoorden: 49% eens, 21% neutraal, 17% oneens en 13% weet het niet. Stelling: ik voel me verbonden met anderen wanneer we samen naar topsport kijken. Antwoorden: 48% eens, 21% neutraal, 26% oneens en 4% weet het niet. Stelling: topsport zorgt bij mij regelmatig voor emotie, zoals spanning, ontroering of blijdschap. Antwoorden: 47% eens, 21% neutraal, 30% oneens en 2% weet het niet. Stelling: topsport draagt bij aan mijn waardering voor mensen met een andere achtergrond dan ik. Antwoorden: 34% eens, 35% neutraal, 21% oneens en 9% weet het niet. Stelling: ik ben bereid om geld uit te geven om te kunnen genieten van topsport. Antwoorden: 31% eens, 17% neutraal, 49% oneens en 4% weet het niet. Stelling: topsporters inspireren mij om meer uit mezelf te halen. Antwoorden: 25% eens, 31% neutraal, 40% oneens en 4% weet het niet. Stelling: door topsporters kom ik (vaker) zelf in beweging of ga ik sporten. Antwoorden: 18% eens, 26% neutraal, 54% oneens en 2% weet het niet.
Zelf sporten door topsport
Topsport lijkt beperkt in staat om mensen in beweging of aan het sporten te krijgen. Eén op de vijf geeft aan door topsporters zelf (vaker) te gaan bewegen (18%). Tot deze groep behoren met name mensen die al wekelijks sporten (niet in figuur). Slechts een enkele niet-sporter gaat door topsporters bewegen of sporten.
Meer over de ervaren maatschappelijke waarde van topsport lees je in het factsheet ‘Topsport: meer dan medailles’ (Meulenbroeks & Balk, 2025).
Hoofdstuk 4: Prestatie
In dit hoofdstuk beschrijven we de voortgang op de verschillende indicatoren voor het thema prestatie. Als er eerdere gegevens beschikbaar zijn, beschrijven we ook de ontwikkelingen over de tijd.
4.1 Medaillespiegel
Olympisch
Op 1 januari 2025 stond Nederland op een zesde plaats op de internationale medaillespiegel voor olympische disciplines. Dit is hoger dan in 2024 en 2023. De afgelopen 25 jaar varieerde de plaats van Nederland op deze internationale medaillespiegel tussen de vierde en de negentiende plaats (figuur 4.1).

Paralympisch
Op 1 januari 2025 stond Nederland op een achtste plaats op de internationale medaillespiegel voor paralympische disciplines. Dit is twee plekken hoger dan in 2024. Tussen 2007 en 2025 varieert Nederland op deze internationale medaillespiegel tussen de zevende en zeventiende plaats (figuur 4.2).

4.2 Mate van trots op prestaties van Nederlandse topsporters
Trots op de Nederlandse topsporters
Bijna zeven op de tien Nederlanders zijn trots op de prestaties van Nederlandse topsporters (71%, bevraagd in 2024, figuur 4.3). In de afgelopen twaalf jaar is een licht dalende trend te zien in de mate van trots. De groep die geen trots ervaart, lijkt redelijk stabiel. De groep die geen mening over het onderwerp heeft, groeit.
Het aantal ondervraagde respondenten verschilt enigszins per jaar, van minimaal 2.970 (2020) tot maximaal 3.608 (2024).

4.3 Niveau Nederlandse topsport ten opzichte van wereldtop
Niveau nationale (team)competities volgens TD’s
Twee derde (67%) van de TD’s beoordeelt het niveau van de nationale competitie in hun sport als slecht of onvoldoende. 28 procent vindt het niveau zeer goed (zie figuur 4.4).

In de topsportklimaatmeting (TSKM)1 van 2019 en 2015 hebben we TD’s ook gevraagd de kwaliteit van wedstrijden op nationaal niveau te beoordelen. In 2019 beoordeelden 31 procent het niveau als (heel) laag. In 2015 was dit 46 procent.
Niveau topteamsportcompetitie volgens de clubs
Hoe clubs het niveau van de Nederlandse topteamcompetitie beoordelen ten opzichte van de topteamcompetitie in de best presterende landen, verschilt sterk per sport (figuur 4.5).
Alle handbal-, volleybal- en waterpoloclubs beoordelen de nationale competitie als (veel) slechter dan die in de best presterende landen. Alle hockey- en korfbalclubs beoordelen de nationale topcompetitie juist als (veel) beter. Dit is vergelijkbaar met de resultaten uit 2021-2022.

Niveau nationale teams teamsporten
Ter beoordeling van het niveau van de nationale teams ten opzichte van de wereldtop geven we in tabel 4.1 de posities op de wereldranglijst weer voor negen teamsporten. In het merendeel van deze sporten nemen de damesteams een hogere positie in dan de herenteams.
Ten opzichte van 2024 zijn de basketbalheren (+1), rugbydames (+2), voetbalheren (+1) en waterpolodames (+1) gestegen op de wereldranglijst. De basketballames (-2), handbaldames (-9), handbalheren (meer dan -27) en volleybalheren (-4) zijn gedaald.
Niveau individuele sporten
Voor individuele sporten is het door de vele onderdelen, categorieën en afstanden lastiger om een eenduidige inschatting te maken van het huidige niveau. Voor een selectie van de meest gevolgde individuele sporten hebben we op basis van (gecombineerde) wereldranglijsten een inschatting gemaakt van het aantal Nederlandse sporters in de wereldtop (tabel 4.2).
Ten opzichte van 2024 is het aantal Nederlandse sporters op de wereldranglijsten toegenomen in de volgende disciplines:
- atletiek dames (+1);
- F1 Academy dames (+1);
- schaatsen dames (+6) en heren (+7);
- tennis dames (+1);
- wielrennen dames (+1).
Het aantal Nederlandse sporters is afgenomen bij darts heren (-10) en wielrennen heren (-3).
Hoofdstuk 5: Fundament | sociale veiligheid
In dit hoofdstuk beschrijven we de voortgang op de verschillende indicatoren voor het thema fundament | sociale veiligheid. Als er eerdere gegevens beschikbaar zijn, beschrijven we ook de ontwikkelingen over de tijd.
5.1 Welzijn van talentvolle sporters, topsporters en coaches
Mentale en fysieke gezondheid
Talentvolle sporters
Over het algemeen zijn de talentvolle sporters positief over hun eigen mentale en lichamelijke gezondheid (zie figuur 5.1). Zo is het grootste deel tevreden over hoe hun leven nu is (79%) en halen zij bijna allemaal plezier uit hun sport (95%).
Vier op de tien talentvolle sporters vinden dat zij onvoldoende rust hebben (42%).
Eén op de vier maakt zich zorgen om hun lichamelijke gezondheid (25%).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 82% voelt zich gesteund door anderen in hun leven als topsporter; voor 48% hangt van hun sportprestaties af hoe gelukkig ze zijn (34% is neutraal); 14% voelt zich vaak eenzaam; voor 7% valt de trainings- en wedstrijdbelasting ze te zwaar.
De talentvolle sporters geven hun lichamelijke gezondheid gemiddeld een 7,7 en hun mentale gezondheid een 7,5. Mannelijke talentvolle sporters geven zowel hun lichamelijke als de mentale gezondheid gemiddeld een hoger cijfer dan vrouwelijke talentvolle sporters (resp. 7,9 en 7,8 vs. 7,6 en 7,2).
Topsporters
De grote meerderheid van de topsporters in dit onderzoek is (zeer) tevreden met hun leven (78%, zie figuur 5.2) en haalt plezier uit hun sport (91%). Daarnaast voelen de meeste topsporters zich in hun leven als topsporter gesteund door naasten (85%).
Toch is er nog verbetering mogelijk. Zo maakt een op de drie topsporters zich zorgen over hun lichamelijke gezondheid (33%), voelt een op de vijf zich vaak eenzaam (19%) en heeft een kwart niet altijd voldoende rust (24%).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: voor 52% hangt van hun sportprestaties af hoe gelukkig ze zijn (30% is neutraal); voor 13% valt de trainings- en wedstrijdbelasting ze te zwaar.
De topsporters geven hun lichamelijke gezondheid gemiddeld een 7,4 en hun mentale gezondheid een 7,2. Het rapportcijfer voor de mentale gezondheid van vrouwelijke topsporters (7,0) is iets lager dan dat van de mannelijke topsporters (7,5). Er is geen verschil tussen de rapportcijfers voor de lichamelijke gezondheid.
Topsporters die het afgelopen jaar te maken hebben gehad met ongewenst gedrag (zie paragraaf 5.2), beoordelen hun lichamelijke én mentale gezondheid met een lager rapportcijfer dan topsporters die het afgelopen jaar niet met ongewenst gedrag te maken hadden.
Meer rust, betere voeding en krachttraining nodig
We vroegen topsporters die hun lichamelijke gezondheid beoordeelden met een 9 of lager wat zij nodig hebben om hun lichamelijke gezondheid te verbeteren. Veel sporters noemen een combinatie van behoeften.
De meest genoemde antwoorden hebben betrekking op betere voeding, meer rust en meer of betere krachttraining. Ook fysiotherapie en andere medische ondersteuning (bv. een sportarts) noemen ze vaak. Het doel van krachttraining en medische hulp is voor veel topsporters blessurepreventie. Een deel van de topsporters geeft aan momenteel te kampen met een blessure en daardoor hun lichamelijke gezondheid als laag te beoordelen.
Praten met een professional en meer rust voor een betere mentale gezondheid
We vroegen topsporters ook wat zij nodig hebben om hun mentale gezondheid te verbeteren. Uit de antwoorden komt duidelijk naar voren dat topsporters behoefte hebben aan praten met een psycholoog of mentaal begeleider. Sommige sporters praten liever met naasten, maar de meerderheid heeft een voorkeur voor een professional. Een paralympisch topsporter met A-status geeft aan:
‘Meer ondersteuning vanuit NOC*NSF voor psychologische sessies. Er is veel aandacht voor fysieke gezondheid, maar niet voor mentaal. Met de sessies die nu vergoed worden, kun je niet je mentale gezondheid verbeteren.’
Paralympisch topsporter
Waar de ene sporter gevoelens wil bespreken, wil de ander concrete ’tools’ leren om zijn mindset te veranderen. Een aantal sporters benoemt enkel ‘minder stress’ te willen. Ook daarbij zou een psycholoog of mentaal begeleider kunnen helpen.
Ook rust noemen de sporters vaak. Sommige topsporters lichten toe dat zij niet de ruimte voelen om rust te nemen. Bijvoorbeeld omdat zij een studie volgen of moeten werken naast het sporten om rond te komen.
Verder geeft een deel van de topsporters aan een betere balans te willen tussen sport en hun leven buiten de sport (werk of privé). Sommige topsporters willen meer ontspanning door bijvoorbeeld leuke dingen te doen met vrienden en familie.
Veilige topsportomgeving
Talentvolle sporters
Het grootste deel van de talentvolle sporters voelt zich veilig in hun topsportomgeving (90%). Maar ze zijn niet over elk aspect positief (figuur 5.3). Zo vindt maar iets meer dan de helft dat er voldoende aandacht is voor mentale gezondheid (55%) en voor het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag (52%).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 68% durft hun mening te geven bij de staf over onwenselijke uitlatingen of gedrag; 54% heeft vertrouwen in een goede afhandeling na melding van misstanden; 57% denkt dat intimidatie en machtsmisbruik in hun sport niet veel voorkomen; 57% denkt dat matchfixing in hun sport geen serieus probleem is.
Topsporters
De meeste topsporters voelen zich veilig in de omgeving waarin zij topsport bedrijven (87%, zie figuur 5.4). Voor een aantal topsporters is dit (helemaal) niet het geval (4%). Mannelijke topsporters voelen zich vaker veilig in hun topsportomgeving dan vrouwelijke (90% vs. 85%, niet in figuur).
Een op de vijf topsporters vindt dat er onvoldoende aandacht is voor hun mentale gezondheid (21%). Volgens een op de zes is er onvoldoende aandacht voor het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag (17%). Daarnaast geeft een op de vijf aan dat in hun sport intimidatie en/of machtsmisbruik regelmatig voorkomt (18%). Matchfixing is volgens slechts enkele topsporters een serieus probleem in hun sport (2%).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 73% durft hun mening te geven bij de staf over onwenselijke uitlatingen of gedrag; 49% heeft vertrouwen in een goede afhandeling na melding van misstanden.
Coaches
De meeste coaches (70%) voelen zich veilig in de omgeving waarin ze coach zijn (zie figuur 5.5). Een op de acht coaches (13%) voelt zich (helemaal) niet veilig. Ongeveer een op de vijf vindt dat er onvoldoende aandacht is voor de mentale gezondheid van de sporters (22%) en voor het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag in de topsport (16%).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 78% weet waar ze een misstand of integriteitsschending kunnen melden; 41% heeft vertrouwen in een goede afhandeling na melding van misstanden.
Bijna alle coaches geven aan dat zij zich verantwoordelijk voelen voor het persoonlijke welzijn van hun sporters (86%) en dat sporters altijd bij hen terecht kunnen met wat hen in het dagelijks leven bezighoudt (93%, figuur 5.6). Vier op de vijf coaches (80%) geven aan te weten hoe ze sporters moeten motiveren.
Meer dan de helft van de coaches (61%) voert gesprekken met hun sporters over wat die als gewenst en ongewenst gedrag ervaren. 11 procent doet dit niet. Daarnaast durft 80 procent van de coaches een medecoach aan te spreken op ongewenst gedrag.

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 25% legt hun sporters bepaalde leefregels op, 36% niet. 89% grijpt in wanneer er ruzie is of gepest wordt tussen de sporters. 79% geeft elke sporter de aandacht die hij/zij nodig heeft.
Een op de drie coaches (33%) voelt zich enigszins of heel erg beperkt in hun werk als coach door de aandacht voor een veilig sportklimaat (figuur 5.7). Hierbij geeft een van de coaches aan: ‘Aangezien je grenzen probeert te verleggen moet je de grenzen opzoeken. Hierin wordt vooral geredeneerd voor de positie als speler. Er wordt nog niet genoeg gedacht in het belang van de coach. Deze stelt zich ook kwetsbaar op en moet beter beschermd worden t.o.v. de speler.‘

TD’s
Alle TD’s zien een verantwoordelijkheid voor de bond bij het creëren van een veilig sportklimaat (niet in figuur). 84 procent vindt dat er voldoende aandacht is voor het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag binnen hun sport (figuur 5.8). 6 procent vindt van niet.
Over de hoeveelheid aandacht voor mentale gezondheid zijn de meningen meer verdeeld. Drie op de tien TD’s (28%) vinden dat er onvoldoende aandacht is voor mentale gezondheid. 44 procent vindt dat hier wel voldoende aandacht voor is.

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 72% heeft vertrouwen in een goede afhandeling na een melding van misstanden in hun sport. 78% bespreekt met hun coaches wat sporters als gewenst en ongewenst gedrag ervaren.
Verantwoordelijkheid voor veilige topsportomgeving
We vroegen aan topsporters, talentvolle sporters, coaches en TD’s wie ze verantwoordelijk vinden voor het creëren van een veilige topsportomgeving.
Onder topsporters, talentvolle sporters en coaches is de meest genoemde verantwoordelijke de coach (figuur 5.9). Alle TD’s vinden dat de bond (mede) verantwoordelijk is voor een veilige topsportomgeving. Een meerderheid van de topsporters en talentvolle sporters vindt dat sporters ook een verantwoordelijkheid dragen bij het zorgen voor een veilige topsportomgeving.

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: de coach, de bond, de sporter zelf en medesporters scoren onder alle groepen hoog: meer dan de helft van elke groep vindt dat deze verantwoordelijk zijn. De club/vereniging/TeamNL-centra scoren ook hoog, behalve onder coaches (iets minder dan de helft. Het TeamNL-centrum en NOC*NSF zijn verantwoordelijk volgens ongeveer de helft van de TD’s en een derde van de coaches.
Behoefte coaches aan ondersteuning
40 procent van de coaches geeft aan behoefte te hebben aan ondersteuning voor het creëren van een veilige sportomgeving. De meeste coaches die dit aangeven, willen sparren met andere coaches (75%) of een cursus of opleiding volgen (66%).
5.2 Voorkomen van ongewenst gedrag
In deze paragraaf beschrijven we ervaringen van talentvolle sporters en topsporters met ongewenst gedrag. Het is belangrijk om te benoemen dat sommige sporters aangaven dat het niet veilig voelde om eerlijk te antwoorden op de vragenlijst, ongeacht de anonimiteit. Het is daardoor mogelijk dat de gerapporteerde aantallen een onderschatting zijn van de werkelijkheid.
Talentvolle sporters
In tabel 5.1 staat het aantal talentvolle sporters dat te maken heeft gehad met verschillende vormen van onwenselijk gedrag. Voor de volledigheid geven we in de tabel zowel aantallen als percentages.
In totaal heeft 38 procent van de ondervraagde talentvolle sporters (n=466) in het afgelopen jaar te maken gehad met ongewenst gedrag. De meest voorkomende vorm van ongewenst gedrag waar zowel mannelijke als vrouwelijke talentvolle sporters het afgelopen jaar mee te maken hadden, was schelden/pesten (resp. 26% en 23%).
| Vorm | Nooit | Soms | Regelmatig | Vaak | Langer dan twaalf maanden geleden | Zeg ik liever niet |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Schelden en/of pesten | 885 (72%) | 240 (19%) | 44 (4%) | 19 (2%) | 42 (3%) | 4 (<1%) |
| Intimidatie/machtsmisbruik | 1.017 (82%) | 139 (11%) | 32 (3%) | 18 (1%) | 21 (2%) | 6 (<1%) |
| Discriminatie | 1.126 (91%) | 72 (6%) | 15 (1%) | 8 (1%) | 7 (1%) | 5 (<1%) |
| Seksueel grensoverschrijdend gedrag | 1.186 (96%) | 21 (2%) | 7 (1%) | 1 (<1%) | 14 (1%) | 3 (<1%) |
| Fysieke dreiging en/of geweld | 1.156 (94%) | 47 (4%) | 11 (1%) | 2 (<1%) | 12 (1%) | 5 (<1%) |
| Gedwongen worden om iets aan gewicht en/of uiterlijk te veranderen | 1.106 (90%) | 82 (7%) | 15 (1%) | 11 (1%) | 13 (1%) | 6 (<1%) |
| Andere vormen van onwenselijk gedrag | 1.179 (96%) | 36 (3%) | 5 (<1%) | – | 2 (<1%) | 11 (1%) |
Topsporters
Twee op de vijf ondervraagde topsporters hadden het afgelopen jaar te maken met ongewenst gedrag (43%). Het verschil tussen vrouwelijke en mannelijke topsporters is klein (vrouwen 44% vs. mannen 42%).
De ervaringen met verschillende vormen van ongewenst gedrag staan in tabel 5.2. De meest voorkomende vorm waar vrouwen mee te maken hadden in het afgelopen jaar, was intimidatie/machtsmisbruik (28%, niet in tabel). Bij mannen was de meest voorkomende vorm schelden en/of pesten (25%).
Hoewel de groep topsporters met een niet-Europese migratieachtergrond redelijk klein is (n=33), lijkt met name bij discriminatie een verschil te zitten tussen deze groep en de topsporters zonder of met een Europese migratieachtergrond. Topsporters zonder (4%) of met een Europese migratieachtergrond (0%) hadden niet of nauwelijks te maken met ongewenst gedrag. Voor één op de drie topsporters met een niet-Europese migratieachtergrond was dit wel het geval (33%).
| Vorm | Nooit | Soms | Regelmatig | Vaak | Langer dan twaalf maanden geleden | Zeg ik liever niet |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Schelden en/of pesten | 333 (72%) | 91 (20%) | 11 (2%) | 9 (2%) | 21 (5%) | 0 (-%) |
| Intimidatie/machtsmisbruik | 321 (69%) | 82 (18%) | 20 (4%) | 14 (3%) | 27 (6%) | 1 (<1%) |
| Discriminatie | 427 (92%) | 19 (4%) | 4 (1%) | 3 (1%) | 11 (2%) | 1 (<1%) |
| Seksueel grensoverschrijdend gedrag | 442 (95%) | 12 (3%) | 1 (<1%) | 0 (-%) | 10 (2%) | 0 (-%) |
| Fysieke dreiging en/of geweld | 453 (97%) | 9 (2%) | 0 (-%) | 3 (1%) | 0 (-%) | 0 (-%) |
| Gedwongen worden om iets aan gewicht en/of uiterlijk te veranderen | 387 (83%) | 40 (9%) | 9 (2%) | 6 (1%) | 21 (5%) | 2 (<1%) |
| Andere vormen van onwenselijk gedrag | 433 (93%) | 21 (5%) | 4 (1%) | 1 (<1%) | 3 (1%) | 3 (1%) |
De topsporters die de afgelopen twaalf maanden te maken hadden met ongewenst gedrag, hebben we ook gevraagd door wie ze dit gedrag ervoeren. Schelden/pesten en discriminatie vonden het vaakst plaats door medesporters (teamgenoten of sporters uit dezelfde trainingsgroep). Intimidatie/machtsmisbruik, fysieke dreiging/geweld en dwang om iets aan hun gewicht of uiterlijk te doen, kwamen het vaakst door trainers of coaches.
Seksueel grensoverschrijdend gedrag vond met name plaats door toedoen van medesporters en trainers/coaches. Eén op de drie sporters zegt liever niet wie hun seksuele grenzen overschreed (33%). Dit is hoger dan bij alle andere vormen van ongewenst gedrag.
5.3 Meldingen van grensoverschrijdend gedrag bij CVSN
Aantal meldingen bij CVSN
Jaarlijks publiceert het CVSN een jaarverslag met alle data die zij uit het Case Management System Sport (CMSS) halen. Dit systeem is een centraal punt waar meldingen rondom grensoverschrijdend gedrag in de sport worden vastgelegd.
In 2024 waren naast het CVSN 57 sportbonden en vijf servicecontracten aangesloten op het CMSS. Een aantal sportgerelateerde organisaties die geen lid zijn van NOC*NSF, kunnen via een servicecontract gebruikmaken van de diensten van CVSN (bv. de Nationale Raad Zwemveiligheid).
In 2024 zijn in totaal 1.384 dossiers ingevoerd.2 Dit is een daling ten opzichte van 2023, toen er 1.547 dossiers werden ingevoerd. In 2022 waren dat er 1.383, in 2021 en 2020 respectievelijk 873 en 828. Vóór 2020 kwam het aantal jaarlijkse dossiers niet boven de 800.
In elk dossier geeft de melder aan op welk niveau van sport de gedragingen zich afspelen. Het totale aantal topsportdossiers is ten opzichte van voorgaande jaren gedaald (tabel 5.3). Er zit een grote variëteit in de dossiers vanuit de topsport: deze meldingen komen uit meer dan dertig verschillende takken van sport. Wat opvalt is de stijging in het aantal dossiers in de gehandicaptentopsport.
Melders kunnen bij CVSN een melding doen, maar ook direct bij hun sportbond. Waar in voorgaande jaren 15 procent van de topsportmeldingen bij de bonden binnenkwamen, komt nu één op de drie bij de bonden binnen. Deze verschuiving is ook bij meldingen uit de breedtesport te zien. Een mogelijke verklaring hiervoor is de aanstelling van integriteitsmanagers en het versterken van de meldpunten bij sportbonden.
| Categorie | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 |
|---|---|---|---|---|
| Topsport | 141 | 165 | 148 | 80 |
| Gehandicaptentopsport | 5 | 9 | 6 | 29 |
| Subtop | 60 | 75 | 112 | 61 |
| Totaal | 206 | 249 | 266 | 170 |
CVSN geeft aan dat er veel voorlichting wordt gegeven aan mensen die actief zijn in de topsport. Ze merken dan ook dat die mensen de weg naar CVSN en de bonden steeds beter weten te vinden. Ook ervaart CVSN dat steeds meer trainers en TD’s proactief advies vragen over hoe ze om moeten gaan met bepaalde situaties.
Bekendheid met CVSN
Talentvolle sporters
Slechts 15 procent van de talentvolle sporters is bekend met CVSN, 85 procent kent CVSN niet.
Topsporters
Van de topsporters in dit onderzoek is ongeveer één op de drie bekend met CVSN (37%), 63 procent kent CVSN niet. Topsporters met een status zijn vaker bekend met CVSN dan sporters zonder status (52% vs. 27%). En topsporters die op een TeamNL-centrum of NTC trainen, zijn vaker bekend met CVSN dan topsporters die elders trainen (55% vs. 25%).
Hoofdstuk 6: Fundament | verantwoorde organisatie van topsport
In dit hoofdstuk beschrijven we de voortgang op de verschillende indicatoren voor het thema Fundament | verantwoorde organisatie van topsport. Als er eerdere gegevens beschikbaar zijn, beschrijven we ook de ontwikkelingen over de tijd.
6.1 Waardering van de topsportomgeving
Rapportcijfer topsportomgeving
In tabel 6.1 staan de gemiddelde cijfers waarmee talentvolle sporters, topsporters, coaches en TD’s hun topsportomgeving beoordelen.
- De talentvolle sporters beoordelen hun topsportomgeving gemiddeld met een 7,7. Dit is vergelijkbaar met de beoordeling onder topsporters (7,5).
- Mannelijke topsporters beoordelen de topsportomgeving net iets beter dan vrouwelijke topsporters (7,6 vs. 7,4).
- De coaches beoordelen hun topsportomgeving gemiddeld met een rapportcijfer van 7,3. 6 procent van de coaches beoordeelt hun topsportomgeving met een onvoldoende.
- TD’s beoordelen de topsportomgeving binnen de topsportprogramma’s van hun bond gemiddeld met een 7,4. Negen op de tien TD’s geven een 7 of hoger.
| Groep | Gemiddelde | Range: minimum | Range: maximum | % 7 of hoger |
|---|---|---|---|---|
| Talentvolle sporters | 7,7 | 3 | 10 | 88% |
| Topsporters | 7,5 | 3 | 10 | 84% |
| Coaches | 7,3 | 1 | 10 | 83% |
| TD’s | 7,4 | 4 | 9 | 89% |
Vergelijking sporters met en zonder status en naar trainingslocatie
Wanneer we de beoordeling van topsporters vergelijken tussen sporters met en zonder topsportstatus of tussen verschillende trainingslocaties zien we slechts hele kleine verschillen (zie tabel 6.2).
| Groep | Gemiddelde | Range: minimum | Range: maximum | % 7 of hoger |
|---|---|---|---|---|
| Alle topsporters | 7,5 | 3 | 10 | 84% |
| A-/Selectie-/HP-status | 7,4 | 3 | 10 | 81% |
| Geen status | 7,4 | 4 | 10 | 86% |
| Weet niet/Zeg ik liever niet | 7,6 | 3 | 10 | 89% |
| Trainend op een TeamNL-centrum | 7,4 | 3 | 10 | 81% |
| Elders trainend | 7,5 | 3 | 10 | 86% |
Ontwikkeling rapportcijfer
In de TSKM werd aan topsporters, talentvolle sporters met een status van NOC*NSF en TeamNL coaches gevraagd hoe ze het topsportklimaat beoordeelden. Om de TiN te kunnen vergelijken met de TSKM hebben we in figuur 6.1 voor 2024 alleen topsporters en talentvolle sporters met een status van NOC*NSF meegenomen.
Topsporters zijn hun topsportomgeving de afgelopen decennia steeds beter gaan beoordelen. Dit geldt ook voor talentvolle sporters en coaches. In 2024 beoordeelden de talentvolle sporters de topsportomgeving voor het eerst met een hoger cijfer dan de topsporters.

Omschrijving van de afbeelding
De cijfers van topsporters daalden van 6,5 naar 6,3 en stegen daarna naar 7,4. De cijfers van talenten daalden van 6,6 naar 6,2 en stegen daarna naar 7,2. De cijfers van coaches zijn er pas vanaf 2015 en stegen vanaf toen van 6,4 naar 7,7.
6.2 Inkomen en financiële zekerheid
Talentvolle sporters
We hebben de talentvolle sporters gevraagd naar de financiële ondersteuning die zij ontvangen van NOC*NSF of een andere externe partij. De meeste talentvolle sporters krijgen geen financiële ondersteuning (59%), 7 procent krijgt ondersteuning van sponsoren en een aantal van de sportbond (3%) of van het Yvonne van Gennip Fonds (3%).
Topsporters
Drie kwart van de topsporters heeft een bruto-inkomen (excl. declaraties) uit sport van maximaal 40.000 euro per jaar (75%, figuur 6.2). Dit geldt in gelijke mate voor topsporters met en zonder status van NOC*NSF. Een kwart van de topsporters moet het doen met minder dan 10.000 euro per jaar (26%). Mannelijke topsporters behoren vaker tot de hogere inkomenscategorieën dan vrouwelijke topsporters.
Gemiddeld halen de topsporters ongeveer de helft van hun bruto-jaarinkomen uit topsportactiviteiten (52%, niet in figuur). Een op de vijf haalt hun volledige inkomen hieruit (21%). Bijna de helft van de topsporters heeft (ook) een inkomen door werk dat ze doen naast de topsport (47%).

Vier op de tien topsporters geven aan dat het maandelijkse totale inkomen niet voldoende is om in hun levensonderhoud en de beoefening van de sport te voorzien (43%, figuur 6.3). Dit geldt in gelijke mate voor topsporters met en zonder status van NOC*NSF. Topsporters die geen stipendium ontvangen van het Fonds voor de Topsporter, geven vaker aan onvoldoende inkomsten te hebben dan topsporters die wel een stipendium ontvangen.
Het is hierbij belangrijk om te benoemen dat topsporters uit het betaald voetbal sterk ondervertegenwoordigd zijn.
Over het algemeen hebben topsporters met de laagste inkomens vaker onvoldoende inkomsten om rond te komen dan topsporters met hogere inkomens (figuur 6.3). Toch geeft ook een deel van de topsporters uit de hogere inkomensklassen aan dat hun maandelijkse inkomen onvoldoende is.

6.3 Inkomen en carrièreperspectief onder topsport- en talentcoaches
Inkomen
Coaches
Bijna de helft van de coaches (42%) heeft een bruto-jaarinkomen (excl. declaraties) tussen de 40.000 en 80.000 euro (figuur 6.4). Ruim een op de tien heeft een inkomen van minder dan 10.000 euro (13%). Een iets kleinere groep (9%) verdient meer dan 80.000 euro. De meeste mannelijke coaches (46%) hebben een bruto-jaarinkomen tussen de 40.000 en 80.000 euro. De meeste vrouwelijke coaches (40%) verdienen tussen de 25.000 en 40.000 euro.

De helft van de coaches (53%) haalt (bijna) hun volledige inkomen uit coachactiviteiten. Zes op de tien coaches (63%) geven aan dat hun maandelijkse inkomen vanuit de coachactiviteiten voldoende is voor hun levensonderhoud. Vier op de vijf (83%) geven aan dat hun totale maandelijkse inkomen voldoende is voor hun levensonderhoud. Een op de tien coaches (14%) geeft aan dat dit onvoldoende is. Dit is vergelijkbaar met 2019; toen ga 12 procent aan dat hun inkomen onvoldoende was.
Een coach geeft aan:
‘Ik heb bijna 20 jaar als vrijwillige coach gewerkt voordat ik mijn werk er van kon maken. Coaches is een ervaringsvak; wil je ervaren coaches bij bonden aanstellen dan moet het salaris kunnen concurreren met *een gewone baan”. Anders krijg je alleen hele jonge en talentvolle coaches. Zij missen ervaring.’
Coach
Aanstelling
Van alle coaches heeft slechts 14 procent een contract voor onbepaalde tijd. Ruim de helft (55%) heeft een contract voor bepaalde tijd (tabel 6.3). Deze coaches hebben een aanstelling voor gemiddeld 0,84 fte. De gemiddelde omvang van de aanstelling van de coaches (actief binnen de opleidings- en topsportprogramma’s van NOC*NSF) is gelijk gebleven ten opzichte van 2019. Vier op de tien coaches vinden het aantal uren onvoldoende om de topsporters/talentvolle sporters goed te begeleiden op het hoogste niveau.
| Dienstverband | % |
|---|---|
| Een nulurencontract | 1 |
| Een contract voor bepaalde tijd | 55 |
| Een contract voor onbepaalde tijd | 14 |
| Als zzp’er | 23 |
| Als vrijwilliger | 6 |
| Anders | 1 |
| Zeg ik liever niet | 1 |
De coaches zijn gemiddeld al veertien jaar coach. Een coach besteedt gemiddeld 33 uur per week aan het werk als coach. De coaches geven aan gemiddeld tien weken per jaar in het buitenland te zijn voor hun werk als coach en gemiddeld vijf weken per jaar vrij te zijn als coach.
Bijna de helft van de coaches (44%) heeft geen andere werkzaamheden naast hun functie als coach. Een op de vijf geeft aan naast het coachen voltijds (10%) of parttime (10%) in loondienst te werken. Drie op de tien coaches (29%) geven aan naast het coachen als zelfstandige te werken. Enkele coaches (6%) volgen een voltijdse of parttime studie.
Man-vrouwverdeling
De man-vrouwverdeling onder coaches is erg scheef. Meer dan acht op de tien coaches zijn man (84%). In de TSKM van 2019 was deze verdeling nog schever, toen was 88 procent man.
Een kwart van de coaches (28%) is niet tevreden met de man-vrouwverdeling binnen de functie trainer-coach in hun sport (zie figuur 6.5). Het zijn voornamelijk vrouwen die dit vinden. Een op de drie coaches (34%) vindt dat er meer vrouwen aangenomen moeten worden op trainer-coachfuncties in de topsport. De helft van de vrouwelijke coaches (48%) vindt dit, tegenover drie op de tien mannelijke coaches (32%, niet in figuur).

TD’s
De verschillende topsportsprogramma’s hebben tussen de 0,4 en 15 fte aan topcoaches in dienst bij de bond. De meerderheid van de TD’s (56%) vindt dat er onvoldoende coaches binnen de programma’s werken. Tekorten lopen uiteen van 0,5 tot 5 fte. In 2019 vond slechts 31 procent van de TD’s dat er te weinig coaches waren (TSKM 2019).
Bij de selectie van nieuwe coaches letten TD’s met name op vakinhoudelijke kennis (72%), ervaring als coach (50%) en pedagogische kwaliteiten (44%, zie figuur 6.6). Eerdere prestaties als coach (17%) en didactische kwaliteiten (28%) krijgen minder prioriteit. Geen enkele TD selecteert coaches op basis van naamsbekendheid.

Carrièreperspectief
Coaches
De coaches zijn niet erg positief over hun carrièreperspectief. Een op de drie (34%) geeft aan dat er voldoende mogelijkheden zijn om zich te ontwikkelen tot topcoach op het hoogste niveau (zie figuur 6.7). Een iets kleinere groep (28%) vindt dat die mogelijkheden er onvoldoende zijn. Een kwart van de coaches (25%) ambieert een loopbaan als coach in het buitenland.
Coaches zijn vrij negatief over de maatschappelijke erkenning van hun vak. Meer dan de helft (52%) geeft aan dat het vak van topsportcoach onvoldoende (maatschappelijke) erkenning krijgt in Nederland.

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: meer dan de helft (52%) zegt dat parttime werken als coach niet wordt geaccepteerd. 16% zegt dat coachopleidingen in vergelijkbare westerse landen beter zijn dan in Nederland, maar 49% weet dit niet en 22% is neutraal. 50% vindt dat er genoeg mogelijkheden zijn om zich als coach te ontwikkelen, 18% vindt van niet.
Nagenoeg alle coaches geven aan dat zij in de afgelopen twee jaar aandacht hebben besteed aan hun ontwikkeling als coach (99%). Dit doen zij vooral door te sparren met andere coaches/begeleiders (91%) en via zelfstudie (65%). Daarnaast bezoeken ze congressen (57%), volgen ze cursussen (46%) of doen ze aan intervisie (41%).
Zes op de tien coaches (64%) hebben behoefte aan specifieke ondersteuning. Bijvoorbeeld op het gebied van persoonlijke ontwikkeling en welzijn, financiën en kennisdeling.
TD’s
TD’s zijn ook vrij negatief over het carrièreperspectief van hun coaches. 61 procent vindt dit carrièreperspectief in hun sport niet goed (figuur 6.8). Dit is een stuk hoger dan in 2019 (41%) en in 2015 (39%, TSKM 2019).
Ook vinden vier op de tien TD’s (44%) dat topcoaches niet voldoende maatschappelijke erkenning krijgen voor hun werk. Dat aandeel ligt iets hoger dan in 2019 (31%) en 2015 (41%, TSKM 2019). De arbeidsvoorwaarden voor topsportcoaches vindt de helft van de TD’s goed.

6.4 Duale carrière en transitie
Combinatie topsport en opleiding/werk
Talentvolle sporters
Bijna de helft van de talentvolle sporters (46%) geeft aan dat hun sportcarrière geen invloed heeft op hun opleiding. Bij één op de vijf zorgt hun sportcarrière voor een langere studieduur, iets meer dan één op de tien doet een opleiding op een lager niveau vanwege hun topsportcarrière (13%).
De ruime meerderheid van de talentvolle sporters kan topsport goed combineren met een opleiding (65%; figuur 6.9). 11 procent kan topsport en opleiding niet goed combineren. In 2019 was dit 12 procent (TSKM 2019).
Het grootste deel van de talentvolle sporters geeft aan dat er vanuit hun opleiding rekening wordt gehouden met hun sport (74%). Volgens één op de drie heeft het volgen van een opleiding een positief effect op hun sportprestaties (32%).
Gemiddeld geven de talentvolle sporters een 7,3 aan de ondersteuning die zij ontvangen vanuit hun onderwijsinstelling om hun opleiding te combineren met topsport. In de TSKM van 2019 beoordeelde de talentvolle sporters deze ondersteuning gemiddeld met een 6,9.

Topsporters
Drie op de vijf topsporters doen langer over hun school/studie door hun topsportcarrière (64%). Eén op de tien doet een andere opleiding (9%) en een aantal topsporters volgt een opleiding op een lager niveau (4%) dan ze zouden doen als ze niet aan topsport deden. Eén op de vijf topsporters geeft aan dat hun topsportbeoefening geen enkele invloed heeft op de opleiding die ze volgen (18%).
We hebben de topsporters die een opleiding volgen een aantal stellingen voorgelegd over de combinatie van topsport en studie (figuur 6.10). Bij iets meer dan de helft van de topsporters houdt de opleiding rekening met hun topsportcarrière (57%). Vergelijkbaar met de talentvolle sporters geeft een op de drie topsporters aan dat het volgen van een opleiding een positief effect heeft op hun sportprestaties (35%). Bij een op de vijf is dit (helemaal) niet het geval (23%). Dit zijn vaker mannen dan vrouwen (33% vs. 19%, niet in figuur).
Twee op de vijf topsporters geven aan dat ze topsport en de opleiding die ze volgen goed kunnen combineren (42%). Bij topsporters met een status is dit 39 procent. Dit is een afname ten opzichte van 2019 (55%, TSKM 2019). Het aandeel topsporters met een status dat aangeeft dat ze hun opleiding niet goed kunnen combineren met topsport, is gestegen (16% in 2019, 31% in 2024).

De topsporters die ondersteuning van hun onderwijsinstelling krijgen om de opleiding te combineren met topsport, beoordelen deze ondersteuning met een 6,3. Topsporters met een status beoordelen de ondersteuning met een 6,6. Dit is lager dan in 2019 (7,1, TSKM 2019).
Van de topsporters die naast hun sport ook ander werk hebben, ontvangen vier op de vijf topsporters ondersteuning van hun werkgever om hun werk te combineren met hun topsportloopbaan (79%). De gemiddelde score die zij deze ondersteuning geven is een 7,4.
Coaches
De coaches hebben we gevraagd de samenwerking tussen verschillende instanties (voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, hoger onderwijs en werkgever) en de sporters te beoordelen. De coaches beoordelen deze samenwerkingen over het algemeen als voldoende (figuur 6.11).

Omschrijving van de afbeelding
De samenwerking tussen voortgezet onderwijs en de sporters vindt 31% van de coaches goed en 12% niet goed. De rest is neutraal of weet het niet. De samenwerking met het mbo vindt 23% goed en 12% niet. De samenwerking met hbo/universiteit vindt 24% goed en 17% niet. De samenwerking met werkgevers vindt 17% goed en 16% niet.
Maatschappelijke carrière
Talentvolle sporters
Over het algemeen zijn talentvolle sporters positief over hun duale carrière. Zo geeft 72 procent aan dat ze de competenties die ze leren als topsporter, later kunnen gebruiken in hun werk (figuur 6.12). De coach heeft volgens een groot deel van de talentvolle sporters een stimulerende (45%) of neutrale rol (31%) bij het combineren van topsport met studie of werk.

Topsporters
Een grote meerderheid van de topsporters denkt na over hun leven als hun topsportcarrière voorbij is (85%, zie figuur 6.13). De helft geeft aan dat hun topsportloopbaan hun latere carrièremogelijkheden verbetert (50%). Dit geldt in gelijke mate voor mannelijke en vrouwelijke topsporters (niet in figuur).
Twee op de vijf topsporters maken zich wel eens zorgen over wat ze na hun topsportcarrière gaan doen (43%). Dit is vaker het geval bij topsporters met een status van NOC*NSF dan bij topsporters zonder status (48% vs. 34%, niet in figuur). Andersom geven topsporters zonder status vaker aan het idee te hebben dat topsport niet als volwaardig beroep gezien wordt dan topsporters met een status (80% vs. 52%, niet in figuur).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 37% vindt dat de coach een stimulerende rol heeft bij het combineren van topsport met hun studie of werk. 20% vindt van niet. 32% heeft behoefte aan ondersteuning bij hun maatschappelijke carrière, en 32% niet. 19% vindt dat topsport in Nederland gezien wordt als een volwaardig beroep, 64% niet.
Vier van de stellingen maakten ook onderdeel uit van de TSKM in 2019:
- Het aandeel topsporters met een status dat vindt dat hun topsportloopbaan latere carrièremogelijkheden verbetert, is aanzienlijk gedaald tussen 2019 en 2024 (van 67% naar 52%).
- Het aandeel statussporters dat aangeeft dat topsport in Nederland gezien wordt als een volwaardig beroep, is ongeveer gelijk gebleven (van 24% naar 26%).
- Ook het aandeel topsporters met een status wiens coach een stimulerende rol heeft bij het combineren van topsport en een maatschappelijke carrière en dat zich zorgen maakt over wat ze na hun topsportcarrière gaan doen, is ongeveer gelijk gebleven.
Coaches
Zeven op de tien coaches (71%) vinden dat zij een stimulerende rol hebben bij het combineren van topsport met een maatschappelijke carrière (studie/werk, figuur 6.14). Bijna alle coaches (89%) vinden het belangrijk dat hun sporters aandacht besteden aan hun carrière na de topsport (bijvoorbeeld door een diploma te halen). Maar minder dan de helft van de coaches (38%) vindt dat deze transitie bij hun sporters goed verloopt.

TD’s
De meeste TD’s vinden dat sporters voldoende ondersteuning krijgen om topsport met hun studie/werk te kunnen combineren (67%). Een derde vindt dat de transitie van sporters naar hun maatschappelijke carrière nog niet goed verloopt. 28 procent vindt dat deze transitie wel goed verloopt (figuur 6.15).

6.5 Opleidingsniveau en kwalificatie huidige coaches
Coaches
Ongeveer de helft van de coaches (49%) heeft een kaderopleiding via een sportbond gevolgd voor hun werk als coach. Van de opleidingen vanuit onderwijsinstellingen noemen ze de sportgerelateerde hbo-opleiding het vaakst (39%). Enkele coaches (7%) hebben geen opleiding gevolgd (tabel 6.4).
| Type opleiding | % |
|---|---|
| Sportgerelateerde mbo-opleiding | 12 |
| Sportgerelateerde hbo-opleiding | 39 |
| Sportgerelateerde universitaire opleiding | 13 |
| Kaderopleiding via sportbond | 49 |
| Andere functierelevante opleiding | 29 |
| Geen opleiding | 7 |
Van alle coaches die een kaderopleiding via een sportbond hebben gevolgd, hebben vier op de vijf de kaderopleiding niveau 4 (Trainer-coach/instructeur) of niveau 5 (Topsport- en talentcoach) voltooid (tabel 6.5). Deze resultaten zijn vergelijkbaar met de resultaten uit de TSKM van 2019.
| Kaderopleiding | % |
|---|---|
| Niveau 1 Sporttechnisch kader | 1 |
| Niveau 2 Sporttechnisch kader | 2 |
| Niveau 3 Trainer-coach/instructeur | 8 |
| Niveau 4 Trainer-coach/instructeur | 47 |
| Niveau 5 Topsport- en talentcoach | 35 |
| Anders | 2 |
| Weet ik niet | 4 |
TD’s
Twee derde van de TD’s (66%) vindt het opleidingsniveau van hun coaches goed in vergelijking met andere landen. 28 procent vindt dat dit niet het geval is. Als belangrijkste verbeterpunten noemen TD’s betere opleidingen, betere begeleiding voor coaches en meer ontwikkelmogelijkheden.
Bij ongeveer drie kwart van de bonden is het mogelijk om de trainer-coachopleiding niveau 4 of niveau 5 te volgen. Een aantal van deze bonden biedt opleidingen op zowel niveau 4 als niveau 5 aan. Bij 28 procent van de bonden is er geen mogelijkheid om de opleiding op niveau 4 of niveau 5 te volgen.
Op niveau 4 ronden jaarlijks per bond gemiddeld tussen de één en vijftien trainers/coaches deze opleiding af. Bij niveau 5 ligt dit aantal een stuk lager: per bond ronden jaarlijks maximaal één of in een enkel geval twee trainers/coaches deze opleiding af.
6.6 Beoordeling van opleidings- en topsportprogramma’s
Beoordeling opleidingsprogramma’s
Talentcoaches
De talentcoaches beoordelen de kwaliteit van de opleidingsprogramma’s gemiddeld met een 6,7.
Bijna de helft van de coaches van talentvolle sporters (44%) is (heel) ontevreden over de overgang van verenigings-/clubprogramma naar opleidingsprogramma. Een derde van de coaches (34%) is daar juist (heel) tevreden over.
Bijna de helft van de coaches (45%) geeft aan dat hun sportbond schriftelijk vastgelegd heeft waar een talentvolle sporter aan moet voldoen om door te stromen naar het seniorentopsportprogramma. Vier op de tien (36%) geven aan dat er niets schriftelijk is vastgelegd en twee op de tien (19%) weten dit niet.
Bijna twee derde van de talentcoaches (65%) vindt dat sporters vooraf goed worden geïnformeerd over wat het betekent om als talentvolle sporter aan het opleidingsprogramma mee te doen (figuur 6.16). Over de transparantie van het besluitvormingsproces over de in-, door- en uitstroom zijn de meningen verdeeld. Een derde van de coaches (33%) vindt dit proces niet transparant, 41 procent wel.
Bijna de helft van de coaches (44%) geeft aan dat er onvoldoende ondersteuning is voor talentvolle sporters die uitstromen.

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 42% vindt dat de in-, door- en uitstroom van talenten voldoende wordt geëvalueerd. 24% vindt van niet.
TD’s
TD’s beoordelen de opleidingsprogramma’s van hun bond gemiddeld met een 6,7. Het hoogste gegeven cijfer is een 8 en het laagste een 5.
Bijna acht op de tien TD’s (77%) geven aan dat ouders van talentvolle sporters van tevoren geïnformeerd worden over wat het betekent om deel te nemen aan het talentprogramma. Ook geeft 72 procent aan dat het proces rondom in-, door- en uitstroming transparant is voor sporters. Over de ondersteuning bij het uitstroomproces zijn de TD’s minder positief: vier op de tien geven aan dat er geen goede ondersteuning is voor sporters die uitstromen (figuur 6.17).
Ook in de doorstroom vanuit verenigings-/clubprogramma’s naar het opleidingsprogramma van de bond is nog verbetering mogelijk. Een derde van de TD’s is hier ontevreden over. Slechts 17 procent is wel tevreden over dit proces. Verder staat 39 procent hier neutraal in en zegt 11 procent dat het niet van toepassing is (niet in figuur).
78 procent van de bonden heeft volgens TD’s vastgelegd waar een talentvolle sporter aan moet voldoen om door te stromen naar het seniorentopsportprogramma (niet in figuur).

Betrokkenheid ouders van talentvolle sporters
Talentvolle sporters
Een klein deel van de talenten geeft aan dat hun ouders/verzorgers dagelijks contact hebben met hun coach (9%). De meeste talenten geven aan dat dit contact wekelijks (41%) of maandelijks (29%) is. Een klein deel geeft aan dat dit contact jaarlijks (9%) of nooit (3%) plaatsvindt.
Coaches
60 procent van de coaches geeft aan regelmatig contact te hebben met de ouders over de ontwikkeling van de talentvolle sporters (figuur 6.18). Dit percentage is hoger bij coaches van individuele sporters dan bij coaches van teamsporters.
De meeste coaches (64%) benaderen de ouders als ze het idee hebben dat hun kind niet lekker in diens vel zit. Volgens twee op de tien coaches (22%) willen ouders te veel inspraak in het trainingsschema en wedstrijdprogramma, maar de meerderheid van de coaches is het hier niet mee eens (65%).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 38% vindt dat ouders meer vertrouwen moeten hebben in de expertise van de coach. 56% vindt dat ouders vooraf goed worden geïnformeerd over wat het betekent voor hen en hun kind om in het opleidingsprogramma te participeren.
Talentherkenning en -ontwikkeling
93 procent van de talentcoaches ervaart knelpunten op het gebied van talentherkenning en -ontwikkeling. De meest genoemde knelpunten zijn dat er niet genoeg (kundige) (bonds)coaches zijn (53%) en dat er onvoldoende financiële middelen zijn (53%, tabel 6.6). Daarnaast noemen coaches een beperkte doorstroom van talent naar topsporter (31%) en een gebrek aan meerjarige opleidingsprogramma’s (29%).
| Knelpunt | % |
|---|---|
| Niet genoeg (kundige) (bonds)coaches | 53 |
| Onvoldoende financiële middelen | 53 |
| Beperkte doorstroom van talent naar topsporter | 31 |
| Gebrek aan meerjarige opleidingsprogramma’s | 29 |
| Combinatie met opleiding | 27 |
| Onvoldoende trainingsuren | 27 |
| Ongelijke faciliteiten voor talentvolle sporters en topsporters | 22 |
| Faciliteiten niet gebundeld aan locatie opleidingsprogramma’s | 9 |
| Andere knelpunten | 18 |
| Geen knelpunten | 7 |
Evaluatiemomenten
Bijna alle coaches (97%) hebben een evaluatiemoment met hun topsporters of talentvolle sporters om hun (sportieve) ontwikkeling te bespreken. De helft (47%) heeft dit twee tot vier keer per jaar. Vier op de tien coaches (37%) hebben dit maandelijks of vaker. De meest besproken onderwerpen tijdens evaluatiemomenten zijn de sportieve ontwikkeling (93%), ambities en doelen (89%) en persoonlijk welbevinden (86%, zie figuur 6.19).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 69% bespreekt de planning van het trainings- en wedstrijdprogramma, 76% de belasting/belastbaarheid, 65% het prestatieverloop, 47% de schoolresultaten, 47% de sociale ontwikkeling, 44% selectie/deselectie en 8% andere onderwerpen.
6.7 Tevredenheid sporters over niveau trainers/coaches
Talentvolle sporters
Over het algemeen beoordelen de talentvolle sporters al hun trainers/coaches als goed (figuur 6.20). Zo geven drie op de vier talentvolle sporters aan dat zij de kwaliteit van de begeleiding van de trainer/coach van de sportbond/TeamNL of van de sportvereniging goed vinden (resp. 74% en 75%). Ook vinden ruim vier op de vijf de kwaliteit van de begeleiding van de persoonlijke trainer/coach (zeer) goed (85%).

In figuur 6.21 staat een aantal stellingen over hoe talentvolle sporters over hun coaches denken. Over het algemeen zijn ze hier positief over. Zo geeft 84 procent aan dat ze een goede band met hun coach hebben en 76 procent dat hun coach hen weet te motiveren.

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 60% geeft aan dat hun coach ingrijpt bij ruzie of pesten. Slechts 5% zegt van niet. De rest is neutraal of weet het niet. 4% vindt dat de coach zich te veel bemoeit met hun privéleven. 78% vindt van niet. 26% zegt dat hun prestaties bepalen hoeveel aandacht ze krijgen van de coach. 42% zegt van niet.
Topsporters
Ook de topsporters zijn over het algemeen tevreden over de kwaliteit van de begeleiding die ze ontvangen van hun trainers/coaches. Van alle topsporters die werken met een trainer/coach van de sportbond of TeamNL beoordeelt ruim de helft de kwaliteit als (zeer) goed (figuur 6.22). Een op de zeven vindt de begeleiding die ze krijgen van deze trainers/coaches onvoldoende of slecht (15%).
De trainer van de sportverenigingen waar topsporters trainen, beoordeelt drie kwart van de topsporters als (zeer) goed (73%). Vier op de vijf vinden de kwaliteit van hun persoonlijke trainer/coach (zeer) goed (81%).

De beoordeling van de verschillende coaches maakte ook onderdeel uit van de Topsportklimaatmeting. Ten opzichte van de TSKM-5 uit 2019 beoordeelt een groter aandeel topsporters met een status de trainer/coach van de sportbond als slecht of onvoldoende (van 6% naar 17%, niet in figuur). Het aandeel sporters dat de kwaliteit van de trainer/coach van de sportvereniging slecht of onvoldoende vindt, is ongeveer gelijk gebleven (van 6% naar 5%).
We hebben topsporters een aantal stellingen voorgelegd over hun relatie met hun coach. Vier op de vijf geven aan een goede band te hebben met hun coach (78%, zie figuur 6.23). Daarnaast weet het merendeel van de coaches hoe ze de topsporter moeten motiveren (66%) en grijpt ruim de helft in wanneer er ruzie is of gepest wordt (57%).
Een kwart van de topsporters is van mening dat de aandacht die ze krijgen van de coach afhankelijk is van de prestaties die ze leveren (28%). Vrouwelijke topsporters geven vaker aan dat dit het geval is dan mannelijke (34% vs. 21%, niet in figuur).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 53% vindt dat hun coach op dit moment voor hen de beste coach is, 19% vindt van niet. 5% vindt dat de coach zich te veel met hun privéleven bemoeit. 81% vindt van niet.
6.8 Beschikbaarheid, kwaliteit en bereikbaarheid topsporttrainingsaccommodaties
Aantal topsporttrainingsaccommodaties
TeamNL-centra
In Nederland zijn er vijf TeamNL-centra. Deze topsportorganisaties zijn door NOC*NSF erkend om opleidings- en topsportprogramma’s mogelijk te maken. De centra bevinden zich in Amsterdam, Arnhem, Metropool (Den Haag, Rotterdam, Dordrecht), Eindhoven en Heerenveen – dezelfde locaties als in 2023. Ze bieden faciliteiten en ondersteuning voor TeamNL opleidings- en topsportprogramma’s die worden aangestuurd door de sportbonden. Naast de teamNL centra bestaan er meerdere nationale en regionale trainingscentra voor verschillende sportdisciplines. Een compleet overzicht hiervan ontbreekt momenteel.
Topsport Talentscholen (TT’s)
Nederland heeft in 2025 31 TT’s (zie figuur 6.24). Dit is één TT meer dan halverwege 2023. Het Mendelcollege in Haarlem heeft eind 2023 een licentie gekregen. TT’s hebben een licentie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om voor leerlingen met een NOC*NSF-status/KNVB-beloftestatus school en topsport te combineren. Het lesrooster stemmen ze zo veel mogelijk af op de wensen en behoeften en het sportprogramma van het talent.

- OSG Willem Blaeu
- Topsport Talentschool Groningen
- OSG Sevenwalden
- Carmelcollege Emmen
- Tabor College
- Thomas a Kempis College
- CSG Het Noordik
- OSG Echnaton
- Het Calandlyceum
- Mendelcollege
- Haarlemmermeer Lyceum
- CVO ’t Gooi
- Het Stedelijk Lyceum
- Veluws College
- Leonardo College
- Scala College
- Segbroek College
- NUOVO Scholen
- Beekdal Lyceum
- Thorbecke Voortgezet Onderwijs
- SSgN
- Rodenborch College
- Graaf Engelbrecht
- Koning Willem II College
- RSG ’t Rijks
- Scheldemond College
- Sint-Joris College
- College Den Hulster
- LVO Weert
- Trevianum
- DaCapo College
Beoordeling van trainingslocaties
In tabel 6.7 staan de trainingslocaties van de topsporters, talentvolle sporters en coaches.
| Trainingslocatie | Topsporters | Talentvolle sporters | Coaches |
|---|---|---|---|
| TeamNL-centrum | 29 | 16 | 38 |
| TeamNL-centrum Amsterdam | 24 | 19 | 14 |
| TeamNL-centrum Metropool | 5 | 6 | 13 |
| TeamNL-centrum Noord | 1 | 9 | 5 |
| TeamNL-centrum Papendal | 65 | 45 | 59 |
| TeamNL-centrum Zuid | 3 | 18 | 8 |
| Zeg ik liever niet | 2 | 3 | – |
| Nationaal Trainingscentrum (NTC) | 12 | 14 | 28 |
| Niet-commerciële vereniging/club/ploeg | 34 | 38 | 18 |
| Commerciële vereniging/club/ploeg | 33 | 32 | 14 |
| Regionaal Trainingscentrum (RTC) | 2 | 24 | 12 |
| In het buitenland | 16 | 9 | 5 |
| Op een andere locatie | 8 | 10 | 15 |
| Zeg ik liever niet | 1 | 1 | – |
De topsporters, talentvolle sporters, coaches en TD’s zijn over het algemeen tevreden over de kwaliteit, beschikbaarheid en bereikbaarheid van de trainingsaccommodaties en krachttrainingsruimtes. De topsporters zijn het positiefst. Alle aspecten worden door (ruim) drie op de vijf topsporters als zeer goed of goed beoordeeld (zie figuur 6.25). Het meest positief zijn de topsporters over de bereikbaarheid van trainingsaccommodaties (73% (zeer) goed).
De TD’s beoordelen de kwaliteit en de beschikbaarheid van de trainingsaccommodaties vaker als onvoldoende (resp. 22% en 33%) dan de topsporters, talentvolle sporters en de coaches.
Topsporters en talentvolle sporters die (ook) trainen bij een TeamNL-centrum of een NTC, beoordelen de kwaliteit, beschikbaarheid en bereikbaarheid van de trainingsaccommodaties en krachttrainingsruimtes vaker als (zeer) goed dan topsporters die elders trainen (niet in figuur). Ditzelfde geldt voor coaches die training geven op een TeamNL-centrum of NTC in vergelijking met coaches die dit niet doen.

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: Talenten zijn wat positiever over alle facetten van de trainingsaccommodaties (steeds rond de 65%) dan over die van de krachttrainingsruimtes (rond de 50%). Coaches zijn het positiefst over de bereikbaarheid van trainingsaccommodaties (70%) en het minst over de beschikbaarheid van krachttrainingsruimtes (54%).
Invloed van trainen op TeamNL-centrum op de sportprestaties
We hebben topsporters en talentvolle sporters die trainen op een TeamNL-centrum, coaches die training geven op een TeamNL-centrum en TD’s gevraagd welke invloed trainen op een TeamNL-centrum heeft op de sportprestaties. (Ruim) drie kwart van de sporters, coaches en TD’s ziet een positieve invloed (figuur 6.26).
Een enkel talent geeft aan dat trainen op een TeamNL-centrum alleen een negatieve invloed heeft. Geen van de topsporters, coaches en TD’s vindt dit. Een op de vijf TD’s geeft aan dat de invloed zowel positief als negatief is. Dit percentage is hoger dan onder de topsporters en talentvolle sporters zelf.

6.9 Specialistische begeleiding in de topsport
We hebben de topsporters, talentvolle sporters, coaches en TD’s gevraagd welke specialistische begeleiding voor hen (het meest) van meerwaarde is. Zowel onder topsporters als onder talentvolle sporters is een fysiotherapeut daarbij de meest genoemde begeleider (83% en 73%, zie figuur 6.27). Beide doelgroepen noemen daarnaast de krachttrainer en psycholoog als specialistische begeleiders die (het meest) van meerwaarde zijn.
De meeste coaches geven aan dat een fysiotherapeut (64%), psycholoog (54%) en krachttrainer (40%) noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de sporters. Daarnaast noemt een kwart van de coaches een (sport)arts (25%) en voedingsexpert (25%).
In tegenstelling tot de sporters en coaches geven TD’s het vaakst aan dat zij de psycholoog als een belangrijk onderdeel zien van de ontwikkeling van hun sporters (72%). Daarnaast benoemen de TD’s ook de fysiotherapeut en krachttrainer (beide 44%).

6.10 Voorlichting
Ontvangen voorlichting topsporters
De meeste topsporters hebben tijdens hun carrière (online) voorlichting gekregen over één of meerdere thema’s. Het thema waar de meeste topsporters voorlichting over kregen, is anti-doping (86%, zie figuur 6.28). Verder hebben twee op de drie educatie ontvangen over een gezonde topsportleefstijl (66%). Topsporters volgden het minst vaak voorlichting over intimidatie en/of machtsmisbruik (14%), discriminatie (12%) en eetproblemen en -stoornissen (12%).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: matchfixing 51%, gebruik van (sociale) media 33%, seksueel grensoverschrijdend gedrag 22%, en intimidatie en/of machtsmisbruik 14%. 1% noemt ‘andere onderwerpen’, 4% heeft geen voorichting gehad en 4% weet het niet.
Belang van voorlichting
We vroegen topsporters en coaches ook op welke thema’s ze voorlichting het belangrijkst vinden, zowel voor topsporters als voor coaches.
Voorlichting voor topsporters
Voor zichzelf vinden topsporters voorlichting over een gezonde topsportleefstijl (74%) en anti-doping (70%) het belangrijkst (figuur 6.29). Een kwart vindt voorlichting over intimidatie en/of machtsmisbruik (27%) en eetproblemen en -stoornissen (24%) belangrijk. Gezien het beperkte aantal topsporters dat aangeeft educatie te hebben gevolgd op deze thema’s (figuur 6.28), is hier nog winst te behalen.
De coaches vinden voorlichting voor de topsporters over het thema gezonde topsportleefstijl (77%) en het gebruik van (sociale) media (53%) belangrijk.

Voorlichting voor coaches
Wanneer het gaat om voorlichting voor coaches, vinden topsporters andere thema’s belangrijk dan voor henzelf (figuur 6.30). Ze noemen vooral thema’s die te maken hebben met verschillende vormen van ongewenst gedrag, zoals intimidatie en/of machtsmisbruik (72%), seksueel grensoverschrijdend gedrag (52%) en discriminatie (29%). Twee op de vijf topsporters vinden het belangrijk dat coaches educatie krijgen over een gezonde topsportleefstijl (40%), het meest genoemde thema voor topsporters zelf.
Voor zichzelf vinden coaches het thema gezonde topsportleefstijl het belangrijkst (54%). Daarnaast geven ze aan dat ze het gebruik van sociale media (39%) en intimidatie en/of machtsmisbruik (38%) belangrijke thema’s vinden.

6.11 Belangenbehartiging topsporters
Topsporters
Topsporters zijn beperkt op de hoogte van het bestaan van atletenvertegenwoordiging. De helft van de topsporters weet niet of de eigen sportbond dit heeft (50%). Twee op de vijf geven aan dat hun sportbond dit wel heeft (39%). Zij zijn overwegend positief over het werk van de atletenvertegenwoordiging van de eigen sportbond. Slechts een op de zeven beoordeelt dit als slecht of onvoldoende (14%).
TD’s
Alle TD’s geven aan dat er binnen hun bond een atletenvertegenwoordiging is. In bijna alle gevallen (89%) is dit ook statutair vastgelegd. Dit aantal is flink hoger dan in de TSKM in 2019, toen nog maar 39 procent van de bonden een statutair vastgelegde atletencommissie had. Deze stijging is te verklaren doordat het hebben van een atletenvertegenwoordiging sinds 2024 een minimale kwaliteitseis is voor Nederlandse sportbonden.
De samenwerking met de atletencommissie beoordeelt 61 procent van de TD’s als voldoende of goed. 22 procent vindt de samenwerking onvoldoende. Als mogelijk verbeterpunt noemen ze een betere opleiding van de leden van de atletencommissie.
6.12 Totstandkoming en evaluatie van beleid
Evalueren
Het topsportbeleid binnen de bond wordt in de meeste gevallen jaarlijks (67%) of vaker dan jaarlijks (29%) geëvalueerd volgens de TD’s. Slechts 6 procent van de TD’s geeft aan minder vaak dan jaarlijks te evalueren. Ongeveer drie kwart zegt dat ze de topsporters betrekken bij de ontwikkeling en evaluatie van het topsportbeleid (figuur 6.31). Slechts 6 procent geeft aan dat dit niet (voldoende) gebeurt.
Invloed NOC*NSF
De TD’s zijn enigszins verdeeld over de invloed van NOC*NSF op de ontwikkelingen binnen hun sport. 39 procent vindt deze invloed te groot (figuur 6.31). 44 procent vindt niet dat die invloed te groot is. De overige 17 procent is neutraal.
Het aandeel TD’s dat de invloed van NOC*NSF te groot vindt, is gestegen ten opzichte van 2019 (toen 16%). 52 procent vond destijds dat die invloed niet te groot was (TSKM 2019).
Financiering
Veel TD’s hebben zorgen over de financiering van hun beleid. 56 procent geeft aan niet voldoende inkomsten te hebben om het beleid goed uit te kunnen voeren. 17 procent heeft hier wel voldoende inkomsten voor.
Wel vindt de helft van de TD’s het terecht dat topsportgelden op basis van sportprestaties verdeeld worden. 17 procent vindt dit niet terecht (figuur 6.31).

Omschrijving van de afbeelding
Cijfers die niet in de tekst staan: 72% van de TD’s zegt hun topsporters te betrekken bij het ontwikkelen en evalueren van het topsportbeleid, 6% niet. 39% vindt dat NOC*NSF te veel invloed heeft op hoe topsport zich ontwikkelt in hun sport, 44% vindt van niet.
Duurzaamheid
39 procent van de TD’s geeft aan dat hun bond beleid heeft om de bond duurzamer te maken (niet in figuur). Ook 39 procent heeft dit beleid niet, maar wil dit wel graag. 11 procent heeft hier geen beleid voor en ook 11 procent weet dit niet.
Hoofdstuk 7: Platformfunctie
In dit hoofdstuk beschrijven we de voortgang op de verschillende indicatoren voor het thema platformfunctie. Als er eerdere gegevens beschikbaar zijn, beschrijven we ook de ontwikkelingen over de tijd.
7.1 Aantal en type topsportevenementen
In 2024 vonden er in Nederland 63 internationale topsportevenementen plaats. Dit zijn er iets minder dan in 2023 (67).3 Deze 63 evenementen kenden wedstrijden voor veertig verschillende sporten. Paardensport was het afgelopen jaar de tak van sport met de meeste evenementen (9).
Definitie internationale topsportevenementen
De cijfers over het aantal en type topsportevenementen zijn afkomstig van het Coördinatie- en Informatiepunt Topsportevenementen (CIT). Het CIT houdt bij hoeveel internationale topsportevenementen er in Nederland plaats hebben gevonden en nog plaats gaan vinden tot 2030.
Het CIT definieert een internationaal topsportevenement als een evenement dat:
- internationaal van aard is (deelname van binnenlandse én buitenlandse sporters);
- hoofdzakelijk in Nederland georganiseerd wordt;
- samenhangend geheel van wedstrijden in een bepaalde periode en onderdeel van een eindtoernooi;
- gericht is op talenten of senioren;
- in de hoogste categorie van de sport valt;
- voor een topsportdiscipline is die op de lijst met topsport- en internationale wedstrijddisciplines van NOC*NSF staat (CIT, 2025).
De helft van de internationale topsportevenementen in 2024 richtte zich alleen op topsporters (35). Er vonden zeven topsportevenementen plaats specifiek voor talentvolle sporters. Alle andere topsportevenementen hadden wedstrijden voor zowel topsporters als talentvolle sporters (21). Deze laatste categorie bestaat met name uit evenementen die jaarlijks terugkeren.
De evenementen die in 2024 speciaal voor talentvolle sporters werden georganiseerd, waren vaker incidenteel dan de evenementen voor alleen topsporters. Van één evenement is de doelgroep niet bekend.
Van de 63 evenementen die in 2024 plaatsvonden, keren 41 evenementen jaarlijks terug, 22 vonden eenmalig plaats. Dertien van de veertien EK’s en WK’s die het afgelopen jaar plaatsvonden in Nederland, waren eenmalige evenementen. Eén jaarlijks terugkerend evenementen deed het afgelopen jaar dienst als WK.
In 2024 vond bijna de helft van de topsportevenementen plaats in een indoorlocatie (30). Het aandeel indoorevenementen was daarmee hoger dan in 2023. Indoorevenementen vinden verhoudingsgewijs vaker plaats in een van de vijf grootste steden van Nederland. Evenementen die plaatsvinden op een accommodatie in de buitenlucht, vinden vaker plaats in de rest van Nederland (figuur 7.1).

Omschrijving van de afbeelding
In 2023 waren er 11 indoor evenementen in de G5 en 11 erbuiten, 6 outdoor evenementen in de G5 en 23 erbuiten, en 5 evenementen in de openbare ruimte in de G5 en 11 erbuiten. In 2024 waren er 13 indoor evenementen in de G5 en 17 erbuiten, 4 outdoor evenementen in de G5 en 16 erbuiten, en 4 evenementen in de openbare ruimte in de G5 en 7 erbuiten.
7.2 Aantal gecombineerde topsportevenementen paralympische en valide topsport
In 2024 vonden er zes internationale topsportevenementen met wedstrijden voor paralympische topsporters plaats in Nederland. Twee van deze evenementen waren enkel voor paralympische topsporters. De andere vier kenden zowel wedstrijden voor valide als voor paralympische topsporters (figuur 7.2). In 2023 waren er zeven evenementen waar (ook) wedstrijden waren voor paralympische topsporters.

Daarnaast constateren we het volgende over de evenementen waaraan ook paralympische topsporters deelnamen in 2024:
- Op de zes evenementen werden vier verschillende sporten beoefend.
- Alle zes de evenementen vonden plaats in een indoorlocatie.
- Vijf van de zes evenementen keren jaarlijks terug.
- Er vonden in 2024 geen EK’s, WK’s of PKT’s voor paralympische topsporters plaats in Nederland.
7.3 Inzet topsport en topsporters voor maatschappelijke doeleinden
Topsporters
Twee op de drie topsporters (67%) zetten hun bekendheid als topsporter wel eens in voor maatschappelijke doeleinden. Bijvoorbeeld via clinics of presentaties. Drie kwart van de sporters die zich hiervoor inzetten, doet dit een aantal keer per jaar. Een op de zeven (15%) doet dit zes tot twaalf keer per jaar en een op de tien (9%) zelfs vaker dan twaalf keer per jaar.
Topsporters zetten zich met name in voor maatschappelijke doeleinden omdat ze hiervoor gevraagd worden, omdat ze het belangrijk vinden of omdat ze het leuk vinden om te doen. De vergoeding die ze ontvangen, zichzelf profileren en contractuele verplichtingen noemen ze minder vaak als reden.
Van de topsporters die zich (nog) niet maatschappelijk inzetten, geeft de helft aan dit wel te willen (49%). De rest wil dit niet of weet niet of ze dit willen (beide 26%).
De helft van alle topsporters is vindt dat maatschappelijke inzet hoort bij de positie die topsporters hebben (50%, zie figuur 7.3). Een kwart vindt dit (helemaal) niet (26%). De helft van de topsporters ervaart dat ze een rolmodel zijn voor anderen (53%).
Topsporters die zich maatschappelijk inzetten, vinden vaker dat maatschappelijke inzet hoort bij de positie van topsporters en dat ze een rolmodel zijn dan topsporters die zich (nog) niet inzetten voor maatschappelijke doeleinden.

TD’s
TD’s vinden dat maatschappelijke inzet in ieder geval een beetje (56%) of helemaal (44%) bij de positie van topsporters hoort. De bonden van alle bevraagde TD’s zetten dan ook topsporters in voor maatschappelijke doeleinden. Het verschilt wel hoe vaak dit gebeurt. 28 procent doet dit zelden, 50 procent soms en 23 procent (heel) vaak.
Hoofdstuk 8: Zichtbaarheid en bereik
In dit hoofdstuk beschrijven we de voortgang op de verschillende indicatoren voor het thema zichtbaarheid en bereik. Als er eerdere gegevens beschikbaar zijn, beschrijven we ook de ontwikkelingen over de tijd.
8.1 Aandeel mensen dat topsport volgt via media en/of bezoekt
Sport volgen via de media
In 2024 volgde 57 procent van de Nederlanders van 6 jaar en ouder minimaal wekelijks sport via media (figuur 8.1). Bijvoorbeeld via (online) kranten of tijdschriften, (online) radio of podcasts, sociale media, (online) televisie, of (sport)websites of apps. Dit is de afgelopen twaalf jaar gelijk gebleven. (Online) televisie is het meest gebruikte medium in 2024 (42%, niet in figuur).

Evenementen bezoeken
In 2024 bezocht 17 procent van de Nederlanders van 12 jaar en ouder maandelijks of vaker een sportwedstrijd of sportevenement (figuur 8.2). Dit is vergelijkbaar met 2022, maar minder dan in eerdere jaren. In 2020 is een duidelijke dip zichtbaar. Door de coronamaatregelen vonden er minder sportwedstrijden en -evenementen plaats, en bij de evenementen die wel doorgingen, was het aantal bezoekers vaak beperkt.

8.2 Diversiteit sportaanbod in de media
Sportaanbod publieke kanalen
Het sportaanbod op tv bestaat voor het grootste deel uit voetbal. Dit wordt dan ook veruit het meest gevolgd vergeleken met andere sporten.
In de top 100 van meest bekeken tv-programma’s van 2024 zaten 55 sportuitzendingen (49 keer voetbal, vier keer Olympische Spelen, één keer Studio Voetbal, één keer Studio Sport Eredivisie). De vijf meest bekeken programma’s waren allemaal wedstrijden van het EK voetbal (Nationaal Media Onderzoek, 2024).
Het aantal sportuitzendingen is een stuk hoger dan in 2023. Toen stonden in de top 100 26 sportuitzendingen.
Evenementenlijst
De evenementenlijst is een wettelijke bepaling in de Nederlandse Mediawet 2008. Deze bepaalt welke belangrijke sportevenementen vrij toegankelijk moeten worden uitgezonden op publieke of andere open zenders, zodat iedereen in Nederland ze kan volgen.
Om op de evenementenlijst te komen, moet een evenement voldoen aan een aantal inhoudelijke en maatschappelijke criteria. Het belangrijkste criterium is dat het evenement van groot maatschappelijk belang moet zijn. Dit betekent dat het brede publieke belangstelling geniet, nationale betekenis heeft (bijvoorbeeld omdat Nederlandse sporters of teams meedoen), en bijdraagt aan de sociale cohesie of nationale identiteit.
De lijst bevat onder andere het WK en EK voetbal en de Olympische en Paralympische Spelen. Sinds de invoering van de oorspronkelijke lijst in 2003 zijn er meerdere wijzigingen geweest, zoals de toevoeging van het EK en WK voetbal voor vrouwen in 2021 en uitgebreidere verslaggeving van de Paralympische Spelen. Deze actualisatie sluit aan bij veranderende maatschappelijke waarden, zoals meer aandacht voor gendergelijkheid en de zichtbaarheid van parasport.
Uit onderzoek blijkt dat het volggedrag afhangt van het aanbod op publieke kanalen (Maltha et al, 2023).
Zichtbaarheid van nationale topteamcompetities in media
Regionaal
De mate van regionale media-aandacht voor de topclubs is tussen de teamsporten ongeveer gelijk (figuur 8.3). Alle topclubs geven aan minstens één keer per seizoen in de regionale aandacht te staan. De regionale aandacht is vergelijkbaar met twee seizoenen eerder.

Omschrijving van de afbeelding
Van alle sporten geven de meeste clubs aan vaker dan 20 keer in de media te zijn geweest in zowel seizoen 2023-2024 als seizoen 2021-2022, behalve waterpolo in 2023-2024 (38%). Bij de meeste sporten ligt dit rond de 60%. Volleybal in 2023-2024 is de uitschieter met 75%. De meeste andere clubs zijn 11-20 keer in de media geweest (vaak ongeveer een kwart, en 50% bij volleybal in 2023-2024). Uitzondering is hockey in 2023-2024: daar zijn alle andere clubs 6-10 keer in de media geweest.
Landelijk
De mate waarin de topclubs het afgelopen seizoen landelijke media-aandacht hebben gehad, verschilt sterk per sport (figuur 8.4). De hockeyclubs krijgen gemiddeld de meeste landelijke media-aandacht: twee derde van de topclubs kreeg vaker dan tien keer aandacht in de landelijke media.
In geen van de andere sporten kreeg een club zoveel aandacht in de landelijke media. Veel clubs krijgen zelfs nooit landelijke media-aandacht: dat geldt voor de helft van de handbal- (53%) en waterpoloclubs (50%). De landelijke aandacht voor de topclubs is ook vergelijkbaar met twee seizoenen eerder.

Hoofdstuk 9: Eenmalige onderzoeksprojecten binnen de Nederlandse topsport
In dit hoofdstuk beschrijven we een aantal grote lopende of net afgeronde eenmalige onderzoeksprojecten gericht op de maatschappelijke waarde van topsport.
9.1 Vlammende ambitie – topsportcultuur
In juni 2025 is een onderzoek, uitgevoerd door onderzoeksbureau Verinorm, naar de topsportcultuur in Nederland afgerond (Olfers en van Wijk, 2025). De onderzoekers hebben via vragenlijsten en interviews onder (voormalig) topsporters en coaches, data opgehaald over thema’s als welzijn, prestatiebeleving, begeleiding en topsportcultuur. Aan het onderzoek namen 26 sportbonden deel.
Uit het onderzoek blijkt dat de Nederlandse topsportcultuur wordt gekenmerkt door een sterke prestatiedrang: het draait om het leveren van prestaties. Dat veel coaches zelf voormalig topsporter zijn, versterkt de homogene, prestatiegerichte cultuur.
De onderzoekers beschrijven dat topsporters over het algemeen fysiek en mentaal gezond zijn. Toch geeft één op de zeven aan fysiek ongezond te zijn en één op de vijf mentaal ongezond. In het afgelopen jaar heeft ongeveer een kwart van de sporters te maken gehad met grensoverschrijdend gedrag. Weerbaarheid speelt hierbij een belangrijke rol: hoe weerbaarder een sporter, hoe beter de gezondheid, hoe beter de prestaties en hoe kleiner de kans op grensoverschrijdende ervaringen.
Ze identificeren verschillende risicofactoren voor grensoverschrijdend gedrag. Onder andere de scheve machtsverhoudingen binnen de topsport, zoals de afhankelijkheid van de coaches, het competitieve klimaat en de autoritaire structuur. Bepaalde groepen lopen meer risico op grensoverschrijdende ervaringen. Topsporters met een niet-Nederlandse achtergrond worden vaker geconfronteerd met discriminatie. Vrouwen voelen zich relatief vaak onveilig en hebben vaker te maken met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Coaches geven aan zich kwetsbaar te voelen door de toenemende aandacht voor grensoverschrijdend gedrag in de sport.
In grote lijnen zijn de resultaten over ongewenst gedrag vergelijkbaar met de resultaten uit de TiN monitor. Er zijn ook verschillen, die deels te verklaren zijn door verschillen in definities en categorisering van grensoverschrijdend gedrag. De vergelijkbaarheid van de groepen topsporters die hebben deelgenomen aan beide onderzoeken is onduidelijk. In het onderzoek van Verinorm is de ondervraagde groep topsporters zeer groot (>1.200 topsporters) maar is onduidelijk hoe de verdeling is per sport/discipline en op welk niveau zij actief zijn.
9.2 Blue Shift – maatschappelijke waarde topsport
Project Blue Shift is onderdeel van het MOOI-programma van ZonMw. In dit onderzoeks- en innovatieprogramma wordt onderzocht onder welke omstandigheden topsport mensen inspireert en verbindt, en hoe dit verder versterkt kan worden. Daarnaast kijken de onderzoekers hoe topsportorganisaties en sporters hun zichtbaarheid en maatschappelijke waarde kunnen vergroten.
Verschillende onderzoekspartijen werken samen met sportorganisaties en maatschappelijke partners, waarbij ze onderzoek combineren met praktijkexperimenten in verschillende regio’s en sporten. Het project startte in juli 2025 en loopt tot en met Q3 van 2027.
9.3 ROCIES – veilige topsportomgeving voor talentvolle sporters
In het project ‘Rose Of Culture In E/Elite Sport’ (ROCIES) wordt onderzocht hoe top(-e)sportorganisaties een omgeving kunnen creëren die optimaal is voor de ontplooiing en persoonlijke ontwikkeling van top(-e)sporters.
Volgens de onderzoekers is een transitie gaande, waarbij niet langer de prestatie centraal staat, maar de sporter. Het ROCIES-model biedt, op basis van wetenschappelijke kennis, een integrale aanpak om de optimale topsportomgeving te creëren.
De onderzoekers maken onder andere gebruik van een fysieke serious game, waarmee ze in verschillende living-labs spelenderwijs de verschillende doelgroepen betrekken. Het project is in december 2024 gestart en eindigt in 2027.
9.4 MOVES – maatschappelijke waarde topsportevenementen
Het Maatschappelijk Onderzoeksprogramma Voor Evenementen in Sport (MOVES) is een vierjarig onderzoeksprogramma (september 2023–2027), gefinancierd door ZonMw. Het doel van dit project is om nieuwe kennis te ontwikkelen over de voorwaarden waaronder een topsportevenement maatschappelijke waarde realiseert.
Het onderzoek bestaat uit vier onderzoekslijnen:
- bereik, beleving en draagvlak;
- publiek-private samenwerking;
- economische effecten;
- maatschappelijke effecten.
Hoofdstuk 10: Conclusie
In dit hoofdstuk beschrijven we de belangrijkste conclusies op de vijf doelen uit het Strategisch Kader Topsport.
10.1 Maatschappelijke waarde
Maatschappelijke waardering topsport licht toegenomen
53 procent van de volwassen Nederlanders vindt dat topsport vooral positief bijdraagt aan de maatschappij. Voor slechts 8 procent overheerst de negatieve waarde. Als positieve waarden noemen Nederlanders trots, passie, plezier en saamhorigheid, en het oranjegevoel. Veelgenoemde negatieve waarden zijn agressie en geweld, de schadelijke impact op het milieu en het vergroten van het verschil tussen arm en rijk.
Ten opzichte van 2020 vindt een iets groter aandeel dat topsport met name een positieve waard heeft. Een iets kleiner aandeel vindt dat deze vooral negatieve waarde heeft. Maar de meting van 2020 vond plaats tijdens coronamaatregelen (oktober 2020). Dat heeft mogelijk invloed gehad op de resultaten.
Vergeleken met vijf jaar geleden zijn meer mensen negatief over de bijdrage van topsport aan ‘ethiek en fair play’ en ‘sociale gelijkheid en inclusie’. Recente gebeurtenissen op het vlak van supportersgeweld, topsportcultuur, discriminatie, (sociale) veiligheid en transgendersport spelen hier wellicht een rol in. Hier ligt mogelijk ruimte om de maatschappelijke waarde van topsport verder te vergroten.
Trickle-down-effect lijkt beperkt
Nederlanders gaan niet massaal sporten en bewegen door topsport. Van de groep mensen die aangeeft door topsport (extra) in beweging te komen, sportte de meerderheid al minimaal één keer in de week. Van de Nederlanders die niet wekelijks sporten, gaat maar één op de twaalf meer sporten of bewegen door topsport.
Het werkelijke sport- of beweeggedrag hebben we niet gemeten in dit onderzoek. Maar de capaciteit van topsport om volwassen Nederlanders in beweging te krijgen (het ’trickle-down-effect’) lijkt dus beperkt. Zeker onder mensen die nog weinig of niet sporten.
10.2 Prestatie
Lichte daling in mate van trots, maar ook niet negatiever
In de afgelopen twaalf jaar is een licht dalende trend te zien in de mate van trots op de Nederlandse topsportprestaties. De groep Nederlanders die geen trots ervaart, is redelijk stabiel. Maar de groep die geen mening over het onderwerp heeft, groeit.
10.3 Fundament
Sporters en coaches positiever over sportklimaat
Van de talentvolle sporters, topsporters, coaches en TD’s beoordeelt tussen de 80 en 90 procent de topsportomgeving met een ruime voldoende (7 of hoger). Onder sporters en coaches is de afgelopen tien jaar een duidelijke stijgende lijn zichtbaar.
Topsporters en talentvolle sporters zijn over het algemeen tevreden over hun mentale en fysieke gezondheid. Onder beide groepen beoordelen mannelijke sporters hun mentale gezondheid hoger dan hun vrouwelijke collega’s.
De ruimte voor verbetering voor de fysieke gezondheid ligt volgens de sporters vooral in betere voeding en meer rust. Voor de mentale gezondheid geven veel sporters aan behoefte te hebben aan praten met een psycholoog of mentaal begeleider. Sommige sporters praten liever met naasten, maar de meerderheid heeft een voorkeur voor een professional.
Ruime meerderheid voelt zich veilig, maar deel ervaart ongewenst gedrag
90 procent van de talentvolle sporters en 87 procent van de topsporters voelt zich veilig in hun topsportomgeving. Toch maakt een deel van de sporters ongewenst gedrag mee. Dit gaat om verschillende typen gedragingen, van schelden tot fysiek geweld. De betekenis van deze gedragingen verschilt per sporter. Waar de ene sporter bepaald gedrag als ongewenst ervaart, vindt de ander het onderdeel van de topsportcultuur (bijv. schelden).
Van de ondervraagde talentvolle sporters heeft 38 procent in het afgelopen jaar te maken gehad met ongewenst gedrag. De meest voorkomende vorm was schelden/pesten. Van de ondervraagde topsporters hebben twee op de vijf te maken gehad met ongewenst gedrag. Vrouwelijke topsporters hadden het meest te maken met intimidatie/machtsmisbruik. Mannelijke topsporters vooral met schelden of pesten.
De mate waarin topsporters gediscrimineerd worden, lijkt samen te hangen met de migratieachtergrond. Hoewel de groepen klein zijn, lijken vooral topsporters met een niet-Europese migratieachtergrond slachtoffer van discriminatie.
Bij alle vormen van ongewenst gedrag worden verschillende ‘plegers’ benoemd. Bij schelden/pesten en discriminatie waren dat in de meeste gevallen medesporters (teamgenoten of sporters uit dezelfde trainingsgroep). Intimidatie/machtsmisbruik, fysieke dreiging en geweld of dwang om iets aan het gewicht of uiterlijk te veranderen, kwamen in de meeste gevallen van trainers of coaches.
Deze cijfers liggen in lijn met het recent gepubliceerde onderzoek over topsportcultuur. Vergelijking tussen de onderzoeken is maar beperkt mogelijk door verschillen in opzet en definities.
Coaches ervaren grijs gebied tussen grensverleggend en -overschrijdend gedrag
Coaches willen doorgaans het beste uit hun sporters halen. Dat sommigen hierbij grenzen van sporters overschrijden is duidelijk, maar waar die grens ligt verschilt. Coaches ervaren een grijs gebied tussen grensverleggend en grensoverschrijdend gedrag. Ruim de helft van de coaches geeft aan dat ze met hun sporters bespreken welk gedrag (on)gewenst is.
Een derde van de coaches voelt zich beperkt in hun werk door de grote aandacht voor sociale veiligheid in de topsport. Een op de acht voelt zich niet veilig in hun topsportomgeving. Vergeleken met sporters en TD’s hebben coaches relatief weinig vertrouwen in een goede afhandeling van meldingen van grensoverschrijdend gedrag. Ze geven aan dat de coach zelden ‘beschermd’ wordt bij meldingen van misstanden, zeker ten opzichte van sporters.
CVSN veelal onbekend, steeds meer meldingen bij bonden
Het CVSN (Centrum Veilige Sport Nederland) is het meldpunt voor (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, matchfixing en doping in de sport. Onder talentvolle sporters is de bekendheid van het CVSN beperkt: slechts 15 procent kent het. De bekendheid onder topsporters ligt wat hoger, maar is ook beperkt: ongeveer een op de drie kent het CVSN. De bekendheid is groter onder topsporters die een topsportstatus hebben of op een TeamNL-centrum trainen.
De laatste tijd komen er steeds meer meldingen van grensoverschrijdend gedrag binnen bij sportbonden in plaats van bij het CVSN. Een mogelijke verklaring hiervoor is de aanstelling van integriteitsmanagers en het versterken van de meldpunten bij sportbonden.
Vier op de tien topsporters hebben moeite om rond te komen
Een kwart van de topsporters heeft een bruto-inkomen vanuit hun sport van minder dan 10.000 euro per jaar. Bijna de helft werkt naast hun carrière als topsporter. Vier op de tien topsporters geven aan dat hun totale maandelijkse inkomen (uit topsport en werk) niet voldoende is om in hun levensonderhoud te voorzien en hun sport te kunnen beoefenen. Het is hierbij belangrijk om te benoemen dat topsporters uit het betaald voetbal sterk ondervertegenwoordigd zijn.
Topsporters die een stipendium ontvangen van het Fonds voor de Topsporter, geven minder vaak aan dat ze moeite hebben om rond te komen. Maar ook in deze groep is het inkomen voor sommige sporters niet voldoende.
Coaches en TD’s ontevreden over ondersteuning voor ‘afvallers’
De fase van talentontwikkeling is een selectieproces waarbij veel talentvolle sporters vrijwillig of noodgedwongen stoppen met het beoefenen van hun sport op hoog niveau. Passende ondersteuning is belangrijk voor deze jongeren (en hun ouders), maar een groot deel van de coaches en TD’s geeft aan dat er onvoldoende ondersteuning is voor deze uitstromende talentvolle sporters.
We hebben in dit onderzoek geen gestopte of uitgestroomde talentvolle sporters bevraagd. Het is nog onduidelijk aan welke ondersteuning zij behoefte hebben en hoe die vorm moet krijgen.
10.4 Platformfunctie
Maatschappelijke inzet hoort bij positie als topsporter
Twee op de drie topsporters zetten hun bekendheid als topsporter wel eens in voor maatschappelijke doeleinden. Bijvoorbeeld clinics of presentaties. Ze doen dit vooral omdat ze het belangrijk vinden en ervaren dat ze een rolmodel (kunnen) zijn. Ook TD’s zien dit belang: zij vinden allemaal dat maatschappelijke inzet hoort bij de positie die je als topsporter hebt.
10.5 Zichtbaarheid en bereik
Volgen van topsport via media en bezoek redelijk stabiel
Het aandeel mensen dat sport volgt via media of door evenementen te bezoeken is de afgelopen twaalf jaar redelijk stabiel. Iets minder dan 60 procent volgt minimaal wekelijks sport via de media. In 2024 bezocht 17 procent van de Nederlanders van 12 jaar en ouder maandelijks of vaker een sportwedstrijd of sportevenement. Dit is vergelijkbaar met 2022, maar minder dan in de jaren voor de coronapandemie.
10.6 Tot slot
Dit monitoronderzoek laat zien dat de maatschappelijke waardering voor topsport licht is toegenomen. Veel mensen ervaren gevoelens van trots, saamhorigheid en inspiratie. Maar zorgen over sociale veiligheid, inclusie en fair play blijven bestaan.
Sporters en coaches beoordelen het topsportklimaat positiever dan in eerdere jaren. Dat duidt op verbeteringen binnen de topsportomgeving. De ruime meerderheid geeft aan zich veilig te voelen in hun topsportomgeving en tegelijk ervaren sporters nog regelmatig onwenselijk gedrag en is de bekendheid van meldvoorzieningen zoals het CVSN beperkt.
Opvallend is de positie van coaches binnen dit krachtenveld. Zij ervaren vaak een grijs gebied tussen grensverleggend en grensoverschrijdend gedrag. Onzekerheid over wat (on)gewenst is voor individuele sporters en een gebrek aan vertrouwen in de afhandeling van meldingen maken hun positie kwetsbaar. Ook voelen sommige coaches zich belemmerd in hun werk door de nadruk op sociale veiligheid. Dit vraagt om meer ruimte voor dialoog en duidelijke kaders, zodat sporters én coaches weten waar zij aan toe zijn.
Ook op andere terreinen zijn kwetsbaarheden zichtbaar: de financiële positie van topsporters, het beperkte carrièreperspectief van coaches en het gebrek aan ondersteuning voor uitstromende talenten vragen om gerichte beleidsmatige versterking.
Voor het Strategisch Kader Topsport 2032 zijn enkele positieve ontwikkelingen zichtbaar. Bijvoorbeeld de toename in maatschappelijke waardering van topsport, de grotere aandacht voor mentale gezondheid en het verbeterde sportklimaat. Andere ambities laten minder ontwikkeling zien: de zichtbaarheid van topsport via media en evenementen lijkt redelijk stabiel.
De ambities uit het Strategisch Kader realiseren vereist blijvende inzet op cultuurverandering, beleidsmatige borging en structurele ondersteuning. Met nauwe samenwerking tussen sportorganisaties, overheid en sporters en coaches zelf. Zo kan een topsportklimaat ontstaan dat niet alleen optimale prestaties mogelijk maakt, maar ook beschermt, verbindt en maatschappelijke waarde toevoegt.
Bronnenlijst: Bronnen
- Balk, L., Aarnink, A., Heerschop, M., Melman, M., Meulenbroeks, N., & Van Suijlekom, A. (2024). Topsport in Nederland (TiN) 2024. De eerste TiN-monitor. Mulier Instituut.
- Coördinatie en Informatiepunt Topsportevenementen (CIT) (2025). Definitie ‘internationale topsportevenement in Nederland’. https://cit.sport.nl/media/hlrphspl/definitie-internationale-topsportevenementen-in-nederland-cit.pdf
- De Rycke, J., & De Bosscher, V. (2019). Mapping the Potential Scientific Impacts Triggered by Elite Sports: A Conceptual Framework.
- Maltha, S., Hanswijk, M., Verhagen, P., Bongers, F., Stone, S., de Boer, T. (2023). Evaluatie van de evenementenlijst. Dialogic.
- Meulenbroeks, N., & Balk, L. (2025). Topsport: meer dan medailles. Mulier Instituut.
- Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (2023). Strategisch kader topsport 2032. Opgehaald van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2023/06/07/strategisch-kader-topsport-2032
- Nationale Media Onderzoek. (2024). Kijkonderzoek jaar top 100 inclusief sport.
- Olfers, M., & Van Wijk, A. (2025). Vlammende ambitie. Een onderzoek naar de topsportcultuur in Nederland. Verinorm.
Bijlage 1 – Indicatoren
In deze bijlage beschrijven we de indicatoren, opgedeeld in de vier doelen en de overkoepelende ambitie. De voortgang op deze indicatoren is terug te vinden in hoofdstuk 3 t/m 8.
Vergroten van de maatschappelijke waarde van topsport (=‘maatschappelijke waarde’)
In het strategisch kader topsport staat het vergroten van de maatschappelijke waarde van topsport als overkoepelende ambitie beschreven (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2023). De vier doelen moeten samen bijdragen aan deze ambitie.
Om iets te kunnen zeggen over de voortgang op deze ambitie en de maatschappelijke waardering van topsport in kaart te brengen hebben we een verschillende indicatoren opgesteld (zie tabel B1.1).
| Indicator | Subindicatoren | Bron | Beschreven in huidige rapportage |
|---|---|---|---|
| Perceptie maatschappelijke waarde van topsport (MESSI) | – | TiN-vragenlijst onder panel (via Ipsos) | Ja, 3.1 |
| ‘Ervaren waarde’ van topsport | – | TiN-vragenlijst onder panel (via Ipsos) | Ja*, 3.2 |
Breder palet aan topsportprestaties realiseren (=‘Topsportprestaties’)
De waarde van topsportprestaties bestaat uit meer dan alleen het resultaat (de medaille) of het niveau waarop dat resultaat wordt behaald. Prestaties zijn uiteraard onlosmakelijk verbonden met topsport, maar topsport bestaat uit meer aansprekende en inspirerende aspecten dan alleen mondiale medailles.
Naast de internationale medaillespiegel kijken we daarom naar de waardering van verschillende topsportprestaties en -resultaten en naar het niveau van nationale teamcompetities. De individuele indicatoren staan in tabel B1.2.
| Indicator | Deelindicatoren | Bron | Beschreven in huidige rapportage |
|---|---|---|---|
| Medaillespiegel | Olympische medaillespiegel Paralympische medaillespiegel | Gracenote, RIVM-kernindicator | Ja, 4.1 |
| Mate van trots op prestaties van Nederlandse (paralympische) topsporters | Trots op de Nederlandse topsporters | TiN-vragenlijst via NSO, Vrijetijdsomnibus (VTO) | Ja, 4.2 |
| Niveau van Nederlandse topsport ten opzichte van wereldtop | Niveau nationale (team)competities Niveau nationale teams teamsporten Niveau individuele sporten | Deskresearch internationale ranglijsten, TiN-vragenlijst team-topsportverenigingen | Ja, 4.3 |
Maatschappelijk verantwoord organiseren van topsport (= ‘fundament’)
Bij dit doel gaat het om de cultuur, normen en waarden die men binnen de topsport nastreeft. Thema’s zoals het welzijn, de persoonlijke ontwikkeling en het carrièreperspectief van sporters en mensen die in de topsport werken, zijn hierbij belangrijk. Ook integriteit en een veilig topsportklimaat zijn onderwerpen die horen bij het maatschappelijk verantwoord organiseren van topsport.
Bij dit doel horen relatief veel indicatoren. We hebben ze daarom ingedeeld in twee categorieën:
- indicatoren die horen bij sociale veiligheid: denk aan het mentale en fysieke welzijn van sporters en coaches of ervaringen met grensoverschrijdend gedrag;
- indicatoren die horen bij de randvoorwaarden voor een verantwoorde organisatie van de topsport: denk aan de waardering van de topsportomgeving, tevredenheid over opleidings- en topsportprogramma’s, het carrièreperspectief van coaches of de organisatiekracht van topsportverenigingen.
De individuele indicatoren staan in tabel B1.3a (sociale veiligheid) en tabel B1.3b (verantwoorde organisatie van topsport).
| Indicator | Deelindicatoren | Bron | Beschreven in huidige rapportage |
|---|---|---|---|
| Welzijn van talentvolle sporters, topsporters en coaches | Mentale en fysieke gezondheid; Veilige topsportomgeving; Verantwoordelijkheid voor veilige topsportomgeving | TiN-vragenlijst topsporters | Ja, 5.1 |
| Voorkomen van ongewenst gedrag | – | TiN-vragenlijst topsporters en talentvolle sporters | Ja, 5.2 |
| Meldingen van grensoverschrijdend gedrag bij CVSN | Aantal meldingen bij CVSN; Bekendheid met CVSN | CVSN en TiN bevraging talentvolle sporters en topsporters | Ja, 5.3 |
| Redenen voor beëindiging topsportloopbaan | – | TiN-vragenlijst oud-topsporters | Nee |
| Indicator | Deelindicatoren | Bron | Beschreven in huidige rapportage |
|---|---|---|---|
| Waardering van de topsportomgeving | – | TiN-vragenlijst (oud-)topsporters en talentvolle sporters | Ja, 6.1 |
| Inkomen en financiële zekerheid | – | TiN-vragenlijst topsporters en talentvolle sporters | Ja*, 6.2 |
| Inkomen en carrièreperspectief onder topsport- en talentcoaches | Inkomen coaches; Aanstelling; Carrièreperspectief | TiN-vragenlijst coaches en TD’s | Ja, 6.3 |
| Duale carrière en transitie | Combinatie topsport en opleiding/werk; Maatschappelijke carrière | TiN-vragenlijst (oud-) topsporters, talentvolle sporters, coaches en TD’s | Ja, 6.4 (met uitzondering van oud-topsporters) |
| Opleidingsniveau en kwalificatie van huidige coaches | – | TiN-vragenlijst TD’s en coaches | Ja, 6.5 |
| Beoordeling/waardering van opleidings- en topsportprogramma’s | Beoordeling opleidingsprogramma’s; Betrokkenheid ouders van talentvolle sporters; Talentherkenning en -ontwikkeling; Evaluatiemomenten | TiN-vragenlijst (talent)coaches en TD’s | Ja, 6.6 |
| Tevredenheid sporters over kwaliteit/niveau van trainer-coaches | – | TiN-vragenlijst topsporters en talentvolle sporters | Ja, 6.7 |
| Organisatiekracht top-verenigingen | Aantal internationals in nationale topteamsportcompetities; Doorstroom spelers eigen jeugdopleiding; Financiële organisatie; Bezoekersaantallen | TiN-vragenlijst verenigingen topcompetities | Nee |
| Beschikbaarheid, kwaliteit en bereikbaarheid topsporttrainings-accommodaties | Aantal topsporttrainingsaccommodaties; Beoordeling van trainingslocaties; Invloed van trainen op TeamNL centrum op de sportprestatie | TiN-vragenlijst TD’s, coaches, topsporters. Database SportAanbod, gemeenten met S- of S-1-topsport-accommodatie | Ja, 6.8 |
| Specialistische begeleiding in de topsport | – | TiN-vragenlijst topsporters, talentvolle sporters, coaches, oud-topsporters | Ja, 6.9 |
| Voorlichting | Ontvangen voorlichting; Belang van voorlichting | TiN-vragenlijst topsporters en coaches | Ja, 6.10 |
| Belangenbehartiging topsporters | – | TiN-vragenlijst topsporters en TD’s | Ja, 6.11 |
| Totstandkoming en evaluatie van beleid | Evalueren; Invloed van NOC*NSF; Financiering; Duurzaamheid | TiN-vragenlijst TD’s | Ja, 6.12 |
Beter benutten van de platformfunctie van topsport (=‘platformfunctie’)
Publieke en private organisaties kunnen het platform dat topsport biedt benutten om bij te dragen aan hun eigen doelen/vraagstukken. Het bereik en de zichtbaarheid van topsport biedt mogelijkheden om maatschappelijke thema’s zoals vitaliteit, duurzaamheid of inclusie te adresseren.
Topsportevenementen zijn een belangrijk instrument om de platformfunctie van topsport te benutten. Indicatoren binnen deze pijler zijn gericht op het monitoren van de organisatie van topsportevenementen en de inzet op maatschappelijke doeleinden. Daarnaast kijken we breder naar de inzet van topsport(ers) (topsportprogramma’s, commercieel, teamcompetities, paralympisch) voor maatschappelijke doeleinden.
De individuele indicatoren staan in tabel B1.4.
| Indicator | Deelindicatoren | Bron | Beschreven in huidige rapportage |
|---|---|---|---|
| Aantal en type topsportevenementen | – | Coördinatie- en Informatiepunt Topsport-evenementen (CIT) | Ja, 7.1 |
| Aantal gecombineerde topsportevenementen paralympische en valide topsport | – | CIT | Ja, 7.2 |
| Inzet van topsport en topsporters voor maatschappelijke doeleinden | – | TiN-vragenlijst topsporters en TD’s | Ja, 7.3 |
| Inzet op vergroten maatschappelijke waarde op lokaal niveau | – | Analyse lokale sportakkoorden, TiN-bevraging via VSG-panel | Nee |
Vergroten van zichtbaarheid en bereik van topsport (= ‘zichtbaarheid en bereik’)
Bij de zichtbaarheid en het bereik gaat het om de verschillende manieren waarop de maatschappij bereikt kan worden via topsport. Zowel media als topsportevenementen spelen hierbij een belangrijke rol.
Indicatoren zijn gericht op het aandeel van de mensen en het type mensen dat topsport volgt via media en/of bezoekt, en over trends in dit volggedrag. De individuele indicatoren staan in tabel B1.5.
| Indicator | Deelindicatoren | Bron | Beschreven in huidige rapportage |
|---|---|---|---|
| Aandeel mensen dat topsport volgt via media en/of bezoek | Sport volgen via de media; Evenementen bezoeken | VTO, kernindicator RIVM, TiN-bevraging via panel | Ja, 8.1 |
| Diversiteit sportaanbod publieke kanalen | Sportaanbod publieke kanalen; Zichtbaarheid van nationale topteamcompetities in media | Kijkcijfers stichting Kijkonderzoek Monitor topteamsport-competities | Ja, 8.2 |
Bijlage 2 – Respondenten TiN-bevraging 2024
| Sport | Topsporters | Voormalig topsporters | Talenten | Coaches |
|---|---|---|---|---|
| Atletiek | 44 | – | 85 | 11 |
| Autosport | – | – | 31 | <5 |
| Badminton | <5 | – | 18 | <5 |
| Baseball en Softball | 12 | <5 | 81 | <5 |
| Basketball | 17 | <5 | 77 | 6 |
| Biljarten | – | – | – | <5 |
| Bobsleeën | <5 | – | 8 | <5 |
| Boksen | <5 | <5 | <5 | <5 |
| Bowlen | – | – | 11 | <5 |
| Bridge | <5 | <5 | – | <5 |
| Cricket | – | – | <5 | – |
| Curling | <5 | – | <5 | – |
| Dammen | <5 | <5 | – | <5 |
| Dansen | – | – | 13 | – |
| Gehandicaptensport | 11 | <5 | – | <5 |
| Golf | – | – | 22 | <5 |
| Gymnastiek | 10 | <5 | 88 | 5 |
| Handbal | 60 | <5 | 54 | <5 |
| Handboogschieten | <5 | – | 29 | <5 |
| Hockey | 65 | – | 48 | 9 |
| IJshockey | – | – | 79 | <5 |
| Judo | 15 | <5 | 44 | 9 |
| Karate | – | – | 11 | <5 |
| Klimmen | – | – | 8 | <5 |
| Korfbal | 14 | <5 | 16 | 5 |
| Krachtsport en fitness | – | – | – | <5 |
| Motorrijden | – | – | 8 | – |
| Paardrijden | 7 | – | 84 | 6 |
| Roeien | 22 | <5 | 31 | 12 |
| Rugby | – | <5 | 35 | – |
| Schaatsen | 6 | – | 171 | 9 |
| Schaken | – | – | 16 | – |
| Schermen | <5 | – | 14 | – |
| Schieten | – | – | <5 | – |
| Skateboarden | <5 | – | <5 | – |
| Skiën | 14 | <5 | 38 | <5 |
| Squash | – | – | 6 | – |
| Surfen | – | – | <5 | – |
| Taekwondo | – | – | 7 | <5 |
| Tafeltennis | <5 | – | 24 | – |
| Tennis en padel | 10 | – | 85 | 10 |
| Triathlon | 7 | – | 20 | <5 |
| Voetbal | 11 | – | 16 | <5 |
| Volleybal | 129 | <5 | 15 | 18 |
| Watersport | 11 | – | 44 | 8 |
| Wielrennen | 38 | <5 | 84 | 12 |
| Zwemmen | 38 | 5 | 128 | 12 |
| Totaal | 565 | 22 | 1.565 | 173 |
Voetnoten
- De TSKM is een 4-jaarlijks topsportonderzoek dat liep van 1998 tot 2019: [https://topsportklimaatmeting.sites.uu.nl/](https://topsportklimaatmeting.sites.uu.nl/). Waar mogelijk vergelijken we de resultaten uit de TiN met eerdere metingen uit de TSKM. ↩︎
- CVSN maakt per melder een dossier aan, ook als dit gaat over dezelfde situatie en/of dezelfde beschuldigde. ↩︎
- Het cijfer voor 2023 verschilt van de TIN rapportage 2024, door het gebruik van een andere definitie van een topsportevenement. ↩︎
Gegevens
Informatie over de PDF.
Download
Download PDF-bestand met verwijzing naar deze pagina.
Toegankelijk
Navigatie
Terug naar alle documenten.